Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Personeel van Europees Centrum voor de ontwikkeling van beroepsopleiding - Artikelen 43 en 44 van verordening nr. 1859/76 - Toepassing van rechtspraak betreffende artikelen 90 en 91 Statuut
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; verordening nr. 1859/76 van de Raad, art. 43 en 44)
2. Ambtenaren - Beroep - Verzoek om inlichtingen, dat door verzoeker naderhand als klacht wordt gekwalificeerd - Gelijkstelling met voorafgaande administratieve klacht in zin van artikel 90, lid 2, Statuut - Ontoelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)
3. Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Nota met tevredenheidsbetuiging aan ambtenaar, die diens rechtspositie niet kan wijzigen - Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Partijen
In zaak T-39/91,
D. Hermann, werkzaam bij Cedefop, wonende te Berlijn, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, vertegenwoordigd door M. Riva als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding van 30 januari 1991, waarbij verzoekster werd heringedeeld in de rang B 5/1, en, voorzover nodig, van het in een nota van 21 februari 1991 vervatte, uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 30 januari 1991,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, D. A. O. Edward en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Verzoekster is in 1977 in dienst getreden bij het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (hierna: "Cedefop") in de rang C 1/2. Van 1984 tot 1989 werkte zij daar als secretaresse van de directeur. Op 4 september 1989 werd zij tewerk gesteld in de directie "conferenties" van de in 1988 opgerichte, nieuwe dienst "conferenties en tolken". Op 10 maart 1989 vroeg de directeur van Cedefop in de raming van inkomsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 1990 een nieuwe B 3-post aan in ruil voor een C 3-post. Deze aanvraag werd door de begrotingsautoriteiten geweigerd. Een latere aanvraag van een B 3-post in ruil voor een C 1-post voor het begrotingsjaar 1991 werd daarentegen wel ingewilligd. In een handgeschreven nota van 21 december 1990, waarin de directeur zijn tevredenheid uitsprak over een door verzoekster gemaakt verslag, verklaarde hij:
"Uw herindeling in B 3 is definitief vastgelegd in de begroting voor 1991, die zojuist is goedgekeurd."
2 Bij brief van 3 januari 1991 deelde het directoraat-generaal "Personeelszaken en algemeen beheer" van de Commissie de directeur van Cedefop mede, dat "een benoeming in B 3 niet mogelijk was". Vervolgens liet de directeur verzoekster bij schrijven van 30 januari 1991 het volgende weten:
"Tot mijn genoegen kan ik U meedelen dat de begrotingsautoriteit de omzetting van uw C-post in een B-post heeft goedgekeurd.
Overeenkomstig de regels van de Commissie alsmede de tot dusver bij Cedefop geldende praktijk, zult U in de aanvangsrang van loopbaan B worden ingedeeld, dus in rang B 5.
Uw salaris blijft dat van de rang C 1; in het vervolg heeft u evenwel geen recht meer op de secretariaatstoelage."
3 Bij schrijven van 30 januari 1991 reageerde verzoekster hierop als volgt:
"Uw brief van 30 januari 1991 (471/98208) heeft mij hogelijk verbaasd. Ik kan mij niet bij Uw besluit neerleggen. Ik verzoek om opschorting van de betrokken administratieve handeling.
Ik ben voornemens mij voor rechtsbijstand te wenden tot mijn vakbond in Brussel en beroep in te stellen overeenkomstig artikel 43, lid 2, en artikel 44, lid 4."
4 Op 1 februari 1991 schreef verzoekster de directeur opnieuw:
"Onder verwijzing naar:
- document XIV-8 inzake de raming van inkomsten en uitgaven voor 1991 (uittreksel in bijlage),
- Uw handgeschreven nota van 21 december 1990 (kopie in bijlage),
- Uw brief van 30 januari 1991 (kopie in bijlage),
verzoek ik U mij precies de redenen uiteen te zetten die voor U aanleiding zijn geweest Uw besluit te wijzigen, een en ander ter completering van mijn dossier."
5 Met een handgeschreven nota van 21 februari 1991 deed de directeur verzoekster een afschrift toekomen van een diezelfde dag door hem aan de voorzitter van het personeelscomité gestuurde brief, waarin hij uitlegde dat verzoekster niet in B 3 kon worden ingedeeld.
6 Bij verzoekschrift, ingeschreven bij de griffie van het Gerecht op 28 mei 1991, heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van Cedefop van 30 januari 1991, houdende herindeling van verzoekster in de rang B 5, en, voorzover nodig, van het in een nota van 21 februari 1991 vervatte, uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 30 januari 1991.
7 Tot staving van haar beroep betoogt verzoekster, dat zij al sinds 4 september 1989 werkzaamheden verricht die overeenkomen met die van een B 3-post. Cedefop was dus verplicht, haar in die rang in te delen. De "intrekking" van het "besluit" van 21 december 1990 beschouwt zij bovendien als onwettig of althans als een schending van het vertrouwensbeginsel.
8 Volgens Cedefop is het beroep niet-ontvankelijk, aangezien er niet eerst een klacht is ingediend, en er ook geen sprake is van een bezwarend besluit. Ten principale stelt Cedefop dat het onmogelijk is verzoekster in B 3 in te delen.
9 Om te beginnen zij opgemerkt, dat voor de beambten die onder de regeling vallen welke van toepassing is op het personeel van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding ((verordening (EEG) nr. 1859/76 van de Raad van 29 juni 1976 (PB 1976, L 214, hierna: "Cedefop-regeling"))), waaronder verzoekster, de in gevallen als deze te volgen beroepsweg is vastgelegd in de artikelen 43 en 44.
10 Artikel 43 van de Cedefop-regeling bepaalt:
"2. Iedere in deze regeling bedoelde persoon kan bij de Raad van Bestuur een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat de directeur een besluit heeft genomen, dan wel omdat hij geen bij deze regeling verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend (...).
3. Indien het beambten betreft moeten het verzoek en de klacht langs de hiërarchieke weg worden ingediend, behalve wanneer zij de directe chef van de beambte betreffen; in dat geval kunnen zij rechtstreeks bij de onmiddellijke meerdere van deze chef worden ingediend."
Artikel 44 bepaalt:
"1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen het Centrum en een van de in deze regeling bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 43, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.
2. Een beroep op het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is slechts ontvankelijk:
- indien men zich tevoren tot de raad van bestuur heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 43, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn, en
- indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen."
11 Verweerder is van mening, dat de twee brieven van verzoekster niet als een klacht in de zin van artikel 43, lid 2, kunnen worden aangemerkt. In haar eerste brief van 30 januari 1991 kondigt verzoekster aan dat zij van plan is haar vakbondsvertegenwoordigers te raadplegen en in de toekomst een klacht in te dienen ("Ich beabsichtige, den in Artikel 43; Abs. 2, bzw. Artikel 44, Abs. 4 vorgesehenen Beschwerdeweg zu gehen"). Dat kan niet als een klacht worden gekwalificeerd. Bovendien wordt daarin geen enkel middel tegen het bestreden besluit aangevoerd. In de tweede brief van 1 februari 1991 vroeg verzoekster de directeur van Cedefop om de redenen van zijn besluit nader toe te lichten, ter completering van haar dossier. In geen van deze brieven heeft zij haar grieven tegen de administratie nader gepreciseerd.
12 In casu is volgens verweerder dus aan geen van de in artikel 44, lid 2, gestelde voorwaarden voldaan. Bijgevolg concludeert het, dat het het Gerecht behage, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
13 Volgens verzoekster is de brief van de directeur van 30 januari 1991 betreffende haar herindeling het bezwarende besluit in de zin van artikel 43, lid 2, van de Cedefop-regeling. Zij merkt haar brief aan de directeur van 30 januari 1991 aan als een klacht tegen dat besluit. Haar brief van 1 februari 1991, waarbij zij documenten en bijlagen heeft toegezonden, heeft deze klacht aangevuld. De nota die de directeur haar op 1 februari 1991 deed toekomen, beschouwt zij als een uitdrukkelijke afwijzing van de klacht.
14 Volgens artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. In deze zaak acht het Gerecht zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht en besluit het dat de procedure niet behoeft te worden voortgezet.
15 De artikelen 43 en 44 van de Cedefop-regeling zijn in wezen gelijkluidend aan de artikelen 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Dientengevolge is de rechtspraak van het Hof inzake de artikelen 90 en 91 in casu van toepassing, en wel in die zin, dat wanneer de raad van bestuur van Cedefop een besluit heeft genomen en dit besluit bezwarend is voor de beambte, deze beambte de klachtprocedure van artikel 43, lid 2, dient te volgen, wanneer hij vernietiging, wijziging of intrekking van dat hem bezwarende besluit wil vragen (zie de analoge rechtspraak inzake de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut, met name de beschikking van het Hof van 4 juni 1987, zaak 16/86, G. P., Jurispr. 1986, blz. 2409; het arrest van het Hof van 3 februari 1977, zaak 91/76, Lacroix, Jurispr. 1977, blz. 225, r.o. 10; de beschikkingen van het Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich; 1 oktober 1991, zaak T-38/91, Coussios, alsmede de arresten van het Gerecht van 7 februari 1991, zaak T-59/89, Williams, en 22 februari 1990, zaak 72/89, Bocos Viciano, Jurispr. 1990, blz. II-58).
16 Het Gerecht dient dus de hierboven genoemde brieven van verzoekster juridisch te kwalificeren. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de beschikking van het Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich, Jurispr. 1991, blz. II-235, en het arrest van het Gerecht van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Perez-Minguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143), staat de kwalificatie van een brief uitsluitend ter beoordeling van de rechter en hangt zij niet af van de wil van partijen.
17 Er zij aan herinnerd, dat verzoekster in de door haar als klacht aangemerkte brief van 30 januari 1991 aan de directeur van Cedefop bezwaar maakte tegen diens brief van 30 januari 1991, waarin hij haar had meegedeeld, dat de begrotingsautoriteit de omzetting van haar C-post in een B-post had goedgekeurd, dat zij in de rang B 5 zou worden ingedeeld en dat haar salaris op het niveau van rang C 1 zou blijven, zonder secretariaatstoelage.
18 In deze eerste brief van 30 januari 1991 kondigde verzoekster uitdrukkelijk aan, dat zij van plan was zich voor rechtsbijstand tot haar vakbond te wenden en "beroep in te stellen overeenkomstig artikel 43, lid 2, en artikel 44, lid 4", - dat wil zeggen de klachtprocedure en niet de beroepsprocedure in formele zin voor de gemeenschapsrechter. Deze uitlegging van de brief van 30 januari 1991 wordt bevestigd door haar latere brief van 1 februari 1991, waarin zij de directeur van Cedefop verzoekt "de redenen uiteen te zetten die voor U aanleiding zijn geweest Uw besluit te wijzigen, een en ander ter completering van mijn dossier". De brieven van 30 januari 1991 en 1 februari 1991 behelsden in werkelijkheid dus een voorafgaand verzoek om inlichtingen om verzoekster in staat te stellen haar dossier te completeren en een klacht in te dienen. Zulke brieven kunnen niet als een klacht worden aangemerkt.
19 Bovendien is de handgeschreven tevredenheidsbetuiging van 21 december 1990, noch naar de inhoud, noch naar de vorm, een besluit dat ten aanzien van verzoekster enig subjectief recht in het leven kon roepen.
20 Uit het vorengaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer zulks is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven de kosten die de instellingen maken in beroepsprocedures van personeelsleden van de Gemeenschappen evenwel te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 25 februari 1992.
Full & Egal Universal Law Academy