Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Klacht ingediend na beroep - Kennelijke niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 111)
Partijen
In zaak T-48/91,
D. Minic, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, wonende te Petit-Failly (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Grand-Rue 31,
verzoeker,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Stenier als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter zetel van de Rekenkamer, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 17 mei 1991, waarbij verzoeker per 3 juni 1991 is ontheven van zijn functie als planner/cooerdinator van de vertaaldienst en is teruggeplaatst bij de Duitse vertaalsectie van de Rekenkamer,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Yeraris, kamerpresident, A. Saggio en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 18 juni 1991, heeft D. Minic, ambtenaar bij de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, krachtens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") verzocht om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 17 mei 1991, waarbij hij per 3 juni 1991 is ontheven van zijn functie als planner/cooerdinator van de vertaaldienst en is teruggeplaatst bij de Duitse vertaalsectie van de Rekenkamer.
2 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 15 november 1982 werd verzoeker in vaste dienst aangesteld als vertaler in de rang LA 7 bij de Duitse vertaalsectie.
3 Op 8 oktober 1983 werd hij voor de volle arbeidstijd belast met terminologiewerk bij de vertaaldienst en met de betrekkingen tussen de vertaaldienst en ADAR (Audit Development and Reports).
4 Bij besluit van 20 november 1986 werd hij bevorderd tot de rang LA 6 zonder wijziging van ambt.
5 Op 6 mei 1987 liet de voorzitter van de Rekenkamer de leden van de Rekenkamer weten, dat hij had besloten om binnen de vertaaldienst een functie van cooerdinator in te stellen en dat hij deze functie aan verzoeker had toevertrouwd.
6 Op 1 februari 1990 ontving verzoeker van zijn afdelingshoofd een nota waarin werd bevestigd, dat hij voortaan de functie van "assistent van het hoofd van de vertaaldienst, belast met de cooerdinatie en de planning van het vertaalwerk" zou uitoefenen.
7 Op 17 mei 1991 liet de secretaris-generaal van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag aan verzoeker weten, dat deze per 3 juni 1991 van zijn functie als planner/cooerdinator van de vertaaldienst werd ontheven en met ingang van dezelfde datum werd teruggeplaatst bij de Duitse vertaalsectie.
8 Bij brief van hetzelfde tot aanstelling bevoegd gezag van dezelfde datum werd de post van planner/cooerdinator afgeschaft en werden de taken die verzoeker tot dan toe verrichtte, aan diens hiërarchieke meerdere toevertrouwd.
9 In een aan de secretaris-generaal van de Rekenkamer gerichte nota van 22 mei 1991 verklaarde verzoeker: "Ik kan de wijze waarop ik ben behandeld, niet aanvaarden en ik verzoek u, mij alle ophelderingen te verstrekken over deze zaak, waarin ik het gelag betaal. Hierna geef ik u mijn versie van de feiten, waarbij niet uit het oog mag worden verloren, dat ik steeds onder het gezag en de verantwoordelijkheid van mijn hiërarchieke meerdere heb gehandeld met het plichtsbesef dat noodzakelijk is voor een baan die ongetwijfeld tot de meest stress veroorzakende van de Rekenkamer behoort, daar men steeds tussen twee vuren zit."
10 Op 20 juni 1991 wendde verzoeker zich tot het tot aanstelling bevoegd gezag met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin hij zijn verzoek herhaalde.
11 Wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het Gerecht ingevolge artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering bij een met redenen omklede beschikking beslissen. Van oordeel dat de processtukken in het onderhavige geval voldoende gegevens bevatten, beslist het Gerecht dat de behandeling niet behoeft te worden voortgezet.
12 Volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut is het beroep van een ambtenaar slechts ontvankelijk wanneer deze zich van tevoren tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gewend met een klacht op grond van artikel 90, lid 2. Deze klacht moet binnen een termijn van drie maanden tegen de als bezwarend aangemerkte handeling worden ingediend . Vaststaat evenwel, dat verzoeker pas op 20 juni 1991, dat wil zeggen twee dagen na de instelling van het onderhavige beroep, een klacht heeft ingediend tegen de handeling die hij bezwarend acht.
13 Derhalve moet worden vastgesteld, dat niet van tevoren een klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut bij het tot aanstelling bevoegd gezag is ingediend.
14 Opgemerkt zij, dat het feit dat bij dit beroep een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling is gevoegd, verzoeker niet ontslaat van de verplichting om vooraf een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen. Artikel 91, lid 4, van het Statuut biedt hem slechts de mogelijkheid, zich na de indiening van zijn klacht onmiddellijk tot het Gerecht te wenden zonder te moeten wachten op een uitdrukkelijk of stilzwijgend antwoord van het tot aanstelling bevoegd gezag.
15 Aangezien verzoeker zijn klacht pas na de instelling van zijn beroep heeft ingediend, voldoet dit laatste kennelijk niet aan de voorwaarden van artikel 91 van het Statuut.
16 Mitsdien moet worden vastgesteld dat verzoekers beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
beschikt:
1. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 9 juli 1991.
Full & Egal Universal Law Academy