Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Zuiver geldelijke schade
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
Voor de beoordeling van het in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht genoemde spoedeisend karakter van een verzoek in kort geding moet worden uitgegaan van de noodzaak om voorlopig uitspraak te doen ten einde te voorkomen dat de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt.
Zuiver geldelijke schade kan in beginsel niet als onherstelbaar worden beschouwd, voor zover daarvoor later financieel herstel kan worden geboden. De rechter behoort echter de bijzondere omstandigheden van ieder afzonderlijk geval te onderzoeken en op grond daarvan te beoordelen of de onverwijlde tenuitvoerlegging van het besluit voor verzoeker onherstelbare, niet door vernietiging daarvan in de procedure ten gronde goed te maken schade veroorzaakt.
Partijen
In zaak T-52/91 R,
Carine Smets, voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Overijse (België), vertegenwoordigd door mr. G. van der Wal, advocaat te Brussel, lid van de Orde van advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, ten kantore van Aloyse May, advocaat, Grand-rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, juridisch adviseur, en door P. Lafili, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het bij brief van 11 maart 1991 medegedeelde besluit van verweerster tot beëindiging met ingang van 12 juni 1991 van verzoeksters overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris voor onbepaalde duur,
geeft
de president van de Vijfde kamer van het Gerecht,
waarnemende voor de president van het Gerecht conform de artikelen 106, alinea 2, en artikel 9, alinea 1, van het Reglement voor de procesvoering,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie op 27 juni 1991 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen: Statuut) juncto artikel 46 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen: RAP) beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beslissing van verweerster medegedeeld aan verzoekster bij brief van 11 maart 1991, inhoudende de beëindiging met ingang van 12 juni 1991 van haar overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd.
2 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ter griffie ingeschreven, heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek ingediend, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ontslagbeslissing met bepaling dat de overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris hangende de procedure ten gronde dient te worden voortgezet.
3 Verweerster heeft op 8 juli 1991 schriftelijk van antwoord gediend. Op 30 juli 1991 hebben partijen haar standpunten mondeling toegelicht.
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken zal de achtergrond van het geschil van partijen beknopt worden weer te geven.
5 Verzoekster is per 1 maart 1984 toegelaten tot een opleidingsstage bij de Gemeenschappelijke Tolken- en conferentiedienst (hierna te noemen: GTCD) van de Commissie. Het stagecontract had aanvankelijk een looptijd van twee maanden. Het zou met twee maanden en vervolgens opnieuw met twee maanden worden verlengd indien verzoekster zou slagen voor de examens die steeds aan deze verlengingen vooraf gingen.
6 Na kennelijk de tussenliggende examens met goed gevolg te hebben afgelegd, is verzoekster geslaagd voor het examen afgenomen aan het einde van de stage. Daarna is zij bij arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 1984 aangesteld als tijdelijk functionaris bij de GTCD met standplaats Brussel, belast met de functie van adjunct-tolk geplaatst in de categorie LA, rang 8. Het betrof een ambt als bedoeld in artikel 2, sub b, RAP. Deze overeenkomst gold voor twee jaar.
7 Tijdens de looptijd van deze overeenkomst is verzoekster geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor de categorie LA, rang 7. Met ingang van 1 oktober 1985 is zij bevorderd tot de functie van tolk en als functionaris in tijdelijke dienst geplaatst in de categorie LA, rang 7.
8 De overeenkomst is met ingang van 1 januari 1987 verlengd tot 31 december 1987.
9 Vervolgens is verzoekster bij arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden met ingang van 1 januari 1988 aangesteld als tijdelijk functionaris belast met de functie van tolk in categorie LA, rang 7, bij de GTCD. Dit betrof een ambt als bedoeld in artikel 2, sub a, RAP.
10 Bij brief van 24 mei 1987 is deze overeenkomst verlengd tot 31 december 1988.
11 Hierna is de overeenkomst bij brief van 8 november 1988 voor onbepaalde tijd verlengd. Deze brief bevat onder meer de volgende passage: "De arbeidsvoorwaarden en de andere in de overeenkomst vastgestelde bepalingen blijven ongewijzigd. Het spreekt vanzelf dat U zich moet aanmelden voor het eerstvolgende externe vergelijkende onderzoek voor tolken/adjunct-tolken dat voor U open zou staan; mocht U hiervoor niet slagen dan zal Uw contract worden opgezegd".
12 In juni 1989 publiceerde de Commissie aankondigingen voor twee interne vergelijkende onderzoeken, het eerste voor tolken (LA 7/6) onder nummer COM/LA/1/89 en het tweede voor adjunct-tolken (LA 8) nummer COM/LA/2/89. Verzoekster schreef zich in voor het vergelijkende onderzoek COM/LA/2/89. Op 25 november 1990 nam zij deel aan het mondelinge gedeelte daarvan, waarbij de toetsen consecutief tolken Frans-Nederlands, Engels-Nederlands en Nederlands-Frans werden afgelegd. Verzoekster is niet toegelaten tot de overige onderdelen van het onderzoek.
13 Bij brief van 8 maart 1991 is verzoekster medegedeeld dat de jury haar niet op de lijst van geschikte kandidaten had geplaatst. Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij het Gerecht beroep ingesteld, waar het onder nummer T-44/91 is ingeschreven. Deze zaak is nog hangende.
14 Bij brief van 11 maart 1991 heeft de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie verzoekster medegedeeld dat het daartoe bevoegde gezagsorgaan overeenkomstig artikel 5 van de arbeidsovereenkomst had besloten haar aanstelling als tijdelijk functionaris te beëindigen. Met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden werd de aanstelling op 12 juni 1991 's avonds beëindigd.
15 De antwoordtermijn van de door verzoekster op 7 juni 1991 ingediende klacht tegen de beëindiging van haar aanstelling als tijdelijk functionaris is nog niet verstreken. De procedure ten principale voor het Gerecht is ingevolge artikel 91, lid 4, van het Statuut opgeschort totdat een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht wordt genomen.
In rechte
16 Ingevolge artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling een duidelijke omschrijving te bevatten van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
17 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of de gevraagde voorlopige maatregel spoedeisend is in dier voege dat het noodzakelijk is dat zij nog vòòr de beslissing ten gronde wordt genomen om te voorkomen dat verzoekster ernstige en onherstelbare schade lijdt.
18 In dit verband heeft verzoekster gesteld dat zij ten gevolge van het te verwachten tijdsverloop tot de beslissing ten gronde ernstige en onherstelbare schade zal lijden. Zij stelt dat de tijdelijke en ernstige inkomensachteruitgang grote bezwaren en nadelen voor haar heeft in verband met aangegane verplichtingen en het gedurende meer dan zeven jaren gebruikelijke inkomen. Verzoekster benadrukt dat waar (dreigende) financiële schade in andere zaken niet wordt beschouwd als ernstige en onherstelbare schade dit in ambtenarenzaken, althans in casu, anders is aangezien; het betreft het inkomen van een privé-persoon, die rechtstreeks geraakt wordt door een ernstige inkomensdaling ook al heeft die een tijdelijk karakter. Voorts acht verzoekster vooral de dreigende achteruitgang van haar vaardigheden door een langere periode van non-activiteit van belang. Het zou een onevenredig grote inspanning vergen om later het gemis aan dagelijkse praktijk en ervaring te herstellen. Werkzaamheden buiten de Commissie, aldus verzoekster, zijn van zodanige andere aard dat deze, voor zover al beschikbaar, geen reëel alternatief vormen. Verzoekster is van oordeel dat de Commissie geen enkel nadeel zal ondervinden van continuering van haar aanstelling in afwachting van een beslissing in de zaak ten gronde.
19 Verweerster is daarentegen van oordeel dat de zaak geen spoedeisend karakter heeft, aangezien verzoekster tot 26 juni 1991, dat wil zeggen tot na de ingangsdatum van het ontslag, heeft stilgezeten alvorens voorlopige maatregelen te verzoeken. Voorts meent zij dat de geldelijke schade die verzoekster lijdt ten gevolge van het wegvallen van haar inkomen als tijdelijk functionaris haar geen ernstige en onherstelbare schade doet toekomen. Ingevolge artikel 28 bis, lid 3, RAP kan verzoekster immers aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering. Ten aanzien van het gestelde verlies aan professionele vaardigheden werpt verweerster tegen dat verzoekster daarmee tewerkstellingsmogelijkheden buiten de Commissie miskent. Voorts merkt zij op dat verzoekster zich nog niet als kandidaat free-lance tolk bij de GTCD heeft aangemeld.
20 Volgens vaste rechtspraak kan zuiver geldelijke schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs moeilijk te herstellen worden beschouwd, voor zover daarvoor later financieel herstel kan worden geboden. De rechter behoort echter - met inachtneming van het belang van de betrokken instelling bij de uitvoering van het bestreden besluit - de bijzondere omstandigheden van ieder afzonderlijk geval te onderzoeken en op grond daarvan te beoordelen of de onverwijlde tenuitvoerlegging van het besluit voor verzoeker onherstelbare, niet door vernietiging daarvan in de procedure ten gronde goed te maken schade veroorzaakt.
21 Artikel 28 bis, lid 1, RAP bepaalt dat de gewezen tijdelijke functionaris die na beëindiging van zijn dienst bij een instelling van de Europese Gemeenschappen werkloos is, onder bepaalde voorwaarden een maandelijkse werkloosheidsuitkering ontvangt. Volgens lid 3 van dat artikel wordt deze uitkering vastgesteld op 60 % van het basissalaris gedurende de eerste twaalf maanden, op 45 % van de dertiende tot en met de achttiende maand en op 30 % van de negentiende tot en met de vierentwintigste maand, met dien verstande dat de aldus vastgestelde uitkeringen niet minder dan 30 000 BFR en niet meer dan 60 000 BFR bedragen. Ingevolge artikel 28 bis, lid 5, RAP heeft de gewezen tijdelijke functionaris die een werkloosheidsuitkering ontvangt, recht op gezinstoelagen als bedoeld in artikel 67 Statuut en, onder zekere voorwaarden, recht op dekking van ziekterisico' s voor zich en zijn gezinsleden.
22 Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster opgemerkt, dat haar maandelijks netto arbeidsinkomen zal dalen van in totaal circa 122 000 BFR naar 60 000 BFR aan werkloosheidsuitkering (exclusief toelagen) en dat daardoor liquiditeitsproblemen zullen ontstaan. Voorts zal volgens verzoekster achteruitgang van levensstandaard volgen.
23 Aan verzoekster kan worden toegegeven dat aldus sprake is van een relatief niet onaanzienlijke achteruitgang in arbeidsinkomsten, doch op grond daarvan kan niet zonder meer worden aangenomen dat ernstige en blijvende schade aan de kant van verzoekster zal ontstaan, ook niet indien zij zoals zij stelt een maandelijkse hypotheeklast van 50 000 BFR heeft. Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling immers bevestigd dat verzoekster conform de daarvoor geldende regelingen maandelijks de werkloosheidsuitkering en gezinstoelagen zal ontvangen, terwijl ten processe door verzoekster niet is gesteld en evenmin is gebleken dat zij door de achteruitgang in arbeidsinkomsten daadwerkelijk in acute liquiditeitsproblemen geraakt.
24 Verzoekster heeft voorts aangevoerd ernstige en onherstelbare schade te zullen lijden door achteruitgang van haar vaardigheden als tolk indien zij gedurende langere tijd niet als zodanig werkzaam zou zijn en dat herstel van haar vaardigheden onevenredig grote inspanningen zal vergen.
25 Op grond van dit betoog kan niet worden aangenomen dat verzoekster inderdaad ernstige en blijvende schade zal lijden. Verzoekster geeft immers te kennen dat herstel van haar vaardigheden als tolk na een periode van non-activiteit in principe mogelijk is. Daarbij komt dat het verlies van vaardigheden door haar kan worden beperkt door het verrichten van werkzaamheden binnen of buiten de Commissie, en dat laatste eventueel door op free-lance basis voor de GTCD te gaan werken. Verzoekster heeft zich echter, naar zij tijdens de mondelinge behandeling heeft meegedeeld, niet als free-lance tolk voor de GTCD aangemeld. In dit verband dient tevens te worden bedacht dat een tijdelijke verminderde inzetbaarheid als tolk tengevolge van achteruitgang van verzoeksters vaardigheden bij eventuele vernietiging van het aangevallen besluit in de procedure ten gronde met name aan verweerster schade zal berokkenen.
26 Uit het voorgaande volgt dat van een spoedeisend karakter van de gevraagde opschorting van de beschikking tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 12 juni 1991 geen sprake is. Het desbetreffende verzoek dient dan ook te worden afgewezen zonder dat op het overige door verzoekster aangevoerde behoeft te worden ingegaan.
27 De beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden tot de eindbeslissing in de bodemprocedure.
Dictum
de president van de Vijfde kamer,
waarnemende voor de president van het Gerecht,
uitspraak doende bij voorraad,
1) Wijst af het verzoek tot schorsing van de beschikking tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 12 juni 1991.
2) Houdt aan de beslissing omtrent de kosten.
Luxemburg, 1 augustus 1991.
Full & Egal Universal Law Academy