Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Voorwerp ° Bevel aan administratie ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Termijnen ° Van openbare orde ° Beroep ingesteld vóór afwijzing van klacht ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ° Middelen ° Onwettigheid van besluit van tot aanstelling bevoegd gezag, waartegen niet tijdig is opgekomen ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding, ingesteld zonder precontentieuze procedure overeenkomstig Statuut ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Partijen
In zaak T-72/91,
A. M. Moat, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door E. Moons, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, Rue des Bains 14 A,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur Th. F. Cusack als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om de Commissie te gelasten verzoeker te bevorderen naar de rang A 3 en hem een met die rang overeenkomende bezoldiging toe te kennen, en de Commissie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, R. Schintgen en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, A. M. Moat, is ambtenaar in de rang A 4 bij de Commissie. Onder verwijzing naar het feit dat in al zijn beoordelingsrapporten sinds 1981 in lovende bewoordingen over zijn leidinggevende capaciteiten wordt gesproken en zijn bevordering wordt aanbevolen, stelt hij aanspraak te kunnen maken op bevordering of overplaatsing.
2 Verzoeker verklaart, op 9 augustus 1990 te hebben ontdekt dat zijn beoordelingsrapporten over de tijd na 30 juni 1985 zich niet in zijn persoonsdossier bevonden. In zijn hoedanigheid van lid van het personeelscomité had hij dit feit bij brief van 10 augustus 1990 onder de aandacht van de secretaris-generaal van de Commissie gebracht en daarbij een vraagteken geplaatst bij de geldigheid van diverse benoemingen die in tussentijd hadden plaatsgevonden.
3 Verzoekers brief van 10 augustus 1990 werd door de secretaris-generaal beantwoord bij schrijven van 29 oktober 1990. Hierin verklaarde de secretaris-generaal, dat er vertraging was ontstaan bij de klassering van documenten in de persoonsdossiers, maar dat er inmiddels verbetering in de situatie was gekomen. De directeur-generaal die voor verzoekers beoordelingsrapporten verantwoordelijk was, zo vervolgde het schrijven, was echter te allen tijde in staat geweest verzoekers sollicitaties te beoordelen. Ook het raadgevend comité benoemingen had over het curriculum vitae van verzoeker beschikt en was dus bij het onderzoek van zijn sollicitaties in staat geweest deze met die van andere kandidaten te vergelijken. Verzoeker stelt deze brief van 29 oktober 1990 eerst in januari 1991 te hebben ontvangen.
4 Opgemerkt zij, dat eind oktober/begin november 1991 het hoofd van DG IV D4 benoemd is tot raadadviseur bij DG IV, en dat het hoofd van DG IV A4 is overgeplaatst naar het ambt van hoofd van DG IV D4. Verzoeker wijst erop, dat hij op dat moment meende gekwalificeerd te zijn voor het ambt van hoofd van DG IV D4.
5 Op 14 februari 1991 diende verzoeker op basis van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in. Deze klacht, die werd ingeschreven op 18 februari daaraanvolgend, had betrekking op:
1) het feit dat geen kennisgeving van vacature voor het ambt van raadadviseur bij DG IV en voor dat van hoofd van de eenheid DG IV D4 was gepubliceerd;
2) het feit dat geen bekendheid was gegeven aan de spoedig te verwachten vacature voor het ambt van hoofd van de eenheid DG IV A4;
3) de onwettige uitlegging van het besluit van de Commissie van 11 mei 1989 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden aan de directeuren-generaal, respectievelijk de onwettigheid van dat besluit;
4) het feit dat, ingevolge die onwettige uitlegging of die onwettigheid, geen bekendheid was gegeven aan vacatures voor andere ambten waarvoor klager geschikt was, en waarvan klager dus niet op de hoogte was;
5) het feit dat geen rekening was gehouden met zijn verzoeken om overplaatsing of dat hem geen ambt was aangeboden waarin zijn bekwaamheden, én het belang van de instelling, volledig tot hun recht konden komen.
In zijn klacht gaf verzoeker een uiteenzetting van de wijze waarop volgens hem voorzien was in het ambt van hoofd van DG IV D4, voor welk ambt hij, naar zijn zeggen, zelf geschikt was. Onder het kopje "Juridische beoordeling" verwees hij naar artikel 4 van het Statuut en naar een besluit van de Commissie van 19 september [lees: "juli"] 1988 "concernant le pourvoi des emplois d' encadrement intermédiaire", volgens welke iedere vacature gepubliceerd moet worden. Hij stelde, dat deze bepalingen in casu waren geschonden. Onder verdere verwijzing naar een besluit van de Commissie van 11 mei 1989, waarbij bepaalde bevoegdheden aan de directeuren-generaal waren gedelegeerd, betoogde hij, dat dat besluit onwettig was wegens onverenigbaarheid met het besluit van 19 juli 1988 en met een aantal bepalingen van het Statuut. Tot slot verzocht verzoeker de Commissie:
"1) alle benoemingen te annuleren die sedert 11 mei 1989 hebben plaatsgevonden in ambten van hoofd van een eenheid, waarvoor klager zich voldoende gekwalificeerd kon achten en waarvoor hij belangstelling had, voor zover die benoemingen niet zijn voorafgegaan door de publikatie van een kennisgeving van vacature, en die kennisgevingen alsnog te publiceren;
2) bij haar besluiten over de voorziening in die of andere ambten, met voorrang rekening te houden met klagers bekwaamheden en met zijn wens om te worden overgeplaatst, ten einde klager in staat te stellen gedurende de drie jaar en elf maanden actieve dienst die hem nog resten, zijn bekwaamheden in te zetten op een wijze die hem persoonlijk voldoening geeft en die het belang van de Commissie het beste dient;
3) klager schadeloos te stellen voor de stress waaronder hij heeft geleden doordat zijn beoordelingsrapporten niet in aanmerking zijn genomen en als gevolg van die onwettige handelingen, en doordat hij zich nu gedwongen ziet daarover een klacht in te dienen, en voor het feit dat hem bevorderings- en overplaatsingsmogelijkheden zijn onthouden."
6 Bij brief van 14 maart 1991 diende verzoeker een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in. Dit verzoek werd op 20 maart 1991 per abuis ingeschreven als een klacht, en niet als een verzoek. In zijn toelichting op dat verzoek herinnerde verzoeker eraan, dat zijn beoordelingsrapporten niet in zijn persoonsdossier waren opgenomen, en verwees hij naar zijn brief van 10 augustus 1990 aan de secretaris-generaal van de Commissie en naar diens antwoord. Vervolgens beriep verzoeker zich op twee arresten van het Gerecht van 24 januari 1991 (zaken T-63/89 en T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-19 en II-35) en betoogde hij, dat het Gerecht de verzoeker in die zaken een exemplarische schadevergoeding had toegekend, ongetwijfeld als een aansporing voor de Commissie om "orde op haar zaken te stellen". Verzoeker gaf als zijn mening te kennen, dat hij recht had op zo een schadevergoeding, waarbij hij preciseerde, dat het hem niet te doen was om ongedaanmaking van de diverse benoemingen die hadden plaatsgehad. Hij eindigde met de Commissie te verzoeken om een schadeloosstelling van 150 000 BFR, op grond dat zij er niet voor had gezorgd dat zijn persoonsdossier volledig was, en dat zij hem met betrekking tot verscheidene posten niet als kandidaat in aanmerking had genomen.
7 Bij brief van 9 april 1991 diende verzoeker een tweede verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in, waarin hij de Commissie verzocht hem naar de rang A 3 te bevorderen. Hij beriep zich met name op het feit, dat zijn directeuren zijn bevordering in verscheidene beoordelingsrapporten hadden aanbevolen.
8 Op 25 april 1991 zond verzoeker de administratie een brief, inhoudende, enerzijds, een verzoek krachtens artikel 90, lid 1, en anderzijds, een klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut.
In het onderdeel "verzoek" vroeg hij om inlichtingen over de raadpleging en beoordeling van zijn persoonsdossier en om toelichtingen over de interne benoemingsprocedure.
In het onderdeel "klacht" wees hij er nogmaals op, dat de over hem uitgebrachte lovende beoordelingsrapporten niet tijdig in zijn persoonsdossier waren opgenomen, en hij verklaarde het gevoel te hebben, dat die rapporten bij zijn verschillende sollicitaties nooit door zijn meerderen waren geraadpleegd, hetgeen de reden was waarom al die sollicitaties ter zijde waren gelegd.
Verzoeker eindigde als volgt:
"Klager vraagt de Commissie niet, alle benoemingen sedert 1981, waarvoor hij zich kandidaat had gesteld en waarbij zijn beoordelingsrapporten niet zijn onderzocht, te annuleren, ook al zou hij het recht hebben dat te vragen ° hij wenst de dienst niet in het honderd te laten lopen. Hij behoudt zich echter wel het recht voor, annulering van een van die benoemingen te vragen, voor het geval de betrokken directeur-generaal na kennisneming van zijn beoordelingsrapporten van mening zou zijn dat hij een geschikte kandidaat was (en dus nog steeds is), en in het geval van een negatief antwoord op zijn op 9 april 1991 krachtens artikel 90, lid 1, ingediend verzoek om bevordering.
Klager vraagt voorts vergoeding van de materiële schade die hij aldus heeft geleden, en van zijn immateriële schade. Het precieze bedrag daarvan zal later worden bepaald, wanneer alle feitelijk gegevens bekend zijn."
9 Op 19 juli 1991 diende verzoeker een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 14 maart 1991.
10 Op 13 augustus 1991 diende verzoeker een nieuwe klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 9 april 1991.
11 Op al zijn verzoeken en klachten ontving verzoeker geen enkele reactie.
12 In die omstandigheden heeft verzoeker bij op 9 oktober 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
13 Verzoeker concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) de Commissie te gelasten, hem naar de rang A 3 te bevorderen;
3) de Commissie te gelasten, hem onverwijld over te plaatsen naar een ambt waarin hij de Commissie gedurende de rest van zijn loopbaan tot haar en zijn eigen voldoening kan dienen;
4) de Commissie te veroordelen om hem een bezoldiging en een pensioen te betalen overeenkomend met de bedragen die hij zou hebben ontvangen indien hij op 1 december 1986 was bevorderd, vermeerderd met rente vanaf dat tijdstip, dan wel hem de actuele nettowaarde te betalen van het verschil tussen die bezoldiging en dat pensioen en zijn huidige bezoldiging en pensioen, welk bedrag langs actuariële weg zal worden berekend op basis van zijn levensverwachting en de datum van ingang van het besluit dat de Commissie zal nemen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht, beslissend in de zin van het onder 2 gevorderde;
5) de Commissie te veroordelen om hem schadeloos te stellen voor de stress waaronder hij heeft geleden door het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met zijn beoordelingsrapporten en als gevolg van haar onwettige handelingen, en doordat hij zich gedwongen heeft gezien daarover klachten in te dienen en beroep in te stellen; deze immateriële schade ex aequo et bono vast te stellen op 750 000 BFR;
6) de Commissie te veroordelen wegens schending van artikel 54 [lees: "artikel 4"], lid 1, van het Statuut, van artikel 43, daar geen enkele redelijke termijn in acht is genomen, en dus ook van artikel 26, met betaling van een exemplaire schadevergoeding, ex aequo et bono vast te stellen op 250 000 BFR.
14 Tot staving van zijn beroep zet verzoeker in limine uiteen, dat in zijn verzoekschrift rekening is gehouden met al zijn eerdere verzoeken en klachten, zoals hierboven beschreven. In de eerste plaats stelt hij, dat de Commissie tekort is geschoten in haar verplichting ervoor te zorgen, dat de beoordelingsrapporten binnen een redelijke termijn in het persoonsdossier worden opgenomen, welk verzuim, aldus verzoeker, schending oplevert van de artikelen 26 en 43 van het Statuut. In de tweede plaats is hij van oordeel, dat de houding van de Commissie, die hem zonder opgaaf van redenen een bevordering of overplaatsing heeft geweigerd, schending oplevert van artikel 25 van het Statuut. In de derde plaats stelt verzoeker, dat de Commissie, door sedert 11 mei 1989 geen vacatures voor ambten van hoofd van een eenheid meer te publiceren, artikel 4 van het Statuut en haar eigen besluit van 19 juli 1988 inzake leidinggevende functies heeft geschonden.
15 Zonder een verweerschrift ten gronde in te dienen, heeft de Commissie tegen het beroep een op 28 november 1991 ter griffie van het Gerecht ingeschreven exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Daarbij concludeert zij, dat het het Gerecht behage:
1) over de ontvankelijkheid van het beroep te beslissen krachtens zijn bevoegdheid ex artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering;
2) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
3) te beslissen over de kosten naar recht.
16 Verzoeker heeft in zijn op 20 juni 1992 ter griffie van het Gerecht ingeschreven opmerkingen geconcludeerd tot verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
De ontvankelijkheid
17 Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken genoegzaam ingelicht en beslist het dat er geen termen zijn om de behandeling voort te zetten.
Argumenten van partijen
18 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid zet verweerster uiteen, dat het Gerecht niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen.
19 Met betrekking tot verzoekers tweede en derde vordering stelt verweerster, dat de bevelen die verzoeker het Gerecht vraagt tot de Commissie te richten, de bevoegdheden te buiten gaan die bij het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van het Gerecht en bij artikel 179 EEG-Verdrag aan deze instantie zijn toebedeeld. In casu is geen enkele vordering ingesteld tot nietigverklaring van een handeling van de Commissie die voor verzoeker rechtsgevolgen zou kunnen hebben of hem zou kunnen benadelen. Bijgevolg is de vordering om de Commissie te gelasten verzoeker naar de rang A 3 te bevorderen, niet ontvankelijk.
20 Wat verzoekers vierde en vijfde vordering betreft ° financiële schadevergoeding °, zet verweerster uiteen, dat het Gerecht slechts over volledige rechtsmacht beschikt in het geval van een geschil in de zin van de eerste volzin van artikel 91, lid 1, van het Statuut. Daar de vordering strekkende tot verkrijging van een rechterlijk bevel om verzoekster te bevorderen, kennelijk niet-ontvankelijk is, is het Gerecht evenmin bevoegd kennis te nemen van de vordering tot financiële compensatie, die verzoeker zelf uitdrukkelijk ophangt aan het feit dat hij niet bevorderd of overgeplaatst is.
21 Met betrekking tot de zesde vordering ° eveneens strekkende tot financiële compensatie, maar niet op grond dat verzoeker niet bevorderd is, doch omdat zijn persoonsdossier niet behoorlijk is bijgehouden ° onderscheidt verweerster tussen twee mogelijkheden: ofwel houdt de vordering van financiële compensatie nauw verband met een vordering tot nietigverklaring, ofwel is dit niet het geval. Nu geen vordering tot nietigverklaring is ingesteld, heeft men in casu te doen met de tweede mogelijkheid. Bijgevolg hangt de ontvankelijkheid van de vordering af van de vraag, of de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut omschreven precontentieuze procedure in acht is genomen. In dit verband laat verweerster de vier door verzoeker ingediende klachten en zijn twee verzoeken de revue passeren, waarbij zij het volgende opmerkt:
° de op 18 februari ingeschreven klacht van 14 februari 1991: deze klacht is niet beantwoord en zij moet dus worden geacht op 18 juni 1991 stilzwijgend te zijn afgewezen. De termijn voor beroep op het Gerecht verstreek derhalve op 18 september 1991. Het op 9 oktober 1991 ingestelde beroep, voor zover hetzelfde voorwerp hebbend als de klacht, is mitsdien tardief;
° de klacht van 19 juli 1991: het voorwerp ervan, uiteengezet in het verzoek van 14 maart 1991, valt samen met dat van het beroep, voor zover het gaat om een verzoek om financiële compensatie ter vergoeding van de schade ontstaan doordat verzoekers sollicitaties naar andere ambten niet serieus in overweging zouden zijn genomen. Op het tijdstip van instelling van het beroep, 9 oktober 1991, had de administratie nog geen antwoord gegeven op de klacht. Op dat moment was de antwoordtermijn van vier maanden echter nog niet verstreken en er was dus ook nog geen sprake van een stilzwijgende afwijzing. Voor zover het beroep hetzelfde voorwerp heeft als de klacht van 19 juli 1991, is het derhalve prematuur;
° de klacht van 13 augustus 1991: deze verwijst naar een verzoek van 9 april 1991, die hetzelfde voorwerp heeft als het onderhavige beroep, te weten de grief dat verzoeker niet naar de rang A 3 is bevorderd. Ook op deze klacht is nog niet geantwoord. Daar de antwoordtermijn pas medio december 1991 verstrijkt, was er bij de instelling van het beroep nog geen stilzwijgend genomen afwijzend besluit. Ook voor zover gebaseerd op dezelfde grieven als uiteengezet in de klacht van 13 augustus 1991, is het beroep dus prematuur;
° de brief van 25 april 1991: deze bevat zowel een verzoek als een klacht. In het onderdeel "verzoek" vraagt verzoeker om inlichtingen over zijn persoonsdossier en over de interne benoemingsprocedure. Het onderdeel "klacht" betreft enerzijds het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de verzoeken om overplaatsing, en anderzijds het feit dat zij verzoeker niet naar de rang A 3 heeft bevorderd. Dit laatste onderdeel kan nog als een verzoek om financiële compensatie tot een onbepaald bedrag worden beschouwd. Dit neemt niet weg, dat de klacht niet gericht is tegen een weigering van financiële compensatie, en daarom is de ontvankelijkheid ervan, gelet op de rechtspraak van het Gerecht, betwistbaar (zie arrest van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731).
Uit al het voorgaande leidt verweerster af, dat de zesde vordering van verzoeker eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
22 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid erkent verzoeker, dat wat zijn klacht van 14 februari 1991 betreft, het beroep te laat is ingesteld. Hij verklaart, dat hij op 1 oktober 1991 een nota daarover aan de secretaris-generaal heeft geschreven.
23 Wat evenwel de in de eerste klacht weergegeven grieven betreft, voert hij vier argumenten aan voor de ontvankelijkheid van het beroep. In de eerste plaats had de Commissie hem te verstaan gegeven dat hij een antwoord op zijn klacht zou ontvangen, en daarom had hij gewacht met het instellen van zijn beroep. De Commissie zou zich derhalve thans niet op de termijnoverschrijding kunnen beroepen. In de tweede plaats, aldus verzoekster, is het in strijd met het algemeen belang, dat de Commissie tijd probeert te rekken, zodat potentiële verzoekers hun beroep overhaast of te laat moeten instellen; de Commissie mag niet opzettelijk weigeren een klacht te beantwoorden, of pas na de instelling van een beroep antwoord geven. In de derde plaats is het in strijd met het algemeen belang, dat een ambtenaar gedwongen wordt zijn persoonlijke relatie met zijn instelling boven zijn verplichtingen als ambtenaar te stellen. In de vierde plaats betoogt verzoeker, dat de tegenstrijdigheid die in zijn ogen bestaat tussen twee besluiten van algemene strekking, die de Commissie krachtens het Statuut heeft genomen, en tussen een van die besluiten en het Statuut zelf een probleem vormt dat zo spoedig mogelijk door het Gerecht moet worden opgelost.
24 Met betrekking tot de klachten van 19 juli en 13 augustus 1991 erkent verzoeker, dat het beroep prematuur is. Hij verklaart een nieuw verzoekschrift te zullen neerleggen dat aan de vormen voldoet, en geeft het Gerecht in overweging de verschillende zaken te voegen.
25 Wat de klacht van 25 september 1991 betreft, zet verzoeker uiteen, dat deze gericht was tegen het feit dat zijn persoonsdossier niet volledig bij was, zoals het Statuut vereist, daar de beoordelingsrapporten te laat waren opgesteld en niet binnen een redelijke termijn in het dossier waren opgenomen; tegen het feit dat zijn verzoeken om overplaatsing of bevordering niet serieus waren onderzocht, dat met zijn verzoeken om overplaatsing geen rekening was gehouden, en dat hij niet naar de rang A 3 was bevorderd.
26 Vervolgens betoogt verzoeker, dat het Gerecht bevoegd is van het onderhavige beroep kennis te nemen; het gaat immers om een verzoek om de wettigheid van diverse hem bezwarende handelingen te onderzoeken, en om daarmee nauw samenhangende vorderingen tot financiële compensatie. Een handeling die een ambtenaar bezwaart, aldus verzoeker, kan evenzeer het gevolg zijn van een doen als van een nalaten, en het feit dat het persoonsdossier van een ambtenaar niet is bijgehouden, vormt een nalaten dat voor de ambtenaar bezwarend is wanneer hij om overplaatsing of bevordering vraagt.
27 Verzoeker verwijst nog naar de ter zake relevante rechtspraak, met name naar het arrest van het Gerecht van 24 januari 1991 (zaak T-27/90, Latham, reeds aangehaald), waarbij de Commissie, zonder dat enig besluit nietig werd verklaard, veroordeeld werd tot betaling van schadevergoeding aan de verzoeker wegens het feit dat zij haar eigen regels niet had nageleefd.
28 Na eraan te hebben herinnerd, dat hij door de verzuimen van de Commissie verscheidene mogelijkheden tot loopbaanontplooiing verloren heeft zien gaan, concludeert verzoeker tot ontvankelijkverklaring van het beroep en, in geval van niet-ontvankelijkheid, niettemin tot veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding ° ex aequo et bono vast te stellen op 250 000 BFR ° wegens schending van de artikelen 43, 45 en 46 van het Statuut.
Beoordeling rechtens
29 Wat verzoekers tweede en de derde vordering betreft, strekkende tot verkrijging van een bevel aan de Commissie om verzoeker te bevorderen of over te plaatsen, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de communautaire rechter niet zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het tot aanstelling bevoegd gezag, een gemeenschapsinstelling bevelen kan geven met betrekking tot de statutaire positie van een ambtenaar of de algemene organisatie van haar diensten. Dit beginsel geldt ook in het kader van een beroep tot schadevergoeding (zie arresten Gerecht van 28 januari 1992, zaak T-45/90, Speybrouck, Jurispr. 1992, blz. II-33, r.o. 30-32; 25 september 1991, zaak T-163/89, Sebastiani, Jurispr. 1991, blz. II-715, r.o. 21, en 29 juni 1991, zaak T-156/89, Valverde Mordt, Jurispr. 1991, blz. II-407, r.o. 150).
30 Verzoeker kan dus niet vorderen, dat de Commissie wordt gelast hem naar de rang A 3 te bevorderen of naar een ander ambt over te plaatsen. De tweede en de derde vordering zijn mitsdien niet-ontvankelijk.
31 Bovendien kunnen de vorderingen strekkende tot bevordering van verzoeker, in dit geding hoe dan ook niet worden onderzocht. Deze zijn immers uitdrukkelijk geformuleerd in het op 1 april 1991 ingediende verzoek krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut en nogmaals in de klacht van 13 augustus 1991 tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van 9 april 1991. Zoals verweerster echter terecht heeft gesteld, is het beroep, voor zover hetzelfde voorwerp hebbend als de klacht van 13 augustus 1991, prematuur omdat op de dag waarop het werd ingesteld (9 oktober 1991), de termijn voor antwoord op die klacht nog niet was verstreken. Daar een beroep dat wordt ingesteld voordat de precontentieuze procedure door een uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen afwijzend besluit is beëindigd, ingevolge artikel 91, lid 2, van het Statuut niet-ontvankelijk is (zie arrest Gerecht van 20 juni 1990, gevoegde zaken T-47/89 en T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-231), hadden verzoekers conclusies, voor zover samenvallend met de in zijn brief van 9 april 1991 geformuleerde verzoeken, hoe dan ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
32 Wat de vierde vordering van verzoeker betreft ° veroordeling van de Commissie tot betaling van een bezoldiging en een pensioen, overeenkomend met de bedragen die hij zou hebben ontvangen indien hij bevorderd was geworden; het gaat hierbij niet om een zelfstandige vordering, doch om een die nauw verband houdt met de tweede en de derde °, wijst het Gerecht erop, dat volgens de rechtspraak van het Hof "de eerste zin van artikel 91, lid 1, de tweede zin beheerst in dier voege, dat deze bepaling het Hof slechts volledige rechtsmacht toekent in het geval dat er sprake is van een geschil als bedoeld in de eerste zin" (arrest van 10 december 1969, zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505, r.o. 10). Voorts moet worden opgemerkt, dat verzoeker, die verzuimd heeft tijdig met een beroep tot nietigverklaring tegen de hem beweerdelijk bezwarende besluiten op te komen, dit verzuim niet kan herstellen en zich geen nieuwe beroepstermijnen kan verschaffen door een vordering tot schadevergoeding in te stellen.
33 Hieruit volgt, dat de schadevordering onder nr. 4 van het petitum eveneens niet-ontvankelijk is.
34 Met betrekking tot de vijfde vordering stelt het Gerecht vast, dat het daarin geformuleerde verzoek om financiële compensatie evenmin een zelfstandige vordering is, aangezien zij is opgehangen aan de vorderingen betreffende bevordering of overplaatsing onder nr. 2 en 3 van het petitum. Juist zoals de vierde moet mitsdien ook deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
35 Daarenboven merkt het Gerecht op, dat de vordering om de Commissie te veroordelen verzoeker schadeloos te stellen voor de stress die hij heeft geleden doordat zijn beoordelingsrapporten niet in aanmerking zijn genomen, in het kader van dit geding niet kan worden onderzocht. Een overeenkomstig verzoek is immers reeds gedaan in voornoemde klacht van 14 februari 1991 en men kan dus niet anders dan tot de slotsom komen, dat het beroep, voor zover het hetzelfde voorwerp heeft als die klacht, tardief is. De termijn voor beroep op het Gerecht in verband met die klacht van 14 februari 1991, die op 18 februari daaraanvolgend is ingeschreven, verstreek immers drie maanden na het op 18 juni 1991 stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing, dat wil zeggen op 18 september 1991. Daar voorts de klacht- en beroepstermijnen van openbare orde zijn, moeten alle argumenten waarmee verzoeker de late instelling van het beroep tracht te verklaren en te rechtvaardigen, voor zover het voorwerp van dat beroep samenvalt met dat van de klacht van 14 februari 1991, van de hand worden gewezen (zie met name arresten Gerecht van 17 oktober 1991, zaak T-129/89, Offermann, Jurispr. 1991, blz. II-855, en 25 september 1991, zaak T-54/90, Lacroix, ibid., blz. II-749, alsmede beschikking Gerecht van 1 oktober 1991, zaak T-38/91, Coussios, ibid., blz. II-763). Nieuwe feiten zijn nadien niet aan het licht gekomen en van nieuwe beroepstermijnen kan dus geen sprake zijn. Bijgevolg kunnen de in de klacht van 14 februari 1991 uiteengezette grieven thans niet meer in de beschouwing worden getrokken.
36 Wat het zesde punt van het petitum betreft ° betreffende het feit dat verscheidene vacatures niet bekend zijn gemaakt (schending van artikel 4 van het Statuut), dat verzoekers persoonsdossier niet behoorlijk is bijgehouden (schending van artikel 43 van het Statuut) en dat zijn beoordelingsrapporten over de periode na 1985 er niet in waren opgenomen (schending van artikel 26 van het Statuut) °, stelt het Gerecht vast, dat het gaat om een vordering tot schadeloosstelling zonder enig verband met een vordering tot nietigverklaring. De omstandigheid dat geen vordering tot nietigverklaring is geformuleerd, volstaat op zich evenwel niet om een schadevordering af te wijzen, aangezien het beroep tot nietigverklaring en dat tot schadevergoeding zelfstandige rechtsmiddelen zijn. Ingevolge dit beginsel kan de belanghebbende naar keuze hetzij een van beide rechtsmiddelen, hetzij beide te zamen aanwenden, mits hij zijn zaak binnen drie maanden na de afwijzing van zijn klacht bij het Gerecht aanbrengt (zie de twee arresten Gerecht van 24 januari 1991, zaken T-63/89 en T-27/90, Latham, reeds aangehaald, en beschikking Gerecht van 6 februari 1992, zaak T-29/91, Castelletti, Jurispr. 1992, blz. II-77, r.o. 30). Ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de zesde vordering van verzoeker dient derhalve te worden onderzocht, of wat deze vordering betreft, de precontentieuze procedure van de artikelen 91 en 92 van het Statuut in acht is genomen.
37 Blijkens het hiervoor overwogene kunnen de klachten van 14 februari en 13 augustus 1991 niet in aanmerking worden genomen. Alle daarin uiteengezette grieven dienen thans derhalve buiten de discussie te blijven. Hetzelfde geldt voor de klacht van 19 juli 1991, daar de antwoordtermijn waarover de administratie beschikte, op de dag van instelling van het beroep (9 oktober 1991) nog niet was verstreken. Het beroep is derhalve eveneens niet-ontvankelijk voor zover het voorwerp ervan samenvalt met dat van de klacht van 19 juli 1991, die gebaseerd is op het verzoek van 14 maart 1991.
38 Bij de brief van 25 april 1991 dient men te onderscheiden tussen het onderdeel "verzoek" en het onderdeel "klacht". Enkel dit laatste onderdeel kan in aanmerking worden genomen, terwijl de in het onderdeel "verzoek" uiteengezette grieven, alvorens aan het Gerecht te worden voorgelegd, voorwerp dienen te zijn van een klacht, overeenkomstig de eisen van de precontentieuze procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Wat dus moet worden onderzocht, is de strekking van de "klacht" van 25 april 1991.
39 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat verzoeker in die klacht uitdrukkelijk verklaart, dat het hem niet gaat om annulering van een of andere handeling, maar enkel om vergoeding van de schade die hij door de fouten en verzuimen van de administratie meent te hebben geleden.
40 Opgemerkt zij, dat wanneer het beroep, zoals in casu, strekt tot vergoeding van schade die beweerdelijk is veroorzaakt door gedragingen die, omdat rechtsgevolgen ontbreken, niet kunnen worden aangemerkt als bezwarende besluiten, de administratieve procedure overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut moet beginnen met een verzoek van de belanghebbende aan het tot aanstelling bevoegd gezag om die schade te vergoeden. Eerst wanneer dit verzoek is afgewezen, kan de belanghebbende bij de administratie een klacht indienen overeenkomstig artikel 90, lid 2 (zie arrest Gerecht van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, reeds aangehaald).
41 In casu heeft de administratieve procedure niet dat regelmatige verloop gehad dat door de bepalingen van het Statuut dwingend wordt voorgeschreven. De klacht van 25 april 1991 is immers niet gericht tegen een weigering van het tot aanstelling bevoegd gezag om te voldoen aan een eerder verzoek om vergoeding van gestelde schade. Verzoekers vordering tot schadeloosstelling is dus geen voorwerp geweest van een regelmatige precontentieuze procedure. Overeenkomstig vaste rechtspraak (zie laatstelijk beschikking Gerecht van 25 februari 1992, zaak T-64/91, Marcato, Jurispr. 1992, blz. II-243, r.o. 34 en 35) kan zij derhalve niet worden ontvangen.
42 Mitsdien moet de zesde vordering van verzoeker eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
43 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen wanneer dat wordt gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven echter de kosten in de beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 22 mei 1992.
Full & Egal Universal Law Academy