Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure - Kosten - Beroep zonder voorwerp geraakt - Geen duidelijke en onvoorwaardelijke afstand van instantie door verzoeker - Toepassing van voorschriften voor afdoening zonder beslissing
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 87, leden 5 en 6)
Samenvatting
Wanneer een beroep zonder voorwerp is geraakt omdat de verweerder het verzoek van de verzoeker heeft ingewilligd, en deze laatste niet duidelijk en onvoorwaardelijk laat weten afstand van instantie te willen doen, dient over de kosten te worden beslist niet overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, maar overeenkomstig artikel 87, lid 6, van dit Reglement.
Partijen
In zaak T-73/91,
M. Gavilan, tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, te Imbringen (Luxemburg), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en J. Schoo, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van twee besluiten van het Parlement van 8 februari 1991 en 12 juli 1991,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster is vanaf haar geboorte lichamelijk gehandicapt. Zij is afgestudeerd sociologe en werkte in de periode 1978-1985 als docente Spaans op "free lance"-basis voor verschillende gemeenschapsinstellingen.
2 In het kader van een bijzondere procedure om meer lichamelijk gehandicapten aan te werven, stelde het Europees Parlement (hierna: "het Parlement") in 1983 een eerste reservelijst van negen gehandicapte tijdelijke functionarissen vast, voor wie een intern vergelijkend onderzoek was georganiseerd; allen werden aangesteld als ambtenaren in de categorie C.
3 Verzoekster stelt, dat haar naam niet voorkwam op deze eerste lijst, omdat de verantwoordelijke personen van het personeelscomité haar dossier waren kwijtgeraakt.
4 Volgens voormelde bijzondere procedure stelde het Parlement in 1984 met het oog op de organisatie van een bijzonder intern vergelijkend onderzoek, een tweede lijst vast waarop twee gehandicapte tijdelijke functionarissen voorkwamen, onder wie verzoekster. Een dergelijk vergelijkend onderzoek werd inderdaad georganiseerd voor de andere betrokken kandidaat, die vervolgens werd aangesteld als ambtenaar in de categorie C.
5 Op 1 april 1985 stelde het Parlement verzoekster aan als tijdelijk functionaris in de rang C 4 en stelde het haar tewerk bij de afdeling "Statuut en personeelsbeheer". Als motief voor verzoeksters indeling in de categorie C voerde het Parlement aan, dat slechts ambten van deze categorie beschikbaar waren.
Vanaf deze datum en tot op heden werd de tijdelijke arbeidsovereenkomst van verzoekster telkens met zes of twaalf maanden verlengd.
6 In augustus 1987 vestigde verzoekster de aandacht van het Parlement op het feit, dat zij van de op een van de twee genoemde lijsten geplaatste gehandicapten de enige was die nog niet in vaste dienst was aangesteld via een bijzonder intern vergelijkend onderzoek. Ook stelde zij dat haar indeling in de rang C 4, gelet op haar universitaire opleiding, willekeurig was.
7 Na deze stap wees het Parlement verzoekster per 1 oktober 1987 een ambt van de rang B 5 toe en nodigde het haar uit om deel te nemen aan intern vergelijkend onderzoek B/164.
Het Parlement voegde eraan toe, tegelijkertijd te hebben besloten om voor verzoekster een bijzonder intern vergelijkend onderzoek te organiseren, indien zij niet mocht slagen voor vergelijkend onderzoek B/164.
8 Bij brief van 21 juni 1988 bevestigde de voorzitter van het Parlement, Lord Plumb, deze toezegging.
9 Daar zij niet was geslaagd voor vergelijkend onderzoek B/164, wendde verzoekster zich in mei 1989 tot de secretaris-generaal en tot de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën met het verzoek om een bijzonder intern vergelijkend onderzoek te organiseren met het oog op haar aanstelling in vaste dienst.
10 Toen antwoord van het Parlement uitbleef, wendde verzoekster zich in november 1989 opnieuw tot deze directeur-generaal. Deze verzocht haar geduld te hebben tot april 1990, daar een bijzonder intern vergelijkend onderzoek niet eerder kon worden georganiseerd.
11 Nadat zij in april en augustus 1990 tevergeefs opnieuw contact had gezocht met de secretaris-generaal van het Parlement, richtte verzoekster op 10 oktober 1990 aan de voorzitter van het Parlement een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen - dat krachtens artikel 46 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, van overeenkomstige toepassing is op de tijdelijke functionarissen - om een bijzonder vergelijkend onderzoek te organiseren. Bij brief van 8 februari 1991 bevestigde voorzitter Crespo de toezegging die zijn voorganger in zijn brief van 21 juni 1988 aan verzoekster had gedaan, en vroeg hij haar, "na de afronding van vergelijkend onderzoek B/164 enige tijd te laten verstrijken alvorens met een bijzonder intern vergelijkend onderzoek wordt begonnen, waarvoor zeker ook bij andere ambtenaren belangstelling zal bestaan".
12 Op 8 mei 1991 diende verzoekster een klacht in tegen dit antwoord van de voorzitter van het Parlement en verzocht zij nogmaals om een bijzonder intern vergelijkend onderzoek te organiseren.
13 In zijn antwoord van 12 juli 1991 bevestigde de secretaris-generaal van het Parlement wederom de door de voorzitters van het Parlement eerder gedane toezeggingen, doch wees hij erop, dat hij haar geen exacte datum kon meedelen waarop het gevraagde vergelijkend onderzoek zou worden uitgeschreven.
14 Volgens verzoekster was in oktober 1991 bij de paritaire commissie nog steeds geen ontwerp-aankondiging voor het vergelijkend onderzoek ingediend, hetgeen de eerste fase van de organisatie van een bijzonder intern vergelijkend onderzoek vormt.
Het procesverloop
15 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij ter griffie van het Gerecht op 14 oktober 1991 ingeschreven verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van de brief van de voorzitter van het Parlement van 8 februari 1991 en de brief van de secretaris-generaal van 12 juli 1991, die zij kwalificeert als "afwijzend besluit" respectievelijk als "uitdrukkelijk afwijzend besluit".
16 Bij akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 18 november 1991, heeft het Parlement een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dit beroep opgeworpen, op grond dat enerzijds de bestreden handelingen geenszins bezwarend waren voor verzoekster omdat haar verzoek daarin juist werd ingewilligd, en anderzijds het beroep prematuur was omdat intussen een aanvang was gemaakt met de procedure tot organisatie van het vergelijkend onderzoek waarom verzoekster had verzocht.
17 Op 19 december 1991 heeft verzoekster de griffie haar opmerkingen, die strekken tot verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, doen toekomen.
Bij eveneens op 19 december 1991 ter griffie ingeschreven brief heeft verzoekster verzocht om de contentieuze procedure te schorsen tot en met 1 februari 1992, omdat haar was gebleken dat bij de paritaire commissie daadwerkelijk een ontwerp-aankondiging voor een bijzonder vergelijkend onderzoek was ingediend.
18 Bij beschikking van 10 januari 1992 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) de behandeling van de zaak tot en met 1 februari 1992 geschorst.
19 Bij brief van 30 januari 1992 heeft het Parlement het Gerecht een afschrift toegezonden van de aankondiging van bijzonder intern vergelijkend onderzoek B/169 voor de aanwerving van lichamelijk gehandicapten. Volgens het Parlement is het beroep zonder voorwerp geraakt door het feit dat een begin is gemaakt met de procedure voor het vergelijkend onderzoek. Bij dezelfde brief heeft het Parlement het Gerecht verzocht, bij verzoekster navraag te doen of zij bijgevolg afstand van instantie deed overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering.
20 Bij brief van 19 februari 1992 heeft verzoekster het Gerecht bericht, dat zij afstand van instantie zou doen ingeval het Parlement de kosten van de procedure op zich zou nemen.
21 Bij brief van 27 februari 1992 heeft het Parlement het Gerecht laten weten, daartoe niet bereid te zijn, en heeft het het Gerecht gevraagd, overeenkomstig de artikelen 87, lid 5, en 88 van het Reglement voor de procesvoering over de kosten te beslissen.
Het voorwerp van het geding en de kosten
22 Het Gerecht stelt vast, dat het Parlement met de aankondiging op 3 februari 1992 van een intern vergelijkend onderzoek betreffende de loopbaan B 5 om "in vacatures te voorzien door aanstelling van lichamelijk gehandicapten", het veelvuldig herhaalde verzoek van verzoekster heeft ingewilligd.
23 Verzoekster heeft toegegeven, dat deze aankondiging aan haar wensen voldeed, en heeft het Gerecht laten weten, alleen afstand van instantie te doen overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering, ingeval het Parlement zich bereid zou verklaren de proceskosten voor zijn rekening te nemen.
24 Bij brief van 27 februari 1992 heeft het Parlement dit geweigerd en heeft het gevraagd, dat over de kosten zou worden beslist met toepassing van de artikelen 87, lid 5, en 88 van het Reglement voor de procesvoering.
25 Uit het voorgaande volgt allereerst, dat het geding tussen verzoekster en het Parlement door de aankondiging van vergelijkend onderzoek B/169 zonder voorwerp is geraakt. Mitsdien behoeft op het beroep niet meer te worden beslist.
26 Aangezien verzoekster niet duidelijk en onvoorwaardelijk afstand van instantie heeft gedaan, dient over de kosten te worden beslist niet overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, maar overeenkomstig artikel 87, lid 6, van het Reglement.
27 Volgens deze laatste bepaling beslist het Gerecht vrijelijk over de kosten, wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt.
28 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht enerzijds vast, dat verzoekster - gedurende meer dan zeven jaar - genoodzaakt was talloze stappen te ondernemen voordat het Parlement in 1992 een bijzonder intern vergelijkend onderzoek organiseerde zoals zij had gevraagd. Als gehandicapte bevond verzoekster zich dientengevolge in een ongerechtvaardigde situatie van onzekerheid over haar integratie in het beroepsleven.
29 Anderzijds zij opgemerkt, dat het Parlement ondanks de vertraging steeds, ook tijdens de contentieuze procedure, heeft volgehouden dat het aan de wensen van verzoekster zou voldoen.
30 Gelet op het feit dat het geding wat de zaak ten gronde betreft zonder voorwerp is geraakt, behoeft niet te worden nagegaan in hoeverre het beroep ontvankelijk zou zijn geweest.
31 In elk geval, ook indien het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, dient het Parlement naar het oordeel van het Gerecht de eigen kosten te dragen, alsmede de helft van de kosten van verzoekster.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.
2) Het Parlement zal de eigen kosten dragen, alsmede de helft van de kosten van verzoekster.
Luxemburg, 12 maart 1992.
Full & Egal Universal Law Academy