Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Arrest van Gerecht waartegen hogere voorziening is ingesteld - Verzoek ingediend bij Gerecht - Niet-ontvankelijkheid
(Statuut van het Hof EEG, art. 53; EEG-Verdrag, art. 185)
Samenvatting
Daar hogere voorziening bij het Hof tegen een beslissing van het Gerecht ingevolge artikel 53 van 's Hofs Statuut geen schorsende werking heeft, dient de partij die opschorting van de tenuitvoerlegging verlangt van een arrest van het Gerecht waartegen hij hogere voorziening heeft ingesteld, krachtens artikel 185 EEG-Verdrag een daartoe strekkend verzoek bij het Hof in te dienen.
Partijen
In zaak T-77/91 R,
I. Hochbaum, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij SARL Fiduciaire Myson, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Gerecht om bij wege van voorlopige maatregel te gelasten dat de procedure ter voorziening in vacature COM/108/91 zal worden geschorst tot de dag van de uitspraak van het arrest van het Hof in zaak C-107/90 P en, in voorkomend geval, van het daarna te wijzen arrest van het Gerecht,
geeft
de president van het Gerecht van eerste aanleg
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij op 30 oktober 1991 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure ter voorziening in vacature COM/108/91, alsmede van het besluit van de Commissie tot verlenging van de sollicitatietermijn voor die vacature.
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 185 EEG-Verdrag en artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om schorsing van voornoemde procedure tot de dag van uitspraak van het arrest van het Hof in zaak C-107/90 P en, in voorkomend geval, van het daarna te wijzen arrest van het Gerecht.
3 De Commissie heeft op 12 november 1991 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
4 Alvorens de gegrondheid van dit verzoek te onderzoeken, dienen de aan het beroep in de hoofdzaak ten grondslag liggende feiten kort te worden samengevat.
5 Bij arrest van 14 februari 1990 in zaak T-38/89 verwierp het Gerecht (Derde kamer) het beroep tot nietigverklaring dat verzoeker had ingesteld tegen de besluiten van de Commissie tot annulering van kennisgeving van vacature COM/902/84 respectievelijk tot vaststelling van kennisgeving van vacature COM/83/87, beide betreffende een procedure ter voorziening in de post van hoofd van de afdeling Openbare bedrijven en staatsmonopolies bij het directoraat-generaal Concurrentie (DG IV) van de Commissie, welke procedure had geresulteerd in de aanstelling van P. Waterschoot.
6 Bij op 17 april 1990 ter griffie van het Hof ingediend verzoekschrift heeft verzoeker hogere voorziening ingesteld tegen dat arrest, op grond dat het met schending van het gemeenschapsrecht was gewezen. De terechtzitting voor het Hof heeft plaatsgehad op 24 september 1991 en advocaat-generaal Tesauro heeft op 15 oktober 1991 conclusie genomen.
7 Nadat voornoemde Waterschoot per 1 mei 1991 bij wege van bevordering was aangesteld als directeur van directoraat A van DG XXIII, publiceerde de Commissie op 1 augustus 1991 kennisgeving van vacature COM/108/91 ter voorziening in de voordien door Waterschoot bezette post van hoofd van de eenheid IV.A.5, Openbare bedrijven, staatsmonopolies, toepassing van de artikelen 101 en 102.
8 De sollicitatietermijn was aanvankelijk bepaald op 11 september 1991 te 17 uur, maar werd later verlengd tot 26 september 1991 te 12 uur.
9 Bij brief van 17 september 1991 wees verzoekers raadsman de Commissie erop, dat zij door een besluit waarbij in de betrokken vacature werd voorzien, het zichzelf onmogelijk zou maken overeenkomstig het bepaalde bij artikel 176 EEG-Verdrag de maatregelen te nemen die ter uitvoering van een voor verzoeker gunstige uitspraak noodzakelijk zouden zijn. Op dit schrijven werd niet gereageerd.
10 Daarop diende verzoeker op 28 oktober 1991 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Deze klacht betrof zowel het besluit van de Commissie om een procedure in te leiden ter voorziening in vacature COM/108/91, als het besluit om de sollicitatietermijn te verlengen.
In rechte
11 Ingevolge artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient de verzoekende partij de omstandigheden aan te duiden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
12 Verzoeker is van mening, dat in casu van dergelijke omstandigheden sprake is. Immers, door op dit moment een procedure in te leiden ter voorziening in de door de bevordering van Waterschoot ontstane vacature van hoofd van de eenheid IV.A.5, zou de Commissie zich welbewust in een positie hebben gebracht waarin het haar onmogelijk is de procedure ter voorziening in vacature COM/902/84 te heropenen; daardoor zou zij niet, zoals artikel 176 EEG-Verdrag voorschrijft, maatregelen kunnen nemen ter uitvoering van een eventueel arrest van het Hof waarbij het arrest van het Gerecht van 14 februari 1990 zou worden vernietigd, en, in voorkomend geval, van een vervolgens te wijzen arrest van het Gerecht. Verzoeker zou dan niet meer aangesteld kunnen worden in het in 1984 vacant verklaarde ambt, dat nog steeds onderwerp is van het voor het Hof aanhangige geding, en aldus ernstige en onherstelbare schade lijden.
13 In zijn beroep in de hoofdzaak stelt verzoeker tevens schending van de artikelen 7 en 29 en van bijlage I van het Statuut, doordat de Commissie zich het recht heeft aangemeten door aanstelling van een ambtenaar van de rang A 5 te voorzien in een ambt van hoofd van een eenheid, voor welk ambt uitsluitend ambtenaren van de rang A 3 in aanmerking komen. Verzoeker verwijt de Commissie nog schending van haar motiveringsplicht, doordat zij hem, ofschoon hij zich kandidaat had gesteld, niet had meegedeeld waarom zij had besloten de sollicitatietermijn voor de vacature te verlengen, alsmede misbruik van bevoegdheid en van procedure, doordat de verlenging van de sollicitatietermijn bedoeld was geweest om een bij het kabinet van een lid van de Commissie gedetacheerd ambtenaar in staat te stellen te solliciteren en aldus "op wettige wijze" in het litigieuze ambt te worden aangesteld.
14 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij door de voortzetting van de procedure ter voorziening in vacature COM/108/91 ernstige en onherstelbare schade heeft geleden.
15 Zij wijst erop, dat volgens artikel 53 van 's Hofs Statuut-EEG hogere voorziening tegen arresten van het Gerecht geen opschortende werking heeft, behoudens dat de belanghebbende het Hof kan verzoeken om opschorting van de werking van het arrest of om voorlopige maatregelen. Hieruit volgt, dat de Commissie het recht had de procedure COM/108/91 in te leiden, in overeenstemming met het arrest van het Gerecht van 14 februari 1990.
16 Bovendien is het vaste rechtspraak (zie met name 's Hofs arrest van 9 februari 1984, gevoegde zaken 316/82 en 40/83, Kohler, Jurispr. 1984, blz. 641, r.o. 22), dat ook indien het Hof het arrest van het Gerecht van 14 februari 1990 zou vernietigen en het Gerecht dan eventueel het besluit van de Commissie tot annulering van kennisgeving van vacature COM/902/84 nietig zou verklaren, het tot aanstelling bevoegd gezag geenszins verplicht is de oude procedure ter voorziening in de vacature te hervatten. Zou het Gerecht verzoekers beroep ten principale in deze zaak toewijzen, dan zou dat arrest volgens de Commissie op zich reeds verzoekers belangen in toereikende mate waarborgen.
17 In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat zeer ernstige twijfel bestaat aan de gegrondheid van het beroep in de hoofdzaak. Er valt haar geen schending van artikel 176 EEG-Verdrag te verwijten, daar er tot nu toe geen enkele beslissing van het Hof of van het Gerecht is waarvan de uitvoering zou kunnen afstuiten op het feit dat de procedure ter voorziening in vacature COM/108/91 is ingeleid.
18 Het verzoekschrift in de hoofdzaak bevat geen enkel argument waaruit blijkt dat de artikelen 7 en 29 van het Statuut zijn geschonden door de publikatie van een kennisgeving van vacature in de rang A 3/A 4/A 5, of dat het besluit tot verlenging van de sollicitatietermijn voor dat ambt een verzoeker bezwarende handeling is. Met betrekking ten slotte tot het middel ontleend aan schending van de motiveringsplicht en aan misbruik van bevoegdheid en procedure, wijst de Commissie erop, dat het raadgevend comité benoemingen haar in zijn advies van 29 oktober 1991 heeft verzocht de sollicitaties van twee ambtenaren van DG IV in overweging te nemen; dit volstaat om de bewering van verzoeker af te wijzen, dat de verlenging van de sollicitatietermijn een onwettig doel had, namelijk het mogelijk maken een bij een kabinet gedetacheerd ambtenaar in het omstreden ambt te benoemen.
19 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat blijkens artikel 53 van 's Hof Statuut-EEG hogere voorziening bij het Hof tegen een beslissing van het Gerecht geen opschortende werking heeft, onverminderd de bevoegdheid van het Hof ingevolge de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag om, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling dan wel andere voorlopige maatregelen te gelasten.
20 In casu heeft verzoeker in het kader van zijn hogere voorziening bij het Hof niet verzocht om opschorting van de uitvoering van het arrest van het Gerecht.
21 Door nu de president van het Gerecht te verzoeken om opschorting van de procedure ter voorziening in het omstreden ambt, omdat de Commissie anders niet meer de maatregelen zou kunnen nemen die nodig zijn ter uitvoering van een eventueel arrest van het Hof houdende vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, van het vervolgens te wijzen arrest van het Gerecht, wil verzoeker in werkelijkheid van de president van het Gerecht een beschikking verkrijgen waarbij de werking van het arrest van het Gerecht van 14 februari 1990 wordt opgeschort tot een definitieve uitspraak in deze zaak na afloop van de procedure van hogere voorziening tegen dat arrest.
22 Om die opschorting te verkrijgen, had verzoeker zich ingevolge artikel 53 van 's Hofs Statuut-EEG tot het Hof moeten wenden met het verzoek de opschorting van de uitvoering van het bestreden arrest van het Gerecht te gelasten.
23 Voorts moet erop worden gewezen, dat blijkens de artikelen 110 en 123, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering het Gerecht de opschorting van de uitvoering van een zijner beslissingen slechts kan gelasten in het geval van een verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging, gedaan krachtens de artikelen 44 en 92 EGKS-Verdrag, 187 en 192 EEG-Verdrag en 159 en 164 EGA-Verdrag, of op verzoek van een derde-opposant.
24 Gelet op het voorgaande, moet het door verzoeker bij het Gerecht ingediende verzoek in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
De president van het Gerecht van eerste aanleg,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 november 1991.
Full & Egal Universal Law Academy