Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure - Interventie - Ambtenarenrechtspraak - Interventie van vakorganisatie - Ontvankelijkheid - Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115; Statuut Hof van Justitie EEG, art. 37, tweede alinea)
Samenvatting
Een verzoek tot interventie van een vakorganisatie is in het kader van de ambtenarenrechtspraak ontvankelijk, wanneer de beslissing van het geding een collectief belang raakt.
De vraag welke verplichtingen een gemeenschapsinstelling heeft nadat het Gerecht een besluit om enkele personeelsleden niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, nietig heeft verklaard, valt binnen het kader van de collectieve belangen die vakorganisaties overeenkomstig hun statutair doel hebben te behartigen.
Partijen
In zaak T-84/91,
M. Meskens, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot vergoeding van de door verzoekster gestelde materiële en immateriële schade,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 februari 1992, heeft de Union Syndicale-Bruxelles, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door G. Collin, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1, verzocht om toelating tot interventie in zaak T-84/91 ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
2 Het verzoek tot interventie is ingediend overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en is gedaan krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat op grond van artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
3 In haar verzoek tot interventie stelt de Union Syndicale, dat haar leden, die ambtenaar van de Europese Gemeenschappen zijn, haar een algemeen mandaat hebben verleend om met alle middelen rechtens hun economische en morele beroepsbelangen te behartigen, wanneer het gemeenschappelijke belangen betreft. Zij is van mening, dat de door verzoekster ter ondersteuning van haar beroep aangevoerde middelen principiële vragen met betrekking tot de organisatie van de Europese openbare dienst aan de orde stellen, voor zover het beroep strekt tot vaststelling dat een instelling haar verplichtingen niet is nagekomen door niet ambtshalve overeenkomstig artikel 176 EEG-Verdrag de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest.
4 Het verzoek tot interventie is overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan partijen betekend.
5 Bij op 18 februari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster kenbaar gemaakt, dat zij geen opmerkingen wenst te maken over het verzoek tot interventie.
6 In zijn op 27 februari 1992 neergelegde opmerkingen heeft verweerder een voorbehoud met betrekking tot de interventie gemaakt. Hij is in beginsel niet gekant tegen een dergelijke interventie, maar interveniënte heeft in casu niet aannemelijk gemaakt een procesbelang te hebben. De onderhavige zaak stelt geen principiële vragen met betrekking tot de organisatie van de Europese openbare dienst aan de orde. Het gaat in casu niet om de uitvoering van een arrest, maar om een poging van verzoekster om tot vergelijkend onderzoek B/164 te worden toegelaten, dat wil zeggen het doel te bereiken dat zij reeds met haar eerste beroep nastreefde (zaak T-56/89), terwijl het Gerecht in zijn in die zaak gewezen arrest een identieke vordering van verzoekster juist heeft verworpen.
7 Overeenkomstig artikel 116, lid 1, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de president van de Vijfde kamer het verzoek tot interventie naar de kamer verwezen.
8 Krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG heeft elke persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Gerecht aanhangig rechtsgeding, het recht zich in het geding te voegen.
9 Er zij aan herinnerd, dat vakorganisaties in ruime mate worden toegelaten tot interventie in ambtenarenzaken, wanneer de beslissing van het geding een collectief belang kan raken (zie bij voorbeeld arrest Hof van 18 maart 1975, zaak 72/74, Union Syndicale, Jurispr. 1975, blz. 401, 410; beschikkingen Hof van 8 december 1983, zaak 3/83, Abrias e.a.; 21 maart 1986, zaak 233/87, Bonino; 10 februari 1988, zaak 194/87, Union Syndicale, en 13 december 1988, zaak 148/88, Albani e.a.; beschikkingen Gerecht van 8 december 1989, zaak T-48/89, Beltrante e.a.; 13 februari 1990, zaak T-121/89, N.M.S., en 28 januari 1991, zaak T-42/90, Bertelli).
10 Het onderhavige beroep stelt de vraag aan de orde, of het Europees Parlement ten opzichte van verzoekster de maatregelen heeft genomen die nodig waren ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 8 november 1990 (zaak T-56/89, Bataille e.a., Jurispr. 1990, blz. II-597), waarbij een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoekster en verscheidene andere kandidaten niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, nietig werd verklaard. Anders dan verweerder stelt, is de kwestie die het voorwerp van het onderhavige geding vormt, nog niet door dat arrest van het Gerecht beslist.
11 In zaak T-56/89 hadden verzoekers geconcludeerd als volgt:
"- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- bijgevolg, nietig te verklaren het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement houdende afwijzing van hun sollicitaties in het kader van intern vergelijkend onderzoek B/164 en van hun verzoek om te worden gemachtigd om aan dit vergelijkend onderzoek deel te nemen, en daarnaast nietig te verklaren de besluiten van de secretaris-generaal houdende afwijzing van hun klachten".
12 De vordering van verzoekers om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, en die tot nietigverklaring van de besluiten houdende afwijzing van hun klachten - die beide subsidiaire vorderingen waren ten opzichte van de primaire vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van hun sollicitaties -, hingen volgens het Gerecht zo nauw samen met de primaire vordering tot nietigverklaring, dat zij met deze laatste samenvielen en ernaast geen zelfstandige betekenis hadden. Door hun vordering tot toelating tot vergelijkend onderzoek B/164 gaven verzoekers immers slechts aan, welke gevolgen huns inziens verbonden moesten worden aan de nietigverklaring van de afwijzing van hun sollicitaties. In die omstandigheden behoefde het Gerecht over deze vordering geen uitspraak te doen.
13 Bovendien zou deze vordering, gesteld al dat zij een zelfstandige betekenis had gehad ten opzichte van de vordering tot nietigverklaring, hoe dan ook niet-ontvankelijk zijn geweest. De gemeenschapsrechter kan immers niet zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratief gezag bevelen geven aan een gemeenschapsinstelling. Zo gezien, houdt het feit dat het Gerecht het onderdeel van de conclusies dat betrekking had op de deelneming van verzoekers aan het vergelijkend onderzoek, niet uitdrukkelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, geenszins in, dat het Gerecht zich zou hebben uitgesproken over de omvang van de krachtens artikel 176 EEG-Verdrag op het Parlement rustende verplichting.
14 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de vraag die tussen partijen in geschil is, een algemene strekking heeft. De vraag welke verplichtingen een gemeenschapsinstelling heeft nadat een besluit om enkele van haar personeelsleden niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, nietig is verklaard, valt binnen het kader van de collectieve belangen die verzoekster tot interventie overeenkomstig haar statutair doel heeft te behartigen. Mitsdien moet het verzoek tot interventie van de Union Syndicale worden toegewezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De Union Syndicale-Bruxelles wordt toegelaten tot interventie in zaak T-84/91 ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.
2) Er wordt een termijn bepaald waarbinnen interveniënte de middelen waarop haar conclusies steunen, schriftelijk zal voordragen.
3) Een afschrift van alle processtukken zal door de griffier aan interveniënte worden toegezonden.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 12 maart 1992.
Full & Egal Universal Law Academy