Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 In deze zaak verzoekt het Belgische Hof van Cassatie het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Overeenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, en meer in het bijzonder van het bij die Overeenkomst gevoegde Protocol nr. 3, betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking.(1)
De toepasselijke bepalingen
2 De Overeenkomst heeft een preferentieel stelsel ingevoerd voor goederen van oorsprong uit Oostenrijk of de Gemeenschap. Protocol nr. 3 bevat de regels betreffende de oorsprong van produkten; ingevolge artikel 8, lid 1, van dit Protocol wordt de oorsprong van een produkt bewezen middels overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1.
Artikel 9, lid 1, van het Protocol bepaalt, dat het certificaat EUR. 1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Zo is de Oostenrijkse douane niet alleen gemachtigd het certificaat EUR. 1 af te geven voor produkten van oorsprong uit Oostenrijk (artikel 9, lid 2), maar ook voor zich in Oostenrijk bevindende produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit een van de overige EVA-landen waarmee een overeenkomst als die tussen de Gemeenschap en Oostenrijk is gesloten (artikel 9, lid 3).
Volgens artikel 10, lid 1, van het Protocol wordt het certificaat EUR. 1 afgegeven op schriftelijke aanvraag van de exporteur, die ingevolge artikel 10, lid 4, bij zijn aanvraag elk dienstig bewijsstuk moet voegen waardoor kan worden aangetoond, dat de uit te voeren goederen in aanmerking komen voor de afgifte van een certificaat EUR. 1. Heeft een produkt al eerder in de EG/EVA-vrijhandelszone verbleven, dan moeten de eerder afgegeven certificaten EUR. 1 worden overgelegd (artikel 9, lid 3, tweede alinea). Luidens artikel 10, lid 3, dienen de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de nodige maatregelen te treffen voor de controle van de oorsprong van de goederen en van de andere op het certificaat EUR. 1 vermelde gegevens. Artikel 10, lid 6, bepaalt, dat aanvragen om certificaten EUR. 1, alsmede eerder afgegeven certificaten op vertoon waarvan nieuwe certificaten zijn afgegeven, door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer gedurende ten minste twee jaar moeten worden bewaard.
Ingevolge artikel 9, lid 1, wordt het certificaat EUR. 1 ter beschikking van de exporteur gesteld, zodra de werkelijke uitvoer plaatsvindt. Het moet binnen vier maanden worden overgelegd aan de douaneautoriteiten van het land van invoer (artikel 12, lid 1), waarna de preferentiële regeling op het gebied van de tarieven en contingenten als bedoeld in de Overeenkomst kan worden toegepast (artikelen 8, lid 1, en 10, lid 3).
3 Naast de door de autoriteiten van het land van uitvoer in verband met de afgifte van het certificaat EUR. 1 verrichte controle, voorziet Protocol nr. 3 in de mogelijkheid van een controle achteraf van de juistheid van het certificaat (artikel 17, lid 1). Die controle wordt op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van invoer verricht door de douane van het land van uitvoer, die de douane van het land van invoer zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle in kennis stelt. Volgens artikel 17, lid 3, eerste alinea, moet aan de hand daarvan kunnen worden vastgesteld, of het betwiste certificaat EUR. 1 geldt voor de werkelijk uitgevoerde goederen en of de preferentiële regeling inderdaad daarop kan worden toegepast.
Wanneer dergelijke geschillen niet door de douaneautoriteiten van het land van invoer en die van het land van uitvoer kunnen worden geregeld, worden zij aan het onder het Gemengd comité ressorterende Douanecomité voorgelegd (artikel 17, lid 3, tweede alinea).
Volgens de Commissie is een systematische controle vooraf om administratieve redenen niet mogelijk en hecht Protocol nr. 3 daarom zoveel belang aan de mogelijkheid van die controle achteraf.
Ingevolge artikel 16, lid 4, van Protocol nr. 3 worden tegen een ieder die een bescheid met onjuiste gegevens opmaakt of laat opmaken, met het doel goederen onder de preferentiële regeling te doen vallen, sancties getroffen.
De feiten en de aan het Hof voorgelegde vragen
4 De aan het Hof voorgelegde vragen zijn gerezen in een strafzaak die de Belgische Staat is begonnen tegen de directeur van een Belgische vennootschap die in 1985 een vouwdooskleefmachine uit Oostenrijk importeerde, en tegen twee werknemers van het bedrijf dat de desbetreffende invoerformaliteiten verrichtte.(2) De feiten lagen als volgt:
In verband met de uitvoer van de machine naar België gaf de Oostenrijkse douane een certificaat EUR. 1 af, waarin werd verklaard dat de machine een produkt van oorsprong uit West-Duitsland was. Onder overlegging van dat certificaat aan de Belgische douane maakten de verdachten aanspraak op toepassing van de preferentiële regeling.
Daarop verzocht de Belgische douane de Oostenrijkse douane de juistheid van het certificaat EUR. 1 te onderzoeken. Bij schrijven van 26 maart 1987 deelde de Oostenrijkse douane mee, dat de controle achteraf het volgende had opgeleverd:
"Die von der Warenverkehrsbescheinigung erfaßte komplette, jedoch gebrauchte Faltschachtelklebemaschine wurde im Jahre 1970 - also noch vor Inkrafttreten des Freihandelsabkommens Österreich-EWG - von der Firma Jagenberg in Düsseldorf, die auch Hersteller der Maschine war, bezogen. Auf Grund Ihres Prüfungsersuchens hat die Firma Schausberger [d.w.z. de Oostenrijkse exporteur] versucht, vom seinerzeitigen Exporteur [d.w.z. de firma Jagenberg in West-Duitsland] Unterlagen zu bekommen, aus denen eventuell hervorginge, daß die Maschine unter Zugrundelegung der seinerzeitigen Produktionsbedingungen zumindest fiktiv die bundesdeutsche Ursprungseigenschaft zuzuerkennen wäre, als würde die Herstellung dieser Maschine unter den gleichen Bedingungen heute erfolgen. Wie die Firma Jagenberg in Düsseldorf jedoch mitgeteilt hat, sind sämtliche Unterlagen hierfür bereits vernichtet."
De Oostenrijkse douane concludeerde vervolgens:
"Ein konkreter Nachweis kann vom (...) deutschen Exporteur nicht mehr erbracht werden. Die Ware muss daher als eine solche unbestimmbaren Ursprungs angesehen werden, für die die Warenverkehrsbescheinigung nicht aufrecht erhalten werden kann."
Naar aanleiding hiervan besloten de Belgische autoriteiten tot invordering van douanerechten over te gaan, op grond dat de machine van onbekende oorsprong was en de preferentiële regeling dus niet kon worden toegepast. Daarnaast werden bovengenoemde personen aangeklaagd ter zake van "koopwaren bij de invoer in België aan de douane ten verbruik te hebben aangegeven met voorlegging of doen overleggen van valse, misleidende, of onjuiste documenten, namelijk het ten onrechte door de Oostenrijkse douane geviseerd EUR. 1-certificaat (...)".
5 Van het in eerste aanleg gewezen vonnis, waarbij de verdachten werden vrijgesproken, werd beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Gent, dat het bestreden vonnis bevestigde. Blijkens het verwijzingsarrest stelde het Hof van Beroep vast, dat de Oostenrijkse douane zich in werkelijkheid niet - zoals in de hiervoor aangehaalde brief werd verklaard - tot de Oostenrijkse exporteur had gewend teneinde zich van de nodige bewijsstukken te voorzien. Deze conclusie was enerzijds gebaseerd op een mededeling die de Oostenrijkse exporteur op 9 december 1987, toen een van de verdachten door de Belgische douaneautoriteiten werd verhoord, telefonisch had gedaan, en anderzijds op de omstandigheid dat de vervolgende administratie een op 25 januari 1970 door de firma Jagenberg aan de firma Schausberger gerichte factuur had kunnen overleggen, waaruit de Westduitse oorsprong van de machine bleek. Het Hof van Beroep concludeerde dan ook, dat voor zover de controle achteraf niet het bewijs had opgeleverd, dat de in het certificaat EUR. 1 vermelde gegevens juist waren, dit te wijten was aan "al dan niet $kwaadwillige' nalatigheid" van de Oostenrijkse douane. Vervolgens stelde het vast, dat het stilzitten van een overheidsdienst van een van de contracterende partijen voor de verdachten overmacht oplevert, daar deze niet de dupe mogen worden van de inertie van het bestuur.
6 De Belgische Staat heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld bij het Hof van Cassatie, dat het Hof de volgende drie vragen heeft voorgelegd:
"1) Indien de begunstigde staat (ten deze Oostenrijk) aan wie gevraagd wordt het certificaat van oorsprong $EUR. 1' te controleren de juiste oorsprong van het goed niet kan vaststellen, moet hij dan besluiten dat de goederen van onbekende oorsprong zijn, zodat het certificaat $EUR. 1' en het preferentieel tarief ten onrechte werden toegekend?
2) In voorkomend geval, moet de invoerende Lid-Staat (ten deze België) vervolgens de betaling vorderen van de bij invoer niet betaalde douanerechten?
3) Brengt de uit haar eigen al dan niet $kwaadwillige' nalatigheid ontstane onmogelijkheid voor de Oostenrijkse overheid om vast te stellen dat de oorsprong vermeld op het door haar afgeleverde certificaat $EUR. 1' juist is, voor de invoerder van de Lid-Staat van invoer (ten deze België) een overmachtsituatie mee?"
Inleidende opmerkingen
7 Bij de beoordeling van deze zaak, die blijkens de beschikbare informatie door de betrokken autoriteiten niet optimaal lijkt te zijn behandeld, moet in het oog worden gehouden,
- dat, zoals ook de Commissie heeft beklemtoond, de Westduitse oorsprong van de ingevoerde machine niet werkelijk lijkt te worden betwist, en
- dat het Hof van Beroep ervan is uitgegaan, dat de Oostenrijkse douane de Oostenrijkse exporteur niet in de gelegenheid heeft gesteld, in het kader van de controle achteraf de oorsprong van het goed te bewijzen.
8 Met betrekking tot het eerste punt wijs ik erop, dat uit het hiervoor aangehaalde schrijven van de Oostenrijkse douane van 26 maart 1987 blijkt, dat deze geen concrete gronden heeft om de oorsprong van de machine in twijfel te trekken, maar haar opvatting dat de machine moet worden geacht van onbekende oorsprong te zijn, baseert op het ontbreken van enig bewijs van de Westduitse oorsprong van de machine. Zoals ik echter al zei, is in de loop van het geding een factuur overgelegd - en de Belgische autoriteiten lijken de echtheid ervan niet te betwisten - waaruit die Westduitse oorsprong blijkt. Op grond van de beschikbare gegevens is niet met zekerheid te zeggen, wanneer die factuur te voorschijn is gekomen, maar ik acht het uiterst waarschijnlijk dat de importeur ze heeft overgelegd in het kader van het door de Belgische douane afgenomen verhoor. Uit het arrest van het Hof van Beroep blijkt immers, dat de factuur was gevoegd bij de door de vervolgende administratie overgelegde processtukken.(3)
9 Met betrekking tot het tweede punt merk ik op, dat blijkens het arrest van het Hof van Beroep al op 9 december 1987 - de datum waarop een van de verdachten door de Belgische douane werd verhoord - duidelijk werd, dat de Oostenrijkse douane de Oostenrijkse exporteur niet in de gelegenheid had gesteld, in het kader van de controle achteraf de oorsprong van het goed te bewijzen.
10 Dit had voor de Belgische douanebeambten aanleiding moeten zijn om contact op te nemen met hun Oostenrijkse collega's, teneinde de bij hen gerezen twijfels omtrent de juistheid van het resultaat van de door de Oostenrijkse douane achteraf verrichte controle uit de weg geruimd te zien. Blijkens het dossier namen de Belgische douaniers echter geen contact op met hun Oostenrijkse ambtgenoten, zodat naar mijn mening kan worden betwijfeld of zij wel goede gronden hadden om bij de verdere douanebehandeling ervan uit te gaan, dat de machine van onbekende oorsprong was. Daar niet zonder meer duidelijk was, dat het door de Oostenrijkse douaneautoriteiten aan de Belgische douane meegedeelde resultaat bij de douanebehandeling van het goed tot uitgangspunt kon worden genomen, kon men dus zeggen, dat die behandeling moest plaatsvinden op de grondslag van het oorspronkelijk door de Oostenrijkse douane afgegeven certificaat EUR. 1.
Als ik het goed zie, is dit standpunt echter noch tijdens de procedure voor de Belgische rechter, noch tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling voor het Hof naar voren gebracht. Zoals hierna zal blijken, nopen de voorgelegde vragen daarentegen wel tot een uitspraak met betrekking tot een aantal principiële vragen, zoals de vraag of de douane van het land van invoer verplicht is, het door de douane van het land van uitvoer meegedeelde resultaat van een controle achteraf tot uitgangspunt te nemen; de vraag of een factuur een genoegzaam bewijs in de zin van Protocol nr. 3 is, en de vraag of uit Protocol nr. 3 kan worden afgeleid, dat de importeur van een goed in staat moet zijn de oorsprong ervan te bewijzen.
11 Ter afsluiting van deze inleidende opmerkingen wijs ik er nog op, dat de voorgelegde vragen zijn gerezen in een strafzaak en dat de Commissie mijns inziens terecht heeft opgemerkt, dat Protocol nr. 3 weliswaar aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een ingevoerd produkt moet worden geacht van onbekende oorsprong te zijn, de douane van het land van invoer van de importeur betaling van douanerechten moet vorderen, maar dat de Overeenkomst en het Protocol niet verlangen, dat de importeur onder alle omstandigheden wordt bestraft. Artikel 16, lid 4, van het Protocol bepaalt wel, dat sancties worden getroffen tegen personen die bescheiden "met onjuiste gegevens (...) opmaken, met het doel goederen onder de preferentiële regeling te laten vallen", maar deze verplichting geldt mijns inziens enkel ten aanzien van personen die voldoen aan de gebruikelijke subjectieve voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.
De eerste en de tweede vraag
12 Daar de eerste twee vragen van de verwijzende rechter nauw met elkaar samenhangen, lijkt het mij zinvol ze te zamen te behandelen.
13 De omstandigheid dat Protocol nr. 3 uitdrukkelijk spreekt van de mogelijkheid van een controle achteraf van de juistheid van de in een certificaat EUR. 1 vermelde gegevens, en beschrijft hoe de betrokken autoriteiten in een dergelijk geval tewerk moeten gaan, rechtvaardigt mijns inziens reeds de vaststelling, dat een certificaat EUR. 1 niet kan worden gezien als een onweerlegbaar bewijs dat een goed de in dat certificaat vermelde oorsprong heeft en derhalve voor het preferentieel tarief in aanmerking komt.
Wordt in het kader van de controle achteraf geconstateerd, dat, in tegenstelling tot hetgeen in het certificaat EUR. 1 wordt verklaard, de werkelijke oorsprong van een goed niet kan worden vastgesteld, dan betekent dit, dat het certificaat EUR. 1 ten onrechte is afgegeven en dus het preferentieel tarief ten onrechte is toegekend. De douaneautoriteiten van het land van invoer moeten dan ook bevoegd zijn daaruit de consequenties te trekken door alsnog tot invordering van de niet betaalde douanerechten over te gaan.(4)
14 Zoals ik in mijn inleidende opmerkingen echter al beklemtoonde, is het eigenaardige in deze zaak, dat de Oostenrijkse douane alleen lijkt te menen dat de machine moet worden geacht van onbekende oorsprong te zijn, omdat geen concrete bewijzen van de oorsprong ervan zijn verstrekt, terwijl de Belgische autoriteiten daadwerkelijk een bewijsstuk - namelijk de factuur - overgelegd hebben gekregen, maar desondanks volhouden dat de machine, zoals de Oostenrijkse douane heeft meegedeeld, van onbekende oorsprong is. Het centrale element in de eerste vraag van de verwijzende rechter is dan ook, of "de begunstigde staat (ten deze Oostenrijk) (...) moet (...) besluiten dat de goederen van onbekende oorsprong zijn, zodat het certificaat EUR. 1 (...) ten onrechte werd toegekend" (cursivering van mij). Voor de beantwoording van deze vraag moet met andere woorden worden onderzocht, of de douane van het land van invoer verplicht is, het door de douane van het land van uitvoer meegedeelde resultaat van de controle achteraf tot uitgangspunt te nemen.
Moet deze vraag aldus worden beantwoord, dat de douane van het land van invoer in elk geval onder bepaalde voorwaarden het door de douane van het land van uitvoer meegedeelde resultaat van de controle achteraf naast zich neer kan leggen, dan rijst - zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft verklaard en zoals ook ter terechtzitting ter sprake is gebracht - de vraag, of bij die beslissing rekening kan worden gehouden met een factuur als bewijs van de oorsprong van een goed.
De vraag of de douane van het land van invoer verplicht is, het door de douane van het land van uitvoer meegedeelde resultaat van de controle achteraf tot uitgangspunt te nemen
15 De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd, dat het "onredelijk zou (...) zijn, de machine de preferentiële behandeling (...) te onthouden", wanneer men in aanmerking neemt dat "de communautaire oorsprong van de machine niet werkelijk lijkt te worden betwist" en dat "de (...) factuur een aanwijzing in die zin vormt". Zij geeft het Hof dan ook in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden, dat wanneer de exporteur van een goed er in het kader van een controle achteraf niet in slaagt bewijzen van de oorsprong van het goed te verstrekken, de douane van het land van invoer betaling van douanerechten mag vorderen als ware het goed van onbekende oorsprong, "tenzij alsnog genoegzaam komt vast te staan dat het goed wel van preferentiële oorsprong was".
In antwoord op een desbetreffende vraag van het Hof heeft de Commissie ter terechtzitting haar standpunt als volgt gepreciseerd:
Bij haar beslissing of het preferentieel tarief kan worden toegekend, is de douane van het land van invoer in beginsel afhankelijk van de door de douane van het land van uitvoer verstrekte gegevens. Blijkens artikel 17, lid 3, van het Protocol worden de resultaten van een controle achteraf zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van het land van invoer en moet aan de hand daarvan kunnen worden vastgesteld, of de preferentiële regeling kan worden toegepast. Bijgevolg staat het aan de douane van het land van invoer om te beoordelen, of aan de voorwaarden voor toepassing van het preferentieel stelsel is voldaan en of de verstrekte gegevens de geldigheid van het certificaat bevestigen en iedere twijfel omtrent de oorsprong van het goed wegnemen. De Commissie concludeert, dat wanneer het land van uitvoer a posteriori niet alle nodige zekerheid kan verschaffen met betrekking tot de geldigheid van het certificaat EUR. 1, de douane van het land van invoer een zekere - zij het beperkte - vrijheid toekomt waar het de toekenning van het preferentieel tarief betreft.
16 Er is mijns inziens veel te zeggen voor het standpunt van de Commissie, dat de douane van het land van invoer in zekere mate zelfstandig moet kunnen beoordelen, of in het kader van een controle achteraf de juistheid van de in een certificaat EUR. 1 vermelde gegevens genoegzaam is aangetoond.
Zoals de Commissie heeft beklemtoond, bepaalt artikel 17, lid 3, van het Protocol: "De resultaten van de controle a posteriori worden (...) ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten van het land van invoer", en "aan de hand daarvan moet kunnen worden vastgesteld of het betwiste certificaat EUR. 1 (...) geldt voor de werkelijk uitgevoerde goederen en of de preferentiële regeling inderdaad daarop kan worden toegepast". Uit de bewoordingen van deze bepaling lijkt te kunnen worden afgeleid, dat de uiteindelijke beslissing, of de preferentiële regeling kan worden toegepast, onder alle omstandigheden bij de douane van het land van invoer ligt. In de onderhavige zaak hebben de Oostenrijkse autoriteiten meegedeeld, dat die regeling niet kan worden toegepast, maar niets in artikel 17, lid 3, lijkt erop te wijzen, dat de douane van het land van uitvoer een dergelijke beslissing moet of kan nemen.
Voor een dergelijke uitlegging pleit ook, dat op redelijke en praktische wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de betrokken handelaars. Wanneer bij voorbeeld de douane van het land van invoer in het kader van een controle achteraf rechtstreeks van de importeur bewijsstukken ontvangt die haars inziens de juistheid van het certificaat EUR. 1 genoegzaam aantonen, kunnen de betrokken regels toch moeilijk aldus worden uitgelegd, dat die stukken bij de beslissing of het preferentieel tarief moet worden toegekend, niet in aanmerking mogen worden genomen op grond dat zij niet zijn overgelegd of beoordeeld door de douane van het land van uitvoer. Uit artikel 16, lid 1, van het Protocol kan worden afgeleid, dat de bepalingen inzake administratieve samenwerking juist beogen te verzekeren, dat de preferentiële regeling buiten toepassing wordt gelaten wanneer niet aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan, en dat zij wordt toegepast wanneer die voorwaarden wel zijn vervuld.
17 Bij de beantwoording van de vraag, in hoeverre de autoriteiten van het land van invoer over een zelfstandige bevoegdheid beschikken, moet in het oog worden gehouden, dat aan de in Protocol nr. 3 beschreven methoden van administratieve samenwerking de gedachte ten grondslag ligt, dat de betrokken douaneautoriteiten elkaars beslissingen over en weer moeten respecteren. Wanneer de douaneautoriteiten van de ene staat willen opkomen tegen door de douaneautoriteiten van de andere staat genomen beslissingen, dienen zij zich in beginsel tot het Douanecomité te wenden. In zijn arrest van 12 juli 1984(5) heeft het Hof het systeem van het aan de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Zwitserland gehechte Protocol nr. 3 als volgt beschreven:
"Blijkens bovengenoemde bepalingen is de bepaling van oorsprong van goederen overeenkomstig Protocol nr. 3 gebaseerd op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van partijen bij de vrijhandelsovereenkomst in die zin, dat de oorsprong wordt vastgesteld door de autoriteiten van het land van uitvoer; het toezicht op de goede werking van deze regeling is verzekerd dank zij de wederzijdse samenwerking tussen de betrokken diensten (...)
De goede werking van dit mechanisme is evenwel eerst verzekerd, wanneer de douanedienst van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkent. Die beslissingen moeten door de douanediensten van de Lid-Staten worden erkend, opdat de Gemeenschap op haar beurt van de autoriteiten van de landen die met haar vrijhandelsovereenkomsten hebben gesloten, de eerbiediging kan opeisen van besluiten van de douanediensten der Lid-Staten ter zake van de oorsprong van uit de Gemeenschap naar die landen uitgevoerde produkten.
Er bestaat geen grond voor de vrees, dat toepassing van deze bepaling misbruik in de hand werkt; de artikelen 16 en 17 van Protocol nr. 3 bevatten immers, zeker in hun nieuwe versie, een nauwkeurige regeling van de samenwerking tussen de betrokken douanediensten in geval van betwistingen van de oorsprong of in geval van fraude van exporteurs of importeurs."(6)
18 Hiermee wilde het Hof vooral duidelijk maken, dat de douane van het land van invoer de door de douane van het land van uitvoer afgegeven certificaten EUR. 1 dient te respecteren. Daarom ook beklemtoonde het, dat het toezicht op de werking van de regeling via wederzijdse samenwerking moet worden verzekerd en dat er gezien de mogelijkheid van een controle achteraf geen grond bestaat voor de vrees, dat een systeem van wederzijdse erkenning van beslissingen tot misbruik leidt. Voor zover de overwegingen van het Hof echter worden geacht tevens betrekking te hebben op het door het land van uitvoer meegedeelde resultaat van een controle achteraf, wijs ik erop, dat de noodzaak dat de douanediensten dergelijke beslissingen over en weer erkennen, zich eerst en vooral doet gevoelen wanneer het land van invoer, in tegenstelling tot het land van uitvoer, de juistheid van het certificaat EUR. 1 niet genoegzaam bewezen acht en daarom de preferentiële regeling niet wenst toe te passen. Alsdan is het met het oog op de goede werking van het mechanisme en een doelmatige verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten noodzakelijk, dat het land van invoer het oordeel van het land van uitvoer respecteert, tenzij de kwestie wordt voorgelegd aan het Douanecomité en dit tot een andere beslissing komt.
In de omgekeerde situatie, wanneer de douane van het land van uitvoer zich niet in staat acht de juistheid van het oorspronkelijk afgegeven certificaat EUR. 1 te bewijzen, terwijl die van het land van invoer van mening is dat bewijs wel voorhanden te hebben, gaan bovenstaande overwegingen mijns inziens niet op. Het kan zich dan namelijk voordoen, dat het land van invoer goederen uit het land van uitvoer gunstiger wil behandelen dan waartoe het volgens dat land van uitvoer verplicht is. Mocht de douane van het land van uitvoer - tegen verwachting - een dergelijke gunstige behandeling wensen te bestrijden, dan kan zij zich tot het Douanecomité wenden. Dit lijkt mij een betere oplossing dan die volgens welke de douane van het land van invoer onbevoegd moet worden geacht de juistheid van een certificaat EUR. 1 te erkennen.
De in artikel 17 geformuleerde regel, dat de controle a posteriori wordt verricht door de autoriteiten van het land van uitvoer, beoogt mijns inziens dan ook eerst en vooral de basis te leggen voor een praktische samenwerking tussen de betrokken autoriteiten. Die regel kan echter niet aldus worden uitgelegd, dat het land van invoer niet zelfstandig mag besluiten de preferentiële regeling toe te passen.
19 Ook al zou het Hof deze uitlegging, volgens welke de douane van het land van invoer in het algemeen zelfstandig moet kunnen besluiten de preferentiële regeling toe te passen, van de hand wijzen, ik ben hoe dan ook van mening dat tegen de toekenning van een dergelijke bevoegdheid geen relevante bezwaren kunnen worden aangevoerd wanneer het, zoals in casu, niet gaat om de mogelijkheid voor de douane van het land van invoer om een door de douane van het land van uitvoer uitgesproken oordeel te wijzigen of naast zich neer te leggen, maar om de mogelijkheid voor die douane om later aan haar overgelegde bewijzen in aanmerking te nemen.
20 Gelet op een ander geef ik het Hof in overweging, te verklaren dat de douane van het land van invoer de mogelijkheid heeft, aan haar overgelegde bewijsstukken in aanmerking te nemen en op basis daarvan tot toepassing van de preferentiële regeling te besluiten, zulks ongeacht of zij hierbij onder omstandigheden het door de douane van het land van uitvoer meegedeelde resultaat van de controle achteraf naast zich neer moet leggen.
De vraag of een factuur een genoegzaam bewijs in de zin van Protocol nr. 3 is
21 Nu de douane van het land van invoer de mogelijkheid heeft, aan haar overgelegde bewijsstukken in aanmerking te nemen, en nu het in de onderhavige zaak gaat om een aan de Belgische douane overgelegde factuur, moet voor een bevredigende beantwoording van de gestelde vragen worden onderzocht, of een factuur een genoegzaam bewijs in de zin van Protocol nr. 3 is.
22 De Commissie heeft erop gewezen, dat uit artikel 9, lid 3, van het Protocol in beginsel volgt, dat in het geval dat een goed opnieuw naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, een certificaat EUR. 1 enkel kan worden afgegeven na overlegging van het eerder afgegeven certificaat EUR. 1.(7) Volgens de Commissie is deze interpretatie echter te formalistisch in een situatie als de onderhavige, waarin het goed uit de Gemeenschap is uitgevoerd naar Oostenrijk op een moment waarop de Overeenkomst tussen deze partijen nog niet in werking was getreden. Daar in deze situatie de communautaire oorsprong van het goed niet door overlegging van een eerder afgegeven certificaat EUR. 1 kan worden bewezen, moet die oorsprong volgens de Commissie langs een andere weg kunnen worden aangetoond, bij voorbeeld door overlegging van een factuur van de oorspronkelijke exporteur.
23 Ik sluit mij op dit punt volledig bij de Commissie aan. Er is naar mijn mening geen enkele grond om aan te nemen, dat Protocol nr. 3 de preferentiële behandeling wil onthouden aan goederen van oorsprong uit de Gemeenschap, die vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Oostenrijk naar Oostenrijk zijn uitgevoerd. Deze uitlegging vindt mijns inziens bevestiging in het feit, dat artikel 9, lid 3, bij verordening (EEG) nr. 4271/88 van de Raad van 21 december 1988(8) in zoverre is gewijzigd, dat niet langer de overlegging van eerder afgegeven certificaten EUR. 1 wordt verlangd, maar enkel de overlegging van "de eerder afgegeven of opgestelde bewijzen van oorsprong". Meer in concreto lijkt het mij in een geval als het onderhavige, waarin er geen reden lijkt te zijn de Westduitse oorsprong van de machine in twijfel te trekken, redelijk, de door de oorspronkelijke exporteur opgestelde factuur niet alleen als een relevant, maar ook als een genoegzaam bewijs van die oorsprong te aanvaarden.(9)
24 Ik geef het Hof dan ook in overweging, te verklaren dat een factuur een aanvaardbaar en onder omstandigheden genoegzaam bewijs van de oorsprong van een goed is, voor zover er sprake is van goederen die uit de staat van oorsprong zijn uitgevoerd op een moment waarop de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Oostenrijk nog niet van kracht was, en waarvoor dus geen eerder afgegeven certificaat EUR. 1 kan worden overgelegd.
De derde vraag
25 Gezien het door mij voorgestelde antwoord op de eerste en de tweede vraag, behoeft de derde vraag, betreffende overmacht, eigenlijk geen beantwoording meer. Want wanneer de verwijzende rechter als antwoord krijgt, dat de Belgische douane onder alle omstandigheden een aan haar overgelegd bewijsstuk in aanmerking kan nemen en op basis daarvan tot toepassing van de preferentiële regeling kan besluiten, en dat de overgelegde factuur in de onderhavige omstandigheden een aanvaardbaar en, voor zover valt te beoordelen, genoegzaam bewijs van de oorsprong van de machine is, dan weet hij hiermee vermoedelijk voldoende om te kunnen beslissen, of de verdachten kunnen worden bestraft en of tot invordering van douanerechten kan worden overgegaan. Anders gezegd, het lijkt dan niet nodig nog in te gaan op de vraag, of de uit haar eigen nalatigheid ontstane onmogelijkheid voor de Oostenrijkse douane om vast te stellen dat de in het afgegeven certificaat EUR. 1 vermelde gegevens juist waren, voor de Belgische importeur een overmachtsituatie meebrengt.
Het is echter mogelijk, dat de verwijzende rechter zich om processuele redenen genoodzaakt ziet zich uit te spreken over de vraag, of de handelwijze van de Oostenrijkse autoriteiten, zoals het Hof van Beroep heeft vastgesteld, overmacht oplevert. Ik zal daarom toch ingaan op die derde vraag.
26 Daar Protocol nr. 3 geen uitdrukkelijke bepaling inzake overmacht bevat, moet voor de beantwoording van deze vraag eerst worden onderzocht, of de Belgische importeur zich überhaupt op dat beginsel kan beroepen.
Het Hof heeft overmacht nooit met zoveel woorden als een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht erkend; het heeft juist in bepaalde zaken een beroep op overmacht afgewezen op grond van het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling dienaangaande.(10) Dit sluit echter niet uit, dat onder bepaalde voorwaarden ook zonder een uitdrukkelijke bepaling een beroep op overmacht kan worden aanvaard. In dit verband is het van belang, dat overmacht in zekere zin kan worden gezien als een concretisering van het evenredigheidsbeginsel, dat onbetwistbaar tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht moet worden gerekend. Het Hof heeft dan ook erkend, dat een handelaar zelfs zonder een uitdrukkelijke bepaling van bepaalde verplichtingen kan worden vrijgesteld, wanneer de niet-nakoming van die verplichtingen is te wijten aan omstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met overmacht, en wanneer die vrijstelling niet in strijd is met het wezenlijke doel van de betrokken bepalingen.(11)
Naar mijn mening dient toepassing van een dergelijke ongeschreven overmachtsclausule in de onderhavige situatie mogelijk te zijn. De Overeenkomst heeft tot doel, een preferentiële douanebehandeling toe te kennen aan goederen die aan de materiële criteria hiervoor voldoen, dat wil zeggen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of uit Oostenrijk. De bepalingen van Protocol nr. 3 beogen de basis te leggen voor de praktische verwezenlijking van die doelstelling. De mogelijkheid om materieel onjuiste beslissingen, die zijn genomen als gevolg van omstandigheden die op één lijn moeten worden gesteld met overmacht, via de toepassing van de overmachtsregel recht te trekken, is mijns inziens niet in strijd met het met die bepalingen nagestreefde doel.
27 Nu dan de vraag, of in casu aan de voorwaarden voor overmacht is voldaan.
De Belgische regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen betoogd, dat de Belgische importeur zich niet op overmacht kan beroepen, daar niet alleen de exporteur, maar ook de importeur "op het tijdstip van de oorspronkelijke overeenkomst eraan moest denken, dat hij ten bewijze van de oorsprong van de goederen aan bewijsstukken moest zien te komen". Zij concludeert dan ook, dat "eventuele moeilijkheden of ontwijkende antwoorden bij een controle a posteriori niet als objectieve overmacht kunnen worden beschouwd", en dat het "subjectieve element van overmacht in casu evenmin aanwezig is, nu de twee partijen bij de handelstransacties van hun verantwoordingsplicht op de hoogte moeten zijn en zich van meet af aan van de nodige bewijsstukken dienen te voorzien". Bij haar beantwoording van de derde vraag stelt de Belgische regering vast, dat die op de partijen rustende verplichting om zich van de nodige bewijsstukken te voorzien, meebrengt, dat "de nalatigheid ($al dan niet kwaadwillig') van die administratie, met de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor haar om de werkelijke oorsprong op dat tijdstip na te gaan, voor de invoerder in de Lid-Staat van invoer geen overmachtsituatie kan meebrengen". Ter terechtzitting heeft de Belgische regering vastgehouden aan haar standpunt, dat partijen een gemeenschappelijke bewijsplicht hebben ten overstaan van de douane. Zij heeft echter ook verklaard, dat dat bewijs normaal gesproken door de Oostenrijkse exporteur zal moeten worden geleverd, maar dat het de Belgische importeur is die de rechten zal moeten betalen. Uit commercieel oogpunt hebben zij dus, aldus de Belgische regering, een gemeenschappelijk belang te verdedigen.
28 De Commissie heeft, ondersteund door de verdachten in het hoofdgeding, in haar schriftelijke opmerkingen te kennen gegeven: "Geen enkele bepaling van Protocol nr. 3 deelt een rol toe aan de importeur wat betreft de vaststelling of controle van de oorsprong van de goederen. De verantwoordelijkheid hiervoor berust bij de exporteur die geacht wordt over de noodzakelijke bewijsstukken te beschikken (...) alsook bij de douane van het land van export (...) Niet is uit te sluiten dat dit door de Belgische administratie uit het oog is verloren op het moment dat zij besloot een strafrechtelijke en civielrechtelijke procedure tegen de importeur en daarmee verband houdende personen aan te spannen."
29 Naar mijn mening heeft de Commissie gelijk waar zij stelt, dat uit geen van de bepalingen van Protocol nr. 3 kan worden afgeleid, dat de importeur verplicht is zelf over de noodzakelijke bewijsstukken te beschikken dan wel die stukken zonder meer moet kunnen overleggen. Blijkens Protocol nr. 3 rust de verplichting om de oorsprong van het goed te bewijzen, uitsluitend op de exporteur en de douane van het land van uitvoer.(12)
Ten betoge dat op de importeur een bewijsplicht rust, beroept de Belgische regering zich op artikel 12, lid 1, van Protocol nr. 3, dat bepaalt: "Certificaten EUR. 1 moeten binnen vier maanden na de datum waarop zij door de douane van het land van uitvoer zijn afgegeven, worden overgelegd op het douanekantoor van het land van invoer waar de goederen (...) worden aangebracht. Deze autoriteiten (...) kunnen bovendien eisen dat de invoeraangifte wordt aangevuld met een verklaring van de importeur dat de goederen voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst." Deze bepaling doet echter niet af aan het feit, dat het, zoals de Commissie heeft verklaard, de exporteur is die ingevolge het Protocol de bewijzen van de oorsprong van een goed dient te verstrekken. Ik zie dan ook geen reden om aan te nemen, dat de in artikel 12, lid 1, van het Protocol bedoelde verklaring van de importeur zou betekenen, dat de importeur die verplichting overneemt. De Belgische regering heeft geen andere bepalingen aangevoerd waaruit een op de importeur rustende bewijsplicht zou kunnen worden afgeleid.
Ik wijs er echter op, dat de vraag of op de importeur een eigenlijke verplichting rust, niet mag worden verward met de omstandigheid dat hij er uiteraard belang bij heeft, de noodzakelijke bewijsstukken te kunnen overleggen. Hij moet er natuurlijk op voorbereid zijn, dat hij een risico loopt wanneer hij in zee gaat met een exporteur zonder zich tevoren ervan te hebben vergewist, dat deze beschikt over bewijzen van de oorsprong van het goed. Kan de exporteur niet voldoen aan de krachtens Protocol nr. 3 op hem rustende verplichting tot overlegging van de benodigde bewijsstukken, dan moet de importeur de gevolgen hiervan dragen in de vorm van betaling van douanerechten.(13)
30 Thans moet worden onderzocht, of de omstandigheid dat de exporteur door toedoen van de Oostenrijkse autoriteiten niet in de gelegenheid is gesteld, in het kader van de controle achteraf te voldoen aan zijn verplichting tot overlegging van bewijzen van de oorsprong van het goed, onder omstandigheden voor de Belgische importeur een overmachtsituatie kan opleveren.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet "het begrip overmacht worden opgevat in de zin van abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (...)"(14)
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat door overheidsdiensten getroffen maatregelen onder omstandigheden overmacht kunnen opleveren. In zijn arrest van 18 maart 1993 (zaak C-50/92, Firma Molkerei-Zentrale Süd)(15) oordeelde het Hof in de rechtsoverwegingen 12 en 13 als volgt:
"Wanneer de administratie van een Lid-Staat vertraging oploopt bij de controle van de verwerking van de boter en het terugzenden van het controle-exemplaar aan de autoriteiten van de staat van oorsprong, is er sprake van een omstandigheid die vreemd is aan de handelaar, daar deze geen invloed kan uitoefenen op het verrichten van die handelingen.
Aan de voorwaarde inzake het abnormale en onvoorzienbare karakter van de aan de schadelijke gevolgen voor de handelaar ten grondslag liggende omstandigheden is voldaan, wanneer de handelaar in het kader van een regeling inzake het beheer van de landbouwmarkten door toedoen van de administratie tot welker diensten hij zich noodzakelijkerwijs moet wenden, in de onmogelijkheid verkeert, de krachtens de gemeenschapsregeling op hem rustende verplichtingen na te komen."
Zoals bekend, heeft het Hof van Beroep in zijn arrest vastgesteld, dat in casu de Oostenrijkse douane volledig is tekortgeschoten in haar verplichting een controle achteraf te verrichten, en bovendien in dit verband onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt. Een dergelijke situatie is naar mijn mening aan te merken als een heel ongewone omstandigheid, waarop de handelaar geen invloed heeft.
Wat de vraag betreft, of de Belgische importeur voldoende oplettendheid heeft betracht: er zijn mijns inziens geen aanwijzingen dat hem iets valt te verwijten. Zoals gezegd, namen de verdachten al in het stadium van het verhoor door de Belgische douane telefonisch contact op met de Oostenrijkse exporteur teneinde duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken. Het is echter de verwijzende rechter die over deze kwestie het laatste woord heeft.(16)
Conclusie
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
"De eerste en de tweede vraag
Indien in het kader van een controle achteraf van de juistheid van een certificaat EUR. 1, door de douane van het land van uitvoer verricht overeenkomstig artikel 17 van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk (PB 1984, L 323, blz. 1), moet worden geconstateerd, dat de oorsprong van een goed niet kan worden vastgesteld, moet het certificaat - en daarmee het preferentieel tarief krachtens de Overeenkomst - worden geacht ten onrechte te zijn toegekend. Alsdan kan de douane van het land van invoer overgaan tot invordering van de bij invoer niet betaalde douanerechten.
Zelfs indien de douane van het land van uitvoer, die is verzocht genoemde controle achteraf te verrichten, aan de douane van het land van invoer heeft meegedeeld, dat geen bewijzen van de werkelijke oorsprong van het betrokken goed kunnen worden verstrekt, kan de douane van het land van invoer besluiten op basis van het oorspronkelijk afgegeven certificaat de preferentiële regeling toe te passen, wanneer haar nieuwe bewijsstukken zijn overgelegd die de juistheid van de in het certificaat EUR. 1 vermelde oorsprong kunnen aantonen.
Wanneer het gaat om goederen die uit het land van oorsprong zijn uitgevoerd op een moment waarop genoemde Overeenkomst nog niet van kracht was, en waarvoor derhalve niet overeenkomstig artikel 9, lid 3, van Protocol nr. 3 een eerder afgegeven certificaat EUR. 1 kan worden overgelegd, kan een door de oorspronkelijke exporteur opgestelde factuur onder omstandigheden een genoegzaam bewijs van de oorsprong van een goed opleveren.
De derde vraag
Indien de omstandigheid dat de exporteur in het kader van een controle achteraf niet de relevante bewijzen van de oorsprong van een goed heeft verstrekt, is te wijten aan fouten of nalatigheden van de douane van het land van uitvoer, kan de importeur zich op overmacht beroepen. Dit geldt echter alleen indien de importeur de gevolgen van die fouten en nalatigheden, alle diligentie ten spijt, slechts ten koste van onevenredig grote offers had kunnen vermijden."
(1) - De Overeenkomst, daaronder begrepen Protocol nr. 3, is als bijlage opgenomen bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 300, blz. 2). Het Protocol is meermalen gewijzigd. De in de onderhavige zaak toepasselijke versie is die welke is opgenomen als bijlage bij verordening (EEG) nr. 3386/84 van de Raad van 3 oktober 1984 (PB 1984, L 323, blz. 1).
(2) - De twee vennootschappen zijn als civielrechtelijk aansprakelijke partijen bij de strafzaak betrokken.
(3) - De door de Belgische regering ter terechtzitting gemaakte opmerking, dat niet meer valt na te gaan wanneer en hoe men in het bezit van de factuur is gekomen, maar dat deze hoogstwaarschijnlijk te voorschijn is gekomen tijdens de behandeling van de betrokken douaneovertreding door de correctionele rechtbank, moet dan ook onjuist worden geacht.
(4) - Zie in dit verband arrest van het Hof van 11 december 1980 (zaak 827/79, Italiaanse Administratie der Staatsfinanciën, Jurispr. 1980, blz. 3731), waarin het ging om de preferentiële tariefbehandeling voor produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden. In rechtsoverweging 8 van zijn arrest verklaarde het Hof: "Toegegeven moet worden dat de mogelijkheid van controle na invoer, zonder dat de importeur vooraf is gewaarschuwd, deze laatste in moeilijkheden kan brengen indien hij - vertrouwend op certificaten die (...) onjuist of vervalst waren - te goeder trouw heeft gemeend goederen in te voeren die voor tariefpreferenties in aanmerking kwamen. In dat verband moet evenwel worden opgemerkt, dat de Gemeenschap niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van haar onderdanen hoeft te dragen, dat de importeur tegen degene die zich aan de vervalsing heeft schuldig gemaakt, een vordering tot schadevergoeding kan instellen, en dat een voorzichtig handelaar die de regeling kent, bij het berekenen van de voordelen welke de handel in voor preferentiële tarieven in aanmerking komende produkten hem kan opleveren, die risico's van de door hem betreden markt moet kunnen incalculeren en als een van de normale schaduwzijden van de handel moet kunnen aanvaarden."
(5) - Zaak 218/83, Les Rapides Savoyards, Jurispr. 1984, blz. 3105.
(6) - R.o. 26-28.
(7) - Artikel 9, lid 3, tweede alinea, bepaalt: "Ingeval artikel 2 en, in voorkomend geval, artikel 3 van dit protocol worden toegepast, worden de certificaten EUR. 1 afgegeven door de douaneautoriteiten van elk der betrokken landen waar deze goederen, na overlegging van de eerder afgegeven certificaten EUR. 1, hebben verbleven alvorens opnieuw in ongewijzigde staat te worden uitgevoerd (...)" Ondanks deze verwijzing naar de artikelen 2 en 3, die betrekking hebben op het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Oostenrijk enerzijds en de zes overige EVA-landen anderzijds, ben ik van mening dat de bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat het vereiste van overlegging van eerder afgegeven certificaten EUR. 1 ook geldt ingeval men een goed dat eerst uit de Gemeenschap is uitgevoerd naar Oostenrijk, weer uit Oostenrijk wenst uit te voeren.
(8) - PB 1988, L 381, blz. 1.
(9) - De Belgische regering heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat de factuur niet als een genoegzaam bewijs kan worden gezien, omdat zij niet garandeert dat de machine identiek is met de oorspronkelijk uit Oostenrijk uitgevoerde machine (en er dus, bij voorbeeld, naderhand geen wijzigingen in zijn aangebracht of wezenlijke onderdelen aan zijn toegevoegd). Dit argument treft mijns inziens geen doel. In de eerste plaats zou de exporteur hierdoor worden opgezadeld met een onmogelijk bewijs; het valt immers moeilijk in te zien, welke latere of andere documenten zouden kunnen aantonen, dat de machine in Oostenrijk geen substantiële wijzigingen heeft ondergaan. In de tweede plaats geloof ik niet, dat er in dit opzicht enig verschil is tussen de bewijskracht van een factuur en die van een eventueel eerder afgegeven certificaat EUR. 1.
(10) - Zie bij voorbeeld arrest van het Hof van 5 mei 1980, zaak 38/79, Nordmark, Jurispr. 1980, blz. 643, r.o. 7-9.
(11) - Zie in dit verband onder meer arrest van het Hof van 19 april 1988 (zaak 71/87, Inter-Kom, Jurispr. 1988, blz. 1979), waarin het Hof overwoog, dat ofschoon de betrokken gemeenschapsbepaling geen uitdrukkelijke overmachtsclausule bevatte, tegen de achtergrond en het doel van de betrokken bepaling moest worden onderzocht, of het bestaan van een impliciete overmachtsclausule kon worden aanvaard (r.o. 10 en 11).
(12) - Zoals uit de schriftelijke opmerkingen van de Commissie blijkt, is bij verordening (EEG) nr. 1598/88 van 24 mei 1988 (PB 1988, L 149, blz. 1) een nieuw artikel 15, lid 2, aan protocol nr. 3 toegevoegd, volgens hetwelk de exporteur de bewijsstukken betreffende de oorsprong van het goed ten minste twee jaar moet bewaren. Mijns inziens volgt deze verplichting echter al impliciet uit de bepalingen van de voor de onderhavige zaak relevante versie van Protocol nr. 3, zoals in het bijzonder artikel 10, lid 4, volgens hetwelk de exporteur in verband met een controle a posteriori in staat dient te zijn, onmiddellijk alle relevante bewijsstukken over te leggen. Zie voor de op de douane van het land van uitvoer rustende verplichting om de relevante bewijsstukken te bewaren, de artikelen 10, lid 6, en 17, lid 3, laatste alinea, van Protocol nr. 3.
(13) - Blijkens de rechtspraak van het Hof kan een importeur zich niet op overmacht beroepen wanneer de niet-overlegging van bewijsstukken aan de exporteur kan worden toegerekend. Het Hof heeft verklaard, dat handelingen van contractpartners niet zijn te beschouwen als handelingen waarop de handelaar geen invloed heeft. De handelaar mag namelijk worden geacht zijn handelspartners zorgvuldig te kiezen en hen in de overeenkomst tot nauwgezette naleving van de bepalingen van die overeenkomst te verplichten, en in voorkomend geval sancties vast te stellen voor het geval de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet worden nageleefd. Zie onder meer arresten van het Hof van 13 december 1979 (zaak 42/79, Eierkontor, Jurispr. 1979, blz. 3703, r.o. 10) en 13 november 1984 (gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos, Jurispr. 1984, blz. 3763, r.o. 16).
(14) - Zie laatstelijk arrest van het Hof van 18 maart 1993 (zaak C-50/92, Firma Molkerei-Zentrale Süd, Jurispr. 1993, blz. I-1035, r.o. 11). Zie ook arresten van het Hof van 17 december 1970 (zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125), 22 januari 1986 (zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr. 1986, blz. 149) en 7 mei 1991 (zaak C-338/89, Danske Slagterier, Jurispr. 1991, blz. I-2315).
(15) - Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Lenz van 9 februari 1993.
(16) - In dezelfde zin: r.o. 15 van het arrest van het Hof in de zaak Molkerei-Zentrale Süd.
Full & Egal Universal Law Academy