CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 31 maart 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Bundesfinanzhof stelt twee prejudiciële vragen aan het Hof, die in wezen betrekking hebben op de uitlegging van de term „gezouten vlees” in post 0210 van de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. Het Bundesfinanzhof vraagt inzonderheid, of rundvlees, waaraan zoveel zout is toegevoegd dat het totale zoutgehalte meer dan driemaal zo hoog is als het natuurlijke zoutgehalte, als gezouten onder post 0210 dient te worden ingedeeld, en zo niet, hoe hoog het zoutgehalte moet zijn en aan welke andere voorwaarden moet worden voldaan om het betrokken produkt onder post 0210 te kunnen indelen.
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Gausepohl-Fleisch en de Oberfinanzdirektion Hamburg over de tariefindeling van twee partijen bevroren rundvlees met een totaal zoutgehalte tussen 0,71 % en 1,2 %, terwijl het natuurlijke zoutgehalte van het betrokken vlees 0,15 % bedraagt.
2.
Het betrokken vlees valt onbetwist onder hoofdstuk 2 „Vlees en eetbare slachtafvallen” van de gecombineerde nomenclatuur, welk hoofdstuk zowel bevroren vlees van runderen (post 0202) alsook gezouten vlees (post 0210) omvat. Het geschil dat aan de onderhavige zaak ten grondslag ligt, gaat over de vraag of het betrokken produkt onder post 02023090 (ander bevroren rundvlees), volgens de indeling van de Oberfinanzdirektion in haar desbetreffende bindende tariefinlichting, of onder post 02102090 (gezouten vlees van runderen, zonder been), zoals verzoekster betoogt, moet worden ingedeeld.
De nationale rechter gaat ervan uit, dat het betrokken vlees slechts onder post 0202, dus als bevroren rundvlees, dient te worden ingedeeld, wanneer het vlees niet als voldoende gezouten kan worden beschouwd om onder post 0210 te vallen; de gestelde vragen strekken dan ook voornamelijk tot vaststelling van het percentage zout, waarbij het litigieuze rundvlees onomstotelijk het kenmerk „gezouten” in de zin van post 0210 verkrijgt.
3.
Hierbij zij allereerst opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof „in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissend criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de posten en de onderverdelingen van het GDT en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn vastgelegd”. ( 1 ) Hiertoe kunnen eveneens de toelichtingen op het geharmoniseerde systeem van dienst zijn. ( 2 )
Het begrip „gezouten” in post 0210 is noch in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken noch in de toelichtingen op het geharmoniseerde systeem nader omschreven. Zoals uit bepaalde van de Commissie afkomstige documenten blijkt, is voorts de vraag omtrent het vereiste percentage zout om aan rundvlees het kenmerk „gezouten” in de zin van post 0210 te verlenen, zowel binnen de ad hoc groep Landbouw als het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief gerezen en zonder resultaat besproken. In de loop van de procedure is overduidelijk geworden, dat de handelwijze van de verschillende Lid-Statcn dienaangaande zeer uiteenloopt. Niettemin kunnen, naar wij zullen zien, uit de systematiek van hoofdstuk 2 voor het onderhavige geval bruikbare aanwijzingen worden afgeleid.
4.
Alvorens over te gaan tot de uitlegging van post 0210 en in het bijzonder van het begrip „gezouten”, acht ik het evenwel nodig enkele verduidelijkingen aan te brengen inzake de criteria die, in een geval als het onderhavige, een indeling mogelijk maken van vlees dat zowel ingevroren als gezouten is.
Zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof ( 3 ) omvat hoofdstuk 2 van de gecombineerde nomenclatuur vlees dat een behandeling heeft ondergaan welke ten doel heeft het te verduurzamen, waaronder zouten en invriezen. Voorts blijkt uit hoofdstuk 2 van de toelichtingen bij het geharmoniseerde systeem, dat vers vlees (dat wil zeggen in zijn natuurlijke staat) als zodanig blijft aangemerkt ook indien met zout bestrooid ter bewaring onderweg, hetgeen impliceert dat een oppervlakkige zouting niet volstaat om het betrokken vlees als „gezouten” te beschouwen. Vanzelfsprekend geldt dezelfde conclusie voor bevroren vlees; anders zou immers alle vlees waaraan zout, ongeacht de hoeveelheid, is toegevoegd „gezouten” zijn in de zin van post 0210.
De indeling van een produkt onder de ene post (bevroren vlees) in plaats van onder een andere (gezouten vlees) hangt derhalve voornamelijk af van het in casu toegepaste procédé om een daadwerkelijke verduurzaming van het betrokken produkt te waarborgen, met het gevolg dat wanneer een dergelijke verduurzaming door invriezing wordt bereikt, de omstandigheid dat zout is toegevoegd (of dit voor of na de invriezing gebeurde, doet niet ter zake) voor de tariefindeling van geen belang is.
Vervolgens meen ik evenwel uit de verwijzingsbeschikking te kunnen opmaken, dat het in de onderhavige zaak interventievlees betreft dat aanvankelijk bevroren was en pas na het ontdooien een zouting heeft ondergaan. Het is duidelijk dat in een dergelijk geval de toevoeging van zout verduurzaming ten doel kan hebben, met als gevolg indeling als „gezouten” vlees in de zin van post 0210. Naar mijn oordeel dient in die zin de opmerking van de verwijzende rechter te worden gelezen, dat slechts in die gevallen waarin een dergelijke indeling onmogelijk is, het betrokken vlees als bevroren vlees moet worden ingedeeld, voor zover — zoals deze rechter verklaart— het oorspronkelijk bevroren vlees ook in geheel of gedeeltelijk ontdooide staat als bevroren vlees moet worden ingedeeld. ( 4 )
5.
De voorafgaande opmerkingen ter verduidelijking van de onderhavige problematiek werpen reeds enig licht op de uitlegging van post 0210: a) uit de gecombineerde nomenclatuur kan niet worden afgeleid welk percentage zout vlees moet bevatten om als „gezouten” te worden aangemerkt; b) het zoutgehalte dient zodanig te zijn dat hiermee verduurzaming van het betrokken vlees wordt bereikt, hetgeen inhoudt dat de zouting dus niet enkel oppervlakkig mag zijn; en ten slotte c) deze behandeling mag niet enkel met het oog op het vervoer hebben plaatsgevonden.
Een en ander wordt bevestigd zowel door het feit, dat de andere onder post 0210 bedoelde behandelingen, namelijk pekelen, drogen en roken, gericht zijn op langdurige houdbaarheid, als door het arrest Dinter (reeds aangehaald), waaruit volgt dat hoofdstuk 2 vlees omvat dat een behandeling heeft ondergaan om het te verduurzamen, en dat in het bijzonder niet als „gezouten” in de zin van dit hoofdstuk vlees wordt aangemerkt, waaraan zout enkel is toegevoegd bij wijze van „kruiden” en dat als „bereidingen” onder hoofdstuk 16 valt.
Derhalve dient alleen nog te worden vastgesteld, wanneer de zouting van dien aard is dat er van verduurzaming sprake is en/of wanneer deze heeft plaatsgevonden voor andere doeleinden dan voor de houdbaarheid van de waar gedurende het vervoer. Dienaangaande is reeds duidelijk gemaakt, dat vlees dat enkel met zout is bestrooid niet als gezouten vlees in de zin van post 0210 mag worden ingedeeld. Deze aanwijzing is ook te vinden in de toelichting bij post 02101111 en 02101119 met betrekking tot varkensvlees, welke toelichting in casu uitvoerig is besproken teneinde vast te stellen of de daarin opgenomen preciseringen eveneens gelden voor gezouten rundvlees.
Ik wil al dadelijk opmerken dat ik deze vraag niet doorslaggevend vind: in de eerste plaats omdat de meeste in deze toelichting gegeven aanwijzingen, namelijk dat een grondige zouting vereist is en dat het percentage zout sterk kan verschillen naar gelang van de wijze van uitsnijden en de aard van het vlees, het probleem niet kunnen verleggen en, zoals is gebleken, hoe dan ook uit de systematiek van hoofdstuk 2 voortvloeien, zij het door eliminatie. In de tweede plaats houdt, bij nadere beschouwing, zelfs de in deze toelichting uitdrukkelijk vermelde eis, dat de periode van houdbaarheid de duur van het vervoer ruimschoots dient te overtreffen, niets nieuws in en vloeit zij in ieder geval logisch voort uit het feit dat zouting in de zin van post 0210 verduurzaming voor andere doeleinden dan vervoer dient te verzekeren.
6.
In feite vloeien de moeilijkheden nu juist voort uit het ontbreken van een criterium ter onderscheiding van zouting die uitsluitend de houdbaarheid van vlees voor de duur van het vervoer verzekert, en zouting die een methode van daadwerkelijke (zij het voorlopige) conservering vormt. Dienaangaande is in de loop van de procedure betoogd, dat vanuit wetenschappelijk oogpunt het zoutgehalte 4 tot 5 % moet bedragen om te kunnen spreken van een zouting die tot daadwerkelijke „verduurzaming” van het produkt leidt. ( 5 ) Zoals terecht naar voren is gebracht, is anderzijds de verduurzaming — of beter gezegd de duur hiervan — niet uitsluitend afhankelijk van het zoutgehalte, maar eveneens van andere factoren zoals de aard en de wijze van uitsnijden van het betrokken vlees, de omgevingsfactoren en de mate van hygiëne van de verpakking. Het is derhalve onmogelijk om een omschrijving in abstracto te geven van hetgeen onder grondige zouting moet worden verstaan.
Ook is het niet mogelijk te bepalen in welke mate de periode van houdbaarheid van „gezouten” vlees de duur van het vervoer (ruimschoots) dient te overtreffen. In deze zaak bij voorbeeld bedroeg de duur van het vervoer van het vlees in kwestie slechts een uur, terwijl bij de onderhavige verduurzaming een houdbaarheid tot maximaal twee dagen was verzekerd, zodat men mag aannemen dat deze ruimschoots de duur van het vervoer overtrof. In een dergelijk geval is evenwel de duur van elke vervoersverrichting doorslaggevend, hetgeen neerkomt op verschillende resultaten met betrekking tot hetzelfde soort vlees met hetzelfde zoutgehalte.
7.
Uit de beschouwing tot nu toe volgt zonder meer, dat de genoemde criteria die zijn af te leiden uit de systematiek van hoofdstuk 2 van de gecombineerde nomenclatuur, voor de kwalificatie van rundvlees als „gezouten” in de zin van post 0210 niet de vereiste objectiviteit bezitten om een bepaald produkt op eenvormige wijze onder een bepaalde tariefpost in te delen.
Teneinde te ontsnappen aan een dergelijke conclusie die het aan de nationale rechter — uiteraard in het licht van de door mij aangeduide criteria — overlaat te verifiëren of rundvlees waaraan zout is toegevoegd al dan niet als „gezouten” vlees in de zin van post 0210 moet worden ingedeeld, heeft de Commissie — tijdens de mondelinge behandeling — haar standpunt gedeeltelijk gewijzigd door een minimaal zoutgehalte aan te geven dat vlees dient te bevatten om indeling onder post 0210 mogelijk te maken, namelijk 1,20 gewichtspercenten. Een dergelijk percentage kan voor de nationale rechter natuurlijk een belangrijk aanknopingspunt vormen, voor zover de Commissie — zoals zij zelf heeft meegedeeld — van plan is de opneming van een dergelijk criterium in de toepasselijke gecombineerde nomenclatuur voor te stellen. Gezien de huidige tekst van de nomenclatuur op dit punt lijkt het mij evenwel uitgesloten, ten behoeve van de uitlegging waartoe het Hof is geroepen, een dergelijk beslissend criterium te verkondigen.
Ten slotte ben ik van mening, dat in de eerste plaats een zoutgehalte dat meer dan het drievoudige bedraagt van het natuurlijke zoutgehalte, niet als zodanig volstaat om vlees als „gezouten” in de zin van post 0210 te beschouwen, en in de tweede plaats dat rundvlees, ook wanneer het eerder bevroren is geweest, als „gezouten” in de zin van post 0210 moet worden ingedeeld, wanneer het een toereikend zoutgehalte bevat om de houdbaarheid te verzekeren gedurende een periode die de duur van het vervoer ruimschoots overtreft, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met eerder genoemde factoren.
8.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de door het Bundesfinanzhof gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Rundvlees met een zoutgehalte dat meer dan het drievoudige bedraagt van het natuurlijke zoutgehalte kan als zodanig niet worden ingedeeld onder post 0210 van de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief.
2)
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht dient rundvlees als ‚gezouten’ in de zin van post 0210 te worden ingedeeld, wanneer het een grondige zouting heeft ondergaan welke, ook rekening houdend met de wijze van uitsnijden van het betrokken vlees, weersomstandigheden en omgevingsfactoren, van dien aard is dat de verduurzaming de duur van het vervoer ruimschoots overtreft.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Zie bij voorbeeld arrest van 7 mei 1991 (zaak C-120/90, Post, Jurispr. 1991, blz. I-2391, r. o. 11).
( 2 ) Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de toelichtingen de bewoordingen van het tarief weliswaar niet wijzigen, doch vormen zij een belangrijk instrument ter uitlegging ervan, waarmee de draagwijdte van de verschillende posten en postonderverdelingen nauwkeurig kan worden bepaald of kan worden verduidelijkt.
( 3 ) Zie arrest van 17 maart 1983 (zaak 175/82, Dinter, Jurispr. 1983, blz. 969, r. o. 6).
( 4 ) Zie de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur, hoofdstuk 2, punt 3.
( 5 ) Zie het deskundigenrapport van de Bundesanstalt für Fleischforschung (bijlage 1 bij de opmerkingen van de Commissie).
Full & Egal Universal Law Academy