CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 24 maart 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met het onderhavige beroep beoogt de Britse politieke partij The Liberal Democrats (hierna: „verzoekster”) het Hof de nalatigheid van het Europees Parlement (hierna: „Parlement”) te doen vaststellen. Door na te laten een voorstel aan de Raad voor te leggen met het oog op de instelling van een in alle Lid-Staten eenvormige procedure voor de verkiezing van de leden van het Parlement, zou het Parlement de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 138, lid 3, eerste alinea, EEG-Verdrag ( 1 ) en artikel 7, lid 1, van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, in bijlage bij besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 ( 2 ) (hierna: „Akte”), niet zijn nagekomen.
2.
Verzoekster heeft het Parlement bij brief, gedateerd 4 oktober 1991, uitgenodigd een einde te maken aan deze nalatigheid. Deze brief zou zonder gevolg zijn gebleven.
3.
Artikel 138, lid 3, eerste alinea, EEG-Verdrag bepaalt het volgende:
„Het Europees Parlement stelt ontwerpen op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle Lid-Staten eenvormige procedure.”
4.
Artikel 7, lid 1, van de Akte luidt als volgt:
„Overeenkomstig artikel 21, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, artikel 138, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 108, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie stelt de Vergadering een ontwerp voor een eenvormige verkiezingsprocedure op”.
5.
Volgens verzoekster heeft de nalatigheid die het Parlement wordt verweten, en waardoor geen uniforme verkiezingsprocedure kan worden vastgesteld, tot gevolg dat verzoekster geen vertegenwoordigers heeft in het Parlement.
6.
Het Parlement betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is om de drie navolgende redenen:
—
er is geen sprake van nalatigheid, voor zover het Parlement de op hem rustende verplichting uit hoofde van artikel 138, lid 3, eerste alinea, is nagekomen;
—
de voorstellen die het Parlement verplicht ís te doen, brengen geen enkel rechtsgevolg teweeg jegens verzoekster; dientengevolge kan tegen het eventuele feit dat die instelling die verplichting niet nakomt, niet worden opgekomen door toepassing van artikel 175 EEG-Verdrag;
—
ten slotte beschikt verzoekster niet over procesbevoegdheid: verzoekster heeft immers niet aangetoond dat zij een direct en persoonlijk belang heeft bij het instellen van een dergelijk beroep.
7.
Hoewel het Parlement niet een andere niet-ontvankclijkheidsgrond heeft aangevoerd, namelijk het feit dat het niet bevoegdheid zou zijn om op dit gebied als verweerder voor het Hof op te treden, dient het Hof, zoals het heeft gedaan in het arrest van 23 april 1986 (Les Verts) ( 3 ), betreffende de bevoegdheid van het Parlement om als verweerder op te treden in een beroep tot nietigverklaring, ambtshalve te toetsen of een dergelijke bevoegdheid bestaat in geval van een beroep wegens nalaten.
8.
Wat is het belang van deze vraag. In de betrekkingen tussen de instellingen van de Gemeenschap is het beroep wegens nalaten cen bijzonder doeltreffend instrument.
9.
Voor zover het Parlement erover beschikt, is het gekwalificeerd als „recours-roi” ( 4 ), als pressiemiddel tijdens het verloop van de wetgevingsprocedure, waarin de Raad typisch de belangrijkste rol speelt.
10.
Kan het Parlement dan, zonder enig toezicht, nalaten een advies te geven of cen voorstel te doen in een besluitvormingsprocedure waarin een dergelijk advies of voorstel vereist is?
11.
Met andere woorden, de bevoegdheid van het Parlement om een beroep wegens nalaten in te stellen maakt deze instelling reeds tot deelnemer aan het wcttigheidstoezicht ( 5 ), ook al is voornamelijk de Raad de wetgevende instelling van de Gemeenschap. Parallel daaraan zou, wanneer het Parlement voortaan de bevoegdheid wordt toegekend om op hetzelfde gebied als verweerder voor het Hof op te treden, zijn nalatigheid aan rechterlijk toezicht worden onderworpen, zonder dat het zich daaraan kan onttrekken.
12.
Het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de overlegprocedure en de samenwerkingsprocedure veralgemeent, en dat een nieuwe procedure invoert, namelijk de medebeslissingsprocedure, verveelvoudigt de blokkeringsmogelijkhedcn. Dit onderstreept het belang van de erkenning van de passieve legitimatie van het Parlement in een beroep wegens nalaten.
13.
De beknoptheid van de teksten, die overeenstemt met de beperkte bevoegdheden van het Parlement in de oorspronkelijke Verdragen, hebben het Hof vooral tijdens het laatste decennium, ertoe gebracht de status van het Europees Parlement op het gebied van de procesbevoegdheid te versterken. ( 6 ) Het Hof heeft sinds 1964 erkend dat de handelingen van het Parlement het voorwerp kunnen uitmaken van een verzoek om cen prejudiciële beslissing. ( 7 ) Het Parlement kan eveneens in het leader van artikel 21, tweede alinea, van 's Hofs Statuut worden uitgenodigd, inlichtingen aan het Hof te verstrekken. Na het recht van het Parlement te hebben erkend als gevoegde partij op te treden ( 8 ), heeft het Hof de bevoegdheid van het Parlement om een beroep wegens nalaten in te stellen bevestigd ( 9 ), alsmede dat zijn handelingen vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 173. ( 10 ) Ten slotte heeft het Hof binnen bepaalde grenzen de bevoegdheid van het Parlement aanvaard om beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen handelingen van de instellingen. ( 11 )
14.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid dit bouwwerk af te maken, door onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid van het Parlement te erkennen om als verweerder op te treden in een beroep wegens nalaten.
15.
Artikel 175 EEG-Verdrag bepaalt:
„Ingeval de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaat een besluit te nemen, kunnen de Lid-Staten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen. ( 12 )
(...)
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies”. ( 13 )
16.
In het arrest „Gemeenschappelijk vervoerbeleid” ( 14 ), waarin het Hof de bevoegdheid van het Parlement erkende om een beroep wegens nalaten in te stellen („actieve legitimatie”), heeft het Hof opgemerkt dat het Parlement tot de „instellingen van de Gemeenschap” ( 15 ) behoorde. Het Hof overwoog dat:
„(...) artikel 175, eerste alinea, (...) het beroep wegens nalaten tegen de Raad en de Commissie uitdrukkelijk openstelt voor, onder meer, ‚de overige instellingen van de Gemeenschap’ Deze bepaling verleent dus een zelfde beroepsrecht aan alle instellingen van de Gemeenschap. Men kan de uitoefening van dat recht voor een van die instellingen dus niet beperken zonder afbreuk te doen aan haar door het Verdrag, inzonderheid artikel 4, lid 1, toegekende institutionele positie”. ( 16 )
17.
Deze redenering kan zeer goed worden toegepast op de derde alinea van artikel 175. De uitdrukking „instellingen van de Gemeenschap” kan immers niet twee verschillende betekenissen hebben in een en hetzelfde artikel.
18.
De rechtspraak van het Hof betreffende de procesbevoegdheid van het Parlement is grotendeels gebaseerd op het beginsel van het institutionele evenwicht: iedere gemeenschapsinstelling dient de bevoegdheden die haar door de Verdragen zijn toegekend, ten volle te kunnen uitoefenen, waarbij zij overigens wel de bevoegdheden van de andere instellingen dient te eerbiedigen. Ter verzekering van de handhaving van het evenwicht tussen de instellingen op het punt van de bevoegdheden, oefent het Hof rechterlijk toezicht uit op de eerbiediging van de prerogatieven van elke instelling ( 17 ).
19.
In het arrest Les Verts heeft het Hof geoordeeld:
„Een uitlegging van artikel 173 EEG-Verdrag, die de handelingen van het Europees Parlement uitsluit van de voor beroep vatbare handelingen, zou leiden tot een resultaat dat zowel in strijd is met de geest van het Verdrag, zoals tot uitdrukking komend in artikel 164, als met het stelsel ervan. Het Parlement zou dan immers in de sfeer van het EEG-Verdrag handelingen kunnen verrichten die inbreuk maken op de bevoegdheden van de Lid-Staten of van de andere instellingen of waarmee het zijn eigen bevoegdheden overschrijdt, zonder dat het mogelijk was ze aan het toezicht van het Hof te onderwerpen. Mitsdien moet worden geoordeeld, dat beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen handelingen van het Europees Parlement, die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen.” ( 18 )
20.
Het Hof bevestigt aldus de bevoegdheid van het Parlement als verweerder op te treden („passieve legitimatie”) in een beroep tot nietigverklaring.
21.
Ter bevestiging, binnen bepaalde grenzen, van de „active legitimatie”, heeft het Hof met betrekking tot dezelfde rechtsgang in het „Tsjcrnobyl”-arrcst ( 19 ) het navolgende in herinnering gebracht:
„De eerbiediging van het institutionele evenwicht houdt in, dat iedere instelling haar bevoegdheden dient uit te oefenen met inachtneming van de bevoegdheden van de andere instellingen, en dat iedere eventuele schending van deze regel moet kunnen worden bestraft.
Het Hof, dat krachtens de Verdragen tot taak heeft, toe te zien op de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen, moet dus de handhaving van het institutionele evenwicht en bijgevolg het rechterlijk toezicht op de eerbiediging van de prerogatieven van het Parlement kunnen verzekeren, wanneer het Parlement zich te dien einde tot het Hof wendt met een rechtsgang die is afgestemd op het nagestreefde doel”. ( 20 )
22.
In een nadere omschrijving van deze taak van het Hof constateerde het in meer algemene bewoordingen (en kondigde het het antwoord aan op de vraag die zich in het onderhavige geval stelt) het navolgende:
„Het dient evenwel de volledige toepassing van de bepalingen van de Verdragen, betreffende het institutionele evenwicht, te verzekeren en het dient ervoor te zorgen dat, evenals dit voor de andere instellingen geldt, de prerogatieven van het Parlement niet worden aangetast zonder dat het een van de in de Verdragen voorziene mogelijkheden van beroep in rechte tot zijn beschikking heeft, die zeker en doeltreffend kan worden aangewend”. ( 21 )
23.
Hieruit leid ik af dat het gemeenschapsrecht geen samenhangend systeem van rechtsbescherming verzekert door middel van een „volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures” ( 22 ), en dat de prerogatieven van de andere instellingen — evenals die van de Lid-Staten — worden aangetast indien zij geen beroep wegens nalaten kunnen instellen tegen het Parlement. Met welk doel heeft het Hof de mogelijkheid geopend om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen handelingen van het Parlement, indien deze laatste instelling, door niet te handelen, zich aan elk toezicht zou kunnen onttrekken?
24.
Ik stel derhalve voor dat het Hof de passieve legitimatie van het Parlement in een beroep wegens nalaten erkent.
25.
Het beroep wegens nalaten zou echter niet tegen elke nalatigheid van het Parlement kunnen worden ingesteld.
26.
In het arrest Les Verts is het Hof ervan uitgegaan dat:
„[i]n het stelsel van het Verdrag (...) rechtstreeks beroep [dient] open te staan tegen‚alle door de instellingen getroffen bepalingen die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen”’. ( 23 )
27.
Het beroep tot nietigverklaring staat open met betrekking tot alle door de instellingen getroffen bepalingen — ongeacht hun aard of vorm — die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen ( 24 ). Dit is door het Hof herhaald in het „Comitologie”-arrest. ( 25 )
28.
Het Hof heeft overigens geoordeeld dat:
„in het stelsel van de door het Verdrag geboden beroepsmogelijkheden een nauwe samenhang bestaat tussen het beroep van artikel 173, strekkende tot nietigverklaring van onwettige handelingen van de Raad en de Commissie, en dat van artikel 175, strekkende tot vaststelling dat de Raad of de Commissie in strijd met het Verdrag heeft nagelaten bepaalde besluiten te nemen”. ( 26 )
29.
Hieruit volgt dat in dit verband het criterium van het bestaan van rechtsgevolgen van doorslaggevende betekenis is. Als een „nalaten een besluit te nemen”, in de zin van artikel 175, wordt beschouwd elk verzuim van een instelling van de Gemeenschap om een handeling vast te stellen, ongeacht haar aard, die beoogt rechtsgevolgen teweeg te brengen.
30.
Het onderzoek van de bevoegdheden en de rechten van het Parlement, waaruit duidelijk blijkt dat het noodzakelijk is de passieve legitimatie van die instelling in een beroep wegens nalaten te erkennen, moet het eveneens mogelijk maken het toepassingsgebied van deze bevoegdheid in de praktijk af te bakenen.
31.
Het beroep wegens nalaten strekt, door de vaststelling van het verzuim en de verplichting hieraan een einde te maken ( 27 ), tot de vaststelling van een besluit, dat had moeten zijn genomen doch in strijd met het Verdrag nog niet is genomen. In beginsel heeft het Parlement op het gebied van de wetgeving noch een initiatiefrecht, dat voorbehouden is aan de Commissie, noch een rechtstreekse beslissingsbevoegdheid, die uitgeoefend wordt door de Raad en de Commissie.
32.
Daarenboven zijn er in het Verdrag vaak ingeval het verzuim van het Parlement van dien aard is dat het de werking van de instellingen zou blokkeren, een aantal maatregelen voorzien tegen het risico van een dergelijke verlamming, door te bepalen dat, in het geval van een voortdurende nalatigheid, met voorbijgaan van het Parlement kan -worden gehandeld. Dit is het geval in het kader van de samenwerkingsprocedure van artikel 149, lid 2, sub b, tweede alinea, en, op het gebied van de begroting, van artikel 203, leden 4 en 6. ( 28 ) In dergelijke omstandigheden heeft een beroep uit hoofde van artikel 175 geen enkel nut. Het Verdrag trekt in die gevallen bij voorbaat de consequenties uit een verzuim van het Parlement. ( 29 )
33.
Evenmin staat de mogelijkheid van een beroep wegens nalaten open wanneer het Parlement verzuimt een besluit te nemen op een gebied waarop het over een diserctionaire bevoegdheid beschikt. Een dergelijk verzuim kan niet als een nalatigheid worden beschouwd aangezien het niet „in strijd met [het] Verdrag” ( 30 ) is begaan. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor moties van afkeuring.
34.
De versterking van de rol van het Parlement bij de totstandkoming van besluiten van de Gemeenschap, zoals dit in het bijzonder voortvloeit uit de Europese Akte waarbij op een aantal gebieden een mcdcbeslissingsproccdure werd ingevoerd ( 31 ), vergroot echter het risico van een verlamming van bepaalde procedures na een nalatigheid van die instelling.
35.
Wanneer reeds voor de Europese Akte op het gebied van de wetgeving een verzoek om een advies van de Raad aan het Parlement zonder antwoord bleef, terwijl de Verdragen de raadpleging van het Parlement voorschreven (artikel 43, lid 2, artikel 100, enz.), dan was niet voldaan aan de voorwaarde van raadpleging: het Hof verlangt namelijk dat het Parlement zijn mening heeft gegeven. ( 32 ) Bijgevolg is het, bij ontstentenis van een advies, de Raad niet toegestaan een verordening vast te stellen, hetgeen de wetgevingsprocedure blokkeert. In hetzelfde verband kan het ontbreken van een stemming waarbij kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting (artikel 206 ter EEG-Vcrdrag) vermeld worden, of het ontbreken van een besluit van de voorzitter van het Parlement waarbij wordt geconstateerd dat de begroting definitief is vastgesteld (artikel 203 ter, lid 7).
36.
Dientengevolge is het noodzakelijk dat een beroep wegens nalaten tegen het Parlement kan worden ingesteld om een einde aan een dergelijke situatie te maken.
37.
Wanneer een beroep wegens nalaten kan worden ingesteld tegen een instelling die nalaat „een besluit te nemen”, dat wil zeggen een besluit dat rechtsgevolgen teweegbrengt, dient dit eveneens mogelijk te zijn tegen de instelling die, in een eerder stadium, verzuimt een handeling te verrichten die een voorwaarde is voor het optreden van de eerstgenoemde instelling. Een dergelijk verzuim brengt immers ipso facto rechtsgevolgen teweeg.
38.
Als voorbeeld noem ik de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de begrotingsprocedure. In het arrest Raad/Parlement ( 33 ) heeft het Hof geoordeeld„Indien de handelingen van de begrotingsautoriteit niet aan het toezicht van het Hof waren onderworpen, zouden de instellingen die te zamen de begrotingsautoriteit vormen, de bevoegdheden van de Lid-Staten of de andere instellingen kunnen uithollen dan wel de grenzen van hun eigen bevoegdheid kunnen overschrijden”. ( 34 )
39.
In een commentaar op deze overweging merkt advocaatgeneraal Mischo op:
„Zoals het Hof (...) moet kunnen controleren of een instelling door bepaalde handelingen niet in de bevoegdheden van andere instellingen of van de Lid-Staten treedt, moet het deze mogelijkheid eveneens hebben wanneer het niet-handelen van een instelling hetzelfde resultaat kan opleveren en een belemmering kan vormen voor andere instellingen of Lid-Staten om hun bevoegdheden uit te oefenen”. ( 35 )
40.
In een obiter dictum in het „Comitologie”-arrest heeft het Hof aanvaard dat het feit dat de Raad geen ontwerpbegroting heeft voorgelegd, vatbaar kan zijn voor beroep wegens nalaten door het Parlement. ( 36 ) Bij gebrek van een dergelijk ontwerp is het Parlement immers niet in staat de hem uit hoofde van artikel 203, leden 4 tot en met 8, EEG-Verdrag toegekende bevoegdheden uit te oefenen.
41.
Wanneer het Parlement verzuimt te handelen in gevallen waarin de Verdragen het Parlement het recht verlenen of de verplichting opleggen om te handelen, treedt het weliswaar niet in de bevoegdheden van de andere instellingen, doch het kan de andere instellingen verhinderen hun bevoegdheden uit te oefenen.
42.
Er dient derhalve te worden overwogen dat in beginsel bij het Hof een beroep wegens nalaten tegen het Parlement kan worden ingesteld, zodra de handeling, waarvan de vaststelling wordt verzocht, rechtsgevolgen teweegbrengt.
43.
Zoals reeds vermeld, voert het Parlement drie niet-ontvankelijkheidsgronden aan.
44.
De eerste grond, die de vraag betreft, of het Parlement al dan niet „ontwerpen (...) voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een (...) eenvormige procedure” heeft opgesteld, in de zin van artikel 138, lid 3, eerste alinea, kan naar mijn mening niet worden beschouwd als een ontvankelijkheidsprobleem, maar is een vraag ten gronde die betrekking heeft op het bestaan zelf van het verzuim.
45.
Partijen is dan ook verzocht, hun opmerkingen ter terechtzitting te beperken tot de volgende punten:
1)
Brengt het voorstel dat door het Parlement op basis van de reeds aangehaalde bepaling is aangenomen, rechtsgevolgen teweeg?
2)
In hoeverre wordt verzoekster rechtstreeks en individueel geraakt?
46.
Ik zal deze twee punten achtereenvolgens onderzoeken.
47.
Zijn dc „ontwerpen” van artikel 138, lid 3, eerste alinea, te beschouwen als handelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen?
48.
De drie-fasenproccdure in deze bepaling is in meer dan een opzicht bijzonder. Deze procedure is reeds gevolgd bij de vaststelling van het reeds vermelde besluit van de Raad van 20 september 1976, en van de daaraan gehechte akte van dezelfde datum „betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen”.
49.
Artikel 138 legt het Parlement de verplichting op, „ontwerpen” op te stellen voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle Lid-Staten eenvormige procedure. ( 37 )
50.
Deze ontwerpen zijn gericht tot de Raad, Deze laatste stelt met eenparigheid van stemmen de desbetreffende bepalingen vast, waarvan hij de aanneming door de Lid-Staten, overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen, aanbeveelt. ( 38 )
51.
Zoals in de rechtsleer naar voren is gebracht, betreft het hier een bijzondere procedure die zowel de uitvoering als de herziening van het Verdrag met zich brengt. In dit verband is het opmerkelijk dat de Akte, die in artikel 1 de verkiezing van de Europese parlementariërs door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen voorschrijft (zonder te vermelden „volgens de in elke Lid-Staat vastgestelde procedure”), en in artikel 2 een nieuwe verdeling per Lid-Staat van het aantal vertegenwoordigers in de Vergadering bepaalt, tot gevolg heeft gehad dat de leden 1 en 2 van artikel 138 zijn vervallen en vooral dat in artikel 14 van de Akte zelf wordt verklaard dat deze artikelen vervallen.
52.
De Akte maakt derhalve deel uit van het Verdrag. De Akte dient te worden beschouwd als een norm van primair recht.
53.
Het initiatiefrecht waarover het Parlement in dit geval beschikt, vormt een uitzondering in het Verdrag. Volgens Verges is het logisch dat dit recht bestaat, aangezien de Vergadering „rechtstreeks belang heeft bij veranderingen in zijn verkiezingsstelsel”. ( 39 )
54.
De Akte, die slechts gewijd is aan de „verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen”, maakt het werk dat zowel aan het Parlement als aan de Raad is opgedragen bij lid 3 van artikel 138, niet af.
55.
Hoewel de Akte aldus gebruik maakt van de techniek van de geleidelijke toepassing ( 40 ), schrijft de Akte niettemin in het reeds aangehaalde artikel 7 ( 41 ), zonder evenwel een termijn te bepalen, voor dat deze taak moet worden voltooid door middel van de opstelling van een „ontwerp voor een eenvormige verkiezingsprocedure”.
56.
De vaststelling van dit „ontwerp” ( 42 ) (er zij op gewezen dat artikel 7 van de Akte het enkelvoud gebruikt en niet, zoals artikel 138, het meervoud) en, gelet op dit ontwerp, de vaststelling door de Raad van de „bepalingen” zullen hun gevolgen hebben voor de eerste en vervolgens de tweede alinea van artikel 138, lid 3; deze alinea's zouden dan evenzeer moeten vervallen als de leden 1 en 2 van hetzelfde artikel, ten aanzien waarvan dit wordt vastgesteld in artikel 14 van de Akte.
57.
De voorstellen van het Parlement binden de Raad niet. Het is opmerkelijk dat op een gebied als de vaststelling van een gemeenschappelijk verkiezingsstelsel, dat de grondwettelijke regels van de Lid-Staten raakt en derhalve tot de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staten behoort, de procedure van artikel 138, lid 3, de mogelijkheid biedt om de doelstelling van de harmonisatie van de wetgevingen te verzoenen met de eerbiediging van de bevoegdheden van de Lid-Staten.
58.
Zoals Verges eveneens opmerkt, zijn de door de Raad vastgestelde „bepalingen” besluiten „sui generis”, die niet kunnen worden gelijkgesteld met beschikkingen in de zin van artikel 189, vierde alinea (de „bepalingen” brengen slechts rechtsgevolgen teweeg na de aanneming door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen), noch met overeenkomsten tot herziening van het Verdrag, die op basis van artikel 236 worden gesloten. In plaats van een tekst die totstandkomt na een intergouvernementele conferentie ( 43 ) is hier sprake van een eenzijdig besluit van de Raad.
59.
De bepalingen van artikel 138, lid 3, kunnen derhalve niet worden geacht, geen rechtsgevolgen teweeg te brengen, zoals een advies of een aanbeveling in de zin van artikel 175, derde alinea, of artikel 189, vijfde alinea, EEG-Verdrag. Zodra de bepalingen zijn geratificeerd, zijn alle nationale organen, met inbegrip van de wetgevende macht, gehouden de vastgestelde bepalingen te eerbiedigen.
60.
Om te beoordelen of de „ontwerpen” van artikel 138, lid 3, eerste alinea, rechtsgevolgen hebben die door degene die een beroep wegens nalaten instelt kunnen worden ingeroepen, dient evenwel in herinnering te worden gebracht dat op dit gebied de voorwaarden die door artikel 175 — en door de rechtspraak van het Hof— worden gesteld, verschillen naar gelang het beroep wordt ingesteld door een Lid-Staat of een instelling van de Gemeenschap enerzijds, of door een particulier anderzijds.
61.
Ik onderzoek hierna het eerste geval.
62.
Er zijn twee fundamentele redenen voor het vereiste van het bestaan van rechtsgevolgen:
—
de opzet van het communautaire systeem van geschillenbeslechting enerzijds; zoals blijkt uit het „AETR”-arrest ( 44 ), vallen handelingen die geen beslissing inhouden, buiten het communautaire wettigheidstoezicht ( 45 )
—
de samenhang tussen de rechtsgangen anderzijds ( 46 ) dit kan worden aangetoond aan de hand van het volgende voorbeeld: de uitdrukkelijke weigering een aanbeveling aan te nemen, kan niet worden aangevochten op basis van artikel 173.. ( 47 ) Zoals M. en D. Waelbroek opmerken: „indien voor de instellingen of de Lid-Staten een beroep wegens nalaten zou openstaan tegen niet-bindende besluiten, het voor de verwerende instelling, teneinde zich aan het beroep te onttrekken, voldoende zou zijn uitdrukkelijk te weigeren een aanbeveling of advies te geven”. ( 48 )
63.
Wanneer een instelling verzuimt een voorbereidende handeling te verrichten die noodzakelijk is voor de vaststelling, door een andere instelling, van een definitieve handeling die rechtsgevolgen teweegbrengt, brengt deze nalatigheid zelf rechtsgevolgen teweeg, aangezien het verzuim een belemmering vormt voor de vaststelling van de definitieve handeling. Zoals ik reeds heb verklaard, rechtvaardigt deze omstandigheid een beroep wegens nalaten.
64.
Zo verkeert de Raad bij voorbeeld in het kader van artikel 152 EEG-Vcrdrag in de onmogelijkheid te besluiten, omdat niet aan een noodzakelijke voorwaarde is voldaan, indien de Commissie nalaat een voorstel aan de Raad te doen in antwoord op een verzoek van laatstgenoemde. De Raad kan een beroep wegens nalaten tegen de Commissie instellen op grond van het feit dat zij het voorstel niet binnen de gestelde termijn ( 49 ) heeft aangenomen, hoewel het voorstel uit zichzelf geen rechtsgevolgen teweegbrengt.
65.
Jolict heeft met betrekking tot de Commissie, doch niet met betrekking tot het Parlement, het volgende opgemerkt: in het geval dat voor de vaststelling van een handeling de samenwerking is vereist van twee instellingen, „dient het beroep dat openstaat tegen het niet-handelcn van de Raad, nergens toe, indien dit beroep niet ook tegen het ontbreken van een initiatief van de Commissie zou kunnen worden ingesteld”. ( 50 )
66.
De „ontwerpen” opgesteld door het Parlement in het kader van artikel 138, lid 3, eerste alinea, brengen precieze rechtsgevolgen teweeg jegens de Raad, aangezien de Raad, bij gebreke van dergelijke ontwerpen, niet de bevoegdheden kan uitoefenen die hem uit hoofde van de tweede alinea zijn toegekend. Zoals Vandersanden en Barav ( 51 ) hebben opgemerkt, „worden de voorbereidende handelingen een onderdeel van de uiteindelijke, voor beroep tot nietigverklaring vatbare, handeling, terwijl het loutere feit van het stilzitten, waardoor de procedure wordt onderbroken, definitieve rechtsgevolgen teweegbrengt”.
67.
Het is duidelijk dat de „ontwerpen” van het Parlement tot gevolg hebben dat de Raad in staat wordt gesteld, ja zelfs wordt verplicht, om een besluit te nemen. Aangezien de Raad niet gebonden is door de inhoud van de ontwerpen, zal hij kunnen afwijken van het voorstel dat zij bevatten. Daarentegen brengt een verzuim van het Parlement rechtsgevolgen teweeg jegens de Raad aangezien het hem onmogelijk maakt de hem opgedragen taak te vervullen.
68.
De prerogatieven van de Raad zouden dus worden aangetast, indien hij in een dergelijke geval geen beroep wegens nalaten zou kunnen instellen.
69.
De vraag is echter of het verzuim van het Parlement om ontwerpen op te stellen rechtsgevolgen jegens verzoekster teweegbrengt. Bestaat er een verschil met betrekking tot deze voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een beroep wegens nalaten, indien het beroep gebaseerd is op artikel 175, derde alinea?
70.
Deze laatstgenoemde bepaling verschilt reeds van de bepaling van de eerste alinea van hetzelfde artikel, in die zin dat het voor een natuurlijke of rechtspersoon niet mogelijk is een beroep wegens nalaten in te stellen wegens het verzuim een aanbeveling of een advies te geven.
71.
Moet het beroep in dat geval nietontvankelijh worden verklaard op de enkele grond dat het Parlement jegens verzoekster in ieder geval geen ander besluit had kunnen nemen dan een aanbeveling of een advies in de zin van artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag, zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 14 januari 1993 (Italsolar ( 52 )), dat een beroep wegens nalaten tegen de Commissie betrof?
72.
Ik meen te hebben aangetoond dat het verzuim van het Parlement om op dit gebied „ontwerpen” vast te stellen rechtsgevolgen teweegbrengt, en dat deze handelingen dientengevolge niet als aanbevelingen of adviezen in de zin van bovengenoemde bepaling kunnen worden beschouwd. Op dezelfde wijze kan de door de Raad vastgestelde handeling, hoewel zij wordt omschreven als „bepalingen” waarvan de vaststelling zal worden „aanbevolen”, rechtsgevolgen teweegbrengen, aangezien de totstandbrenging door alle Lid-Staten van een eenvormig verkiezingsstelsel in de eerste plaats van de vaststelling van deze handeling afhankelijk is. De eerbiediging van het communautaire akkoord lijkt mij namelijk het gebruik van alle andere procedures ter verwezenlijking van deze eenvormigheid uit te sluiten.
73.
Kan de vaststelling van het „ontwerp” door het Parlement wel rechtsgevolgen teweeg brengen jegens particulieren}
74.
In het arrest van 10 juni 1982 (Lord Bethell ( 53 )) heeft het Hof overwogen:
„(...) dat verzoeker, om in zijn beroep ontvankelijk te zijn, aannemelijk moet kunnen maken ofwel dat hij de adressaat is van een handeling van de Commissie die te zijnen aanzien bepaalde rechtsgevolgen in het leven roept en als zodanig vatbaar is voor nietigverklaring, ofwel dat de Commissie, na daartoe overeenkomstig artikel 175, tweede alinea, behoorlijk te zijn uitgenodigd, heeft nagelaten te zijnen aanzien een handeling te verrichten waarop hij krachtens het gemeenschapsrecht aanspraak kon maken”. ( 54 )
75.
Een particulier kan derhalve niet opkomen tegen het feit dat de betrokken instelling heeft nagelaten te zijnen aanzien een handeling te verrichten die geen bindend effect heeft. ( 55 ) De handeling dient rechtsgevolgen teweeg te brengen jegens hem.
76.
Deze voorwaarde wordt echter niet strikt toegepast.
77.
In het arrest Asia Motor-France ( 56 ), betreffende een beroep wegens nalaten dat door ondernemingen (die een klacht uit hoofde van artikel 3 van verordening nr. 17 hadden ingediend) ( 57 ) is ingesteld tegen de Commissie die geen voorlopige mededeling in de zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG ( 58 ) had vastgesteld, heeft het Gerecht van eerste aanleg het beroep ontvankelijk verklaard, hoewel de „artikel 6-brief” niet als een definitieve beslissing op de klacht kan worden beschouwd.
78.
De vaststelling van een dergelijke mededeling biedt de onderneming de gelegenheid haar eventuele opmerkingen kenbaar te maken. Het gaat derhalve om een voorbereidende handeling die ten aanzien van de onderneming geen rechtsgevolgen teweegbrengt, en die dientengevolge niet vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring op basis van artikel 173 EEG-Verdrag. ( 59 ) Het verzuim een dergelijke handeling te verrichten daarentegen ontneemt de onderneming de mogelijkheid haar opmerkingen naar voren te brengen, en brengt bijgevolg voor de betrokkene rechtsgevolgen teweeg, welke een beroep wegens nalaten kunnen rechtvaardigen.
79.
Was deze oplossing overigens niet in de kiem aanwezig in de arresten Deutscher Komponistenverband ( 60 ) en Gema ( 61 ) van het Hof.
80.
Naar mijn mening lijdt het derhalve geen twijfel dat particulieren in bepaalde gevallen de mogelijkheid hebben om een beroep wegens nalaten in te stellen tegen het feit dat verzuimd is een handeling te verrichten, zelfs indien die handeling door hen niet op basis van artikel 173 EEG-Verdrag zou kunnen worden aangevochten, zoals met name het geval is bij een voorbereidende handeling.
81.
Zo kan het feit dat tegen de „ontwerpen”, bedoeld in artikel 138, lid 3, eerste alinea, indien zij vastgesteld waren door het Parlement, voor een particulier geen beroep tot nietigverklaring zou openstaan, omdat zij te zijnen aanzien geen rechtsgevolgen teweegbrengen, op zichzelf niet tot gevolg hebben dat een beroep wegens nalaten, dat is ingesteld tegen het verzuim dergelijke ontwerpen vast te stellen, niet-ontvankelijk is. Nog eens moet worden vastgesteld dat, ofschoon een handeling geen rechtsgevolgen teweegbrengt, het verzuim deze handeling te verrichten wel dergelijke gevolgen kan hebben.
82.
Teneinde te bepalen of het met-handelen rechtsgevolgen teweegbrengt jegens verzoekster, dient te worden nagegaan of inbreuk wordt gemaakt op subjectieve rechten van verzoekster. Welnu, alleen de door de Raad vastgestelde handeling of, preciezer gezegd, de maatregelen die vervolgens op nationaal niveau worden genomen, kunnen de rechtspositie van verzoekster beïnvloeden. Ik zie echter geen rechtstreeks oorzakelijk verband tussen het feit dat The Liberal Democrats niet zijn vertegenwoordigd in het Parlement en de nalatigheid die het Parlement wordt verweten. Het causaal verband lijkt mij al te theoretisch en onzeker; om aan te tonen dat het verzuim van het Parlement rechtsgevolgen jegens verzoekster teweegbrengt, zou verzoekster aannemelijk moeten maken dat er geen twijfel over bestaat dat het evenredigheidsstelsel, als eenvormig verkiezingsstelsel, achtereenvolgens door het Parlement zou worden voorgesteld, door de Raad zou worden aanbevolen en door de Lid-Staten zou worden vastgesteld.
83.
De eerste niet-ontvankelijkheidsgrond, gebaseerd op het ontbreken van rechtsgevolgen jegens verzoekster, zou dus volstaan om een verwerping van het beroep te rechtvaardigen. Het lijkt mij echter niet overbodig, het tweede middel te onderzoeken.
84.
De vraag is hier de volgende: hoe dienen de woorden „te zijnen aanzien (...) te verrichten” in artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag te worden opgevat? Kan verzoekster, als natuurlijke of rechtspersoon, aanspraak maken op het feit dat zij dc adressaat van de betrokken handeling is?
85.
Het is duidelijk dat het Parlement, waar het optreedt in het kader van artikel 138, niet verplicht is zijn voorstellen, welke dan ook, te doen aan verzoekster.
86.
Het Hof is echter niet van mening dat degeen die het beroep instelt, noodzakelijkerwijs de adressaat moet zijn van de beschikking, waarvan hij een instelling van de Gemeenschap verwijt, deze niet te hebben vastgesteld.
87.
Zo verweet in het arrest van 16 februari 1993 (ENU) ( 62 ) de Portugese onderneming ENU, een producent van uraniumconcentraat die zich geplaatst zag voor grote afzetproblemen, de Commissie in het bijzonder, dat zij het Voorzieningsagentschap ( 63 ) geen opdracht had gegeven om met spoed een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen voor de onverwijlde oplossing van het probleem van de afzet van uranium door ENU. De Commissie voerde aan dat de handeling, zo zij zou zijn verricht, niet aan deze onderneming had moeten zijn gericht maar aan het Agentschap.
88.
Dienaangaande merkte het Hof op:
„een dergelijke beschikking, ook al was zij tot het Agentschap gericht, zou verzoekster rechtstreeks en individueel hebben geraakt, zodat zij bij het Hof ertegen had kunnen opkomen op grond van artikel 146, tweede alinea, van het (EGA)-Verdrag,
Hieruit volgt dat verzoekster krachtens artikel 148, derde alinea, bij het Hof moet kunnen opkomen tegen het feit dat de gevraagde beschikking niet is gegeven. Anders zou het haar door artikel 53, tweede alinea, toegekende recht rechterlijke bescherming ontberen.” ( 64 )
89.
Het Hof geeft derhalve een ruime uitleg aan het begrip „heeft nagelaten te zijnen aanzien een (...) handeling te verrichten”, met als doel rechtsbescherming te verlenen aan degene die, zonder formeel de adressaat te zijn van de bestreden handeling, in werkelijkheid door de handeling op soortgelijke wijze wordt geraakt als een adressaat. In feite is het criterium dat toegepast dient te worden om het belang vast te stellen dat een verzoeker, die niet tot een bevoorrechte klasse behoort, heeft bij het instellen van een beroep wegens nalaten, hetzelfde als het criterium dat door het Hof wordt toegepast op het gebied van het beroep tot nietigverklaring: evenals een verzoeker rechtstreeks en individueel moet worden geraakt door de handeling waarvan de vernietiging wordt verzocht, dient de verzoeker rechtstreeks en individueel te worden geraakt door het verzuim. ( 65 )
90.
Naar mijn mening dringt een dergelijke ruime uitleg zich op vanwege de noodzakelijke samenhang tussen de rechtsgangen. Een particulier persoon die rechtstreeks en individueel door een handeling wordt geraakt zonder de adressaat ervan te zijn, kan tegen deze handeling opkomen krachtens artikel 173, tweede alinea. Hij dient eveneens de mogelijkheid te hebben om beroep in te stellen indien de instelling geen antwoord geeft.
91.
De rechtsoverwegingen 5 en 6 van het arrest Holtz en Willemsen ( 66 ) zijn in dit opzicht bijzonder verhelderend:
„(...) ingevolge artikel 175, derde alinea, [kan] iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren (...) indienen tegen het feit dat de Raad of de Commissie in strijd met het Verdrag hebben ‚nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies’.
[Het] blijkt dat verzoeksters actie ten doel heeft een handeling van algemene en normatieve aard te verkrijgen, met dezelfde juridische draagwijdte als verordening nr. 1336/72, en niet een handeling, welke haar rechtstreeks en individucel raakt.” ( 67 )
92.
In deze zaak verweet een onderneming de Raad, dat hij had nagelaten een beschikking te geven inzake extra steun voor koolzaad en raapzaad welke in olicslagcrijen in Noordrijnland-Westfalen waren verwerkt, en verweet zij de Commissie dat laatstgenoemde instelling geen voorstel in die zin aan de Raad had gedaan.
93.
De verwerping van het beroep motiveerde het Hof met de overweging, dat het van de Commissie verlangde voorstel „een bestanddeel vormt van de procedure die aan de totstandkoming der verordening voorafgaat” en derhalve „niet kan behoren tot de handelingen, welke ingevolge artikel 175, derde alinea, ten aanzien van verzoekster kunnen worden verricht”. ( 68 )
94.
Naar mijn mening kan deze oplossing zeer goed in de onderhavige zaak worden toegepast.
95.
Ten slotte kan een particulier, die niet de adressaat is van een beschikking, slechts individueel worden geraakt, indien deze beschikking hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en derhalve individualiseert op soortgelijk wijze als de adressaat. ( 69 )
96.
Het belang van verzoekster ligt niet zozeer in de aanneming van een eenvormige verkiezingsprocedure als zodanig, maar in de aanneming van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Zoals ik reeds heb opgemerkt, staat het de Raad vrij, niet een dergelijk stelsel aan te bevelen. Daarenboven zal het definitief gekozen stelsel alle politieke partijen van de Gemeenschap raken en niet slechts verzoekster individueel.
97.
Samengevat brengt het verzuim van het Parlement een „ontwerp” vast te stellen, aangenomen dat dit verzuim vaststaat, slechts rechtsgevolgen teweeg jegens de Raad, die wordt verhinderd om de „bepalingen” van artikel 138, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag vast te stellen, en jegens de Lid-Statcn, die vertraging ondervinden bij de indiening van de aanbeveling ter vaststelling van een eenvormig stelsel.
98.
Ongeacht zijn politieke belang, brengt het verzuim echter geen enkel rechtsgevolg teweeg jegens een natuurlijke of rechtspersoon, die in geen enkel opzicht aanspraak erop kan maken dat hij als adressaat ervan moet worden beschouwd.
99.
Ik concludeer mitsdien tot de nict-ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de partij The Liberal Democrats, die bijgevolg de kosten van de onderhavige procedure dient te dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Zie eveneens de artikelen 21, lid 3, EGKS-Verdrag en 108, lid 3, EGA-Vcrdrag.
( 2 ) PB 1976, L 278, biz. 1.
( 3 ) Arrest van 23 april 1986 (/.aak 294/83, Les Veris, Jurispr. 1986, blz. 1339, r. o. 19).
( 4 ) Lcnacrls, in Le Parlement europeen et la Cour tle justice des Communautés européennes, université de Strasbourg, 1987, blz. 19.
( 5 ) Zie Isaac: „L'insertion du Parlement européen dans le système juridictionnel des communautés européennes”, AFDI, 1986, blz. 795.
( 6 ) Zie mijn bijdrage aan Mélanges Boulois, blz. 75. Zie eveneens de punten 3 en volgende van mijn conclusie bij het arrest van 27 september 1988 (zaak 302/87, Parlement/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5615).
( 7 ) Arrest van 12 mei 1964 (zaak 101/63, Wagner, Jurispr. 1964, blz. 407).
( 8 ) Arresten van 29 oktober 1980 (zaak 138/79, Roquette frères, Jurispr. 1980, biz. 3333, en zaak 139/79, Maïzcna, Jurispr. 1980, blz. 3393).
( 9 ) Arrest van 22 mei 1985 (zaak 13/83, Parlement/Raad, „Gemeenschappelijk vervoerbeleid”, Jurispr. 1985, blz. 1513).
( 10 ) Arrest Les Verts, reeds aangehaald.
( 11 ) Arrest van 22 mei 1990 (zaak C-70/88, Parlement/Raad, „Tsjcrnobyl”, Jurispr. 1990, blz. I-2041).
( 12 ) Eerste alinea, cursivering van mij. Het is niet zonder belang op te merken dat het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 de bevoegdheid van het Parlement om als verweerder op te treden in een beroep wegens nalaten uitdrukkelijk erkent: „Ingeval het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaat een besluit te nemen, kunnen de Lid-Staten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen” (titel II, art. G, E, 54).
( 13 ) Derde alinea, cursivering van mij.
( 14 ) Reeds aangehaald in voetnoot 9.
( 15 ) Deze uitdrukking is omschreven in artikel4, lidi, EEG- Vcrdrag, en omvat uitdrukkelijk het Parlement. Daarenboven wordt het Parlement als eerste genoemd in het vijfde deel van het Verdrag betreffende de instellingen van de Gemeenschap.
( 16 ) R, o. 17. Er zij op gewezen dat de arresten van 29 oktober 1980 in de zaken 138/79 en 139/79 (reeds aangehaald) in r. o. 19 een gelijkluidende formulering bevatten,
( 17 ) Zie r. o. 21 en 22 van het arrest van 22 mei 1990 (Parlement/Raad, „Tsjcrnobyl”, reeds aangehaald).
( 18 ) R. o. 25, cursivering van mij.
( 19 ) Reeds aangehaald in voetnoot 11.
( 20 ) R. o. 22 en 23, cursivering van mij.
( 21 ) R. o. 25, cursivering van mij.
( 22 ) Zie punto van de conclusie van advocaatgeneraal Van Gcrvcn m de zaak „Tsjernoby” (Jurispr. 1990, blz. I-2056).
( 23 ) R. o. 24, cursivering van mij.
( 24 ) Zie het arrest van 31 maart 1971 (zaak 23/70, Commissie/Raad, „AETR”, Jurispr. 1971, blz. 263, r. o. 42).
( 25 ) Arrest van 27 september 1988 (zaak 302/87, Parlement/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5615, r. o. 20). Zie hieromtrent ook de conclusie van advocaatgeneraal Van Gcrvcn bij het arrest van 23 maart 1993, zaait C-314/91, Beate Weber, Jurispr. 1993, blz. I-1093, I-1100, punt 4.
( 26 ) Arrest van 22 mei 1985 („Gemeenschappelijk vervoerbe-leid”, reeds aangehaald, r. o. 36).
( 27 ) Artikel 176 EEG-Vcrdrag.
( 28 ) Zie ook artikel 189 B, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Politieke Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992.
( 29 ) Zie Jolicl: Le droit institutionnel des Communautés européennes, 1981, blz. 152.
( 30 ) Met is vaste rechtspraak van het Hof dat beroepen wegens nalaten gericht tegen de Commissie op grond van het feit dat zii geen inbrcukproccdurc heeft ingesteld, nietontvankchjk zijn. Zij beschikt op dit gebied immers over een discrclionairc bevoegdheid. Zie ¡n dit verband de arresten van 1 maart 1966 (zaak 48/65, Lültickc, Jurispr. 1966, blz. 28) en 14 februari 1989 (zaak 247/87, Star Fruit, Jurispr. 1989, blz. 291, r. o. 11 en 12), en de beschikkingen van 30 maart 1990 (zaak C-371/89, Emrich, Jurispr. 1990, blz. I-1555) en 23 mei 1990 (zaak C-72/90, Asia Motor, Jurispr. 1990, blz. I-2181). Zie eveneens r. 0.48 van het arrest van 22 mei 1985 in zaak 13/83, reeds aangehaald: „Ingcvol-äc artikel 175 staat het aan hel Hof, in voorkomend geval e verdragsseliending, beslaande in het verzuim van de Raad of tic Commissie om een besluit te nemen in een siutctlie ivanrin die instelling daartoe gehouden was, vast te stellen” (cursivering van mij).
( 31 ) Zie mijn conclusie in de zaak „Comitologic”, reeds aangehaald, punten 30-32.
( 32 ) Arrest van 29 oktober 1980 (zaak 138/79, reeds aangehaald, r. o. 34-36).
( 33 ) Arrest van 3 ¡uli 1986 (zaak 34/86, Jurispr. 1986, blz. 2155).
( 34 ) R. o. 12.
( 35 ) Punt 36 van de conclusie bij het arrest van 12 juli 1988 (zaak 377/87, Parlement/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4017).
( 36 ) R. o. 16.
( 37 ) Artikel 138, lid 3, eerste alinea, bepaalt: „Het Europees Parlement steh ontwerpen op (...)” (cursivering van mij).
( 38 ) Een op dit punt gelijkluidende formulering is te vinden in artikel 201, derde alinea, EEG-Vcrdrag.
( 39 ) In Mcgrctc. a.: Le droit de la Communauté européenne, ccl 9, artikel 138, punt 9.
( 40 ) Ibidem, punt 24.
( 41 ) Zie hiervoor, punt 4.
( 42 ) Het Parlement zou op 10 maart 1993 een resolutie hebben aanvaard, waarin de Raad wordt verzocht „een eenvormige vcrkiczingsproccdurc gebaseerd op het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging” vast te stellen. Tot op heden is een dergelijke resolutie noch officieel aan het Hof meegedeeld noen gepubliceerd. Dit aspect zou als een nieuw clement kunnen worden beschouwd betreffende de zaak ten gronde (het eventuele bestaan van een verzuim). Met kan geen invloed hebben op de ontvankelijkheid.
( 43 ) Op. cit., punt 17.
( 44 ) Reeds aangehaald, r. o. 38-42.
( 45 ) Zie A. Barav: „Considérations sur Ia spécificité du recours en carence”, RTDE, 1975, blz. 59: „Niet is in te zien waarom tegen besluiten die via geen enkele andere rechtsgang aangevochten kunnen worden, wel door middel van een beroep wegens nalaten zou kunnen worden opgekomen.”
( 46 ) Zie M. en D. Waelbroek: Encyclopédie Dalloz, Carence, nr. 26 en nr. 27.
( 47 ) Zie het arrest van 17 november 1970 (zaak 15/70, Chevallcy/Commissie, Jurispr. 1970, blz. 975).
( 48 ) Ibidem.
( 49 ) Zie in deze zin J. V. Louis: Leí règlements íle la Com-mitnñuté économique européenne, 1969, biz, 7.
( 50 ) Jolict, op. cit., b!/.. 154.
( 51 ) Contentieux communautaire, 1977, biz. 230.
( 52 ) Zaak C-257/90, Jurispr. 1993, blz. I-9, r. o. 28-31.
( 53 ) Zaak 246/81, Jurispr. 1982, blz. 2277, r. o. 13.
( 54 ) Reeds aangehaald arrest, r. o. 13.
( 55 ) Zie eveneens de arresten van 15 juli 1970 (zaak 6/70, Borromeo, Jurispr. 1970, blz. 815, r. o. 6 en 7) en 18 november 1970 (zaak 15/70, Chcvallcy, Jurispr. 1970, blz. 975, r. o. 10 en 11).
( 56 ) Arrest van 18 september 1992 (zaak T-28/90, Jurispr. 1992, blz. II-2288, r. o. 29).
( 57 ) „Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag” (PB 1962, blz. 204).
( 58 ) „Wanneer de Commissie meent dat de door haar verkregen gegevens het niet rechtvaardigen aan een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 ingediend verzoek gevolg te geven, deelt zij de verzoekers de redenen daarvan mede en geeft hun een termijn, waarbinnen zij desgewenst schriftelijke opmerkingen kunnen inzenden.” Verordening van 25 juli 1963 van de Commissie over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268).
( 59 ) Arrest van 11 november 1981 (zaak 60/81, IBM, Juris pr. 1981, biz. 2639, r. o. 21). Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1990 (zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r. o. 49).
( 60 ) Arrest van 13 juli 1971 (zaak 8/71, Jurispr. 1971, blz. 705). Zie de conclusie van advocaatgeneraal Roemer bij dit arrest (Jurispr. 1971, blz. 715): „(...) [er] zou (...) niets tegen zijn ook bepaalde procedurele beschikkingen, zoals het op verzoek horen in kartelprocedures, als handeling te beschouwen, daar zij een bepaalde processuele rechtspositie fundeert en rechtsgevolgen teweegbrengt (bij voorbeeld dat in cen later rechtsgeding niet mag worden aangevoerd wat bij het verhoor had kunnen worden voorgedragen en wat de beschikking van de Commissie had kunnen beïnvloeden)”.
( 61 ) Arrest van 18 oktober 1979 (zaak 125/78, reeds aangehaald, r. o. 19-21).
( 62 ) Arrest in zaak C-107/91, Jurispr. 1993, biz. I-599.
( 63 ) Bedoeld in artikel 52 EGA-Verdrag.
( 64 ) R. o. 17 en 18, cursivering van mij.
( 65 ) Zie de arresten Chcvallcy (reeds aangehaald, r. o. 6) en Lord Bcthcll (reeds aangehaald, r, o. 16).
( 66 ) Arrest van 15 januari 1974 (zaak 134/73, Jurispr. 1974, blz. 1).
( 67 ) Cursivering van mij.
( 68 ) R. o. 5.
( 69 ) Arresten van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 199, in het bijzonder blz. 223) en 22 oktober 1986 (zaak 75/84, Metro, Jurispr. 1986, blz. 3021, r. o. 20).
Full & Egal Universal Law Academy