CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 9 februari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — De feiten
1.
Om de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main gestelde prejudiciële vragen te kunnen beantwoorden, zullen wij het begrip overmacht moeten uitleggen in het kader van verordening (EEG) nr. 262/79 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen. ( 1 ) Subsidiair zullen wij moeten onderzoeken, of het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd.
2.
Verzoekster in het hoofdgeding betwist de gedeeltelijke verbeurte van een verwerkingswaarborg voor boter. Ten vervolge op haalbod van 22 december 1987 kocht zij in het kader van de 155e verkoop bij inschrijving krachtens verordening nr. 262/79 62000 kg boter voor verwerking. Van deze hoeveelheid verwerkte zij 20000 kg tot 16300 kg boterconcentraat. De wederwaardigheden en de administratieve formaliteiten die hiermee verband houden, vormen het voorwerp van het hoofdgeding.
3.
Verzoekster verkocht het boterconcentraat via een in haar opdracht handelende onderneming aan een Italiaans boterverwerkend bedrijf. Dit bedrijf verwerkte de boter in kleine hoeveelheden en deed na de verwerking van een gedeelte van de boter telkens aangifte hiervan bij het Italiaanse Ministerie van Land- en Bosbouw (ICRF) te Rome. De laatste aangifte dateert van 23 mei 1988.
4.
Volgens artikel 8, tweede streepje, van verordening nr. 262/79, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 435/85 ( 2 ), beschikt de koper van interventieboter over een termijn van tien maanden voor de verwerking ervan, te rekenen vanaf de uiterste dag voor de indiening van de op de inschrijving betrekking hebbende aanbiedingen, in casu dus vanaf de 155e verkoop bij inschrijving op 22 september 1987.
5.
De laatste aangifte bij het bevoegde cóntroleorgaan vond ongeveer twee maanden voor het verstrijken van deze termijn plaats. De directeur van het ICRF bevestigde echter pas op 18 februari 1989 tegenover het douanekantoor te Verona, dat de boter in overeenstemming met de verwerkingsvoorwaarden vóór 22 juli 1988 was verwerkt. Daarop gaf het douanekantoor te Verona op 31 maart 1989 toestemming voor de vrijgifte van de waarborg op het controle-exemplaar T 5, dat verweerder op 6 april 1989 bereikte.
6.
Gezien deze omstandigheden was verzoekster niet in staat, aan de hand van het controle-exemplaar T 5 binnen de gestelde termijn het bewijs leveren, dat de boter overeenkomstig de geldende regels was verwerkt. Deze termijn, die ingevolge artikel 22, lid 4, van verordening nr. 262/79 ( 3 ) is vastgesteld op achttien maanden, te rekenen vanaf de uiterste dag voor de indiening van de aanbiedingen, was immers op 22 maart 1989 verstreken.
7.
De verzending van het controleexemplaar liep door toedoen van het ICRF een aanzienlijke vertraging van bijna negen maanden op. Hierbij moet worden aangetekend, dat verzoekster via het boterverwerkende bedrijf vanaf oktober 1988 regelmatig, en tegen het einde van de termijn zelfs wekelijks, bij het ICRF op spoed aandrong. ( 4 )
8.
Nadat het ICRF uiteindelijk de verwerking tegenover het douanekantoor te Verona had bevestigd, liet verzoekster ook bij deze instantie stappen ondernemen om een spoedige behandeling te bewerkstelligen. Doordat het douanekantoor echter pas op 31 maart 1989 toestemming voor vrij gifte van de waarborg gaf op het controle-exemplaar T 5, kon het bewijs voor verwerking niet binnen de gestelde termijn worden geleverd.
9.
Ofschoon verzoekster het douanekantoor had gewezen op de noodzaak van een spoedige behandeling en het douanekantoor het Italiaanse boterverwerkende bedrijf meedeelde, dat het controle-exemplaar op 16 maart 1989 onder dossiernr. 8952 aan verweerder in het hoofdgeding was toegestuurd, is het pas op 6 april 1989 bezorgd, twee weken na het verstrijken van de termijn.
10.
Als gevolg van deze vertraging verbeurde verweerder de verwerkingswaarborg voor 20 ton boter. Nadien is echter 85 % van de waarborg teruggegeven, zodat uiteindelijk 15 % van de waarborg is verbeurd. Verweerder rechtvaardigt deze handelwijze op grond van artikel 22, lid 4, van verordening nr. 262/79, dat in de versie van verordening nr. 3021/85 luidt als volgt:
„Behoudens overmacht wordt de in artikel 16, lid 2, bedoelde verwerkingswaarborg verbeurd naar rata van de hoeveelheden waarvoor de in verordening (EEG) nr. 1687/76 bedoelde bewijzen niet worden geleverd binnen een termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf de in artikel 12, lid 2, bedoelde uiterste dag voor de indiening van de aanbiedingen. Indien de bewijzen evenwel worden geleverd binnen achttien maanden na de in de eerste alinea vastgestelde termijn, wordt 85 % van het verbeurde bedrag terugbetaald.”
11.
Verzoekster in het hoofdgeding stelde daarop bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main beroep in tegen de verbeurte van de waarborg en verzocht om teruggave van het verbeurde bedrag. Zij stelt, dat het getalm van de Italiaanse overheid overmacht in de zin van artikel 22, lid 4, van verordening nr. 262/79 oplevert.
12.
De verwijzende rechter is er duidelijk toe geneigd te concluderen, dat er inderdaad sprake van overmacht is. Hij acht het voor de beslechting van het geding noodzakelijk, dat de volgende vragen worden beantwoord:
„1)
Is er sprake van overmacht in de zin van artikel 22, lid 4, van verordening (EEG) nr. 262/79, wanneer
a)
het tot overschrijding van de bewijstermijn is gekomen doordat de administratie van een andere Lid-Staat met de controle op het gebruik overeenkomstig de verordening, de bevestiging daarvan op het controleexemplaar en de terugzending van het controle-exemplaar aan het douanekantoor van vertrek respectievelijk de centrale instantie, zolang heeft getalmd, dat de bij de verordening aan de administratie toegekende termijn van acht maanden voor de bevestiging van de verwerking duidelijk is overschreden, en
b)
de in de andere Lid-Staat gevestigde vertegenwoordiger van de door de koper van de interventieprodukten met de formaliteiten belaste export onderneming de administratie van de andere Lid-Staat vanaf ongeveer acht maanden vóór het verstrijken van de bewijstermijn bij herhaling en een tijdlang wekelijks heeft verzocht te bevestigen dat de verwerking overeenkomstig de verordening had plaatsgehad, en het controle-exemplaar terug te zenden, en
c)
de koper van de interventieprodukten heeft nagelaten overeenkomstig artikel 14 van verordening (EEG) nr. 1687/76 een verzoek in te dienen om andere documenten als gelijkwaardig te erkennen, toen het controle-exemplaar niet binnen drie maanden na het verstrijken van de voor de uitvoering van de transactie gestelde termijn aan het douanekantoor van vertrek of aan de bevoegde centrale instantie was teruggezonden?
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:
2)
Is artikel 22, lid 4, van verordening (EEG) nr. 262/79 ongeldig, voor zover ingevolge deze bepaling, afgezien van overmacht, de verwerkingswaarborg ook wordt verbeurd wanneer de overschrijding van de bewijstermijn terug te voeren is op omstandigheden die niet aan de koper kunnen worden toegerekend?”
13.
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, met name van de middelen en argumenten van partijen, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
B— Discussie
1. Het begrip overmacht
14.
Voor de beantwoording van deze vragen dient in de eerste plaats te worden nagegaan, of de omstandigheden omschreven in de vragen, voor de koper van interventieboter een geval van overmacht in de zin van artikel 22, lid 4, van verordening nr. 262/79 opleveren. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, is de bewijstermijn niet van toepassing, zodat de verbeurte van de waarborg reeds enkel op deze grond onjuist zou zijn. De vraag over het evenredigheidsbeginsel moet enkel worden beantwoord, indien de genoemde omstandigheden geen geval van overmacht blijken in te houden.
15.
Het Hof kan bogen op een omvangrijke rechtspraak betreffende het begrip overmacht. ( 5 ) In het arrest in zaak 4/68 ( 6 ) overwoog het Hof, dat de term overmacht op de verschillende rechtsgebieden en de onderscheiden terreinen van rechtstoepassing niet een zelfde inhoud heeft, zodat de betekenis ervan moet worden vastgesteld naar gelang van het wettelijk kader waarin de term bestemd is effect te sorteren.
16.
Het Hof heeft zich reeds gebogen over het begrip overmacht in het kader van zijn Reglement voor de procesvoering ( 7 ) en van gebieden die onder het EGKS-Vcrdrag vallen. ( 8 ) Het overgrote deel van de arresten betreffende overmacht heeft echter betrekking op het landbouwrecht. ( 9 )
17.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het begrip overmacht worden opgevat in de zin van abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten de wil van de betrokkene, waarvan de gevolgen ondanks alle zorgvuldigheid niet konden worden vermeden. ( 10 )
18.
In het algemeen gaat het Hof ervan uit, dat het begrip overmacht niet is beperkt tot gevallen van volstrekte onmogelijkheid. Een enkele maal is het van deze opvatting afgeweken en heeft het het begrip overmacht strikt volgens de toepasselijke bepalingen uitgelegd. ( 11 ) Deze zeldzame gevallen wijzen echter niet op een fundamentele wijziging in de rechtspraak, want zelfs de meeste recente arresten gaan nog steeds uit van de ruimere uitlegging van het begrip. ( 12 )
19.
In het arrest Theodorakis ( 13 ) greep het Hof bij voorbeeld terug naar zijn vroegere rechtspraak toen het overwoog, „dat onder de term overmacht niet slechts volstrekte onmogelijkheid is te verstaan. Het is evenwel ook vaste rechtspraak dat, zelfs indien het begrip overmacht geen volstrekte onmogelijkheid onderstelt, hiervoor niettemin wordt vereist dat het niet plaatsvinden van het betrokken feit te wijten is aan abnormale en onvoorziene omstandigheden die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.” ( 14 )
20.
Teneinde na te gaan, of er in een concreet geval van overmacht sprake is, moet derhalve worden uitgegaan van de criteria die advocaatgeneraal Capotorti reeds in zijn conclusie in de zaak Valsabbia ( 15 ) heeft ontwikkeld: het begrip overmacht bestaat uit een objectief en een subjectief bestanddeel. ( 16 )
21.
Het objectieve bestanddeel is gelegen in abnormale, aan de marktdeelnemer geheel vreemde omstandigheden. „Omstandigheden buiten de wil van de marktdeelnemer” zijn omstandigheden die zich aan zijn invloed onttrekken.
22.
Het getalm van de Italiaanse instanties is een omstandigheid waarop verzoekster geen enkele invloed had. Zelfs de herhaalde pogingen om via haar vertegenwoordiger ter plaatse invloed uit te oefenen op het verloop van de administratieve procedure, bleven zonder resultaat, hetgeen moet worden gezien als een bijkomend bewijs voor de stelling, dat het omstandigheden betreft die zich objectief aan haar invloed onttrokken.
23.
De vertraging dient eveneens een ongewone gebeurtenis te zijn, waarvan het onwaarschijnlijk was, dat zij zich zou voordoen. Naar mijn oordeel moet worden vastgesteld, dat het Hof dit criterium restrictief toepast. Contractbreuk en zelfs strafbare gedragingen worden door het Hof niet aangemerkt als onvoorziene gebeurtenissen. Het Hof heeft bij de toewijzing van aansprakelijkheid veeleer de nadruk gelegd op de plicht van de marktdeelnemer zijn medewerïters zorgvuldig te kiezen, en op de aanzienlijke invloed die hij bij het opstellen van de overeenkomst kan uitoefenen op de nakoming van de verbintenissen. ( 17 )
24.
In mijn conclusie in zaak 266/84 ( 18 ) heb ik betoogd, dat het zoekraken van een controle-exemplaar in de reusachtige stroom van documenten betreffende monetair compenserende bedragen tussen verschillende instanties niet „een zodanig abnormale of onvoorzienbare gebeurtenis is, dat zij onwaarschijnlijk moet worden geacht”. ( 19 ) Het Hof deelde deze zienswijze evenwel niet.
25.
In zaak 266/84 lagen de feiten anders (zoekraken van een controle-exemplaar in de stroom van documenten) en waren andere bepalingen in het geding (toekenning van monetair compenserende bedragen) dan in de onderhavige zaak, zodat mijn standpunt destijds niet belet, dat ik in casu een andere mening zou zijn toegedaan.
26.
Zowel de Commissie [in mededeling C(88) 1696 ( 20 )] als partijen in het hoofdgeding voeren het begrip „dienstfout” aan, dat naar mijn oordeel een geschikt criterium is om te bepalen, of een gebeurtenis met het oog op overmacht onvoorzienbaar is. Een marktdeelnemer moet er immers op kunnen vertrouwen, dat de overheid, die ook zelf de wetten moet eerbiedigen, rechtmatig handelt.
27.
In de regel kan de marktdeelnemer, anders dan bij privaatrechtelijke verbintenissen met andere contractpartijen of onderaannemers, geen invloed uitoefenen op het verloop van zijn rechtsbetrekkingen met de overheid. Hij is aan objectief geldende regels onderworpen en moet ervan uit kunnen gaan, dat de overheid, die aan dezelfde regels is gebonden, haar verplichtingen nakomt.
28.
In de gevallen waarin het Plof zich heeft uitgelaten over het belang van dienstfouten van de overheid bij de vaststelling van overmacht, was het steeds zo, dat de dienstfout erniet alleen de oorzaak van was dat het gewenste resultaat niet werd bereikt, doch was dit veeleer te wijten aan een andere marktdeelnemer. ( 21 )
29.
Gelet op een en ander ben ik van oordeel, dat de tijdsspanne van meer dan tien maanden, die de Italiaanse overheid nodig had om een handeling te verrichten waarvoor een toepasselijke bepaling een termijn van acht maanden stelt (de bewijstermijn van achttien maanden min de verwerkingstermijn van tien maanden), moet worden aangemerkt als een dienstfout en derhalve als een onvoorziene gebeurtenis in de zin van de definitie van overmacht. Mijns inziens is hierbij niet van belang, of uiteindelijk het ICRF dan wel het douanekantoor te Verona gedeeltelijk of uitsluitend verantwoordelijk is voor de vertraging, daar beide overheidsinstanties zijn, wier handelingen zich onttrekken aan de invloed van verzoekster in het hoofdgeding.
30.
Aangezien derhalve het objectieve bestanddeel moet worden geacht aanwezig te zijn, dient nog te worden onderzocht, of de voorwaarde van het subjectieve bestanddeel eveneens is vervuld, dus of de marktdeelnemer al het mogelijke in het werk heeft gesteld om de gevolgen van de dienstfout te vermijden.
31.
Verzoekster heeft regelmatig en met korte tussenpozen de bevoegde instanties verzocht, de behandeling van het dossier ter hand te nemen. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat het aan de nationale rechter staat om te beoordelen, of de zorgvuldigheid die de marktdeelnemer in casu heeft betracht, overeenkomt met hetgeen van een zorgvuldig koopman mag worden verwacht. Ik ben op grond van de informatie die ik tot mijn beschikking heb, geneigd te concluderen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
32.
Ten slotte heeft de verwijzende rechter zelf de vraag opgeworpen, of deze zorgvuldigheidsplicht vereist dat, zodra duidelijk was dat het controle-exemplaar T 5 niet binnen de gestelde termijn zou worden teruggezonden, verzoekster het in artikel 14 van verordening nr. 1687/76 bedoelde verzoek om gelijkwaardigverklaring had moeten indienen.
33.
Deze vraag kan kort worden beantwoord. Ik ben van mening, dat deze bepaling in casu niet van toepassing is. Zij luidt als volgt:
„Wanneer een controle-exemplaar (...) niet binnen drie maanden
—
(...)
—
(...)
aan het douanekantoor van vertrek of aan de centrale instantie is teruggezonden, kan de belanghebbende bij de bevoegde instanties een met redenen omkleed en met bewijsstukken gestaafd verzoek indienen om andere documenten als gelijkwaardig te laten erkennen. Deze bewijsstukken moeten een verklaring bevatten van het douanekantoor dat het gebruik en/of de bestemming heeft gecontroleerd of heeft doen controleren, waarin bevestigd wordt dat voor de produkten aan de voorwaarden inzake gebruik en/of bestemming is voldaan.” ( 22 )
34.
In de eerste plaats legt deze bepaling geen verplichting op aan de betrokkene, maar biedt zij hem enkel de mogelijkheid om gelijkwaardige documenten te verkrijgen. In de tweede plaats onderstelt de erkenning van deze documenten, dat de controle door de douaneautoriteiten heeft plaatsgevonden. In de derde plaats zou de behandeling van het verzoek tot gelijkwaardigverklaring zeker niet minder tijd in beslag hebben genomen dan de verzending van het controle-exemplaar T 5.
35.
Het was dus allerminst waarschijnlijk dat de indiening van een verzoek om gelijkwaardigverklaring ertoe zou leiden, dat het bewijs voor de verwerking van de produkten binnen de gestelde termijn zou worden geleverd, wanneer de bij de bevoegde instanties ondernomen stappen evenmin resultaat hadden.
36.
Mitsdien ben ik van oordeel, dat de vraag, of er in het onderhavige geval sprake is van overmacht in de zin van artikel 22, lid 4, bevestigend moet worden beantwoord.
2. Het evenredigheidsbeginsel
37.
Enkel indien het Hof een andere mening zou zijn toegedaan, dient artikel 22, lid 4, aan het evenredigheidsbeginsel te worden getoetst. Volgens 's Hofs vaste rechtspraak houdt dit beginsel in, dat de middelen die worden gebruikt ter verwezenlijking van een bepaald doel, stroken met het belang ervan. Bovendien moeten deze middelen noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken. ( 23 )
38.
Naar mijn oordeel is niet van belang, of de gedeeltelijke of volledige verbeurte van de waarborg, teneinde naleving van de verwerkingsverplichting dan wel van de administratieve formaliteiten af te dwingen, strookt met het evenredigheidsbeginsel, indien de onregelmatigheden ten laste van de koper komen.
39.
Indien de onregelmatigheden echter niet aan de koper zijn toe te rekenen, hetgeen, naar ik reeds heb gesteld, in casu het geval is, dan is dit middel niet alleen niet passend ter verwezenlijking van het gestelde doel, maar zelfs objectief ongeschikt. Wat voor zin heeft het immers, druk uit te oefenen op een koper — die er ook zelf belang bij heeft, dat de administratieve formaliteiten ordelijk verlopen — wanneer het gaat om voorvallen waarop hij geen invloed heeft?
40.
In een ander verband heeft het Hof reeds geoordeeld, dat het zoekraken van het controle-exemplaar T 5 door een proceduregebrek dat de betrokkene niet is toe te rekenen, geen nadelig gevolg voor deze persoon mag hebben. ( 24 )
41.
In geval van een dienstfout van de betrokken bestuurlijke instantie zal de verbeurte van de waarborg er mijns inziens niet toe leiden, dat de marktdeelnemer sneller het vereiste bewijs levert. Daarom is die verbeurte niet nodig en dus onevenredig.
C — Conclusie
42.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„Er is sprake van overmacht in de zin van artikel 22, lid 4, van verordening (EEG) nr. 262/79 van de Commissie betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (PB 1979, L 41, biz. 1), wanneer
a)
het tot de overschrijding van de bewijstermijn is gekomen doordat de administratie van een andere Lid-Staat met de controle op het gebruik overeenkomstig de verordening, de bevestiging daarvan op het controle-exemplaar en de terugzending van het controle-exemplaar aan het douanekantoor van vertrek respectievelijk de centrale instantie, zolang heeft getalmd, dat de haar bij de verordening toegekende termijn van acht maanden voor de bevestiging van de verwerking duidelijk is overschreden, en
b)
de koper van de interventieprodukten of een medewerker die in zijn naam en opdracht handelt, voor het verstrijken van de bewijstermijn de bevoegde overheden uitdrukkelijk heeft gemaand de zaak af te handelen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) Verordening van de Commissie van 12 februari 1979 (PB 1979, L 41, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3021/85 van de Commissie van 30 oktober 1985 (PB 1985, L 289, blz. 14).
( 2 ) Verordening van de Commissie van 21 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 262/79 (PB 1985, L 52, blz. 40).
( 3 ) in de versie van verordening nr. 3021/85, reetis aangehaald in voetnoot I.
( 4 ) De verwijzende rechter gaat ervan uit, dat de Duitse onderaannemer, dus de rechtstreekse koper van verzoekster, deze slappen heeft ondernomen, ofschoon verzoekster stelt, dat het boterverwerkende bedrijf op spoed heeft aangedrongen. Hoc dit ook zij, een van heiden llceft namens verzoekster stappen ondernomen.
( 5 ) Voor een representatieve keuze, zie arresten van 11 juli 1968 (zaak 4/68, Sclnvarzvvaldmilch, Jurispr. 1968, blz. 562), 30 januari 1974 (zaak 158/73, Kampffnieycr, Jurispr. 1974, blz. 101), 20 februari 1975 (zaak 61/7-1, Reich, Jurispr. 1975, blz. 261), 11 juli 1978 (zaak 6/78, Union française tic céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675), 13 december 1979 (zaak 42/79, Milch-, Feu-utul Eierkontor, Jurispr. 1979, blz. 3703), 3 juli 1985 (zaak 20/84, De Jonį, Jurispr. 1985, blz. 2061), 5 december 1985 (zaak 124/83, Corman, Jurispr. 1985, blz. 3777), 22 januari 1986 (zaak 266/84, Dcnkavit Pratico, Jurispr. 1986, blz. 149), 27 oktober 1987 (zaak 109/86, Theodorakis, Jurispr. 1987, blz. 4319), 8 maart 1988 (zaak 296/86, McNicoll, Jurispr. 1988, blz. 1491), 19 april 1988 (zaak 71/87, Intcr-Kom, Jurispr. 1988, blz. 1979), 22 september 1988 (zaak 199/87, Jensen, Jurispr. 1988, blz. 5045) en 7 mei 1991 (zaak C-338/89, Organisationen Danske Slagterier, Jurispr. 1991, blz. I-2315).
( 6 ) Arrest Schwarzwaldmilch (reeds aangehaald ín voetnoot 5).
( 7 ) Arrest van 9 februari 1984 (zaak 284/82, Bllsscni, Jurispr. 1984, blz. 567).
( 8 ) Arrest Busseni (reeds aangehaald in voetnoot 7); gevoegde zaken 154/78, 205/78, 206/78, 226/78-228/78, 263/78, 264/78, 39/79, 31/79, 83/79 en 85/79 (Valsabbia, Jurispr. 1980, blz. 907).
( 9 ) Vgl. voetnoot 5.
( 10 ) Arrest Dcnkavit France (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 27).
( 11 ) Arrest Milch-, Fett- und Hierkontor (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 10); arrest De Jong (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 16).
( 12 ) Arrest Theodorakis (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 6 e. v.); arrest McNicoll (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 11); arrest Organisationen Danske Slagterier (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 16).
( 13 ) Arrest Theodorakis (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 7).
( 14 ) R. o. 7. Zie eveneens het arrest Organisationen Danske Slagterier (reeds aangehaald in voetnoot 5), alsmede zaak C-344/87 (Jurispr. 1990, blz. I-2849), waarvan enkel een samenvatting is gepubliceerd.
( 15 ) Reeds aangehaald in voetnoot 8.
( 16 ) Vgl. ook mededeling C(88) 1696 van de Commissie met betrekking tot het begrip overmacht in het Europese landbouwrecht (88/C 259/07) (PB 1988, C 259, blz. 10).
( 17 ) Het Hof beschouwt valsheid in geschrifte door een procuratiehouder niet als een „volstrekt onvoorzienbaar risico” in de zin van overmacht; zie arrest Milch-, Fett-und Eierkontor (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 10). Vgl. ook het arrest De Jong (reeds aangehaald in voetnoot 5, r. o. 18).
( 18 ) Arrest Denkavit France (reeds aangehaald in voetnoot 5, blz. 150).
( 19 ) Ibidem, blz. 158.
( 20 ) Reeds aangehaald ¡n voetnoot 16.
( 21 ) Arrest De Jong (reeds aangehaald in voetnoot 5).
( 22 ) Cursivering van mij.
( 23 ) Arresten van 23 februari 1983 (zaak 66/82, Fromancais, Jurispr. 1983, blz. 395, r. o. 8), 1 oktober 1985 (zaak 125/83, Corman, Jurispr. 1985, blz. 3039, r. o. 36) en 27 juni 1990 (zaak C- 118/89, Liniļcnfelser, Jurispr. 1990, biz. I-2637, r. o. 12).
( 24 ) Arrest van 6 oktober 1982 (zaak 302/81, EįLCrs, Jurispr. 1982, blz. 3113, r. o. 8).
Full & Egal Universal Law Academy