CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 31 maart 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In hoeverre moeten de bij de invoer van goederen uit een derde land geheven invoerrechten worden terugbetaald, wanneer deze goederen nog voordat het risico op de koper is overgegaan, zijn beschadigd? Dat is in wezen de belangrijkste vraag van het Bundesfinanzhof.
2.
In juli 1984 voert Ebbe Sönnichsen GmbH (hierna: „Sönnichsen”) in de Bondsrepubliek Duitsland fob Uruguay een partij in van 440 dozen „vlees van runderen, gekoeld, delen zonder been”. De douaneaangifte vermeldt niets over een eventuele mindere kwaliteit van het vlees.
3.
Het Hauptzollamt Hamburg-St. Annen (hierna: „Hauptzollamt”) stelt de douanewaarde van de ingevoerde goederen overeenkomstig de aangifte van Sönnichsen vast op basis van de gefactureerde en betaalde prijs.
4.
Sönnichsen verzoekt op 11 oktober 1984 om gedeeltelijke terugbetaling van de invoerrechten, zulks op grond dat bij een deskundigenonderzoek is gebleken dat een deel van de lading bedorven en ongeschikt is voor menselijke consumptie. Niet in geschil is, dat het vlees reeds was bedorven voordat het risico van de verkoper op de koper overging. De aan de koper ter hand gestelde creditnota is door de verkoper niet gehonoreerd,
5.
Artikel 2, lidi, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten ( 1 ), luidt als volgt:
„Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten wordt overgegaan indien ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten:
(...)
—
om welke reden dan ook hoger is dan het bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd.”
6.
Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( 2 ), bepaalt:
„De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap(...)”
7.
Artikel 4, tweede zin, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen ( 3 ), aangevuld door verordening (EEG) nr. 1580/81 van de Commissie van 12 juni 1981 ( 4 ), bepaalt als volgt:
„Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging, vóór het in het vrije verkeer brengen, van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald.”
8.
Het Hauptzollamt wijst het verzoek om terugbetaling af op grond dat artikel 4, tweede zin, van verordening nr. 1495/80 enkel van toepassing is wanneer de goederen zijn beschadigd nadat het risico op de koper is overgegaan. ( 5 ) Het vlees was echter reeds vóór deze datum bedorven.
9.
Het Finanzgericht wijst de vordering toe. Het overweegt, dat Sönnichsen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1430/79 recht heeft op terugbetaling van de voor de beschadigde goederen betaalde invoerrechten, aangezien het bedrag van de geboekte rechten hoger is dan het bedrag dat wettelijk mag worden geïnd. Een verhoudingsgewijze verdeling van de prijs in de zin van artikel 4, tweede zin, van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd, geldt ook in geval van gedeeltelijke beschadiging, wanneer die plaatsvindt vóór het in het vrije verkeer brengen van de ingevoerde goederen.
10.
In „Revision” stelt het Bundesfinanzhof het Hof vragen over de toepasselijkheid van laatstgenoemde bepaling, wanneer de ingevoerde goederen nog voordat het risico op de koper is overgegaan, de waarde verminderende gebreken vertonen. Voor het geval van een ontkennend antwoord vraagt het, hoe de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 kan worden bepaald. ( 6 )
11.
Daar deze laatste bepaling van toepassing is ( 7 ), wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen vastgesteld op basis van de door de importeur werkelijk betaalde prijs, die in casu de totale overeengekomen prijs heeft voldaan.
12.
Zoals in de zesde overweging van de considerans vermeld, beoogt verordening nr. 1224/80 een billijk, uniform en neutraal systeem voor de bepaling van de douanewaarde in te voeren, dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit: men dient uit te gaan van de werkelijke handelswaarde van de in het verkeer gebrachte goederen.
13.
In het arrest van 6 juni 1990 (Unifert) ( 8 ), overwoog het Hof, na te hebben herinnerd aan de bewoordingen van deze overweging van de considerans:
„Om die redenen moet een onvoorziene vermindering van de handelswaarde van de goederen na de koop, doch vóór het in het vrije verkeer brengen, tot een evenredige vermindering van de werkelijk betaalde of te betalen prijs leiden.” ( 9 )
14.
Er kan derhalve reden zijn om de prijs aan te passen.
15.
Artikel 4, tweede zin, van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd, voorziet in een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging vóór het in het vrije verkeer brengen van de goederen waarvan de douanewaarde moet worden bepaald.
16.
Met betrekking tot een partij uit Argentinië ingevoerd diepvriesvlecs, die bij het laden in een Argentijnse haven per ongeluk was ontdooid, overwoog het Hof, ook al was genoemde bepaling niet van toepassing op de feiten van die zaak, die plaats hadden gevonden voordat die bepaling van kracht werd, dat
„wanneer de goederen waarvan de waarde moet worden vastgesteld, bij aankoop onbeschadigd waren doch vóór de inklaring schade hebben opgelopen, de werkelijk betaalde of te betalen prijs naar evenredigheid van de geleden schade moet worden verlaagd”. ( 10 )
17.
Moet er een andere oplossing komen wanneer de schade optreedt voordat het risico op de koper is overgegaan? Anders gezegd, kan de datum waarop het risico van de verkoper op de koper overgaat, invloed hebben op de bepaling van de douanewaarde van een goed?
18.
Om het maar duidelijk te zeggen: het betoog van het Hauptzollamt voor de verwijzende rechter ( 11 ), dat artikel 4, tweede zin, van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd, enkel van toepassing is indien de goederen worden beschadigd nadat het risico op de koper is overgegaan, heeft mij geenszins overtuigd.
19.
Het voor de bepaling van de douanewaarde relevante tijdstip is zeer nauwkeurig omschreven in artikel 1, lid 1, sub g-i, van verordening nr. 1224/80: voor goederen die worden aangegeven om rechtstreeks in het vrije verkeer te worden gebracht, is dat „de datum van ontvangst door de douane van de verklaring waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen in het vrije verkeer te brengen”.
20.
Het is duidelijk; de douanewaarde moet worden vastgesteld op de dag dat de goederen in de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht. Zodra men rekening houdt met hun werkelijke waarde, is de staat waarin zij verkeren bij binnenkomst in de Gemeenschap, van belang.
21.
De omstandigheid dat het risico pas na het inladen op de koper is overgegaan omdat de verkoop fob is gesloten (de koper draagt alle risico's voor de goederen wanneer deze eenmaal aan boord van het schip zijn gebracht), heeft mijns inziens geen invloed op de bepaling van de douanewaarde.
22.
Het kan niet zo zijn, dat de douanewaarde — en derhalve het door de Gemeenschap geïnde bedrag aan rechten— afhangt van de modaliteiten van de invoer, dat wil zeggen verkoop fob, verkoop cif dan wel een andere regeling.
23.
Laten wij eens uitgaan van twee identieke partijen, de ene verkocht fob en de andere cif, die tijdens het transport onder dezelfde omstandigheden zijn beschadigd. Wanneer beide partijen zich bij binnenkomst in de Gemeenschap in dezelfde staat bevinden, kan de douanewaarde niet verschillend zijn enkel omdat in het ene geval de schade is opgetreden vóór de risico-overgang, terwijl in het andere geval de beschadiging erna heeft plaatsgevonden.
24.
Een dergelijke uitlegging van artikel 4, tweede zin, van verordening nr. 1495/80 zou ingaan tegen het doel van de betrokken regeling: het stelsel voor de bepaling van de douanewaarde moet, zoals wij zagen, het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluiten. ( 12 )
25.
Voor mijn zienswijze pleit ook het volgende.
26.
In de eerste plaats is in de bepaling zelf, die enkel preciseert dat de schade vóór het in het vrije verkeer brengen moet zijn opgetreden, nergens sprake van risico-overgang. Waar de wet geen onderscheid maakt, moeten wij dat ook niet doen.
27.
In de tweede plaats hecht het Hof geen enkel belang aan de vraag, of de schade zich heeft voorgedaan vóór of ná de risicoovergang: het verlangt enkel, dat de schade ná de koop en vóór het in het vrije verkeer brengen van de goederen is opgetreden.
28.
In de derde plaats zou het onbillijk en willekeurig zijn — en derhalve in strijd met het doel van de betrokken regeling — om de bepaling van de douanewaarde afhankelijk te stellen van de terugbetaling van de waardevermindering door de verkoper. De betaalde prijs is immers maar één gegeven bij het bepalen van de werkelijke waarde van de goederen, en het is enkel deze waarde die voor de berekening van de douanewaarde van belang is.
29.
Dit blijkt ook uit de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van het GATT. ( 13 ) Door deze overeenkomst te aanvaarden „heeft de Gemeenschap de verplichting op zich genomen (...) haar wetgeving inzake de douanewaarde in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de Overeenkomst”. ( 14 )
30.
Zo geeft artikel 3 van verordening nr. 1224/80 — vastgesteld ter uitvoering van deze overeenkomst ( 15 ) — dezelfde omschrijving van de douanewaarde als artikel 1 van de overeenkomst.
31.
Daarom moeten verordening nr. 1224/80 en de uitvoeringsverordening nr. 1495/80 zoveel mogelijk op dezelfde manier worden uitgelegd als de overeenkomst waarop zij zijn gebaseerd, te meer daar deze juist tot doel heeft de methoden van bepaling van de douanewaarde eenvormig te maken. ( 16 )
32.
Het Technisch comité voor douanezaken, ingevolge artikel 18, lid 2, van de overeenkomst opgericht door de Internationale Douaneraad, heeft een toelichting opgesteld inzake de berekening van de douanewaarde, wanneer de goederen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract.
33.
De toelichting onderscheidt goederen die „niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract” van beschadigde goederen en bepaalt, dat in deze laatste categorie, wanneer de goederen slechts gedeeltelijk zijn beschadigd, „als transactiewaarde kan worden aangehouden de prijs bestaande in het percentage van de totale prijs, dat overeenkomt met de hoeveelheid onbeschadigde goederen in verhouding tot de totale aangekochte hoeveelheid”. Ook daar wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang van de datum waarop de schade is ontstaan, zij het vóór of na de overgang van het risico op de koper.
34.
Ik merk voorts op, dat wanneer goederen door de importeur worden geweigerd omdat zij gebreken vertonen of om de een of andere reden niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract, de invoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden. ( 17 ) Ik zie geen reden, waarom voor de importeur die de levering niet heeft geweigerd omdat hij de beschadiging pas later heeft ontdekt, een andere regeling zou moeten gelden.
35.
Deze zienswijze vindt steun in de uitlegging van artikel 4 door de Bundesfinanzverwaltung: wanneer een deel van de goederen is beschadigd voordat de douanewaarde is bepaald, moet de vastgestelde prijs naar evenredigheid van de schade worden gecorrigeerd. ( 18 )
36.
Het antwoord op de eerste vraag moet mijns inziens dan ook bevestigend luiden, waarmee de tweede vraag haar belang verliest.
37.
Ik geef het Hof derhalve in overweging te verklaren voor recht:
„Voor de toepassing van artikel 4, tweede zin, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1580/81 van de Commissie van 12 juni 1981, dient geen onderscheid te worden gemaakt al naar gelang de beschadiging die de douanewaarde vermindert, heeft plaatsgevonden vóór dan wel na de overgang van het risico op de koper.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) PB 1979, L 175, blz. 1.
( 2 ) PB 1980, L 134, blz. 1.
( 3 ) PB 1980, L 154, blz. 14.
( 4 ) Verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1495/80 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1981, L 154, blz. 36).
( 5 ) Zie de beschikking van de verwijzende rechter.
( 6 ) Zie voor de exacte bewoordingen van de prejudiciële vragen de verwijzingsbeschikking.
( 7 ) Wij hebben niet te doen met een van de bijzondere situaties bedoeld in sub a tot en met sub d van hetzelfde artikellid.
( 8 ) Zaak C-11/89, Jurispr. 1990, blz. I-2275.
( 9 ) R. o. 35.
( 10 ) Arrest van 12 juni 1986 (zaak 183/85, Repenning, Jurispr. 1986, blz. 1873, r. o. 18).
( 11 ) Het Hauptzollamt heeft bij het Hof geen opmerkingen ingediend.
( 12 ) Zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1224/80.
( 13 ) PB 1980, L 71, blz. 107.
( 14 ) Vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1224/80.
( 15 ) Ibidem, tweede en derde overweging van de considerans.
( 16 ) Zie de preambule van de overeenkomst en de tierde overweging van de considerans van verordening nr. 1224/80.
( 17 ) Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1430/79.
( 18 ) Vorschriftensammlung, Zollwertrecht Fachteil, Z5314,, 11. Lieferung, 19. Januar 1990.
Full & Egal Universal Law Academy