CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 28 januari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak verzoekt het Belgische Hof van Cassatie om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, 46 en 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6; hierna: „verordening”).
2.
Verweerder in het hoofdgeding, Levatino, is de zoon van wijlen Caterina Milazzo. De feiten van de zaak zijn door de verwijzende rechterlijke instantie niet erg duidelijk uiteengezet, maar naar het schijnt, had Milazzo, een in België woonachtig Italiaans onderdaan, vanaf 1 oktober 1967 recht op een Belgisch rustpensioen voor werknemers en vanaf 1 november 1967 op een Italiaans rustpensioen. In 1972 diende zij een aanvraag in om het gewaarborgd inkomen overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wet van 1 april 1969. Doelstelling van deze wet is het verzekeren van een gewaarborgd minimuminkomen voor bejaarden die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken. Volgens de bepalingen van de wet is de toekenning van het gewaarborgd inkomen verbonden met een onderzoek naar de bestaansmiddelen en onafhankelijk van de vervulling van een bepaald tijdvak van verzekering door de aanvrager. In het bijzonder artikel 4 bepaalt, dat het gewaarborgd inkomen enkel kan worden toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen van de aanvrager en dat, onverminderd bepaalde uitzonderingen, alle bestaansmiddelen, van welke aard en oorsprong ook, waarover de aanvrager en zijn echtgenoot beschikken, daarbij in aanmerking worden genomen. Volgens artikel 10 wordt het bedrag van het gewaarborgd inkomen verminderd met de rust- en overlevingspensioenen en met alle andere voordelen die aan de aanvrager of zijn echtgenoot zijn toegekend uit hoofde van een Belgische of buitenlandse verplichte pensioenregeling.
3.
Bij besluit van 20 februari 1975 wees het voor de sociale zekerheid bevoegde Belgische orgaan, de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (hierna: „RWP”), Milazzo's aanvraag om het gewaarborgd inkomen af, op grond dat zij onderdaan was van een land waarmee België geen wederkerigheidsovereenkomst had gesloten overeenkomstig het bepaalde in de wet van 1 april 1969. Op 23 september 1975 werd dat besluit vernietigd door de Arbeidsrechtbank te Luik. Deze baseerde zijn beslissing in hoofdzaak op het arrest van het Hof in zaak 1/72 (Frilli, Jurispr. 1972, blz. 457). Met betrekking tot genoemde wet verklaarde het Hof in die zaak, dat het gewaarborgd inkomen, toegekend bij algemene wetgeving van een Lid-Staat, ten aanzien van migrerende werknemers die in die Lid-Staat pensioengerechtigd zijn, moet worden beschouwd als een „uitkering bij ouderdom” in de zin van verordening nr. 3 van de Raad van 3 december 1958 —de voorgangster van verordening nr. 374/87 — en dat bijgevolg de toekenning van zodanige uitkering aan een buitenlandse werknemer niet afhankelijk mag zijn van het bestaan van een wederkerigheidsovereenkomst met de Lid-Staat waarvan de werknemer onderdaan is.
4.
Overeenkomstig de beslissing van de Arbeidsrechtbank betaalde de RWP vanaf 1 januari 1973 aan Milazzo een gewaarborgd inkomen. Overeenkomstig artikel 10 van de wet van 1 april 1969 werden bij de berekening van het gewaarborgd inkomen de rustpensioenen waarop Milazzo recht had, in aanmerking genomen. Aanvankelijk werd het bedrag op 20679 BFR per jaar vastgesteld. Vervolgens werd het per 1 juli 1973 op 34160 BFR per jaar vastgesteld en daarna verhoogd overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetgeving, hetgeen blijkt uit de gedetailleerde berekeningen die door de Rijksdienst voor Pensioenen (de opvolger van de RWP; hierna: „RVP”) op verzoek van het Hof zijn overgelegd. Deze berekeningen bevestigen eveneens, dat — zoals de RVP in zijn schriftelijke opmerkingen had vermeld en anders dan de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen lijkt te suggereren — Milazzo inderdaad een Belgisch pensioen ontving.
5.
Na een verhoging van het Italiaanse pensioen van Milazzo als gevolg van een stijging van het indexcijfer, besloot de RWP het bedrag van haar gewaarborgd inkomen te herberekenen. Bij haar op 6 maart 1984 medegedeeld besluit werd Milazzo ervan in kennis gesteld, dat haar gewaarborgd inkomen met ingang van april 1984 met 4818 BFR per maand zou worden verminderd; ik wijs erop, dat deze forse vermindering het gevolg was van een abnormale stijging van haar Italiaans pensioen, klaarblijkelijk als gevolg van de toepassing van de Italiaanse bepalingen inzake de indexering. Het besluit van de RWP om het gewaarborgd inkomen van Milazzo te verminderen, werd vernietigd in een procedure die door Milazzo bij de Arbeidsrechtbank te Luik aanhangig was gemaakt en die na haar overlijden door verweerder is voortgezet. De beslissing van de Arbeidsrechtbank werd voor het wezenlijke bevestigd door het Arbeidshof te Luik bij zijn arrest van 3 februari 1989. In dat arrest veroordeelde het Arbeidshof de RWP tot uitbetaling en indexering van het gewaarborgd inkomen overeenkomstig artikel 46 van de verordening, zonder rekening te houden met de aanpassing van het Italiaanse pensioen aan de kosten van levensonderhoud. Het veroordeelde de RWP dan ook om aan verweerder het achterstallige gewaarborgd inkomen te betalen over de periode van 1 april 1984 tot 26 augustus 1984, op welke datum Milazzo was overleden. De RVP heeft het arrest van het Arbeidshof betwist voor het Hof van Cassatie, dat zich tot het Hof heeft gewend met de volgende vraag:
„Moeten de artikelen 46 en 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn in geval van cumulatie van een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat toegekende ouderdomsuitkering en een krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat toegekende uitkering ter aanvulling van een werknemerspensioen, die aan een bejaarde een inkomen verzekert ongeacht de duur van de tijdvakken van verzekering, ook wanneer die toepassing de migrerend werknemer kan bevoordelen boven de niet-migrerend werknemer, ofschoon artikel 3, lid 1, van voormelde verordening de gelijkheid van behandeling van alle onderdanen van de Lid-Staten voorschrijft?”
6.
Opgemerkt zij, dat in de relevante periode de toepasselijke versie van verordening nr. 1408/71 die was welke is opgenomen in bijlage I van verordening nr. 2001/83. De latere wijzigingen van deze verordening, en in het bijzonder de materiële wijzigingen aangebracht bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 1), die op 1 juni 1992 in werking is getreden, en van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, biz. 7), eveneens op 1 juni 1992 in werking getreden, zijn in casu niet van toepassing.
7.
Artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt als volgt:
„Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
8.
De artikelen 46 en 51 maken deel uit van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening, dat bijzondere bepalingen bevat betreffende „ouderdom en overlijden (pensioenen)” (artikelen 44-51). Artikel 44 bevat algemene bepalingen voor de toekenning van uitkeringen in de gevallen waarin een werknemer of zelfstandige aan de wetgeving van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest. Artikel 44, leden 1 en 2, bepaalt als volgt:
„1.
Het recht op uitkeringen van een werknemer of zelfstandige of van diens nagelaten betrekkingen wordt, zo deze werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, overeenkomstig dit hoofdstuk vastgesteld.
2.
(...) ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, [moet] worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan. Van deze regel wordt slechts afgeweken, indien de betrokkene uitdrukkelijk verzoekt de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen, welke op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, uit te stellen.”
Artikel 45, lid 1, bepaalt:
„Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.”
9.
Artikel 46 preciseert de regels betreffende de vaststelling van de uitkeringen. Artikel 46, lid 1, bepaalt, dat indien een aanvrager voldoet aan de bij de nationale wetgeving van een Lid-Staat vastgestelde voorwaarden voor het recht op uitkering zonder dat daarbij de door de aanvrager krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen in aanmerking behoeven te worden genomen, het bevoegde orgaan van die Lid-Staat het bedrag van de uitkering krachtens de bepalingen van zijn nationale wetgeving moet vaststellen. Dit orgaan moet evenwel ook Het uitkeringsbedrag berekenen dat zou worden verkregen bij toepassing van de in artikel 46, lid 2, sub a en b, vastgestelde regels betreffende samentelling en pro rata-berekening. Van de twee aldus vastgestelde bedragen wordt alleen het hoogste uitkeringsbedrag aangehouden.
10.
Artikel 46, leden 2 en 3, bepaalt:
„2.
Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, past de onderstaande regels toe, indien de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 (...) zijn vervuld:
a)
het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b)
op basis van het in de vorige alinea bedoelde theoretische bedrag stelt het orgaan vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld;
(...)
3.
De betrokkene heeft recht op de som van de uitkeringen welke overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn berekend tot maximaal het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen.
Voor zover het in de vorige alinea bedoelde bedrag wordt overschreden, corrigeert ieder orgaan dat lid 1 toepast, zijn uitkering met een bedrag dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de betrokken uitkering en de som van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitkeringen.”
11.
Ten slotte bepaalt artikel 51:
„1.
Indien de uitkeringen van de betrokken Staten door stijging van de kosten van levensonderhoud, schommelingen van het loonpeil of andere oorzaken van aanpassing, met een bepaald percentage of bedrag worden gewijzigd, moet dit percentage of bedrag rechtstreeks in de overeenkomstig artikel 46 vastgestelde uitkeringen worden verwerkt, zonder dat er een herberekening overeenkomstig genoemd artikel behoeft plaats te vinden.
2.
Indien echter de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan, vindt wel een herberekening plaats overeenkomstig artikel 46.”
12.
De door de nationale rechter voorgelegde vraag stelt in wezen twee punten aan de orde. In de eerste plaats, of een uitkering als het gewaarborgd inkomen onder de werkingssfeer van de artikelen 46 en 51 van de verordening valt. In de tweede plaats, of — zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord— artikel 51 voorschrijft, dat een gewaarborgd inkomen dat wordt uitbetaald aan een persoon die tevens recht heeft op een pensioen van een andere Lid-Staat, niet moet worden gekort op grond van een stijging van dat andere pensioen als gevolg van indexering, ook al kan deze toepassing de migrerend werknemer bevoordelen tegenover de niet-migrerend werknemer. Ik zal achtereenvolgens beide punten onderzoeken.
13.
Wat het eerste punt betreft, betoogt de RVP, dat het Hof in zijn arrest Frilli heeft verklaard, dat het gewaarborgd inkomen slechts wat de voorwaarden voor toekenning ervan betreft, als een ouderdomsuitkering kan worden beschouwd. Volgens de RVP kan het Hof niet hebben bedoeld, dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening van toepassing zijn op het gewaarborgd inkomen. De RVP betoogt, dat de in de wet van 1 april 1969 bedoelde methode van berekening van het gewaarborgd inkomen onverenigbaar is met het in hoofdstuk 3 van titel III beschreven stelsel van samentelling en pro rata-berekening. De bepalingen van dat hoofdstuk omschrijven de regels voor de vaststelling van het recht op ouderdomspensioen, wanneer het bedrag van dat pensioen afhankelijk is van de door de aanvrager uit hoofde van de wetgeving van meer Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, of wanneer de aanvrager achtereenvolgens of afwisselend aan de wetgeving van meer Lid-Staten onderworpen is geweest. Het recht op een gewaarborgd inkomen is uit hoofde van de wet van 1 april 1969 daarentegen niet afhankelijk van de vervulling van een bepaald tijdvak van verzekering of van wonen, maar uitsluitend van de financiële middelen van de aanvrager. De RVP concludeert, dat het gewaarborgd inkomen niet binnen de werkingssfeer van artikel 46 valt. Aangezien artikel 51, lidi, slechts van toepassing is op uit hoofde van artikel 46 vastgestelde uitkeringen, is het naar de mening van de RVP bijgevolg niet van toepassing op het gewaarborgd inkomen.
14.
Dat betoog kan mij niet overtuigen. In de eerste plaats merk ik op, dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de verordening, dat de takken van sociale zekerheid preciseert waarop de verordening van toepassing is, ouderdomsuitkeringen binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallen (artikel 4, lid 1, sub c). Volgens artikel 4, lid 2, is de verordening van toepassing op alle algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie-of bijdragebetaling berusten. De verordening is daarentegen niet van toepassing op de sociale bijstand (artikel 4, lid 4). Zoals ik reeds vermeldde, verklaarde het Hof in het arrest Frilli, dat het gewaarborgd inkomen, dat een niet op premie-of bijdragebetaling berustende uitkering met een gemengd karakter is (dat wil zeggen een uitkering die kenmerken zowel van sociale zekerheid als van bijstand vertoont), moet worden beschouwd als een uitkering bij ouderdom in de zin van verordening nr. 3 van de Raad, waarvoor verordening nr. 1408/71 in de plaats is gekomen. Het Hof verklaarde in het eerste punt van het dictum van zijn arrest:
„Het ‚gewaarborgd inkomen’, toegekend bij algemene wetgeving van een Lid-Staat, op grond waarvan bejaarden, in die staat woonachtig, recht hebben op een minimumpensioen, moet ten aanzien van werknemers in loondienst (...) in de zin van verordening nr. 3, die in die staat pensioengerechtigd zijn, worden beschouwd als een ‚uitkering bij ouderdom’ in de zin van artikel 2, lid 1, sub c, dezer verordening (...)”
Hieruit volgt, dat voor een persoon die in dezelfde situatie verkeert als Milazzo, het gewaarborgd inkomen ter fine van de toepassing van de verordening een ouderdomsuitkering is. Bijgevolg zijn de bepalingen van de verordening in beginsel van toepassing op het gewaarborgd inkomen, tenzij uit een of meer bijzondere bepalingen expliciet of impliciet blijkt, dat het gewaarborgd inkomen niet binnen hun werkingssfeer valt.
15.
Hoofdstuk 3 van titel III van de verordening bevat de op de ouderdoms- en overlevingspensioenen van toepassing zijnde bepalingen. Zoals de Commissie beklemtoont, bepaalt artikel 44, dat de algemene bepalingen bevat inzake de vaststelling van uitkeringen wanneer de werknemer of zelfstandige aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, dat de bepalingen van dat hoofdstuk enkel van toepassing zijn op ouderdomsuitkeringen waarvan het bedrag afhankelijk is van de vervulling van bepaalde tijdvakken van verzekering of van wonen door de aanvrager. De laatste zin van artikel 46, lid 2, sub a, voorziet daarentegen uitdrukkelijk in de mogelijkheid, dat een uitkering waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, wordt behandeld als een uitkering waarvoor de in artikel 46 bedoelde berekeningsmethode geldt. Anders dan de RVP opmerkt, volgt daaruit, dat een uitkering als het gewaarborgd inkomen binnen de werkingssfeer van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening en in het bijzonder van artikel 46 valt. Mijns inziens zou een andere uitkomst niet alleen in strijd zijn met de letter, maar ook met de doelstellingen van artikel 46. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk, dat het de doelstelling van de verordening is het vrije verkeer van werknemers zoveel mogelijk aan te moedigen (zie bij voorbeeld zaak C-227/89, Rönfeldt, Jurispr. 1991, blz. I-323, r. o. 24). Indien niet op premie-of bijdragebetaling berustende uitkeringen met een gemengd karakter, zoals het gewaarborgd inkomen, niet binnen de werkingssfeer van artikel 46 vielen, zou de door hoofdstuk 3 van titel III verzekerde bescherming van migrerende werknemers aanzienlijk worden verzwakt. Door gebruik te maken van niet op premie-of bijdragebetaling berustende uitkeringen zouden de Lid-Staten tevens de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen ontduiken.
16.
Bijgevolg valt naar mijn mening het in de Belgische wet van 1 april 1969 bedoelde gewaarborgd inkomen binnen de werkingssfeer van artikel 46 van de verordening. Aangezien artikel 51 van de verordening van toepassing is op de krachtens de bepalingen van artikel 46 vastgestelde uitkeringen, volgt daaruit, dat artikel 51 eveneens op het gewaarborgd inkomen van toepassing is.
17.
Alvorens het tweede punt te onderzoeken dat door de vraag van de nationale rechter aan de orde is gesteld, dien ik te wijzen op de gevolgen van de toepasselijkheid van artikel 51 op het gewaarborgd inkomen. In de uitlegging van het Hof onderscheidt artikel 51 twee categorieën van gevallen (zie in het bijzonder zaak 7/81, Sinatra, Jurispr. 1982, blz. 137; de zaken 104/83, Cinciuolo, Jurispr. 1984, blz. 1285, C-85/89, Ravida, Jurispr. 1990, blz. I-1063, C-93/90, Cassamali, Jurispr. 1991, blz. I-1401): de gevallen waarin een wijziging van de uitkeringen het gevolg is van de algemene ontwikkeling van de economische en sociale situatie en niet van de individuele situatie van de gerechtigde, en de gevallen waarin deze wijziging verband houdt met hetzij een verandering van de methode van vaststelling, hetzij met de regels voor de berekening van deze uitkeringen. Voor de gevallen van de eerste categorie verbiedt artikel 51, lid 1, de herberekening, terwijl voor de gevallen van de tweede categorie artikel 51, lid 2, een herberekening verlangt. Het is bijgevolg duidelijk, dat artikel 51, lid 1, eraan in de weg staat, dat de RVP het gewaarborgd inkomen van Milazzo afhankelijk van de stijging van haar Italiaanse pensioen, voortvloeiend uit de indexering, herberekent.
18.
Het tweede gedeelte van de vraag van de nationale rechter betreft immers het punt, of de gunstiger behandeling van migrerende werknemers ten opzichte van niet-migrerende werknemers, zoals die wat het gewaarborgd inkomen betreft voortvloeit uit de toepassing van artikel 51, verenigbaar is met het in artikel 3, lid 1, van de verordening (geciteerd onder punt 7 supra) bedoelde beginsel van gelijke behandeling.
19.
De RVP betoogt, dat de uitbetaling van het gewaarborgd inkomen aan migrerende werknemers die recht hebben op een buitenlands pensioen, zonder rekening te houden met de stijging van die pensioenen als gevolg van de indexering, leidt tot een met artikel 3, lid 1, strijdige discriminatie tussen werknemers die enkel recht hebben op een Belgisch pensioen, en werknemers die recht hebben op een pensioen uit een andere Lid-Staat. De reden hiervan is, dat in het eerste geval de indexering van het pensioen het risico inhoudt, dat het gewaarborgd inkomen wordt verminderd, terwijl in het tweede geval de herberekening door artikel 51, lid 1, zou zijn verboden.
20.
Het argument van de RVP kan geen stand houden. Volgens zijn eigen bewoordingen is artikel 3, lid 1, van de verordening van toepassing behoudens bijzondere bepalingen van de verordening. Deze laatste omvatten mede de artikelen 46 en 51, waarvan duidelijk is — dit blijkt uit artikel 44, lid 1 — dat zij enkel van toepassing zijn op personen die onderworpen zijn geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, en niet op personen die onderworpen zijn geweest aan de wettelijke regelingen van een enkele Lid-Staat. Ik moet hieraan toevoegen, dat de uitlegging van artikel 51, lid 1, die mij juist lijkt, evenmin inbreuk maakt op enig algemeen beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit. Men kan niet tegenwerpen, dat deze uitlegging van artikel 51, lid 1, leidt tot discriminatie, voor zover zij de migrerend werknemer een gunstiger positie verschaft dan de onderdanen van de Lid-Staat van ontvangst, aangezien er slechts sprake van discriminatie kan zijn in situaties waarin vergelijkbare gevallen verschillend worden behandeld of waarin niet-vergelijkbare gevallen op dezelfde wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Migrerende en niet-migrerende werknemers bevinden zich echter niet in een vergelijkbare situatie: zie zaak 22/77 (Mura, Jurispr. 1977, blz. 1699, r. o. 9). Artikel 3, lid 1, van de verordening en het non-discriminatiegebod als algemeen juridisch beginsel kunnen uiteraard niet eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat wettelijk voorgeschreven uitkeringen toekent aan door de verordening beoogde personen, zulks op grond dat onderdanen van die Lid-Staat die niet binnen de werkingssfeer van de verordening vallen, geen gelijke uitkeringen ontvangen. Het op discriminatie gestoelde argument kan bijgevolg deze uitlegging van artikel 51 niet aan het wankelen brengen.
Conclusie
21.
Ik ben derhalve van mening, dat de door het Hof van Cassatie gestelde vraag moet worden beantwoord als volgt:
„De artikelen 46 en 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op de toekenning en de herberekening van een ouderdomsuitkering, betaald uit hoofde van de wettelijke regeling van een Lid-Staat die, onafhankelijk van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering, aan bejaarden een inkomen verzekert als het bij de Belgische wet van 1 april 1969 bedoelde gewaarborgd inkomen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy