Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak wordt het Hof opnieuw om een uitspraak verzocht over een stelsel van parafiscale heffingen die bestemd zijn ter financiering van staatssteun. De bestreden Duitse heffing wordt, onder andere, gelegd op varkensvlees dat bij de slachterij ter vleeskeuring wordt aangeboden. Zij wordt tegen hetzelfde tarief en op dezelfde wijze geheven van zowel vlees van nationale herkomst als van vlees uit andere Lid-Staten. Volgens de wet is deze heffing bestemd voor een Fonds dat de opbrengst ervan benut om reclameacties voor produkten van de Duitse land- en bosbouw en voedingsmiddelenindustrie te financieren.
Verzoekster in het hoofdgeding, Scharbatke GmbH, handelt in vlees. Zij importeerde varkensvlees en was derhalve aan betaling van bedoelde heffing onderworpen. Blijkens het dossier was dit vlees ingevoerd uit Nederland waar een soortgelijke heffing was betaald als de volgens de Duitse wettelijke regeling verschuldigde.
Scharbatke verzette zich tegen betaling van de Duitse heffing, stellende dat deze in strijd was met het gemeenschapsrecht. Daarop heeft de aangezochte rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging van de artikelen 9 en volgende, 95 en 92 en volgende EEG-Verdrag.
Uitlegging van de fiscale bepalingen van het Verdrag
2. De criteria die van belang zijn bij de toepassing van de fiscale bepalingen van het Verdrag op regels betreffende parafiscale heffingen als hier in geding, zijn door het Hof uitputtend omschreven.(1) Er bestaat overigens op dit punt volledige overeenstemming tussen partijen.
De in de rechtspraak ontwikkelde beginselen kunnen als volgt worden samengevat:
a) Bij de toetsing van een heffing aan de fiscale bepalingen van het Verdrag (artikelen 9 e.v. en artikel 95) moet rekening worden gehouden met de bestemming van de opbrengst.
b) Indien met de heffing activiteiten worden gefinancierd die een specifiek voordeel voor het belaste nationale produkt opleveren, moet worden aangenomen, dat dit produkt profiteert van een compensatie van de fiscale last, terwijl op ingevoerde produkten die geen voordeel of compensatie ontvangen, de volle heffing drukt.
c) Indien er sprake is van volledige compensatie, zal men moeten concluderen dat de heffing alleen de invoer treft en derhalve een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van de artikelen 9 en volgende van het Verdrag is.
d) Indien er sprake is van gedeeltelijke compensatie, wordt het nationale produkt in ieder geval begunstigd door een verlaging van de fiscale last, zodat men te doen heeft met een discriminatie van het ingevoerde produkt, die onverenigbaar is met artikel 95 van het Verdrag.
Wat betreft de wijze waarop kan worden vastgesteld, of men te doen heeft met een volledige of gedeeltelijke compensatie, verwijs ik naar mijn conclusies in de zaken Lornoy en Compagnie commerciale de l'Ouest. Daar heb ik gezegd, dat men een globale schatting moet maken, dat wil zeggen dat men de totale heffing die op het binnenlandse produkt drukt, over een significante periode moet vergelijken met de voordelen die in de vorm van overheidssteun aan dat produkt toevallen. Deze gegevens, die de nationale rechter behoort vast te stellen en te beoordelen, blijken normaliter uit de boekhouding en andere administratieve stukken van de instanties die - zoals het Fonds in de onderhavige zaak - de opbrengst van de heffing ontvangen en daarmee subsidies aan de belaste nationale marktdeelnemers betalen.
3. Ik moet erop wijzen, dat in casu de Duitse regering met stelligheid ontkent dat de heffing uitsluitend wordt aangewend ter financiering van steun ten behoeve van de nationale vleesproducenten. Zij heeft immers betoogd, dat de activiteiten van het Fonds bestaan uit het lanceren van reclamecampagnes die uitsluitend bestemd zijn om het verbruik van voedingsmiddelen van vlees te bevorderen. Deze reclame heeft een geheel neutraal effect op de invoer van de grondstoffen. Immers, een toename van de vraag naar eindprodukten leidt tot een verhoging van de totale afzet zowel van vlees van nationale herkomst als van ingevoerd vlees. Onder deze omstandigheden is de bovenvermelde rechtspraak dan ook in geen geval van toepassing, aangezien de steun van het Fonds niet uitsluitend ten goede komt aan het belaste binnenlandse produkt, maar een stimulerende werking heeft die het vlees van nationale herkomst en het ingevoerde vlees op gelijke wijze begunstigt.
Het is duidelijk, dat dit punt van beslissende betekenis is voor de uitkomst van het geding. Het is evenwel een puur feitelijke kwestie, die de nationale rechter behoort te beoordelen op grond van de in de hierboven aangehaalde rechtspraak ontwikkelde criteria. Bij het bepalen van de bestemming van de in geding zijnde heffing moet de nationale rechter inzonderheid onderzoeken, of deze heffing daadwerkelijk wordt aangewend - zoals de Duitse regering betoogt - ter financiering van reclameacties voor uitsluitend eindprodukten van vlees en bijgevolg een neutraal effect heeft op het intracommunautaire handelsverkeer in vlees, of dat de heffing (eveneens) is bestemd ter financiering van steun, die specifiek aan de Duitse vleesproducenten ten goede komt, in welk geval men moet concluderen, dat de heffing een belemmering voor de invoer vormt en in strijd is met de fiscale bepalingen van het Verdrag.
4. Nog een laatste aspect in dit verband. De nationale rechter heeft het Hof de vraag gesteld, of niet een schending van artikel 95 van het Verdrag voortvloeit uit de bijzondere omstandigheid dat het door Scharbatke ingevoerde vlees vóórdat het aan de in geding zijnde Duitse heffing werd onderworpen, reeds met een soortgelijke heffing was belast in het land van herkomst, Nederland. Anders gezegd, de nationale rechter wenst aan de hand van de door het Hof in het arrest Schul(2) ontwikkelde criteria inzake de BTW te vernemen, of de autoriteiten van het land van invoer bij de toepassing van hun belastingwetgeving op ingevoerde produkten geen rekening dienen te houden met soortgelijke heffingen die reeds in het land van uitvoer op dezelfde produkten zijn betaald.
Mijns inziens moet het antwoord ontkennend zijn. De door het Hof in de zaak Schul ontwikkelde criteria hebben feitelijk betrekking op een heffing - de BTW - die zeer bijzondere kenmerken vertoont, aangezien het daarbij gaat om een belasting die wordt geregeld door een organiek stelsel van harmonisatiebepalingen, die het belastbaar feit, de grondslag en de wijze van heffing ervan regelen. De door het Hof in voornoemd arrest opgestelde regel, dat de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer de reeds in de Lid-Staat van uitvoer betaalde BTW onder bepaalde voorwaarden in mindering moeten brengen, kan mijns inziens derhalve niet voor andere, geheel verschillende gevallen gelden.
Hieruit volgt, dat wanneer het gaat om op communautair niveau niet-geharmoniseerde heffingen, elke binnenlandse heffing afzonderlijk aan artikel 95 moet worden getoetst, zonder daarbij rekening te houden met de eventuele effecten van invoerbelemmeringen die het gevolg kunnen zijn van de cumulatie van de betrokken heffing met andere min of meer gelijksoortige heffingen in andere Lid-Staten. Dit wordt overigens bevestigd door het feit dat artikel 96 van het Verdrag voorziet in een bijzonder middel ter omzeiling van een dergelijke hinderpaal: de Lid-Staten mogen restitutie verlenen van de op uitgevoerde produkten geheven binnenlandse belastingen. Overeenkomstig het beginsel van de heffing van belasting (uitsluitend) in het land van bestemming strekt deze regel er nu juist toe, de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden de tot het moment van uitvoer op de produkten drukkende indirecte belastingen middels restitutie te neutraliseren.(3)
Uitlegging van de bepalingen inzake steunmaatregelen
5. Het Hof heeft menigmaal de criteria aangegeven, die gelden voor toepassing van de artikelen 92 en volgende op parafiscale heffingen ter financiering van steun aan de belaste nationale produkten.
Dienaangaande beperk ik mij ertoe, eraan te herinneren dat het Hof in het arrest Lornoy heeft bevestigd dat:
"een dergelijke parafiscale heffing, naar gelang van de bestemming van de opbrengst ervan, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun [kan] opleveren wanneer aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 92 EEG-Verdrag is voldaan, met dien verstande dat het aan de Commissie staat, dit volgens de daartoe in artikel 93 EEG-Verdrag bepaalde procedure te beoordelen. In dit verband moet ook rekening worden gehouden met de bevoegdheid van de nationale rechter in het geval dat de betrokken Lid-Staat bij de invoering van de heffing de krachtens artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, en in het geval dat de Commissie bij een krachtens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag gegeven beschikking heeft vastgesteld, dat de heffing als middel ter financiering van staatssteun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt."
Mijns inziens kan in casu hetzelfde antwoord worden gegeven, al dient er echter rekening mee te worden gehouden dat in het onderhavige geval de heffing ook werkelijk naar behoren is aangemeld en artikel 93, lid 3, derhalve niet is geschonden. Bovendien had de Commissie ten tijde van de feiten niet vastgesteld, dat de betrokken heffing als financieringsvorm van een steunprogramma niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt: ter terechtzitting is immers meegedeeld, dat de Commissie zich ertoe had beperkt, de wet betreffende het Duitse Fonds te toetsen aan de communautaire steunregeling, waarbij zij tot de conclusie was gekomen dat de betrokken wet in dat opzicht destijds verenigbaar was met de gemeenschappelijk markt. Ik meen derhalve, dat in casu kan worden bevestigd dat de communautaire regeling betreffende steunmaatregelen zich niet verzet tegen de toepassing van een parafiscale heffing ter financiering van steun, wanneer blijkt dat de nationale autoriteiten de steun en de heffing ter financiering ervan ter kennis van de Commissie hebben gebracht en de Commissie niet heeft vastgesteld, dat de heffing voor de financiering van steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de nationale rechterlijke instantie te beantwoorden als volgt:
"1) Bij de toetsing van de verenigbaarheid van een parafiscale heffing als de in geding zijnde, met de fiscale bepalingen van het Verdrag, dient de nationale rechter rekening te houden met de bestemming van de opbrengst van die heffing. Indien de opbrengst bestemd is ter financiering van activiteiten die inzonderheid ten goede komen aan het belaste nationale produkt, zodat de op dit produkt drukkende last ter zake van de heffing volledig wordt gecompenseerd, dient deze heffing te worden aangemerkt als een $heffing van gelijke werking als een douanerecht' in de zin van de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag. Indien de opbrengst ervan bestemd is ter financiering van activiteiten die inzonderheid ten goede komen aan het belaste nationale produkt, maar die de op dit produkt drukkende last ter zake van de heffing slechts ten dele compenseren, moet de heffing als een door artikel 95 EEG-Verdrag verboden discriminerende binnenlandse belasting worden aangemerkt. Het is de taak van de nationale rechter vast te stellen, of de aan de nationale produktie toevallende economische voordelen de fiscale last die op die produktie drukt, volledig of slechts ten dele compenseren.
2) Het enkele feit dat een ingevoerd produkt in het land van invoer wordt onderworpen aan een soortgelijke heffing als waarmee hetzelfde produkt in het land van uitvoer reeds was belast, maakt op zich de in het land van invoer opgelegde heffing onverenigbaar met artikel 95 EEG-Verdrag.
3) De communautaire regeling voor steunmaatregelen verzet zich niet tegen de toepassing van een parafiscale heffing ter financiering van steun, wanneer blijkt dat de nationale autoriteiten de steun en de heffing ter financiering van die steun ter kennis van de Commissie hebben gebracht en de Commissie niet heeft vastgesteld, dat de heffing voor de financiering van de steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt."
(1) - Zie laatstelijk arresten van 16 december 1992, zaak C-17/91, Lornoy, Jurispr. 1992, blz. I-6523; 11 juni 1992, gevoegde zaken C-149/91 en 150/91, Sanders, Jurispr. 1992, blz. I-3899, en 11 maart 1992, gevoegde zaken C-77/90-C-83/90, Compagnie commerciale de l'Ouest, Jurispr. 1992, blz. I-1847.
(2) - Arrest van 5 mei 1982, zaak 15/81, Schul, Jurispr. 1982, blz. 1409.
(3) - Zie R. Wägenbaur, in Megret, Le droit de la Communauté économique européenne, deel 5, blz. 21.
Full & Egal Universal Law Academy