CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 27 mei 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak wordt het Hof wederom verzocht verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen ( 1 ), uit te leggen.
Genoemde regeling, die op grond van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 ( 2 ) is vastgesteld teneinde het hoofd te bieden aan ernstige verstoringen van de gemeenschappelijke markt wegens de verhandeling tegen abnormaal lage prijzen van uit derde landen geïmporteerde morellen, legt in artikel 1 een minimuminvoerprijs van morellen in de Gemeenschap vast en voorziet in de inning van een compenserende heffing voor produkten waarvoor de vastgestelde prijs niet in acht is genomen.
Artikel 2 van die verordening bepaalt, dat de douaneautoriteiten verplicht zijn bij elke zending, op het moment van de vervulling van de douaneformaliteiten bij de invoer tot verbruik, de invoerprijs te vergelijken met de overeenkomstige minimumprijs (lid 1); de invoerprijs moet bovendien worden vermeld in de aangifte ten invoer tot verbruik, welke aangifte vergezeld moet zijn van alle documenten die voor de verificatie nodig zijn (lid 3).
De invoerprijs van morellen afkomstig uit derde landen wordt op zijn beurt, in overeenstemming met artikel 3, lid 1, van de verordening, vastgesteld op grond van de fob-prijs in het land van oorsprong en de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.
Artikel 3, lid 3, bepaalt voorts, dat wanneer de aan de douane voorgelegde factuur niet is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong van het produkt of wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van oordeel zijn dat het aangegeven bedrag de fob-prijs in het land van oorsprong niet weergeeft, deze autoriteiten de nodige maatregelen nemen om die prijs vast te stellen, waartoe zij met name uitgaan van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht.
De duur van de toepassing van de verordening, oorspronkelijk voorzien tot en met 9 mei 1986 (artikel 5), is vervolgens bij verordening (EEG) nr. 1257/86 ( 3 ) met een jaar verlengd.
2.
De feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, zijn betrekkelijk eenvoudig. De vennootschap Hans Dintcr GmbH
(hierna: „Dinter”), verzoekstei in het hoofdgeding, voerde in de jaren 1985-1987 verschillende partijen ingevroren morellen van Joegoslavische oorsprong in de Bondsrepubliek Duitsland in, alle gekocht bij de firma Kraus en Kraus te Wenen (hierna: „tussenhandelaar”). Het staat in casu vast, dat zowel de door Dinter aan de tussenhandelaar betaalde prijs als de door Dinter berekende wederverkoopprijs boven de minimumprijs lagen. Echter bleek uit het douaneonderzoek, dat de tussenhandelaar de goederen tegen een lagere prijs dan de minimumprijs had verkregen.
Het Hauptzollamt Bad Reichenhall nam als vergelijkingsbasis met de minimumprijs de (lagere) aankoopprijs die door de tussenhandelaar was betaald, en vorderde bij verscheidene beschikkingen van Dinter betaling van compenserende heffingen tot een bedrag van 728714,95 DM.
3.
Voor het Finanzgericht München betwistte Dinter de wettigheid van die heffing, omdat zowel de prijs die zij bij de invoer had betaald, als de geldende wederverkoopprijs hoger waren dan de minimumprijs. Verzoekster merkte daarbij overigens op, dat de door de tussenhandelaar betaalde aankoopprijs haar niet bekend was, zodat zij hoe dan ook niet in staat was deze te vermelden. Tot slot gaf zij als haar mening te kennen, dat men bij de vergelijking van de invoerprijs met de minimumprijs de door haar toegepaste wederverkoopprijs in aanmerking had moeten nemen en niet de aankoopprijs van de tussenhandelaar.
Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhing van de uitlegging van verordening nr. 1626/85, heeft het Finanzgericht de zaak naar het Hof verwezen voor de beantwoording van de prejudiciële vraag, of genoemde verordening aldus moet worden uitgelegd, dat geen compenserende heffing kan worden geïnd wanneer zowel de invoerprijs als de wederverkoopprijs van de importeur hoger zijn dan de minimumprijs, en, zo ja, of dezelfde regel kan worden toegepast wanneer de verkoop die aan de invoer ten grondslag ligt, is gesloten tussen een importeur en een verkoper die niet is gevestigd in het land van oorsprong.
Deze vragen strekken derhalve in wezen tot een precisering van de manier waarop de invoerprijs moet worden vastgesteld wanneer de importeur de produkten heeft betrokken bij een tussenhandelaar die niet is gevestigd in het land van oorsprong van de ingevoerde produkten.
4.
Ik merk om te beginnen op, dat de toepassingsmodaliteiten van de beschermende maatregelen van artikel 14 van verordening nr. 516/77 zijn omschreven in verordening (EEG) nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 ( 4 ), die de voorwaarden preciseert waaronder vrijwaringsmaatregelen kunnen worden toegepast, alsook de aard van de maatregelen die kunnen worden getroffen; zij voorziet in het bijzonder, dat dergelijke maatregelen slechts mogen worden getroffen in de mate en voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk zijn (artikel 2, lid 2). Bovendien zijn krachtens het evenredigheidsbeginsel — in een vaste rechtspraak van het Hof erkend als een van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht— maatregelen waarbij de deelnemers aan het economisch verkeer financiële lasten worden opgelegd,
slechts wettig wanneer zij geschikt en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, en waarbij geldt, dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meer geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, alsmede dat de op te leggen lasten niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel. ( 5 )
Welnu, aangezien verordening nr. 1626/85, die thans het voorwerp is van het verzoek tot uitlegging, tot doel heeft om door middel van de inning van een compenserende heffing te voorkomen, dat de ingevoerde produkten in de Gemeenschap tegen abnormaal lage prijzen ( 6 ) worden verhandeld, volgt daaruit dat in principe een compenserende heffing niet kan worden geïnd wanneer blijkt dat het beschermingsdocl bij de invoer van de produkten is bereikt.
5.
In casu heeft verzoekster, zoals duidelijk blijkt uit de verwijzingsbeschikking, voor de door haar in de Gemeenschap ingevoerde goederen een hogere prijs betaald dan de minimumprijs. Bovendien heeft het door de douaneadministratie ingestelde onderzoek niet geresulteerd in enig element dat aanleiding geeft tot de gedachte, dat de aan verzoekster gefactureerde prijzen niet de prijzen zijn die zij werkelijk heeft betaald; met name heeft dat onderzoek niet geresulteerd in de slotsom, dat de door verzoekster gehanteerde wederverkoopprijzen lager waren dan de minimumprijs.
Onder deze omstandigheden moet, zoals de verwijzingsrechter terecht heeft opgemerkt, ervan worden uitgegaan, dat het beschcrmingsdoel van verordening nr. 1626/85, te weten de markt voor ernstige verstoringen te behoeden en te voorkomen dat de omstreden produkten tegen abnormaal lage prijzen worden verhandeld, is bereikt, zodat niets de inning van een compenserende heffing rechtvaardigt. Wanneer de aankoopprijs van de importeur en de door deze toegepaste prijs beide hoger zijn dan de minimumprijs, valt immers niet in te zien, hoe men op de gedachte kan komen dat de gemeenschappelijke markt door een rechtstreeks nadeel wordt bedreigd.
In feite is het doel van de onderhavige verordening zeker niet het overal ter wereld opleggen van een „communautaire” minimumprijs, maar alleen in de gemeenschappelijke markt: van belang is dus, dat de onderhavige produkten in de Gemeenschap worden geïmporteerd en verhandeld tegen een hogere prijs dan de minimumprijs. Deze moet daarom worden vergeleken met de door de importeur betaalde prijs, en niet met de prijs die door de tussenhandelaar is betaald.
6.
In dit verband dient benadrukt te worden, dat het voorschrift van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1626/85, dat de invoerprijs definieert als de fob-prijs in het land van oorsprong, vermeerderd met de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, niet relevant kan zijn in het geval dat de koopovereenkomst die aan de invoer ten grondslag ligt, tussen de importeur en een niet in het land van oorsprong gevestigde verkoper is gesloten. Een dergelijk voorschrift kan immers slechts betrekking hebben op het klassieke geval van rechtstreekse invoer uit het land van oorsprong, en zulks
te meer omdat het niet realistisch ware, van de importeur te verlangen dat hij op de hoogte is van, en als invoerprijs in de zin van artikel 2, lid 3, van de verordening vermeldt, de door de tussenhandelaar betaalde aankoopprijs.
In een dergelijk geval, is artikel 3, lid 3, het relevante voorschrift, dat bepaalt dat wanneer de voorgelegde factuur niet is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong van het produkt, de bevoegde douaneautoriteiten de nodige maatregelen treffen om de invoerprijs vast te stellen, daarbij als uitgangspunt de wederverkoopprijs nemende. Een dergelijk voorschrift toont aan, dat de onderhavige verordening inderdaad, zij het op indirecte wijze, heeft voorzien in het geval dat tussenhandelaren in de transactie worden ingeschakeld, en dat zij dit probleem heeft opgelost door te bepalen dat de invoerprijs moet worden vastgesteld in relatie tot de wederverkoopprijs van de importeur. Hieruit volgt, dat wanneer de voorgelegde documenten aantonen, zoals in het onderhavige geval, dat de werkelijke wederverkoopprijs hoger is dan de minimumprijs, het ervoor moet worden gehouden dat deze laatste in acht is genomen, zodat geen enkele compenserende heffing kan worden toegepast.
De juistheid van deze conclusie, die in overeenstemming is met het doel van de beschermingsmaatregelen, wordt bovendien bevestigd door de artikelen 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 2053/89 van de Commissie van 10 juli 1989 ( 7 ), welke verordening thans de onderhavige materie regelt en nog duidelijker is op het punt in kwestie.
7.
In het licht van het voorgaande geef ik derhalve het Hof in overweging, de door het Finanzgericht München gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen, moet aldus worden uitgelegd, dat geen compenserende heffing kan worden geïnd wanneer de verkoop die aan de invoer ten grondslag ligt, is overeengekomen tussen de importeur en een verkoper die niet is gevestigd in het land van oorsprong van de ingevoerde produkten, en wanneer zowel de prijs bij invoer als de door de importeur toegepaste wederverkoopprijs hoger is dan de minimumprijs.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1985, L 156, biz. 13. 7Ac eveneens verordening (LEG) nr. 1712/85 van de Commissie van 21 juni 1985 tot wijziging van de Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van verordening (EEG) nr. 1626/85 (PB 1985, L 163, biz. 46).
( 2 ) Verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, biz. 1).
( 3 ) PU 1986, L 113, biz. 37.
( 4 ) PB 1977, L 73, biz. 28.
( 5 ) Zie irrest van 16 oktober 1991 (zaak C-24/-90, Werner Faust, Jurispr. 1991. biz. I-4905, r. o. 12) alsook arrest van 11 juli 1989 (zaak 265/87, Sdirātlcr, Jurispr. 1989, biz. 2237, r. o. 21).
( 6 ) Zic de derde overweging van de considerans.
( 7 ) Verordening tot vaststelling van bijzondere uit-vocrings-bc-palingcn in verband met de rc-gcling inzake de minimumprijs bij invoer voor bepaalde verwerkte kersen (PB 1989, L 195, biz. 11).
Full & Egal Universal Law Academy