CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 6 mei 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De prejudiciële vraag voorgelegd door het Finanzgericht Baden-Württemberg komt voort uit een geschil tussen de Duitse onderneming Dr. Trotter GmbH & Co. (hierna: „Trotter”) en een Duits douanekantoor, betreffende de heffing van een antidumpingrecht op in 1986 door deze onderneming uit Japan ingevoerde kogelbussen.
2.
Het anti-dumpingrecht is opgelegd uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kogellagers van oorsprong uit Japan. ( 1 ) Deze verordening stelt in artikel 1, lid 1, een definitief anti-dumpingrecht in op de invoer van „kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm (...), vallende onder post ex 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de NIMEXE-codc 84.62-09 (...), van oorsprong uit Japan (...)”.
De douane, die de ingevoerde kogelbussen heeft ingedeeld onder tariefpost 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief ( 2 ) (NIMEXE-code 84.62-09) ( 3 ), heeft een antidumpingrecht van 21,7 % opgelegd op basis van artikel 1, lid 2.
Ten betoge dat deze beslissing onwettig is, voert Trotter twee middelen aan. Het primaire middel houdt in, dat de anti-dumpingverordening niet van toepassing is op kogelbussen, aangezien deze produkten niet onder tariefpost 84.62 (NIMEXE-code 84.62-09) vallen. Het subsidiaire middel houdt in, dat artikel 1 van de verordening ongeldig is indien deze bepaling van toepassing is op kogelbussen, omdat het voorafgaand onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de anti-dumpingprocedure, geen betrekking had op kogelbussen.
3.
In de verwijzingsbeschikking heeft het Finanzgericht in het bijzonder het volgende aangegeven:
„‚Kogellagers’ in technische zin zijn uitsluitend radiaal draaiende lagers. Zij worden als massaprodukt vervaardigd en in grote hoeveelheden uit Japan in de EEG ingevoerd. Daarentegen zijn de ingevoerde kogclbussen, die blijkbaar in veel kleinere hoeveelheden worden geproduceerd en ingevoerd, zoals glijbussen technisch in principe slechts lineair beweegbare geleidingen, die het glijden van bij voorbeeld machinesleden vergemakkelijken. Zij onderscheiden zich dus functioneel en constructief van ‚kogellagers’, waarmee zij technisch gezien slechts de aard van de rollichamen, namelijk kogels, gemeen hebben.”
Het Finanzgericht voegde hieraan toe:
„Wordt ervan uitgegaan, dat de kogelbussen ondanks deze technische verschillen onder NIMEXE-code 84.62-09 vallen —en de Senat is daartoe geneigd —, dan is het toch niet uitgesloten, dat de formulering [.kogellagers (...) overeenkomende met NIMEXEcodes 84.62-09 (...)'] van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad ‚te ruim’ en derhalve ongeldig is, voor zover zij kogelbussen omvat, ondanks het eventueel ontbreken van een onderzoek naar daarop betrekking hebbende dumpingpraktijken. Op zijn minst zou de bepaling onder deze omstandigheden aldus kunnen worden uitgelegd, dat kogelbussen er niet onder vallen.”
In deze context moet de door het Finanzgericht gestelde vraag worden geplaatst. De vraag luidt als volgt:
„Is artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan (...) ongeldig of moet het aldus worden uitgelegd, dat onder ‚kogellagers overeenkomende met de NIMEXE-codes 84.62-09 (...)’ enkel kogellagers in technische zin, dus radiaal draaiende lagers en niet zogenoemde kogelbussen (‚Kugelbuchsen’, slechts lineair beweegbare geleidingen) moeten worden begrepen?”
4.
De vraag betreft derhalve artikel 1 van de anti-dumpingverordening. Naar mijn mening dient de vraag aldus te worden uitgelegd, dat het Finanzgericht is uitgegaan van de veronderstelling dat de kogelbussen die hier in geding zijn, onder de tariefpost 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief (NIMEXE-code 84.62-09) vallen. Op deze grond stelt het de vraag of dit artikel van de anti-dumpingverordening ongeldig is, dan wel of het strikt kan worden uitgelegd, zodat kogelbussen er niet onder vallen.
Ik ben van mening, dat het Hof — ondanks de door Tretter hiertegen aangevoerde argumenten— van dezelfde premisse kan uitgaan. ( 4 )
In deze omstandigheden behoeft het Hof zich in het onderhavige geval niet uit te spreken over de uitlegging van tariefpost 84.62.
Deze oplossing is des te vanzelfsprekender daar, volgens de opmerkingen van de Commissie en de Raad in de onderhavige zaak, als vaststaand mag worden aangenomen, dat het geenszins de bedoeling is geweest dat kogelbussen onder artikel 1 van de anti-dumpingverordening zouden vallen.
5.
Dit vloeit in het bijzonder voort uit het feit dat het, gelet op de antecedenten en de doelstelling van de verordening, geen twijfel lijdt dat de betrokken kogelbussen niet aan een anti-dumpingrecht moesten worden onderworpen. Zij zijn niet het voorwerp geweest van het onderzoek op de relevante markt, dat volgens de geldende regels, verplicht is om te kunnen vaststellen dat het gaat om „produkten ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt”, zodat een antidumpingrecht kan worden opgelegd. ( 5 ) De Commissie, die het onderzoek van de relevante markt voor kogellagers heeft uitgevoerd, heeft meegedeeld dat de antidumpingprocedure geen betrekking had op kogelbusscn, die zowel functioneel als structureel verschillen van kogellagers met radiale beweging.
Deze gevolgtrekking is eveneens gebaseerd op het feit dat, zoals de Commissie en de Raad hebben uiteengezet, artikel 1 van de anti-dumpingverordening de diameter van de „produkten ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt” vermeldt. Het is redelijkerwijs slechts mogelijk om van een diameter te spreken indien de produkten een radiale beweging maken, hetgeen bij kogelbusscn niet noodzakelijkerwijs het geval is. Zelfs indien kogelbusscn, die zich lineair kunnen verplaatsen, eveneens in radiale vorm geproduceerd en gebruikt worden, dan nog had men een bijkomend clement in de omschrijving dienen op te nemen, om de verordening van toepassing te doen zijn op dit type kogelbussen en niet eveneens op andere vormen van kogelbussen.
6.
Anders dan Tretter aanvoert, behoeft niet te worden vastgesteld, dat artikel 1 ongeldig is. Zoals de Commissie en de Raad hebben uiteengezet, kan de verordening namelijk in die zin worden uitgelegd, dat zij geen betrekking heeft op kogelbusscn. Zowel de titel van de anti-dumpingverordening, volgens welke zij slechts van toepassing is op „de invoer van bepaalde soorten kogellagers”, als de bewoordingen van artikel 1, lid 1, „vallende onder post ex 84.62 (...) overeenkomende met de NIMEXE-code (...)”, wijzen erop, dat de verordening slechts van toepassing is op een beperkte groep produkten uit het geheel der produkten die omschreven zijn in de tariefpost waarnaar zij verwijst. Dit wordt overigens bevestigd door het hierboven vermelde argument met betrekking tot de verwijzing naar de diameter van de produkten. Het is derhalve mogelijk deze bepaling, in overeenstemming met haar voorgeschiedenis en haar doelstelling, aldus uit te leggen, dat zij slechts van toepassing is op kogellagers in technische zin en niet op kogelbusscn.
Conclusie
7.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 dient aldus te worden uitgelegd, dat de termen ‚kogellagers (...) overeenkomende met NIMEXE-codcs 84.62-09 (...)’ alleen betrekking hebben op kogellagers in technische zin, dat wil zeggen alleen kogellagers met een radiale draaibeweging, en niet op zogenaamde kogelbussen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1985, L 167, biz. 3.
( 2 ) Deze posi luidt als volgt: „kogellagers, naaldlagcrs, rollagers en dergelijke lagers”. Zie de bijlage bij verordening (LEG) nr. 3400/84 van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1984, L 320, biz. 1).
( 3 ) Dit codenummer bevat de volgende omschrijving: „andere” (dan kogellagers met een grootste uitwendige diameter van 30 mm of minder). Zie de bijlage bij verordening (EEG) ^ nr. 3529/84 van de Commissie van 14 december 1984 houdende wijziging van de goedcrcnnomcnclaluur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Stalcn (NIMEXE) (PB 1984, L 337, biz. 1).
( 4 ) De Commissie heeft uitgelegd, dat het Comité voor de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief tijdens zijn 116de vergadering op 15 mei 1990 heeft verklaard, dat kogclbusscn als kogellagers in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief moeten worden ingedeeld.
( 5 ) De verplichting om een voorafgaand onderzoek uit te voeren voordat met betrekking tot een produkt een antidumpinerecht kan worden opgelegd, ís neergelegd in artikel 7, lid 1, sube, van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiering uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, biz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy