Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 De onderhavige prejudiciële zaak is het gevolg van de wijziging op 22 mei 1990 van § 5, lid 2, van het Bundesausbildungsförderungsgesetz (hierna: "BAföG").
2 Sinds deze wijziging kan een Duits onderdaan die in het buitenland wil studeren alleen financiële steun van de overheid krijgen, indien
1) de studie nuttig is bij het bereikte opleidingsniveau (hij moet dus reeds een zeker opleidingsniveau hebben), of
2) de opleiding enkel in het buitenland kan worden gevolgd en de betrokkene de studie vóór 1 juli 1990 heeft aangevat (er kan dus geen studietoelage worden toegekend voor een volledige studiecyclus die na deze datum wordt aangevat).
3 S. Wirth, een Duits onderdaan met woonplaats in Duitsland(1), studeert muziek aan de Hoogeschool Voor De Kusten (afdeling jazz-saxofoon) te Arnhem (Nederland). Op 31 augustus 1990 vraagt hij voor zijn studie aan deze instelling een studietoelage aan ("Gewährung von Ausbildungsförderung"); hij stelt, dat in Duitsland geen plaatsen beschikbaar zijn, zodat hij zijn opleiding in het buitenland dient te volgen.
4 De stad Hannover weigert Wirth, die door de wijziging van § 5, lid 2, BAföG niet meer voor een studietoelage in aanmerking komt, deze toelage toe te kennen. Hij stelt daartegen beroep in bij de rechter, en uiteindelijk verwijst het Verwaltungsgericht Hannover de zaak naar het Hof.
5 Na te hebben vastgesteld, dat Wirth - vooral wegens de ontoereikende capaciteit van de Duitse onderwijsinstellingen - niet in Duitsland kan studeren, merkt het Verwaltungsgericht op, dat verzoeker een toelage wordt ontzegd en dat hij dus wordt benadeeld op de enkele grond dat de instelling waar hij studeert, in een andere Lid-Staat is gelegen. De verwijzende rechter wenst van het Hof in wezen te vernemen, of het volgen van een opleiding onder artikel 60 van het Verdrag valt, zodat aan de toegang tot dergelijke diensten overeenkomstig artikel 62 van het Verdrag geen nieuwe beperkingen kunnen worden gesteld. Voorts vraagt hij, of het "gelijkheidsbeginsel" niet vereist, dat een Lid-Staat zijn onderdanen studietoelagen toekent, ongeacht de Lid-Staat van de Gemeenschap waar de betrokken onderwijsinstelling is gevestigd.(2)
6 Ik begin met de eerste vraag: valt de onderhavige situatie binnen de werkingssfeer van de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag?
7 In de zaak Humbel(3) werd het Hof gevraagd, of cursussen gegeven aan een technisch instituut behorende tot het secundair onderwijs in het kader van het nationale onderwijsstelsel, als diensten moeten worden aangemerkt.
8 Nadat het Hof eraan had herinnerd, dat een dienst volgens artikel 60, eerste alinea, EEG-Verdrag een dienstverrichting is welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt(4), onderzocht het dit laatste begrip en verklaarde het, dat "het wezenlijke kenmerk" van de vergoeding hierin bestaat, "dat zij de economische tegenprestatie voor de betrokken dienst vormt, welke tegenprestatie gewoonlijk door de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in onderling overleg wordt vastgesteld".(5)
9 Het Hof overwoog:
"Bij cursussen gegeven in het kader van het nationale onderwijsstelsel ontbreekt dit kenmerk. Bij de organisatie en de handhaving van een dergelijk stelsel heeft de Staat niet de bedoeling tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten, doch vervult hij ten behoeve van de bevolking zijn sociale, culturele en opvoedkundige taak. Bovendien wordt het betrokken stelsel in de regel gefinancierd uit de staatskas en niet door de leerlingen of hun ouders.
Aan de aard van deze werkzaamheid doet niet af het feit dat de leerlingen of hun ouders soms worden verplicht een vergoeding of een schoolgeld te betalen ten einde tot op zekere hoogte de werkingskosten van het stelsel te helpen dragen (...)".(6)
10 Het arrest Humbel heeft het zeer algemeen over "cursussen gegeven in het kader van het nationale onderwijsstelsel".(7) De aldus omschreven werkingssfeer is dus niet beperkt tot technische instituten. Daarbinnen vallen ook opleidingen aan hogescholen, wanneer zij door de Staat worden georganiseerd en gefinancierd.(8)
11 Beslissend is dus, dat de diensten worden verricht tegen vergoeding.(9)
12 Derhalve kan niet worden uitgesloten, dat er van dienstverrichting sprake is wanneer een opleiding of studie geheel of hoofdzakelijk wordt gefinancierd door bijdragen van de studenten of van particulieren die voor hun rekening handelen.(10)
13 Blijkbaar ging het Hof van die opvatting uit toen het erkende dat de regeling van een Lid-Staat betreffende de oprichting door een particulier van "frontistiria" of particuliere muziek- en dansscholen niet onder artikel 55 van het Verdrag viel en kon worden getoetst aan de artikelen 48, 52 en 59.(11)
14 Heeft de onderwijsinstelling een commercieel karakter en wordt zij geheel of hoofdzakelijk door bijdragen van de studenten gefinancierd? Dit aspect van de vraag geeft de doorslag.
15 Om artikel 59 te kunnen inroepen, moet de dienstontvanger tenslotte nog een andere voorwaarde vervullen. Zijn verblijf in de Lid-Staat van de dienstverrichter moet tijdelijk zijn. Bij een universitaire studie is dat uiteraard het geval; zij kan dan ook niet van de werkingssfeer van artikel 59 worden uitgesloten op grond dat het een werkzaamheid zou zijn "die duurzaam wordt uitgeoefend of waarvan althans het einde niet valt te voorzien".(12)
16 Het Hof beschikt niet over informatie betreffende de werkwijze en de financiering van de Hoogeschool Voor De Kunsten; alleen de nationale rechter kan aan de hand van de criteria die ik zoëven heb vermeld, uitmaken of de door deze instelling verstrekte diensten binnen de werkingssfeer van artikel 60 vallen.
17 Enkel indien dat het geval is, moet hij de eventuele gevolgen onderzoeken in het licht van artikel 62.
18 Ik onthoud mij voorlopig van commentaar op dit aspect van de eerste vraag en ga over tot de tweede vraag.
19 Deze vraag komt hierop neer, of het "algemene gelijkheidsbeginsel" zich er al dan niet tegen verzet, dat een Lid-Staat zijn onderdanen slechts een studietoelage voor een hogeschoolopleiding toekent, wanneer zij in eigen land studeren, en meer bepaald wanneer de vroegere wettelijke regeling geen dergelijke beperking kende.
20 In de verwijzingsbeschikking geeft de rechter a quo blijk van een zo ruime opvatting van de inhoud van "het algemene gelijkheidsbeginsel als grondbeginsel van het gemeenschapsrecht", dat zij kennelijk het kader van artikel 7 van het Verdrag te buiten gaat, waar hij met name verwijst naar de artikelen 5 en 128, en zelfs naar de preambule van het Verdrag.
21 Hoe boeiend deze discussie ook is, zij is voor de beslechting van het geschil door de nationale rechter slechts van belang, wanneer de betrokken toelage binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt - hetgeen mijns inziens niet het geval is.
22 De rechtspraak is dienaangaande duidelijk. Ik vermeld hierna de grote lijnen ervan.
23 In de zaak Gravier(13) kwam een Franse studente op tegen de verplichting voor haar inschrijving aan de universiteit te Luik een schoolgeld te betalen waarvan Belgische studenten waren vrijgesteld.
24 Het Hof overwoog, dat de voorwaarden voor de toegang tot de beroepsopleiding binnen de werkingssfeer van het Verdrag vallen, en dat het heffen van een vergoeding van studenten die onderdaan zijn van een ander Lid-Staat, als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs, terwijl een dergelijke last niet wordt opgelegd aan eigen onderdanen, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie vormt.
25 Het Hof overwoog meer in het bijzonder:
"Inzonderheid door de toegang tot de beroepsopleiding kan het vrije verkeer van personen in de gehele Gemeenschap worden bevorderd, door de betrokkenen de mogelijkheid te bieden om een opleiding te volgen in de Lid-Staat waar zij voornemens zijn hun beroep uit te oefenen, en door hen in de gelegenheid te stellen om hun opleiding te vervolmaken en hun bijzondere kundigheden te ontwikkelen in de Lid-Staat waar het beroepsonderwijs de gezochte specialisatie biedt".(14)
26 Onder verwijzing naar artikel 128 van het Verdrag, besluit 63/266/EEG van de Raad van 2 april 1963 houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de toepassing van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding(15), en de "algemene beleidslijnen" die de Raad dienaangaande in 1971 heeft vastgesteld(16), overwoog het Hof met name,
"dat iedere onderwijsvorm die opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of die bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, onder het begrip beroepsopleiding valt, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen of studenten, en zelfs indien in het studieprogramma een aantal algemene vakken zijn opgenomen".(17)
27 Deze zienswijze werd in het arrest Blaizot(18) bevestigd.
28 Het staat derhalve buiten kijf, dat een opleiding jazz-saxofoon, die de bekwaamheid verleent om een beroep uit te oefenen, "beroepsopleiding" is in de zin van het gemeenschapsrecht, en dat de toegangsvoorwaarden niet discriminerend mogen zijn.
29 Voor zover de studiefinanciering dient om het inschrijvingsgeld of andere kosten voor het volgen van een beroepsopleiding te dekken, maakt zij deel uit van de toegangsvoorwaarden.
30 Quid evenwel wanneer deze financiering de vorm aanneemt van een "studietoelage" die niet zozeer tot doel heeft de inschrijvingskosten voor de toegang tot de opleiding te dekken, als wel de student "kost en inwoning", of meer algemeen zijn kosten van levensonderhoud te verzekeren?
31 In het arrest Lair(19) overwoog het Hof, dat een dergelijke steun slechts binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt,
"wanneer hij wordt verleend ter dekking van de inschrijvingskosten of andere kosten, met name schoolgelden, die voor de toegang tot het onderwijs worden verlangd"(20),
en dat
"met dit voorbehoud dient te worden vastgesteld, dat bij de huidige ontwikkelingsstand van het gemeenschapsrecht een aan studenten ter zake van levensonderhoud en opleiding toegekende steun in beginsel buiten de in artikel 7 bedoelde werkingssfeer van het EEG-Verdrag valt".(21)
32 Het Hof geeft daarvoor als reden, dat de aan studenten toegekende steun voor levensonderhoud onder het "onderwijsbeleid" valt, dat als zodanig niet binnen de bevoegdheidsfeer van de gemeenschapsinstellingen is gebracht, en onder de "sociale politiek", die voor zover bijzondere bepalingen van het Verdrag niet anders bepalen, tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort.(22)
33 Op te merken valt, dat de zaak Lair juist betrekking had op een door het BAföG voorziene steun voor levensonderhoud en opleiding.
34 Omdat verzoekster in het hoofdgeding werkneemster was, heeft het Hof deze steun als een "sociaal voordeel" aangemerkt en op zijn verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht getoetst aan artikel 7 van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.(23)
35 Het Hof heeft deze rechtspraak bevestigd in de zaak Raulin(24), waarin één van de prejudiciële vragen - de zevende - luidde: "Valt een stelsel van studiefinanciering (...) waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen vergoeding van de kosten van de toegang tot het onderwijs en vergoeding van de kosten van levensonderhoud, geheel of gedeeltelijk onder de werkingssfeer van het EEG-Verdrag (en met name de artikelen 7 en 128 daarvan)?"(25)
36 Na te hebben herinnerd aan de arresten Lair en Brown(26), overwoog het Hof,
"dat artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag van toepassing is op de financiële steun die een Lid-Staat aan eigen onderdanen verleent om hen in staat te stellen een beroepsopleiding te volgen, voor zover die steun bestemd is ter dekking van de kosten van toegang tot die opleiding".(27)
37 Bij gebreke van een voldoende rechtstreekse band met de toegang tot de eigenlijke studie, geldt het discriminatieverbod in de huidige stand van het gemeenschapsrecht derhalve niet voor steun voor levensonderhoud.(28)
38 Indien de regeling van de studiefinanciering geen onderscheid maakt tussen steun ter dekking van de kosten voor de toegang tot een beroepsopleiding, zoals inschrijvingsgeld (waarop het recht op gelijke behandeling van toepassing is), en steun ter dekking van andere kosten (waarvoor dit recht niet geldt), dan dient de nationale rechter uit te maken in hoeverre de steun betrekking heeft op de toegang tot de beroepsopleiding.
39 Dit onderscheid is evenwel slechts relevant indien er sprake is van discriminatie.
40 De situatie die aan het Hof is voorgelegd, verschilt in dit opzicht evenwel grondig van die welke aanleiding gaf tot de hiervoor vermelde zaken Gravier, Blaizot, Lair, Brown en Raulin.
41 De regelingen die in die zaken aan de orde waren, veroorzaakten in het gastland een onderscheid op grond van de nationaliteit. Hier gaat het evenwel niet om een onderdaan van een Lid-Staat die stelt dat de regeling van een andere Lid-Staat over de voorwaarden voor de toegang tot beroepsopleiding in die staat discriminerend is. Zoals de Britse regering opmerkt(29), is "Wirth geen $onderdaan van een andere Lid-Staat' die minder gunstig wordt behandeld dan een onderdaan van de Lid-Staat waarbij de toelage is aangevraagd".
42 Verzoeker in het hoofdgeding is het er overigens niet om te doen, zijn rechten jegens de staat die de steun toekent gelijk te schakelen met die van de onderdanen van andere Lid-Staten, maar wel om de voorwaarden ratione loci voor toekenning van de beurs te verruimen of zelfs opnieuw in de vorige toestand te herstellen. Hij is geenszins het slachtoffer van discriminatie op grond van nationaliteit.(30)
43 Daar er geen sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit, verzet artikel 7 van het Verdrag zich er niet tegen, dat een Lid-Staat zijn onderdanen alleen dan studietoelagen voor een hogeschoolopleiding toekent, wanneer zij in eigen land studeren.
44 Artikel 7 verzet zich er evenmin tegen, dat deze staat, die tot een bepaald ogenblik voor een hogeschoolopleiding in een andere Lid-Staat studietoelagen heeft betaald, die toelagen afschaft zonder zich ter rechtvaardiging van die beslissing te beroepen op besparingsmaatregelen.
45 Ik kom nu terug op het tweede onderdeel van de eerste vraag van de verwijzende rechter.
46 Indien de nationale rechter van oordeel is, dat een hogeschool in Lid-Staat B een dienstverrichter is, levert het feit dat een onderdaan van Lid-Staat A die daar studeert, van zijn eigen staat geen studietoelage kan krijgen, dan een beperking op van de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 59 en 62 van het Verdrag?
47 De termen van de vergelijking zien er dus als volgt uit: mag aan een student een toelage worden ontzegd wanneer hij in een andere Lid-Staat studeert aan een instelling die aan de criteria van artikel 60 beantwoordt, terwijl hij die toelage wel zou ontvangen indien hij zou studeren aan een instelling die eveneens als dienstverrichter is te beschouwen maar in zijn land van herkomst is gevestigd?
48 Kan een student zich op artikel 59 beroepen om in het gastland de uitkering voor levensonderhoud te ontvangen waarin wordt voorzien door de staat waarvan hij onderdaan is?
49 Vaststaat, dat het verbod van artikel 59 geldt voor beperkingen ten aanzien van dienstverrichters én van dienstontvangers die zich naar de staat van de dienstverrichter begeven.(31)
50 Een student uit Lid-Staat A die in Lid-Staat B studeert aan een instelling die als dienstverrichter is aan te merken, valt binnen de werkingssfeer van het Verdrag als zijnde een persoon te wiens behoeve in deze laatste staat diensten worden verricht.(32)
51 Een student zou van zijn voornemen om in een andere Lid-Staat te gaan studeren kunnen afzien, indien hij aldaar niet de toelage voor levensonderhoud ontvangt die hij in zijn land van herkomst wel zou krijgen.
52 Vormt het ontbreken van een recht op de studietoelage evenwel een beperking op de vrijheid van dienstverrichting in de zin van artikel 59?(33)
53 De hier onderzochte regeling vertoont dienaangaande twee bijzonderheden.
54 In de eerste plaats is in casu de schending van het beginsel van de vrijheid van dienstverrichting, net als in de zaak Luisi en Carbone(34), het gevolg van de regeling van de Lid-Staat waarvan de dienstontvanger onderdaan is. Het gaat dus niet om eventuele belemmeringen die voortvloeien uit de wettelijke regeling van de staat waar de dienstontvanger verblijft, zoals het geval was in de zaak Cowan.(35)
55 In de tweede plaats bestaat de beperking op de vrijheid van dienstverrichting uit een moeilijker toegang tot hogescholen in een andere Lid-Staat, en vloeit zij voort uit de onmogelijkheid voor de student die zich naar deze andere staat begeeft, om de studietoelage te krijgen die hij zou ontvangen indien hij in eigen land bleef.
56 Het is opmerkelijk dat de student - die zich niet kan beroepen op de hoedanigheid van werknemer en de rechten die daaruit voortvloeien, met name ingevolge artikel 48 en de verordeningen ter uitvoering daarvan - hier binnen de werkingssfeer van het Verdrag komt via de omweg van het begrip "dienstontvanger".
57 Dit tweede punt lijkt mij beslissend.
58 Gaat het hier werkelijk om een beperking op de vrijheid van dienstverrichting?
59 In het arrest Luisi en Carbone toetste het Hof de regeling van de staat van herkomst van de dienstontvanger waarbij een maximumbedrag werd vastgesteld inzake de uitvoer van deviezen door zijn onderdanen voor toerisme, zakenreizen, studie en geneeskundige behandeling, aan artikel 59.
60 Zodra het vastgestelde maximumbedrag was uitgegeven, had de onderdaan van deze staat geen geld meer om in het gastland diensten te ontvangen.
61 In de onderhavige zaak wordt de dienstontvanger de toegang tot de betrokken dienst niet ontzegd. Hij verliest enkel de mogelijkheid om een toelage te ontvangen waarin zijn nationale recht voorziet.
62 Dit is de kern van een essentiële vraag op het gebied van de dienstverrichtingen.
63 Kan de onderdaan van een Lid-Staat die in die staat financiële steun van sociale aard ontvangt, artikel 59 inroepen wanneer hij zich naar een andere Lid-Staat begeeft waar die steun ratione loci niet meer verschuldigd is?
64 Kan hij van zijn staat van herkomst eisen, dat hij hem dezelfde steun verleent, ongeacht de Lid-Staat waarheen hij zich als dienstontvanger begeeft? Wordt hem door het ontbreken van die steun de toegang tot die diensten ontzegd?
65 Ik meen van niet, aangezien de financiële steun algemeen is en niet bestemd voor welbepaalde uitgaven (zoals een minimuminkomen ter bevordering van de sociale integratie of een uitkering voor de meest behoeftigen) en slechts wordt uitgekeerd in de Lid-Staat van herkomst van de dienstontvanger. Dat hij deze steun niet meer ontvangt wanneer hij zich naar een andere Lid-Staat begeeft, ontzegt hem niet de toegang tot een identificeerbare en bepaalde dienst.
66 De tijdens de studie uitgekeerde toelage voor levensonderhoud is niet rechtstreeks en hoofdzakelijk bestemd om de studiekosten of het schoolgeld te dekken. Zij stelt de student in staat het hoofd te bieden aan de kosten voor verblijf en levensonderhoud en aan andere diverse uitgaven. Zij strekt er slechts toe in voorkomend geval, en dan nog slechts bijkomstig, de dienstverrichter te "vergoeden". Alleen indien de wettelijke regeling uitdrukkelijk een deel van de beurs voor het betalen van de studie zou bestemmen, zou een beperking op de vrijheid van dienstverrichting kunnen worden aangetoond. Dit lijkt bij een regeling als het BAföG niet het geval te zijn.
67 Mijns inziens is het verband tussen de onmogelijkheid om buiten het grondgebied van een Lid-Staat aanspraak te maken op studiebeurzen, en een eventuele beperking van de toegang tot hogescholen die in andere Lid-Staten diensten verrichten, dan ook te zwak.
68 Derhalve kan artikel 62 in een dergelijke situatie geen toepassing vinden.
69 Alvorens te concluderen wil ik nog beklemtonen, dat het arrest Kraus(36) ten onrechte zou worden gezien als de aanzet tot een koerswijziging in de rechtspraak. Dit arrest, dat los staat van de artikelen 59 en volgende van het Verdrag, betreft immers de voorwaarden waaronder in een Lid-Staat van de Gemeenschap een in een andere Lid-Staat - ongeacht een eventuele studietoelage - behaalde academische titel mag worden gebruikt.
70 Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
I. 1. De artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat onderricht aan een hogeschool behorende tot het nationale onderwijsstelsel, niet kan worden beschouwd als een dienstverrichting in de zin van deze bepalingen.
2. Dit is daarentegen wel het geval met onderricht aan een onderwijsinstelling die hoofdzakelijk wordt gefinancierd uit bijdragen van particulieren.
3. Artikel 62 EEG-Verdrag verzet zich niet tegen een regeling van een Lid-Staat waarbij onderdanen die studeren in een andere Lid-Staat het recht op een studietoelage wordt ontzegd.
II. Artikel 7 EEG-Verdrag verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat aan zijn onderdanen slechts een studietoelage voor een opleiding aan een hogeschool toekent wanneer de betrokkene in eigen land studeert, zelfs wanneer onder de eerdere wettelijke regeling een dergelijk voordeel kon worden toegekend aan een onderdaan die hetzelfde onderricht volgde in een andere Lid-Staat.
(1) - Zie dienaangaande de verwijzingsbeschikking, punt II-1.
(2) - Tekst van de prejudiciële vragen in punt 6 van het rapport ter terechtzitting.
(3) - Arrest van 27 september 1988, zaak 263/86, Jurispr. 1988, blz. 5365.
(4) - R.o. 15.
(5) - R.o. 17.
(6) - R.o. 18 en 19.
(7) - R.o. 18.
(8) - Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in de zaak Humbel: "het door de Staat verstrekte onderwijs (geschiedt) niet $tegen vergoeding' (...). De Staat is geen commerciële organisatie die erop uit is winst te maken of haar kosten te dekken en zelfs nog wat over te houden" (Jurispr. 1988, blz. 5379).
(9) - Zie arrest van 31 januari 1984 (gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984, blz. 377, r.o. 10): artikel 60 is in overeenstemming "met de doelstelling om alle tegen vergoeding verrichte werkzaamheden (...) te liberaliseren" (cursivering van mij).
(10) - Zie in die zin punt 17 van de opmerkingen van de Britse regering, de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zaak 293/83 (arrest van 13 februari 1985, Gravier, Jurispr. 1985, blz. 593, op blz. 603), alsmede punt 20 van de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in zaak C-19/92 (arrest van 31 maart 1993, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663).
(11) - Arrest van 15 maart 1988, zaak 147/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1637.
(12) - Arrest van 5 oktober 1988, zaak 196/87, Steymann, Jurispr. 1988, blz. 6159, r.o. 16.
(13) - Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(14) - R.o. 24, cursivering van mij.
(15) - PB 1963, blz. 1338.
(16) - PB 1971, C 81, blz. 5.
(17) - R.o. 30.
(18) - Arrest van 2 februari 1988, zaak 24/86, Jurispr. 1988, blz. 379, r.o. 24. Zie ook het arrest van 30 mei 1989, zaak 242/87, Commissie/Raad (ERASMUS), Jurispr. 1989, blz. 1425, r.o. 25.
(19) - Arrest van 21 juni 1988, zaak 39/86, Jurispr. 1988, blz. 3161.
(20) - R.o. 14.
(21) - R.o. 15.
(22) - Ibidem. Deze beginselen zijn herhaald in het arrest van 21 juni 1988 (zaak 187/85, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r.o. 16-18).
(23) - PB 1968, L 257, blz. 2.
(24) - Arrest van 26 februari 1992, zaak C-357/89, Jurispr. 1992, blz. I-1027.
(25) - R.o. 6.
(26) - Zie voor dit laatste arrest, de verwijzing in voetnoot 22.
(27) - R.o. 29, cursivering van mij.
(28) - In die zin de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak Raulin, punt 18. Op te merken valt, dat richtlijn 90/366/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, blz. 30), die bij arrest van 7 juli 1992 (zaak C-295/90, Parlement/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-4193) is nietigverklaard en waarvan de gevolgen in stand zijn gelaten, het gastland niet verplicht om studenten die het verblijfsrecht genieten beurzen uit te betalen om in hun levensonderhoud te voorzien (artikel 3 en zesde overweging van de considerans).
(29) - Punt 29 van haar schriftelijke opmerkingen.
(30) - Het Hof wordt niet verzocht zich uit te spreken over de vraag, of de BAföG-regeling voor vreemdelingen op Duits grondgebied verenigbaar is met artikel 7.
(31) - Zie de arresten van 31 januari 1984 (gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984, blz. 377, r.o. 10) en 2 februari 1989 (zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195, r.o. 20).
(32) - De verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten kunnen niet van toepassing zijn "op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in één enkele Lid-Staat afspelen" (arrest van 18 maart 1980, zaak 52/79, Debauve, Jurispr. 1980, blz. 833, r.o. 9).
(33) - Zie punt 2.1.2 van de verwijzingsbeschikking.
(34) - Reeds aangehaald in voetnoot 31.
(35) - Ibidem.
(36) - Reeds aangehaald in voetnoot 10.
Full & Egal Universal Law Academy