Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 Onderhavige zaak betreft een verzoek van het Duitse Finanzgericht Baden-Württemberg (hierna: "Finanzgericht") om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de interpretatie en de geldigheid van artikel 12, lid 1, eerste alinea, en tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988.(1) Deze verordening strekt tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing en werd gewijzigd door verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989.(2) De gestelde vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen Schultz en het Hauptzollamt Heilbronn.
2 Om de toename van de melkproduktie onder controle te houden, stelt artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten(3), een door de producenten of kopers van koemelk te betalen extra heffing in. De heffing is verschuldigd over die geleverde hoeveelheden melk of andere zuivelprodukten "die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden".(4) In verordening (EEG) nr. 857/84 van 31 maart 1984 geeft de Raad weliswaar aan welke referentiehoeveelheden in aanmerking moeten worden genomen(5) maar laat ze het aan de Commissie om "de kenmerken van de melk, met name het vetgehalte, die als representatief worden beschouwd met het oog op de vaststelling van de geleverde of gekochte hoeveelheden melk" te bepalen.(6)
3 Op basis hiervan heeft de Commissie het voor het Finanzgericht in geding staande artikel 12 van verordening nr. 1546/88 uitgevaardigd, later gewijzigd door artikel 1 van verordening nr. 1033/89. Artikel 12, lid 1, bepaalt onder meer:
"De kenmerken van melk die als representatief worden beschouwd in de zin van artikel 11, onder c, van verordening (EEG) nr. 857/84, zijn die welke voor de in de tweede periode van de toepassing van de regeling inzake de extra heffing geleverde melk zijn geconstateerd.
Voor producenten
- (...)
- wier melkleveranties in de in de eerste alinea bedoelde periode zijn onderbroken of bij wie het vetgehalte van de geleverde melk in die periode is gedaald, kan de Lid-Staat, op verzoek van de betrokkene, besluiten dat het vetgehalte dat als representatief wordt beschouwd, het gemiddelde gehalte is dat in de eerste periode van toepassing van de regeling inzake de extra heffing is geconstateerd. De Lid-Staten delen de Commissie de maatregelen mee die zij voor de toepassing van bovenbedoelde bepalingen vaststellen;
- (...)" (cursivering van mij).
Het Finanzgericht en de partijen zijn het erover eens dat de "eerste periode van toepassing van de regeling inzake de extra heffing" van 1 april 1984 tot en met 31 maart 1985 loopt, en de "tweede periode" van 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986.(7)
4 Uit de motivering van de prejudiciële vragen door het Finanzgericht blijkt dat de veestapel van melkproducent Schultz in de periode van 1981 tot en met 1984 meermaals door ziekte werd getroffen, zodat een groot aantal koeien door jongere dieren moest worden vervangen. Als gevolg van het feit dat aldus een abnormaal groot aantal jonge koeien werd ingezet bij de melkproduktie, nam het gemiddelde vetgehalte van de melk aanzienlijk af. Pas na de periode 1985-1986 normaliseerde het vetgehalte zich opnieuw, aldus het Finanzgericht.
In de afrekeningsperiode 1989-1990 werd, conform artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, een extra heffing van 5 529 DM vastgesteld in hoofde van Schultz. Volgens het Finanzgericht is deze extra heffing - trouwens net zoals gelijkaardige extra heffingen die hem bij voorgaande afrekeningen waren opgelegd - een rechtstreeks gevolg van het abnormaal lage gemiddelde vetgehalte in de periode 1985-1986, en dus van het abnormaal hoge sterftecijfer tijdens de periode 1981-1984.
Nadat Schultz tevergeefs bezwaar had ingediend, heeft hij beroep ingesteld bij het Finanzgericht. Hij voert aan dat niet het lage gemiddelde vetgehalte uit de periode 1985-1986, maar het gemiddelde vetgehalte uit de periode 1989-1990 in aanmerking zou moeten worden genomen, zodat er geen extra heffing verschuldigd zou zijn.
5 Het Finanzgericht stelt het Hof twee prejudiciële vragen. Vooreerst vraagt het of de bepalingen van voornoemd artikel 12, lid 1, eerste alinea, en tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd door verordening nr. 1033/89:
"ongeldig zijn of aldus moeten worden uitgelegd, dat de Lid-Staat kan bepalen, dat het vetgehalte dat als representatief wordt beschouwd, bij wijze van uitzondering het gehalte is van die toepassingsperiode, waarin het gemiddelde vetgehalte van de geleverde melk
a) voor het laatst niet was gedaald of - zo dit niet mogelijk is -
b) voor het eerst na de tweede periode van de toepassing van de regeling inzake de extra heffing niet meer was gedaald".
De tweede prejudiciële vraag luidt:
"Zo neen: zijn de bepalingen van artikel 12, leden 1 en 2, van voornoemde verordening ongeldig, voor zover daarin niet in de mogelijkheid van een verandering van de in beginsel relevante toepassingsperiode (1985-1986) is voorzien?"
6 Aangezien de twee vragen elkaar gedeeltelijk overlappen, wens ik het vervolg van deze conclusie als volgt in te delen. Eerst (punt 7) zal ik nagaan of de betrokken bepalingen geïnterpreteerd kunnen worden in de door het Finanzgericht in de eerste prejudiciële vraag aangegeven zin. Vervolgens (punten 8 e.v.) zal ik, in antwoord op zowel de eerste als de tweede prejudiciële vraag, de geldigheid onderzoeken van artikel 12, leden 1 en 2.
7 Het Finanzgericht vraagt zich in de eerste prejudiciële vraag af, of de in geding staande bepalingen niet kunnen worden uitgelegd in een voor Schultz gunstiger zin. Hierover kan ik kort zijn. De tekst van artikel 12, lid 1, is mijns inziens duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar.
Inderdaad, zoals het Finanzgericht in de motivering van de prejudiciële vragen opmerkt, bevat artikel 12, lid 1, slechts één zogenaamde "hardheidsclausule" (dat is een clausule bedoeld om te vermijden dat een onverkorte toepassing van de extra heffing onbillijke gevolgen zou ressorteren). Deze clausule, vervat in artikel 12, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, en (in punt 3) geciteerd, kan Schultz echter geen soelaas brengen en zou daarom, aldus het Finanzgericht tekort schieten:
"Een producent wiens melk in de speciale periode 1984-1985 minstens dezelfde daling van het vetgehalte vertoont als in de normale periode 1985-1986, heeft geen baat bij deze hardheidsclausule. Dit is de situatie waarin verzoeker zich bevindt. (...) De Senat is geneigd het standpunt in te nemen, dat een hardheidsclausule in het kader van artikel 12 van de uitvoeringsverordening in beginsel niet gemist kan worden, maar dat de in lid 1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde regeling (het terugvallen op het hogere gemiddelde vetgehalte 1984-1985) om bovengenoemde redenen onredelijk is en te kort schiet."
Deze door het Finanzgericht geuite twijfel aangaande de redelijkheid van de in artikel 12, lid 1, vervatte "hardheidsclausule" doet weliswaar de hierna behandelde vraag rijzen naar de geldigheid van die regeling maar kan geen reden zijn tot een interpretatie "contra legem" ervan. Dat noch de gedingpartijen, noch het verwijzende rechtscollege twijfels geuit hebben over de inhoud of de draagwijdte van artikel 12, lid 1, sterkt me overigens in de overtuiging dat die bepaling wegens haar duidelijkheid, niet vatbaar is voor interpretatie en dat er derhalve geen ruimte is voor een interpretatie in de zin van de eerste prejudiciële vraag.
8 Dit brengt me bij de tweede vraag, de geldigheidsvraag. Het Finanzgericht vindt het huidige artikel 12 overdreven hard voor de producenten van melk waarvan het gemiddeld vetgehalte omwille van onvoorziene omstandigheden gedaald is tijdens zowel de periode 1984-1985 als de periode 1985-1986. Dergelijke producenten worden immers "zonder duidelijke objectieve reden jaar in jaar uit achtergesteld bij andere producenten, bij wie het vetgehalte van de melk in de normale periode 1985-1986 niet is gedaald".
Het Finanzgericht wijst er ook op dat dergelijke arbitraire benadeling van een bepaalde groep van producenten vroeger niet in dezelfde mate bestond. Artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984(8) bepaalde immers:
"De kenmerken van melk die als representatief worden beschouwd in de zin van artikel 11, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 zijn die welke zijn geconstateerd voor de melk die is geleverd of gekocht in de voorgaande periode van 12 maanden."
Onder een dergelijk regime van wisselende referentieperioden verdwenen de negatieve effecten van een onvoorziene verlaging van het gemiddelde vetgehalte van melk geleidelijk en automatisch. Met ingang van 1 oktober 1986 werd het regime echter vervangen door het huidige systeem, dat de referentieperioden 1985-1986 en - in subsidiaire orde - 1984-1985 als vaste referentieperioden hanteert.(9) Als motief voor de wijziging vermeldde de Commissie destijds dat "door (...) de vaststelling van een vaste referentieperiode het doel van de regeling inzake de extra heffing, namelijk beheersing van de melkproduktie, beter kan worden gerealiseerd".(10) Het Finanzgericht betwijfelt of het gestelde doel de genomen maatregel wel rechtvaardigt.
9 Het lijdt inderdaad geen twijfel dat het geldende regime van vaste referentieperioden melkproducenten zoals Schultz, wier produktie tijdens zowel de periode 1984-1985 als de periode 1985-1986 onvoorzien een bijzonder laag gemiddeld vetgehalte vertoonde, bijzonder hard treft.
De vraag is echter, of dit volstaat om te besluiten tot de ongeldigheid van dit regime. Aanwijzingen voor de beantwoording van deze vraag zijn te vinden in drie vroegere arresten van het Hof in melkzaken. Net als in de nu voorliggende zaak staat in deze arresten de geldigheid aan de orde van de verwijzing naar vaste referentieperioden ter bepaling van de extra heffing van artikel 5 quater van verordening nr. 804/68. Het enige verschil met de nu voorliggende zaak is dat de te bespreken arresten niet de vaststelling van het gemiddelde vetgehalte van geproduceerde melk betreffen maar de vaststelling, conform verordening nr. 857/84, van de referentiehoeveelheden die van de extra heffing zijn vrijgesteld.
10 Een korte uiteenzetting van de regelen welke in die arresten aan de orde waren, lijkt mij aangewezen te zijn. Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 857/84 is de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheid in principe gelijk aan de hoeveelheid melk (of melkequivalent) die geleverd werd tijdens het kalenderjaar 1981, verhoogd met 1 procent. Conform lid 2 van hetzelfde artikel mogen de Lid-Staten echter ook beslissen de kalenderjaren 1982 of 1983 als vaste referentieperiode te hanteren. De artikelen 3, 4 en 4 bis, van verordening nr. 857/84 voorzien afwijkingen van deze regels voor sommige bijzondere situaties. Artikel 3, sub 3, eerste alinea, bepaalt:
"3. voor producenten wier melkproduktie over het overeenkomstig artikel 2 gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen die zich voor of tijdens dat jaar hebben voorgedaan, wordt op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981-1983 in aanmerking genomen".
Artikel 3, sub 3, tweede alinea, somt dan een aantal situaties op die toepassing van de eerste alinea kunnen rechtvaardigen.(11) "(E)en epizoötie bij de gehele melkveestapel of een deel ervan" is één van die situaties.
11 Het arrest Erpelding van 17 mei 1988(12) betrof een melkproducent wiens veestapel in de periode tussen 1980 en 1985 herhaaldelijk door ziekte werd getroffen. Op de prejudiciële vraag van de Luxemburgse Conseil d'État, of in die omstandigheden "om redenen van billijkheid en gelijke behandeling van producenten" niet kon worden uitgegaan van de produktie in een jaar vóór 1981 of van een theoretische produktie, antwoordde het Hof ontkennend. Omwille van de bijzondere relevantie van de door het Hof gevolgde redenering voor de nu voorliggende zaak, wens ik een relatief groot aantal overwegingen uit het arrest te citeren.
In het arrest situeert het Hof verordening nr. 857/84 binnen de context van structurele melkoverschotten en stelt vervolgens:
"Vastgesteld zij dat de in geding zijnde regeling blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming geeft van de situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden. Waar geen van die bepalingen voorziet in de mogelijkheid om melkleveringen buiten de periode 1981-1983 in aanmerking te nemen, moet ervan worden uitgegaan, dat dat ook is uitgesloten wanneer de betrokken producenten gedurende die gehele periode geen representatieve produktie hadden" (r.o. 18) (cursivering van mij).
"Tegen deze uitlegging kan niet worden ingebracht dat zij onverenigbaar is met de vereisten die een uitvloeisel zijn van het begrip overmacht (...). Volgens 's Hofs vaste rechtspraak kan overmacht weliswaar tot gevolg hebben dat de betrokkene ontsnapt aan sommige rechtsgevolgen die de regeling verbindt aan het feit dat iets niet gebeurt of een verplichting niet wordt nagekomen, maar zij kan nooit ten gunste van de betrokkene een recht in het leven roepen waarin de betrokken regeling niet voorziet" (r.o. 20).
Verder verwerpt het Hof ook het argument van Erpelding, als zou de betrokken regeling ongeldig zijn wegens strijdigheid met de doelstellingen van het landbouwbeleid, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Daarbij overweegt het onder meer:
"Wat voorts de grief betreffende schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, is het vaste rechtspraak dat, waar het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, zoals het geval is bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de gemeenschapswetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de aard en de draagwijdte van de te nemen maatregelen. De in het verwijzingsarrest vermelde bijzondere omstandigheden laten niet de conclusie toe, dat de grenzen van die bevoegdheid in casu zouden zijn overschreden" (r.o. 27).
"Waar de gemeenschapswetgever het mogelijk heeft gemaakt dat producenten wier melkproduktie tijdens het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is gedaald, een ander referentiejaar kiezen, met gelijktijdige beperking van die keuzemogelijkheid tot de jaren van het tijdvak 1981-1983, heeft hij voldoende rekening gehouden met de bijzondere situatie van die producenten zonder evenwel de dwingende vereisten van rechtszekerheid en doeltreffendheid van het stelsel van de extra heffing uit het oog te verliezen. Bovendien heeft hij de Lid-Staten de vrijheid gelaten om onder bepaalde voorwaarden niet-gebruikte referentiehoeveelheden toe te kennen aan producenten die in een bijzondere situatie verkeren.(13) Hem kan dus niet het verwijt worden gemaakt, dat hij geen rekening zou hebben gehouden met alle denkbare bijzondere situaties (...) en aldus de betrokken marktdeelnemers lasten zou hebben opgelegd die onevenredig zijn aan het nagestreefde doel" (r.o. 28) (cursivering van mij).
"In casu blijkt dat het verschil in behandeling waarover verzoeker in het hoofdgeding zich beklaagt, een gevolg is van het feit dat de betrokken regeling (...) producenten wier melkproduktie tijdens de gehele periode 1981-1983 sterk is gedaald (...) veel zwaarder treft dan degenen die binnen deze periode een representatieve produktie hadden. Dit gevolg vindt evenwel zijn rechtvaardiging in de noodzaak om in het belang van de rechtszekerheid en omwille van de goede werking van het stelsel van de extra heffing, het aantal jaren dat als referentiejaar kan worden genomen, te beperken. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, is dus objectief gerechtvaardigd en kan niet worden aangemerkt als discriminerend in de zin van 's Hofs rechtspraak" (r.o. 30) (cursivering van mij).
12 Deze rechtspraak werd later door het Hof bevestigd in het arrest Leukhardt van 27 juni 1989(14), dat een qua feitenpatroon bijna identieke zaak betreft. Het Hof herhaalt de overwegingen uit het arrest Erpelding en voegt eraan toe, opnieuw op grond van de overweging dat de gemeenschapswetgever inzake het landbouwbeleid over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, dat de in geding staande bepalingen geen schending uitmaken van het eigendomsrecht, de vrijheid van professionele werkzaamheden, het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel.(15)
13 Het ligt volgens mij voor de hand deze rechtspraak analogisch toe te passen in de onderhavige zaak. Ook in deze zaak geldt immers dat de in geding zijnde regeling een limitatieve opsomming bevat, ditmaal van de kenmerken van melk die als representatief zijn te beschouwen, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die kenmerken. Nu deze regeling niet voorziet in de mogelijkheid om vetgehalten buiten de perioden 1984-1986 in aanmerking te nemen, moet er onverminderd van worden uitgegaan dat deze mogelijkheid niet bestaat voor producenten die gedurende die gehele periode geen representatieve produktie hadden. De harde gevolgen die dit eventueel veroorzaakt, vinden - ook hier in het belang van de rechtszekerheid en de goede werking van het stelsel van de extra heffing - hun rechtvaardiging in de noodzaak om het aantal jaren dat als referentiejaar kan worden genomen, te beperken.
14 Tegen de hier voorgestane analogische toepassing van de rechtspraak inzake vrijgestelde referentiehoeveelheden in de voorliggende zaak, zou men kunnen aanvoeren dat de bepalingen die in de arresten Erpelding en Leukhardt ter discussie stonden meer rekening hielden met de belangen van gedupeerde melkproducenten dan de nu in geding staande bepalingen. Dergelijk argument kan me echter niet overtuigen.
Het is weliswaar juist dat artikel 3, sub 3, van verordening nr. 857/84 de Lid-Staten de keuze laat tussen drie vaste referentieperioden (de kalenderjaren 1981, 1982 of 1983), terwijl artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1546/88 slechts twee dergelijke perioden voorziet (de toepassingsperioden 1984-1985 en 1985-1986). Evenmin valt te ontkennen dat het gamma aan hardheidsclausules in verordening nr. 857/84 ruimer uitvalt. Het omvat onder meer ook voornoemd artikel 4 bis(16), dat de Lid-Staten toestaat om gedurende een beperkte periode de niet-gebruikte referentiehoeveelheden van producenten en kopers toe te kennen aan andere marktdeelnemers.
De hardheidsclausule van artikel 12, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1546/88 is echter niet op alle vlakken stringenter dan de clausule van artikel 3, sub 3, van verordening nr. 857/84. Zo merkt de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof terecht op dat laatstgenoemde clausule de bijzondere gevallen die de Lid-Staten in aanmerking kunnen nemen limitatief opsomt, terwijl de clausule uit artikel 12 zulks niet doet.
15 In wezen gaat het hier nogmaals om de vraag naar de aard en de omvang van de rechterlijke controle op een door de wetgever in het kader van een ruime beoordelingsbevoegdheid doorgevoerde belangenafweging. In plaats van zich door zijn eigen waardeschaal te laten leiden, dient de rechter daarbij na te gaan of de wetgever de in geding staande belangen niet op een kennelijk onredelijke wijze tegen elkaar heeft afgewogen. Al zou ik zelf de belangen van de betrokken melkproducenten wellicht wat zwaarder hebben laten doorwegen, bij voorbeeld door te kiezen voor een systeem van wisselende referentieperioden zoals dat vroeger bestond (zie hierboven, punt 8), kan ik de in casu door de communautaire wetgever doorgevoerde belangenafweging, mede gelet op de rechtspraak van het Hof, niet als kennelijk onredelijk bestempelen. Ik zie dan ook geen reden om te besluiten tot de ongeldigheid van de in geding staande bepalingen wegens strijdigheid met het evenredigheids- of het gelijkheidsbeginsel.
16 Concluderend geef ik het Hof in overweging de door het Finanzgericht geformuleerde vragen als volgt te beantwoorden:
"1) Artikel 12, lid 1, eerste alinea, en tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 1546/88, zoals gewijzigd door artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1033/89, kan niet zodanig worden uitgelegd dat bij het bepalen van het als representatief te beschouwen vetgehalte een andere toepassingsperiode wordt gehanteerd dan de eerste of de tweede periode van toepassing voor de regeling inzake de extra heffing.
2) Bij onderzoek - in het licht van de in het verwijzingsarrest vermelde omstandigheden - van voornoemd artikel 12, leden 1 en 2, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de betrokken regeling kunnen aantasten."
(1) - PB 1988, L 139, blz. 12.
(2) - Verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1989, L 110, blz. 27).
(3) - PB 1968, L 148, blz. 13. Artikel 5 quater werd ingevoegd door artikel 1 van verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10).
(4) - Artikel 5 quater van verordening nr. 804/68.
(5) - Zie artikel 2 van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
(6) - Artikel 11, sub c, van verordening nr. 857/84.
(7) - Zie lid 1 van artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 zoals gewijzigd door verordening nr. 856/84, dat het heeft over "vijf opeenvolgende tijdvakken, te beginnen op 1 april 1984" en over "het betrokken tijdvak van 12 maanden".
(8) - Verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11). Deze verordening werd ingetrokken door artikel 20 van verordening nr. 1546/88.
(9) - Dit gebeurde door artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2969/86 van de Commissie van 26 september 1986 houdende dertiende wijziging van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1986, L 276, blz. 28).
(10) - Zie de tweede overweging van verordening nr. 2969/86.
(11) - De oorspronkelijke lijst werd achteraf aangevuld door artikel 3 van verordening nr. 1371/84.
(12) - Zaak 84/87, Jurispr. 1988, blz. 2647.
(13) - Het Hof verwijst hier naar voornoemd artikel 4 bis van verordening nr. 857/84, zoals ingevoegd door artikel 1 van wijzigingsverordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1).
(14) - Zaak 113/88, Jurispr. 1989, blz. 1991, r.o. 8.
(15) - Recent bevestigd in het arrest van 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kühn, Jurispr. 1992, blz. I-35.
(16) - Zie hierboven, punt 11, in het bijzonder voetnoot 13.
Full & Egal Universal Law Academy