Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. Per 1 januari 1983 is in Italië een verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten ingevoerd. De desbetreffende bepalingen zijn opgenomen in artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982, dat nadien is gewijzigd en omgevormd tot artikel 4 van wetsdecreet nr. 53 van 28 februari 1983 (hierna: "wet nr. 53").(1) De betrokken belasting wordt zowel over in Italië vervaardigde produkten als over ingevoerde produkten geheven. Op één uitzondering na, bedraagt het belastingtarief 16 %.(2) Bij nationale produkten wordt de waarde af-fabriek ("valore franco fabbrica") belast; met de kosten voor de verkoop op de Italiaanse markt wordt geen rekening gehouden. Voor ingevoerde produkten wordt uitgegaan van de douanewaarde franco nationale grens ("valore in dogana franco frontiera nazionale" ° artikel 4, lid 2, van wet nr. 53).
2. Krachtens artikel 3, lid 4, sub b, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen behoren "invoerrechten en andere belastingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen" niet tot de douanewaarde.
3. Op 23 maart 1983 stelde de Ministero delle Finanze, verweerder in het hoofdgeding, een decreet tot uitvoering van wet nr. 53 vast(3), waarvan artikel 2, zevende alinea, bepaalt dat bij ingevoerde produkten de belasting wordt geheven over de douanewaarde in de zin van verordening nr. 1224/80, vermeerderd met bepaalde andere bedragen. Tot de bedragen die ingevolge deze bepaling bij de douanewaarde moeten worden bijgeteld, behoren in de eerste plaats de heffingen voor het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van de goederen.(4)
4. OTO SpA (hierna: "OTO") voerde onder wet nr. 53 vallende goederen uit Japan in, en de Italiaanse douanediensten vorderden betaling van de verbruiksbelasting. OTO stelde bij het Tribunale di Roma beroep in tegen de desbetreffende aanslag, met het betoog dat de belasting onjuist was berekend, daar de autoriteiten in de maatstaf van heffing ook de douanerechten hadden opgenomen, die voor de invoer van de goederen in de Gemeenschap waren betaald.(5) Haars inziens was de bepaling van voormeld decreet, waarop de Italiaanse autoriteiten zich hadden gebaseerd, onwettig wegens strijd met artikel 4 van wet nr. 53.
5. Het Tribunale di Roma wees het beroep toe. Tegen dit vonnis stelde de Ministero delle Finanze hoger beroep in, met het betoog dat artikel 4 van wet nr. 53 in strijd is met het gemeenschapsrecht, daar het tot gevolg heeft dat goederen die in andere Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht en vervolgens naar Italië zijn uitgevoerd, ongunstiger worden behandeld dan goederen die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd. De Corte d' appello di Roma was het daarmee eens en kwam tot de conclusie dat de betrokken bepaling van wet nr. 53 buiten toepassing moest blijven. Aangezien dus niets meer in de weg stond aan de toepassing van de bepalingen van het in geding zijnde decreet, verwierp de Corte d' appello het beroep.
6. Tegen dit arrest heeft OTO beroep in cassatie ingesteld. De Corte suprema di cassazione heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Moeten op grond van artikel 12 EEG-Verdrag ° betreffende het verbod op het invoeren tussen de Lid-Staten onderling van heffingen van gelijke werking als douanerechten ° onder heffingen van gelijke werking als douanerechten enkel worden verstaan heffingen die door een Lid-Staat worden toegepast op produkten uit andere Lid-Staten, of zijn daaronder ook te verstaan heffingen die weliswaar niet rechtstreeks op de invoer drukken, maar toch een produkt uit een derde land economisch aantrekkelijker maken dan een soortgelijk produkt uit een Lid-Staat, een en ander speciaal in het geval dat een dergelijke voor een Lid-Staat ongunstige behandeling voortvloeit uit het feit dat bij de toepassing van die nieuwe heffing de belastbare waarde van het produkt dat door een Lid-Staat op de gemeenschappelijke markt is gebracht, wanneer het gaat om een uit een derde land ingevoerd produkt, wordt vermeerderd (in tegenstelling tot de belastbare waarde van uit derde landen afkomstige produkten) met de kosten voor het in het vrije verkeer brengen van dat produkt?"
B ° Juridische beoordeling
7. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat de vraag van de Corte suprema di cassazione een zeer bepaalde inhoud heeft. De verwijzende rechter wenst te vernemen, of een regeling op grond waarvan rechtstreeks uit derde landen in Italië ingevoerde goederen gunstiger worden behandeld dan goederen uit derde landen die via een andere Lid-Staat in Italië binnenkomen, zich met het gemeenschapsrecht verdraagt.
Deze ongelijke behandeling is het gevolg van het feit, dat de Italiaanse verbruiksbelasting ingevolge artikel 4, lid 2, van wet nr. 53 bij goederen uit derde landen die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd, wordt berekend op basis van een bedrag waarin het invoerrecht niet is begrepen, terwijl bij soortgelijke goederen die via een andere Lid-Staat worden ingevoerd, het invoerrecht wel in dat bedrag begrepen is.(6)
8. De tekst van de prejudiciële vraag laat evenwel ook de uitlegging toe, dat de verwijzende rechter geheel in het algemeen vraagt, of een regeling op grond waarvan goederen uit andere Lid-Staten ongunstiger worden behandeld dan uit derde landen ingevoerde produkten, geoorloofd is. Voor deze uitlegging is evenwel geen steun te vinden in de aan de Italiaanse rechter voorgelegde feiten, en evenmin in de verwijzingsbeschikking. Zoals reeds gezegd, gaat het om het probleem van de inaanmerkingneming van de kosten voor het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen. Van dergelijke lasten is echter slechts sprake, wanneer het betrokken produkt wordt ingevoerd uit een staat die niet tot de Gemeenschap behoort. Over goederen die in een Lid-Staat zijn geproduceerd en die naar Italië worden uitgevoerd, mogen evenwel zoals bekend geen invoerrechten of heffingen van gelijke werking worden geheven (artikel 12 EEG-Verdrag). Op basis van de feiten van de onderhavige zaak zie ik dus niet, hoe de hier te toetsen Italiaanse regeling ook in andere Lid-Staten vervaardigde produkten zou kunnen benadelen ten opzichte van uit derde landen ingevoerde produkten.
Artikel 12 EEG-Verdrag
9. De verwijzende rechter vraagt, of de Italiaanse regeling zich verdraagt met artikel 12 EEG-Verdrag. Dit artikel verbiedt de Lid-Staten onderling nieuwe douanerechten of heffingen van gelijke werking in te voeren of de bestaande rechten en heffingen te verhogen. Gelijk de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht stelt, is artikel 12 EEG-Verdrag echter niet van toepassing op het onderhavige geval. In het arrest Steinike und Weinlig(7) wees het Hof erop, dat het wezenlijke kenmerk van een heffing van gelijke werking als een douanerecht, waardoor zij zich van een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag onderscheidt, is "dat zij uitsluitend op het geïmporteerde produkt wordt gelegd, terwijl een binnenlandse belasting zowel ingevoerde als nationale produkten treft".
10. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een op ingevoerde produkten gelegde last zelfs als een binnenlandse belasting worden beschouwd wanneer een gelijk of soortgelijk nationaal produkt ontbreekt, op voorwaarde evenwel dat zij
"behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast".(8)
Het Hof heeft meer in het bijzonder dit probleem moeten onderzoeken in drie zaken waarin het om de Italiaanse verbruiksbelasting op verse bananen ging. In die zaken kon het inderdaad twijfelachtig lijken, of de betrokken belasting als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag moest worden beschouwd.(9) Het Hof oordeelde evenwel, dat dit het geval was.(10) Deze arresten zijn van rechtstreeks belang voor de onderhavige zaak, daar het Hof liet doorschemeren, dat die kwalificatie ook voor de andere in Italië geheven verbruiksbelastingen gold:
"Een verbruiksbelasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, maakt deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen. De negentien verbruiksbelastingen worden geregeld door gemeenschappelijke fiscale bepalingen en treffen bepaalde groepen produkten volgens een objectief, van de oorsprong onafhankelijk criterium, namelijk het behoren tot een bepaalde categorie goederen."(11)
11. De Italiaanse verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten treft zowel ingevoerde als nationale produkten. Ook al zouden bepaalde aan de verbruiksbelasting onderworpen produkten alleen in het buitenland worden vervaardigd en zouden er geen gelijke of soortgelijke Italiaanse produkten bestaan ° waarvoor geen aanknopingspunten bestaan °, dan nog zou deze verbruiksbelasting volgens de zoëven aangehaalde rechtspraak als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag moeten worden aangemerkt en niet als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 12 EEG-Verdrag.
12. Een belasting die zowel ingevoerde als nationale produkten treft, kan evenwel een heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn, wanneer de opbrengst van die belasting uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten "die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende last geheel (...) wordt gecompenseerd".(12) In de onderhavige zaak wijst evenwel niets erop, dat de opbrengst van de verbruiksbelasting een dergelijke bestemming heeft.
Artikel 95 EEG-Verdrag
13. In de prejudiciële vraag wordt weliswaar enkel over artikel 12 EEG-Verdrag gesproken, doch er zij aan herinnerd, dat het Hof tot taak heeft,
"alle bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen die de verwijzende rechter nodig heeft om de hem voorgelegde geschillen te beslechten, ook al zijn die bepalingen niet uitdrukkelijk in de door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde vragen vermeld".(13)
Uit het dossier blijkt nergens, dat de verwijzende rechter het Hof enkel om uitlegging van artikel 12 EEG-Verdrag wenste te vragen.(14)
14. Artikel 95 EEG-Verdrag is ook van toepassing op goederen uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.(15) Krachtens artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag worden produkten uit derde landen als zich in het vrije verkeer in een Lid-Staat bevindend beschouwd, wanneer de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan. Artikel 95 kan op dergelijke goederen dus pas worden toegepast, wanneer de kosten voor het in het vrije verkeer brengen zijn voldaan.
Daaruit volgt, dat goederen uit derde landen die zich in een andere Lid-Staat dan Italië in het vrije verkeer bevinden, voor de heffing van de Italiaanse verbruiksbelasting op gelijke wijze moeten worden behandeld als soortgelijke goederen die in die Lid-Staten werden geproduceerd. Krachtens artikel 4, lid 2, van wet nr. 53 wordt in beide gevallen de verbruiksbelasting over de douanewaarde franco nationale grens geheven. Het feit dat voor goederen uit derde landen in deze douanewaarde ook de kosten voor het in het vrije verkeer brengen zijn begrepen, is niet het gevolg van een discriminatie door de Italiaanse wet, doch de logische consequentie van het in artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag neergelegde beginsel.
15. Zoals reeds gezegd, wijst ook niets erop, dat goederen uit andere Lid-Staten (ongeacht of zij daar zijn geproduceerd dan wel in het vrije verkeer zijn gebracht) ongunstiger worden behandeld dan in Italië vervaardigde produkten.(16)
16. Goederen uit derde landen, die in andere Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht en vervolgens naar Italië worden uitgevoerd, worden echter ongunstiger behandeld dan produkten die rechtstreeks vanuit het betrokken derde land naar Italië worden uitgevoerd. Het is evenwel vaste rechtspraak van het Hof, dat de bepalingen van artikel 95 niet van toepassing zijn op de (rechtstreekse) invoer uit derde landen.(17)
17. In het arrest Hansen oordeelde het Hof, dat het EEG-Verdrag geen bepaling bevat die discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op uit derde landen ingevoerde produkten verbiedt. Het Hof voegde daar evenwel onmiddellijk aan toe, dat zulks de eventueel tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van een bepaald produkt bestaande regelingen in overeenkomsten onverlet laat.(18) Er lijken evenwel geen overeenkomsten te bestaan, die verbieden (rechtstreeks) uit derde landen ingevoerde goederen gunstiger te behandelen dan ° bepaalde ° goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.
Het gemeenschappelijk douanetarief (artikelen 18-29 EEG-Verdrag) en de bepalingen betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikelen 110-116 EEG-Verdrag)
18. In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie ° echter zonder dieper in te gaan op de hier te onderzoeken vragen °, dat de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk douanetarief in casu irrelevant zijn. Ik ben het daar niet mee eens.
19. Zoals reeds gezegd, heeft de in artikel 4, lid 2, van wet nr. 53 neergelegde regeling tot gevolg, dat goederen uit derde landen verschillend worden behandeld, naargelang zij rechtstreeks uit het derde land naar Italië worden uitgevoerd, dan wel Italië via een andere Lid-Staat bereiken. Het bedrag van de over rechtstreeks ingevoerde goederen geheven verbruiksbelasting is lager dan het bedrag waarmee de goederen worden belast die eerst in aan andere Lid-Staat in het vrije verkeer worden gebracht en nadien naar Italië worden uitgevoerd.
Dat betekent, dat het voor een producent in een derde land voordeliger is, zijn goederen rechtstreeks naar Italië uit te voeren. Werd bij voorbeeld de Italiaanse markt via een distributiebedrijf in een andere Lid-Staat bevoorraad, dan wordt men thans gestimuleerd om Italiaanse klanten door rechtstreekse exporten naar Italië te bevoorraden. Daar de aan de belasting onderworpen audiovisuele en foto-optische produkten een niet onaanzienlijke handelswaarde hebben, zijn de op die wijze realiseerbare besparingen zeker niet onbelangrijk. Aangezien de Italiaanse verbruiksbelasting krachtens artikel 4, lid 8, van wet nr. 53 niet wordt geheven (of wordt terugbetaald) over uit Italië uitgevoerde produkten, zijn de rechtstreekse gevolgen van de betrokken belasting echter beperkt tot voor de Italiaanse markt bestemde produkten.(19)
20. De wijze waarop de Italiaanse verbruiksbelasting bij wet nr. 53 is geregeld, verdraagt zich mijns inziens dus niet met de fundamentele beginselen van het gemeenschappelijk douanetarief en de gemeenschappelijke handelspolitiek. Met het gemeenschappelijk douanetarief wordt
"de gelijkstelling van de douanerechten die aan de grenzen der Gemeenschap drukken op de uit derde landen ingevoerde produkten (...) beoogd, teneinde verleggingen van het handelsverkeer met deze landen en distorsies in het interne vrije verkeer of in de mededingingsvoorwaarden te voorkomen".(20)
Zoals ik meen te hebben aangetoond, draagt de Italiaanse regeling het risico van dergelijke verleggingen en distorsies van het handelsverkeer in zich.
21. Het in het gemeenschappelijk douanetarief voor het betrokken produkt voorziene douanerecht voor rechtstreeks naar Italië uitgevoerde produkten uit derde landen is hetzelfde als voor produkten uit derde landen die Italië via een andere Lid-Staat bereiken. De verschillende fiscale last vloeit dan ook veeleer voort uit de toepassing van de Italiaanse verbruiksbelasting. Het Hof heeft evenwel geoordeeld, dat ook "andere heffingen dan douanerechten in eigenlijke zin" in strijd met het gemeenschapsrecht kunnen zijn.(21) Ofschoon in de bepalingen betreffende de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief (de artikelen 18 e.v. EEG-Verdrag) ° anders dan de artikelen 12 tot en met 17 EEG-Verdrag ° niet wordt gesproken over heffingen van gelijke werking als douanerechten, blijkt uit het doel van die bepalingen, dat het de Lid-Staten verboden is
"door middel van belastingen boven deze rechten wijziging te brengen in het beschermingspeil, neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief", en "dat, ook bij afwezigheid van protectionistische kenmerken, dergelijke heffingen onverenigbaar kunnen zijn met de vereisten van een gemeenschappelijke handelspolitiek".(22)
22. Het is echter duidelijk, dat deze rechtspraak niet rechtstreeks op het onderhavige geval kan worden toegepast. In de zaak Diamantarbeiders ging het om een Belgische heffing die over de rechtstreekse invoer van ruwe diamanten uit derde landen werd geïnd. In casu gaat het daarentegen om een verbruiksbelasting die zowel Italiaanse als ingevoerde produkten treft. Onder verwijzing naar het arrest Simba stelt de Commissie dienaangaande, dat een heffing niet tegelijkertijd als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag én als een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag kan worden aangemerkt. Inderdaad heeft het Hof om die reden in genoemd arrest geweigerd, de verenigbaarheid van de Italiaanse verbruiksbelasting op verse bananen met het gemeenschappelijk douanetarief te onderzoeken.(23)
23. Het lijkt evenwel twijfelachtig, of deze stelling in haar algemeenheid opgaat. De afbakening van heffingen van gelijke werking ten opzichte van douanerechten en binnenlandse belastingen raakt de onderlinge betrekkingen tussen de Lid-Staten. Artikel 12 verbiedt de Lid-Staten onderling douanerechten of heffingen van gelijke werking toe te passen. Artikel 95 beperkt de discretionaire bevoegdheid van de Lid-Staten ter zake van de toepassing van binnenlandse belastingen. Dergelijke belastingen mogen worden geheven ° voor zover zij geen protectionistische doeleinden nastreven °, doch goederen uit andere Lid-Staten moeten op dezelfde wijze worden behandeld als nationale produkten. Wegens de verschillende rechtsgevolgen is deze afbakening nodig en onontbeerlijk. Het is evenwel de vraag, of dezelfde maatstaven moeten worden gehanteerd, wanneer het om de betrekkingen tussen de Gemeenschap en andere staten gaat.
24. Mijns inziens behoeft hier echter op die vraag niet dieper te worden ingegaan.(24) In casu is het niet de inning van de Italiaanse verbruiksbelasting die aanleiding tot bezwaren in verband met het gemeenschappelijk douanetarief en de gemeenschappelijke handelspolitiek geeft. De inbreuk op de bepalingen van gemeenschapsrecht is veeleer hierin gelegen, dat de belasting gedeeltelijk niet wordt geheven over rechtstreeks naar Italië uitgevoerde produkten uit derde landen. Men zou kunnen zeggen, dat de Italiaanse regeling deze produkten daadwerkelijk (ook al lijkt dit niet de bedoeling van de Italiaanse wetgever te zijn geweest) bevoordeelt en derhalve het risico van verlegging of distorsie van de handelsstromen in zich draagt.
Mijns inziens kan slechts op één manier aan deze inbreuk een einde worden gemaakt, namelijk door ook bij rechtstreeks ingevoerde produkten uit derde landen de kosten voor het in het vrije verkeer in de Gemeenschap brengen in de maatstaf van heffing op te nemen. In haar schriftelijke opmerkingen heeft verzoekster in het hoofdgeding weliswaar aangevoerd, dat bij de toepassing van de Italiaanse verbruiksbelasting (in het geheel) geen rekening mocht worden gehouden met de douanerechten en de kosten voor het in een andere Lid-Staat in het verkeer brengen. Aldus zou het verschil in behandeling van uit derde landen ingevoerde goederen inderdaad zijn opgeheven. Dit zou evenwel tot gevolg hebben, dat in dat geval alle uit derde landen in Italië ingevoerde en aan de verbruiksbelasting onderworpen produkten worden bevoordeeld ten opzichte van de in de Lid-Staten van de Gemeenschap geproduceerde goederen. De verlening van een dergelijk voordeel kan hooguit door de gemeenschapswetgever zelf worden gelast. In dit verband zij nogmaals eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag alleen de produkten waarvoor de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan, als zich in het vrije verkeer bevindend worden beschouwd, en dus op dezelfde wijze als produkten uit de Lid-Staten moeten worden behandeld.
25. Dat betekent, dat alleen de bij het decreet van 23 maart 1983 voorgeschreven procedure voor de berekening van de verbruiksbelasting op uit derde landen ingevoerde produkten zich met het gemeenschapsrecht verdraagt. Zoals de Italiaanse regering terecht heeft geconstateerd, verzekert deze procedure een volstrekt gelijke fiscale behandeling.
26. De Commissie heeft betoogd, dat de nationale rechter niet heeft gevraagd of het decreet van 23 maart 1983 verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Gelet op de rechtspraak van het Hof(25), ben ik het evenwel niet eens met het idee van de Commissie, dat het Hof op dit probleem niet mag ingaan. Zoals ik reeds heb gezegd, kan alleen een berekening van de Italiaanse verbruiksbelasting op basis van een bedrag waarin de kosten voor het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van produkten uit derde landen begrepen zijn, in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht. Deze berekeningswijze ontmoet evenmin bezwaren op grond van de bepalingen van het GATT, met name artikel III daarvan. Wanneer de hier voorgestelde oplossing wordt toegepast, worden namelijk goederen uit derde landen, nadat zij in het vrije verkeer zijn gebracht, volstrekt gelijk behandeld als produkten uit de Lid-Staten. In dit verband zij nog opgemerkt, dat ook bij de berekening van de BTW overeenkomstig de Zesde richtlijn(26) de invoerrechten en andere heffingen in de maatstaf van heffing worden opgenomen.
C ° Conclusie
27. Derhalve geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Corte suprema di cassazione te beantwoorden als volgt:
1. Een belasting die zowel op ingevoerde als op nationale produkten drukt, is geen heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 12 EEG-Verdrag, wanneer zij behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast. Een dergelijke belasting heeft dus het karakter van een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag.
2. Artikel 95 EEG-Verdrag staat niet eraan in de weg, dat bij de heffing van die belasting produkten uit derde landen die rechtstreeks uit het derde land worden ingevoerd, gunstiger worden behandeld dan produkten die eerst in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer worden gebracht, en nadien worden uitgevoerd naar de Lid-Staat die deze belasting heft. Een dergelijke ongelijke behandeling is evenwel in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en de gemeenschappelijke handelspolitiek.
3. Een bepaling krachtens welke een dergelijke belasting bij produkten uit derde landen wordt geheven over een bedrag waarin de kosten voor het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van die produkten is begrepen, is verenigbaar met het gemeenschapsrecht.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) ° Voor een geconsolideerde versie van de wettekst, zie GURI nr. 65 van 8.3.1983, blz. 1798.
(2) ° Voor bepaalde televisietoestellen bedraagt het belastingtarief 8 % (artikel 4, lid 2, van wet nr. 53).
(3) ° GURI nr. 83 van 25 maart 1983, blz. 2326.
(4) ° Artikel 2, lid 7, van de verordening luidt als volgt: Il valore imponibile dei prodotti importati è costituito dal valore alla frontiera italiana determinato sulla base del valore in dogana ai sensi del regolamento comunitario 1224/80/CEE, aumentato degli eventuali costi ed oneri per la resa alla frontiera italiana, ivi compresi i diritti dovuti per l' immissione in libera practica nella Comunità economica europea e diminuito delle eventuali componenti del prezzo pagato o da pagare che concernono il trasporto e la commercializzazione all' interno del territorio doganale nazionale.
(5) ° In de verwijzingsbeschikking is vermeld, dat de belasting was berekend over de waarde van de goederen, vermeerderd met gemeentelijke rechten en rechten bij grensoverschrijding ( dazi comunali e diritti di confine ). Uit de door OTO bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen blijkt evenwel, dat dit een enigszins onnauwkeurige formulering of een vergissing moet zijn. In haar schriftelijke opmerkingen verwijt OTO de Italiaanse autoriteiten, dat deze de verbruiksbelasting (mede) over het bedrag van de douanerechten ( dazio doganale ) hebben geheven.
(6) ° Die ongelijke behandeling zou zich daarentegen niet voordoen, wanneer de verbruiksbelasting volgens de in het decreet van 23 maart 1983 vastgestelde procedure zou worden berekend (zie punt 3 hierboven). Dan zou de maatstaf van heffing voor goederen uit derde landen in ieder geval de kosten voor het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap omvatten. In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Italiaanse regering, dat de uitlegging van artikel 4, lid 2, van wet nr. 53 tot hetzelfde resultaat kan (en moet) leiden. De Italiaanse rechtbanken zullen moeten uitmaken, of een dergelijke uitlegging mogelijk is. In de prejudiciële vraag wordt kennelijk ervan uitgegaan, dat een dergelijke uitlegging niet mogelijk is en dat de Italiaanse regeling tot de hierboven beschreven ongelijke behandeling leidt.
(7) ° Arrest van 22 maart 1977 (zaak 78/76, Jurispr. 1977, blz. 595, r.o. 28).
(8) ° Arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r.o. 10).
(9) ° Zie mijn conclusie in de zaak 193/85, Jurispr. 1987, blz. 2095 e.v.
(10) ° Arrest van 7 mei 1987 (zaak 184/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2013); arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, reeds aangehaald in voetnoot 8, r.o. 12 en 13); arrest van 9 juni 1992 (gevoegde zaken C-228/90, C-229/90, C-230/90, C-231/90, C-232/90, C-233/90, C-234/90, C-339/90 en C-353/90, Simba, Jurispr. 1992, blz. I-3713, r.o. 7).
(11) ° Arrest in zaak 193/85, reeds aangehaald in voetnoot 8, r.o. 12.
(12) ° Arrest in de zaak Steinike und Weinlig, reeds aangehaald in voetnoot 7, r.o. 28. In dit arrest nam het Hof in aanmerking, dat de fiscale last op nationale produkten geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Uit recentere rechtspraak blijkt evenwel, dat alleen de volledige compensatie van de fiscale last tot gevolg heeft, dat de betrokken heffing als een heffing van gelijke werking als een douanerecht moet worden aangemerkt (zie het arrest van 11 juni 1992, gevoegde zaken C-149/91 en C-150/91, Sanders, Jurispr. 1992, blz. I-3899, r.o. 20).
(13) ° Vaste rechtspraak, zie laatstelijk het arrest van 18 maart 1993 (zaak C-280/91, Viessmann, Jurispr. 1993, blz. I-971, r.o. 17).
(14) ° Zie in dit verband het arrest van 5 oktober 1988 (zaak 247/86, Alsatel, Jurispr. 1988, blz. 5987), waarin het Hof tot de conclusie kwam, dat de verwijzende rechter impliciet had geweigerd het Hof een uitleggingsvraag over een niet in de verwijzingsbeschikking vermelde bepaling voor te leggen (t.a.p., r.o. 8).
(15) ° Zie bij voorbeeld het arrest in zaak 193/85, reeds aangehaald in voetnoot 8, r.o. 25 en 28.
(16) ° Zie hierboven, punt 8.
(17) ° Arresten van 4 april 1968 (zaak 20/67, Tivoli, Jurispr. 1968, blz. 281, 289), 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787, r.o. 23), en 9 juni 1992 (Simba, reeds aangehaald in voetnoot 10, r.o. 14).
(18) ° Reeds aangehaald in voetnoot 17, r.o. 24. Zie evenzo het arrest Simba, reeds aangehaald in voetnoot 10, r.o. 18 en 19.
(19) ° Dat sluit niet uit, dat de Italiaanse regeling indirect ook gevolgen heeft voor goederen die voor andere Lid-Staten bestemd zijn. Wanneer in het aangehaalde voorbeeld een producent in een derde land beslist de distributie van zijn voor de Italiaanse markt bestemde produkten aan een Italiaans distributiebedrijf toe te vertrouwen, kan het voor hem alleszins interessant zijn, dit bedrijf ook met de bevoorrading van andere Lid-Staten te belasten.
(20) ° Arrest van 13 december 1973 (gevoegde zaken 37/73 en 38/73, Diamantarbeiders, Jurispr. 1973, blz. 1609, r.o. 9, cursivering van mij). Zie ook de arresten van 16 maart 1983 (zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731, r.o. 18) en 27 september 1988 (zaak 51/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5459, r.o. 6).
(21) ° Arrest van 13 december 1973, reeds aangehaald in voetnoot 20, r.o. 13.
(22) ° Arrest van 13 december 1973, reeds aangehaald in voetnoot 20, r.o. 13 en 14.
(23) ° Arrest van 9 juni 1992, reeds aangehaald in voetnoot 10, r.o. 25.
(24) ° Er zij evenwel op gewezen, dat ook volgens het Hof dit strikt begripsmatige onderscheid tussen heffingen van gelijke werking als douanerechten en binnenlandse belastingen slechts in beginsel ( en principe ) geldt (arrest van 9 juni 1992, reeds aangehaald in voetnoot 10, r.o. 25).
(25) ° Zie hierboven, punt 13.
(26) ° Zie artikel 11 A, lid 2, sub a, en B, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (PB 1977, L 145, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/77 van de Raad van 19 oktober 1992 (PB 1992, L 316, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy