Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 De overeenkomstig artikel 40, lid 2, tweede alinea, sub c, EEG-Verdrag, ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is op 1 juli 1968 ingevoerd bij verordening nr. 1009/67/EEG van de Raad.(1) Deze ordening, thans geregeld door verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981(2), beoogt "de bietenproducenten garanties te bieden voor prijzen en afzet, beperkt tot hoeveelheden die in relatie staan tot de behoeften van het suikerverbruik en de exportmogelijkheden die voor dit produkt in de Gemeenschap bestaan".(3)
2 Een quotaregeling wijst de te produceren hoeveelheden suikerbieten primair toe aan de Lid-Staten, die ze vervolgens moeten verdelen onder de verschillende producenten. Suiker wordt onderverdeeld in A-, B- en C-suiker.(4) De hoeveelheden A- en B-suiker komen in aanmerking voor prijsgaranties, waarbij de minimumprijs voor B-suiker lager is dan die voor A-suiker.(5) Het B-quotum bedraagt een percentage van het A-quotum, dat afhankelijk van het betrokken land en de betrokken ondernemingen kan variëren.(6) C-suiker is suiker die de som van de A- en B-quota van de betrokken onderneming overschrijdt. C-suiker komt voor geen enkele prijsgarantie in aanmerking en kan slechts buiten de Gemeenschap worden verkocht, zonder restituties bij uitvoer.(7)
3 Artikel 7, leden 1 en 3, van verordening nr. 1785/81 bepaalt, dat de Raad kadervoorschriften zal vaststellen met name wat de voorwaarden voor aankoop, levering, ontvangst en betaling van suikerbieten betreft. In artikel 30, leden 4 en 5, wordt gepreciseerd, dat de bepalingen van gemeenschapsrecht ofwel door de Commissie, ofwel door de Raad moeten worden vastgesteld ten einde de contractuele betrekkingen tussen bietenproducenten en suikerfabrieken en met name de criteria voor de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten te regelen.
4 Tot op heden zijn deze uitvoeringsbepalingen van de verordening niet tot stand gekomen.(8)
5 Verordening nr. 1785/81 verleent eveneens bevoegdheid aan de staten die, bij gebreke van overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven, de nodige maatregelen kunnen treffen om de belangen van de betrokken partijen veilig te stellen (artikel 7, lid 5). Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 741/75 van de Raad van 18 maart 1975 bepaalde reeds, dat bij gebreke van overeenstemming tussen bietenverbouwers en suikerfabrikanten over de verdeling van de te leveren hoeveelheden suikerbieten "de betrokken Lid-Staat regels voor de verdeling [kon] vaststellen".(9)
6 Mörlins, landbouwer en suikerbietenproducent, heeft een geschil met de suikerfabriek Zuckerfabrik Königslutter-Twülpstedt AG, waarvan hij aandeelhouder is, over de hoeveelheden bieten die deze aanbiedt van hem te kopen in het kader van de jaarlijkse leveringscontracten, en met name over de verdeling ervan tussen A- en B-quota.
7 Op basis van artikel 30 van verordening nr. 1785/81 kent deze suikerfabriek aan Mörlins te leveren hoeveelheden toe, die voor het A-quotum 1938 ton en voor het B-quotum 1509 ton bedragen, waarbij nog bijzondere leveringsrechten komen.
8 Verzoeker in het hoofdgeding is van mening, dat die toewijzing moet worden herzien door verhoging van de hoeveelheden van het A-quotum, en heeft de suikerfabriek gedagvaard voor het Landgericht Braunschweig, opdat zij wordt veroordeeld om met hem een nieuw contract te sluiten voor de levering van suikerbieten in het verkoopseizoen 1991/1992, met in elk geval een recht op levering van minimaal 2651 ton A-suikerbieten. Hij baseert zich met name i) op het discriminatieverbod van § 26 van de Duitse Gesetz gegen Wettbewerksbeschränkungen (hierna: "GWB") (een onderneming met een machtspositie kan een onderneming, zoals een leverancier, niet anders behandelen dan andere gelijksoortige ondernemingen), en ii) op het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders, neergelegd in het Duitse vennootschapsrecht, in het bijzonder wanneer hun inbreng deels bestaat uit periodieke bijkomende prestaties in natura (§ 53a van het Duitse Aktiengesetz; hierna: "AktG").
9 Kan het nationale kartel- en vennootschapsrecht worden toegepast op de rechtsbetrekkingen tussen bietenproducenten en suikerfabrieken, wanneer er een gemeenschappelijke marktordening bestaat?
10 In een andere zaak, waarvan het Bundesgerichtshof het niet nodig achtte ze naar het Hof te verwijzen, was de hoogste Duitse rechter van mening, dat het antwoord op deze vraag bevestigend is wat het nationale mededingingsrecht betreft, met name omdat de gemeenschapsvoorschriften niet toelaten dat de mededinging bij de aankoop van grondstoffen wordt beperkt.(10)
11 Het Landgericht Braunschweig is daarentegen van mening, dat het bestaan van een gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt toepassing van het Duitse kartelrecht op de in geding zijnde rechtsbetrekkingen uitsluit. Gelet op genoemde beslissing van het Bundesgerichtshof en op het gerezen probleem inzake de gevorderde toepassing van het nationale vennootschapsrecht, legt het u twee prejudiciële vragen voor: enerzijds of de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt in de weg staat aan de toepassing van de bepalingen van het Duitse kartel- en vennootschapsrecht bij de beoordeling van de criteria voor de verdeling van de quota tussen de verkopers, en anderzijds, of deze ordening voor het nationale verbintenissenrecht criteria vastlegt met het oog op de verdeling tussen bietentelers van de hoeveelheden die de fabrikant aanbiedt te kopen.(11)
12 Ik kom nu tot de eerste vraag.
13 In het arrest van 16 januari 1979 (Sukkerfabriken Nykøbing)(12) overwoog het Hof, dat de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zich uitstrekt tot de betrekkingen tussen de producenten van suikerbieten en de suikerfabrikanten, voor zover zij specifiek betrekking hebben op de produktie van suiker, zodat de Lid-Staten hier in beginsel niet meer eenzijdig kunnen ingrijpen.
14 In de bepalingen van verordening nr. 1785/81 die deze betrekkingen regelen, wordt een onderscheid gemaakt tussen de bepalingen die verwijzen naar een toekomstige communautaire regeling, en de bepalingen die aan de Lid-Staten bevoegdheid "delegeren".
15 De artikelen 7, leden 1 en 3, en 30, leden 4 en 5, van verordening nr. 1785/81 zijn op hetzelfde doel gericht: de gemeenschappelijke marktordening verleent de Gemeenschap bevoegdheid om kadervoorschriften of aanvullende uitvoeringsvoorschriften vast te stellen.
16 Deze bepalingen zijn totaal verschillend van die van artikel 7, lid 5, van dezelfde verordening of van artikel 1 van verordening nr. 741/75, die, in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, de Lid-Staten bevoegdheid verlenen. Deze laatste tekst heeft aanleiding gegeven tot bovengenoemd arrest Sukkerfabriken Nykøbing.
17 De vraag is hier, of een Lid-Staat, indien de communautaire regeling uitdrukkelijk de Gemeenschap bevoegdheid verleent om een punt van de gemeenschappelijke marktordening te reglementeren, gelet op het stilzwijgen van de gemeenschapswetgever, regels kan opstellen over dit punt, dus een ander punt dan die welke het onderwerp vormen van een eveneens uitdrukkelijke toekenning van bevoegdheid ten gunste van een Lid-Staat.
18 Laat ik wijzen op de hoofdlijnen van uw rechtspraak ter zake.
19 Zoals de Commissie terecht opmerkt, verleent artikel 43, anders dan artikel 113 van het Verdrag betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek, geen uitsluitende bevoegdheid aan de Gemeenschap op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
20 Zodra de Gemeenschap evenwel gebruik maakt van haar bevoegdheid - die zij op basis van artikel 40, lid 2, van het Verdrag bezit - om een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand te brengen, "vervangt" deze laatste de nationale ordeningen en zijn de Lid-Staten niet meer bevoegd de betrokken markt te reglementeren.(13)
21 Zo oordeelde het Hof:
"Zodra een verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening, als een sluitend systeem is te beschouwen, verliezen Lid-Staten in zoverre hun bevoegdheden, tenzij met zoveel woorden het tegendeel mocht zijn bepaald."(14)
22 In de meest recente rechtspraak wordt gepreciseerd:
"Zodra de Gemeenschap in een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening heeft vastgesteld, zijn de Lid-Staten gehouden af te zien van elke eenzijdige maatregel die daarop inbreuk kan maken of er afbreuk aan kan doen."(15)
23 Dit zal zelfs het geval zijn wanneer de eenzijdige maatregel "de communautaire politiek van de Gemeenschap kan ondersteunen."(16) Het staat immers
"aan de Gemeenschap en niet aan een Lid-Staat, om in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een oplossing te zoeken voor het probleem dat hier aan de orde is".(17)
24 Dit beginsel van volledige overdracht van bevoegdheid ten gunste van de Gemeenschap kent een uitzondering die vermeld staat in het arrest Prantl(18): bijzondere bepalingen van de verordening die de gemeenschappelijke marktordening instelt, kunnen, op een specifiek punt, bevoegdheid verlenen aan de Lid-Staten.(19) Zo bepaalt artikel 1 van verordening nr. 741/75: "Wanneer het niet mogelijk is geweest om door middel van overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven overeenstemming te bereiken over de verdeling tussen de verkopers, van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt vóór de uitzaai te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het basisquotum, kan de betrokken Lid-Staat regels voor de verdeling vaststellen." In het arrest Sukkerfabriken Nykøbing heeft het Hof deze bepaling geanalyseerd als een bepaling die "de gemeenschapsrechtelijke beletselen wegneemt"(20), waardoor de betrokken Lid-Staat voorschriften kan vaststellen teneinde een verdeling tot stand te brengen. In die zaak had de bevoegde minister een besluit genomen over de verdeling tussen leden van de coöperatieve vereniging Sukkerfabriken en de telers met een contract, van respectieve produktierechten binnen het basisquotum. Het Hof accepteerde die ingreep en wees erop, dat artikel 1 van verordening nr. 741/75 "met het oog op de beletselen die uit de communautaire bevoegdheid zouden kunnen voortvloeien, de Lid-Staten de bevoegdheid verleent overeenkomstig hun eigen nationale recht een verdeling van de leveringsrechten voor suikerbieten (....) tot stand te brengen".(21)
25 Artikel 7, lid 5, van verordening nr. 1785/81 is nog een voorbeeld van een bepaling die de Lid-Staten de bevoegdheid verleent om bij uitzondering regels op te stellen in het kader van een gemeenschappelijke marktordening. In een dergelijk geval ziet het Hof geen belemmering ten aanzien van de tussenkomst van de Lid-Staat, zolang de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en de algemene regels die het gemeenschappelijk landbouwbeleid beheersen, worden geëerbiedigd.(22)
26 Vaststaat, dat in Duitsland geen enkele maatregel is getroffen overeenkomstig artikel 7, lid 5, van verordening nr. 1715/81 of artikel 1 van verordening nr. 741/75.
27 Hieruit blijkt, dat anders dan in de zaak Sukkerfabriken Nykøbing het nationale recht in casu niet toepasselijk is krachtens een door de gemeenschapswetgever goedgekeurde delegatie van bevoegdheid.
28 De artikelen 7, leden 3 en 4, en 30, lid 5, voorzien niet in een uitzondering op de communautaire bevoegdheid door bevoegdheid aan de Lid-Staten te verlenen. Integendeel, zij verlenen bevoegdheid aan de Gemeenschap. Hoe kan een Lid-Staat dan de materie reglementeren?
29 Het lijdt geen twijfel, dat een Lid-Staat volstrekt onbevoegd zou zijn om de verdelingscriteria vast te stellen indien de Gemeenschap deze criteria had vastgesteld. Maar hoe staat het in geval van stilzwijgen van de gemeenschapswetgever en dus in geval van een leemte in de communautaire regeling?
30 Volgens het Hof
"kan in een dergelijke situatie er in beginsel geen bezwaar tegen worden gemaakt, dat een Lid-Staat nationale maatregelen handhaaft of vaststelt die ertoe strekken, op zijn grondgebied de doelstellingen van de marktordening (...) te verwezenlijken".(23)
31 In casu doet de Gemeenschap geen afstand van de uitoefening van haar bevoegdheden die aan de Lid-Staten zouden worden overgedragen. Zij bezitten een vervangende bevoegdheid op een gebied dat uitsluitend onder de bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Zij zijn "beheerders van het gemeenschappelijk belang".(24)
"Dergelijke maatregelen zijn (...) niet te beschouwen als behorende tot de eigen bevoegdheid van de Lid-Staten, maar als uitvloeisel van de verplichting tot samenwerking ter verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, die in een situatie die door stilzitten van de gemeenschapswetgever wordt gekenmerkt, krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op hen rust."(25)
32 Deze "vervangende" bevoegdheid van de Lid-Staten dient derhalve met inachtneming van artikel 5, van de algemene voorschriften van het Verdrag en van het afgeleide recht in de betrokken materie te worden uitgeoefend.
33 Wanneer zij de afwezigheid van een communautaire regeling gedeeltelijk oplost, is de bevoegdheid van de Lid-Staten dus, zelfs in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, niet uitgesloten.
34 Zo heeft het Hof in een arrest van 5 mei 1981 (Commissie/Verenigd Koninkrijk)(26) toegelaten, dat de Britse wetgever in een leemte van de communautaire regeling op het gebied van de visserij voorzag. Het betreurde slechts, dat het initiatief daartoe was genomen zonder dat de Commissie tijdig was ingelicht.(27)$
35 Ten slotte erkent het Hof de bevoegdheid van de Lid-Staten zelfs wanneer de gemeenschapswetgever uitdrukkelijk naar latere verordeningen heeft verwezen.
36 Zo bepaalde artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad(28), dat de bepalingen die onder meer ten doel hebben de kwaliteit te verbeteren en normen voor de commercialisatie in de sector slachtpluimvee vast te stellen, door de Raad moesten worden vastgesteld. In het arrest Pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert (reeds aangehaald), aanvaardde het Hof, dat waar dergelijke bepalingen ontbraken, Nederland een vervangende regeling in werking stelde, mits deze met de beginselen van de gemeenschappelijke marktordening verenigbaar was en overeenkomstig de voorschriften van artikel 30 van het Verdrag werd toegepast.(29)
37 Hieruit blijkt, dat in een situatie die wordt gekenmerkt door het ontbreken van toepassingsmaatregelen als voorzien in de artikelen 7, leden 3 en 4, en 30, leden 4 en 5, van verordening nr. 1785/81, die teksten niet in de weg staan aan het vaststellen van een nationale regeling of aan het in aanmerking nemen van een al bestaande nationale regeling.
38 Aan welke voorwaarden moet die regeling voldoen?
39 In het arrest van 30 november 1978 (Bussone)(30) overwoog het Hof, dat bij gebreke van communautaire teksten betreffende de verkoopprijs van etiketten en de financiering van de controles in de sector eieren, een Lid-Staat deze kwestie kon reglementeren, maar dat
"deze vrijheid (...) niet zodanig mag worden gebruikt, dat het doel van de verordening daardoor in gevaar wordt gebracht".(31)
40 Naar aanleiding van de gemeenschappelijke marktordeningen gebaseerd op een gemeenschappelijke prijsregeling, overweegt het Hof onveranderlijk(32), dat
"de bepalingen van een communautaire landbouwverordening, welke een prijsregeling voor de produktie- en groothandelsfase bevatten, de bevoegdheid der Lid-Staten om in de detailhandels- en consumptiefase passende maatregelen inzake de prijsvorming te nemen - onverminderd andere verdragsbepalingen - onverlet laten, mits deze maatregelen de doelstellingen of de werking van de betrokken gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen".(33)
41 In het arrest Pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert, in de lijn van de arresten Van der Hulst(34) en Van der Hazel(35), heeft het Hof als algemene regel gesteld, dat de door de Lid-Staten vastgestelde of gehandhaafde bepalingen, die in de leemtes van een gemeenschappelijke ordening der markten voorzien, "slechts aanvaardbaar zijn indien zij verenigbaar zijn met de beginselen" ervan.(36)
42 De gemeenschappelijke ordening der suikermarkten houdt met name rekening met de in artikel 39 van het Verdrag gestelde doeleinden(37), zoals de stabilisatie van de markten en de bescherming van de levensstandaard van de landbouwbevolking.
43 Hier zij opgemerkt, dat dit artikel benadrukt, dat bij de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid rekening moet worden gehouden met het feit dat de landbouwsector in de Lid-Staten nauw verweven is met de gehele economie.(38)
44 Het Hof is van oordeel, dat de gemeenschappelijke marktordeningen zijn gebaseerd
"op het beginsel van een open markt waartoe elke producent vrije toegang heeft en waarvan de werking uitsluitend door de in deze ordening voorziene instrumenten wordt geregeld".(39)
45 Wat is de plaats van de regels betreffende de mededinging op een gebied dat wordt gekenmerkt door interventies van de staat en door aansporingen tot hergroepering, zowel in het stadium van de produktie als van de afzet?
46 Volgens artikel 42, eerste lid, van het Verdrag zijn "de bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad met inachtneming van de in artikel 39 vermelde doeleinden zal worden bepaald binnen het raam van de bepalingen en overeenkomstig de procedure van artikel 43, leden 2 en 3".
47 In zijn arrest van 29 oktober 1980 (Maizena)(40) overwoog het Hof, dat door deze tekst
"met het primaat van het landbouwbeleid ten opzichte van hetgeen het Verdrag op mededingingsgebied beoogt, aldus ook 's Raads bevoegdheid wordt erkend om te beslissen in hoeverre de mededingingsregelen voor de landbouwsector hebben te gelden".(41)
48 Zij zijn dus in principe niet uitgesloten in de landbouwsector. Overigens bepaalt sinds 1962 verordening nr. 26 bovendien, dat de artikelen 85-90 van het Verdrag van toepassing zijn op de in artikel 85, lid 1, en in artikel 86 van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, beslissingen en gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in landbouwprodukten, voor zover de toepassing ervan de verwezenlijking van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar brengt.(42)
49 Zo heeft de Commissie in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt, zoals vervat in verordening nr. 1785/81, bij de eerder genoemde beschikking van 19 december 1989 i) een beding in de beroepsakkoorden tussen de Confederatie van Belgische Bietplanters en de Algemene Maatschappij der Suikerfabrikanten van België, "waarbij voorrang werd toegekend aan [in dat land] geteelde bieten voor leveranties voor de suikerproduktie van de Belgische suikerfabrikanten in het kader van hun maximumquotum (...)"(43), en ii) de uitsluiting bij de herverdeling van de bietenleveranties aan een Belgische suikerfabriek van Franse bietentelers, in strijd met artikel 85 van het Verdrag verklaard.(44)
50 Indien in de contractuele betrekkingen tussen bietenproducenten en suikerfabrikanten de artikelen 85 en 86 van het Verdrag in acht dienen te worden genomen, kunnen zij dan tevens onder het nationale mededingingsrecht vallen en met name onder de bepalingen die, zoals § 26 GWB, de discriminerende behandeling van bepaalde leveranciers door een onderneming met een machtspositie verbieden?
51 Ik zie niet in, waarom dergelijke akkoorden niet onder het nationale mededingingsrecht zouden kunnen vallen, wanneer dit op nationaal vlak dezelfde doeleinden nastreeft als de communautaire regeling, met name wat het misbruik van machtspositie betreft.
52 Bovendien wil ik erop wijzen, dat artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag de gemeenschappelijke marktordening verplicht tot inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling van producenten.
53 Hieruit blijkt, dat de doelstelling van de communautaire regeling niet wordt bedreigd of in gevaar gebracht door een nationale bepaling die de ongelijkheid van behandeling van leveranciers van een onderneming met een machtspositie verbiedt. Evenals bovengenoemd voorschrift van het Verdrag is deze nationale bepaling slechts de uitdrukking van een algemeen gelijkheidsbeginsel, dat door het gemeenschapsrecht wordt bevestigd en volgens hetwelk
"vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is".(45)
54 Het is derhalve in de eerste plaats de taak van de nationale rechter om na te gaan, of zijn eigen recht met inachtneming van de door het gemeenschapsrecht opgezette quotaregeling wordt toegepast.(46)
55 Vervolgens zou hij moeten onderzoeken, zoals verzoeker in het hoofdgeding betoogt, of het uitgangspunt - om de verdeling vast te stellen - van een referentieperiode uit een ver verleden, ten aanzien van de gelijke behandeling van de betrokken producenten in strijd is met het nationale recht, voor zover dit het beginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag ten uitvoer legt.
56 De vraag inzake de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt van een nationale norm zoals § 53 a AktG lijkt mij veel moeilijker.
57 Er zij aan herinnerd, dat in dit artikel het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders is neergelegd: "In vergelijkbare omstandigheden moeten aandeelhouders op dezelfde wijze worden behandeld."
58 Het Duitse recht kent een bijzondere vorm van de naamloze vennootschap, de vennootschap met bijkomende verplichtingen (Nebenleistungs-AG). Buiten zijn inbreng in het aandelenkapitaal is de aandeelhouder ingevolge de statuten verplicht tot een aanvullende inbreng, bestaande in "het verrichten van periodieke prestaties die niet uit geld bestaan",(47) zoals de levering van grondstoffen, bij voorbeeld bieten. Dit soort vennootschappen zou overigens vrijwel alleen in de sector suikerbietenverwerking bestaan.(48)
59 Kan de aandeelhouder van een dergelijke vennootschap, die de door deze vennootschap vastgestelde verdeling tussen de A- en B-quota van de te leveren hoeveelheden bestrijdt, zich beroepen op § 53 a AktG en eisen, dat hij niet minder goed wordt behandeld dan andere aandeelhouders die in dezelfde situatie verkeren? Erkent het gemeenschapsrecht, dat het in deze tekst neergelegde beginsel als criterium kan dienen voor de verdeling tussen bietenproducenten van de aan de suikerproducerende onderneming toegekende quota?(49)
60 Ik ben van oordeel, dat het antwoord ongetwijfeld bevestigend is, zolang de verdeling tussen aandeelhoudende producenten wordt uitgevoerd.
61 Het vereiste van gelijke behandeling van aandeelhouders is in casu slechts de uitdrukking, in nationaal recht, van het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, neergelegde communautaire beginsel van gelijke behandeling. Dit betekent, dat het door de suikerfabriek vastgestelde verdelingscriterium, zoals bij voorbeeld de gedurende een gegeven referentieperiode geleverde hoeveelheid, zonder discriminatie tussen aandeelhoudende producenten moet worden toegepast.
62 Overigens wordt het beginsel in deze zaak niet alleen in dit verband aangevoerd. De rechter a quo brengt immers naar voren, dat volgens verzoeker in het hoofdgeding "de statuten van verweerster (...) noodzakelijkerwijs leiden tot het bevoordelen van de aandeelhouders" en dat "de fabriek haar A- en B- hoeveelheden allereerst onder deze laatsten moet verdelen". Kan een aandeelhouder zich in een dergelijke situatie beroepen op het beginsel van § 53 a AktG om in aanmerking te komen voor een in vergelijking met leveranciers die geen aandeelhouders zijn, bevoorrechte behandeling door de suikerfabrikant?
63 In casu mag geen sprake zijn van een willekeurige uitlegging van bovengenoemde bepaling, die enkel onder de bevoegdheid van de nationale rechter valt. Er zij echter opgemerkt, dat artikel 1, eerste alinea, van verordening nr. 741/75 van de Raad - die niet bij verordening nr. 1785/81 van de Raad werd ingetrokken - dienaangaande een belangrijke aanwijzing geeft. Dit artikel bepaalt namelijk, dat de regels betreffende de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het basisquotum, bij gebreke van overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven, door de betrokken Lid-Staat kunnen worden vastgesteld. In dat geval staat artikel 1, tweede alinea, van die tekst, uitgelegd in het licht van het arrest van 16 januari 1979 (Sukkerfabriken Nykøbing)(50) toe, dat, nog steeds binnen dezelfde grenzen, leveringsrechten kunnen worden gegeven aan bietenverkopers die geen lid zijn van de coöperatieve suikerfabriek.
64 Kan een aandeelhouder, wanneer dergelijke rechten door een suikerfabricerende Nebenleistungs-AG aan derden worden toegekend, zich baseren op het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders teneinde deze rechten weer ter discussie te stellen?
65 Tussen aandeelhoudende producenten en zij die geen aandeelhouder zijn, bestaat een objectief verschil, op grond waarvan aan de twee categorieën uiteenlopende rechten worden of kunnen worden toegekend die de leveringsrechten van betrokkenen beïnvloeden. Bij de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling moet met dit verschil rekening worden gehouden.
66 Ik deel dientengevolge het standpunt van de Commissie, wanneer zij verklaart dat dit beginsel moet worden toegepast in het vennootschapsrecht, "voor zover de leveringen van de suikerbietenproducenten gebaseerd zijn op de in de statuten omschreven verplichtingen inzake bijkomende prestaties". De verplichting tot gelijke behandeling van aandeelhouders staat derhalve buiten kijf.
67 Deze verplichting is echter niet onverenigbaar met rechten die rechtsgeldig aan niet-aandeelhouders zijn toegekend, en aandeelhouders kunnen deze rechten slechts bestrijden in het geval dat ze worden toegekend in strijd met de rechten van de aandeelhouders. Dit staat uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter.
68 De tweede prejudiciële vraag behoeft geen uitgebreide bespreking.
69 Zij is er in wezen op gericht, de criteria te identificeren die de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt als rechtstreeks toepasselijk recht kan leveren aan het nationale verbintenissenrecht, met het oog op de verdeling van de hoeveelheden bieten tussen de producenten met inachtneming van de quota.
70 Deze vraag kan op twee manieren worden uitgelegd.
71 Ofwel zij heeft betrekking op de rechtstreeks toepasselijke voorschriften van gemeenschapsrecht, die criteria vaststellen waarop een particulier in het kader van een tussen een bietenproducent en een suikerfabriek gesloten contract een beroep kan doen.
72 Ik heb aangetoond, dat de verordeningen ter zake, die per definitie rechtstreeks toepasselijk zijn, dergelijke criteria niet noemen. Dit wil echter nog niet zeggen, dat er sprake is van een "juridisch vacuüm".(51) De artikelen 39-46 van het Verdrag gelden voor de Lid-Staten. Particulieren kunnen evenwel niet rechtstreeks aanspraken ontlenen aan deze artikelen.(52)
73 Ofwel zij heeft betrekking op de criteria die door het gemeenschapsrecht aan de nationale wetgever worden verschaft, zoals het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, of de in artikel 39 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Ik heb deze bij het antwoord op de eerste vraag ter sprake gebracht.
74 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"1) Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad staat niet in de weg aan een nationale regeling die, toegepast bij gebreke van communautaire harmonisatiemaatregelen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, de overeenkomsten tussen bietenproducenten en suikerfabrikanten onderwerpt aan de inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling, zoals dit enerzijds krachtens het mededingingsrecht op leveranciers, en anderzijds krachtens het vennootschapsrecht op aandeelhouders van een Nebenleistungs-AG moet worden toegepast, zolang deze regeling verenigbaar is met het door de gemeenschappelijke marktordening en door de quotaregeling nagestreefde doel.
2) Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevat de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt geen enkel voorschrift betreffende de verdeling van quota tussen producenten, die een particulier rechtstreeks voor de nationale rechter kan inroepen."
(1) - PB 1968, nr. 308, blz. 1.
(2) - Verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1069/89 van de Raad van 18 april 1989 (PB 1989, L 114, blz. 1).
(3) - Beschikking 90/45/EEG van de Commissie van 19 december 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (PB 1990, L 31, punt 14). Zie eveneens r.o. 4 van het arrest van 16 januari 1979 (zaak 151/78, Sukkerfabriken Nykøbing, Jurispr. 1979, blz. 1).
(4) - Zie artikel 24 van verordening nr. 1785/81.
(5) - Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1785/81.
(6) - Zie artikel 24 van verordening nr. 1785/81.
(7) - Zie artikelen 24, lid 1, sub c, en 26, lid 1, van verordening nr. 1785/81 en beschikking 90/45/EEG, blz. 34, punt 16.
(8) - Verordening (EEG) nr. 206/68 van de Raad van 20 februari 1968 houdende vaststelling van raamvoorschriften voor de contracten en overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven betreffende de aankoop van suikerbieten (PB 1968, L 47, blz. 1), voorziet in geen enkele bepaling betreffende de verdeling van de quota tussen suikerbietenproducenten.
(9) - Verordening houdende vaststelling van bijzondere regels betreffende de aankoop van suikerbieten (PB 1975, L 74, blz. 2).
(10) - Arrest van 13 november 1990, LM 1990 nr. 71, betreffende § 26 GWB.
(11) - Voor de prejudiciële vragen, zie onder III van het rapport ter terechtzitting.
(12) - R.o. 17. Voor de vindplaats zie voetnoot 3 supra.
(13) - Zie de tekst van artikel 43, lid 2.
(14) - Arrest van 13 maart 1984 (zaak 16/83, Prantl, Jurispr. 1984, blz. 299, r.o. 13), cursivering van mij.
(15) - Arresten van 19 maart 1991 (zaak C-32/89, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1321, r.o. 20), en 7 april 1992 (zaak C-61/90, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. I-2407, r.o. 23).
(16) - Arrest van 14 juli 1988 (zaak 90/86, Zoni, Jurispr. 1988, blz. 4285, r.o. 26). Zie eveneens arrest van 6 november 1990 (zaak C-86/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-3891, r.o. 19).
(17) - Ibid.
(18) - Reeds aangehaald, zie voetnoot 16.
(19) - R.o. 13, reeds aangehaald.
(20) - R.o. 24.
(21) - R.o. 25.
(22) - Ibid., r.o. 22.
(23) - Arrest van 28 maart 1984 (gevoegde zaken 47/83 en 48/83, Pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert, Jurispr. 1984, blz. 1721, r.o. 22).
(24) - Arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981, blz. 1045, r.o. 30).
(25) - Arrest Pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert, reeds aangehaald, r.o. 23.
(26) - Zie voetnoot 26 supra.
(27) - R.o. 31 en 35.
(28) - Verordening van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB 1975, L 282, blz. 77).
(29) - R.o. 26.
(30) - Zaak 31/78, Jurispr. 1978, blz. 2429.
(31) - R.o. 16.
(32) - Zie r.o. 18 van het arrest van 18 oktober 1979 (zaak 5/79, Buys, Jurispr. 1979, blz. 3203) en de aangehaalde rechtspraak.
(33) - Ibid., cursivering van mij.
(34) - Arrest van 23 januari 1975 (zaak 51/74, Jurispr. 1975, blz. 79, r.o. 26).
(35) - Arrest van 18 mei 1977 (zaak 111/76, Jurispr. 1977, blz. 901, r.o. 22).
(36) - R.o. 25.
(37) - Zie overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81.
(38) - Artikel 39, lid 2, sub c.
(39) - Arrest van 29 november 1978 (zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, r.o. 57), cursivering van mij.
(40) - Zaak 139/79, Jurispr. 1980, blz. 3393.
(41) - R.o. 23.
(42) - Artikelen 1 en 2 van de verordening inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB 1962, blz. 993).
(43) - Beschikking, artikel 1.
(44) - Beschikking, artikel 2.
(45) - Arrest van 20 september 1988 (zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563, r.o. 25).
(46) - Artikel 25 van verordening nr. 1785/81.
(47) - § 55 AktG.
(48) - Aldus de Commissie in haar opmerkingen.
(49) - Overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 1785/81.
(50) - R.o. 23 en 25. Opgemerkt zij dat het hoofdgeding in deze zaak de verdeling van de hoeveelheden betrof die binnen het basisquotum van de fabriek kunnen worden geleverd (zie r.o. 14 en 15).
(51) - Zie arrest van 16 maart 1977 (zaak 68/76, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1977, blz. 515, r.o. 22).
(52) - Uit r.o. 6, laatste alinea, van het arrest van 12 juli 1973 (zaak 2/73, Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865) blijkt, dat artikel 40, lid 3, tweede alinea, geen rechtstreekse werking heeft.
Full & Egal Universal Law Academy