Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige zaak is, naar ik meen, in zoverre uniek, dat het gaat om een beroep tot nietigverklaring dat door een onderdaan van een derde staat is ingesteld tegen een brief van de Commissie aan de vertegenwoordiger van het Koninkrijk Zweden bij de Europese Gemeenschappen. Die bijzonderheid verklaart op zichzelf de twee door de Commissie opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid.
2. Alvorens deze te onderzoeken, geef ik een samenvatting van de feitelijke en juridische context van het geschil. Voor een nadere uiteenzetting verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.(1)
3. Luidens een overeenkomst van 21 maart 1977 verleenden de Europese Economische Gemeenschap en de regering van Zweden elkaar in hun exclusieve visserijzones wederkerige rechten ten gunste van hun respectieve vaartuigen (artikel 1), evenwel beperkt tot jaarlijks vastgestelde vangstquota (artikel 2) en zo nodig aan een visvergunning onderworpen (artikel 4).
4. Elke partij moet ervoor zorgen, dat de vaartuigen onder haar jurisdictie zich aan de overeenkomst houden (artikel 5, lid 1), met dien verstande, dat zij ten aanzien van de vaartuigen van de andere partij de nodige maatregelen kan treffen om de inachtneming van die bepalingen te verzekeren (artikel 5, lid 2).
5. Een procedure voor overleg en eventueel arbitrage werd ingesteld om mogelijke geschillen over de uitlegging of de toepassing van de overeenkomst bij te leggen (artikel 7).
6. De overeenkomst werd goedgekeurd bij verordening van de Raad van 27 juni 1980, waaraan zij werd aangehecht.(2)
7. De Raad stelde bij verordening van 20 december 1990(3) de voorwaarden vast, waaraan de Zweedse vaartuigen die hun visserijactiviteit in de communautaire wateren uitoefenen, moeten voldoen, en waarvan de niet-inachtneming tot gevolg heeft, dat de visvergunning voor ten hoogste twaalf maanden wordt ingetrokken.
8. Op 10 december 1991 werd het Zweedse visserijvaartuig "Lavoen", eigendom van de vennootschap naar Zweeds recht Fiskano AB (hierna: "Fiskano"), gecontroleerd door de Nederlandse autoriteiten (Algemene Inspectie Dienst), die vaststelden dat het niet voorkwam op de lijst van vaartuigen die een visvergunning hadden. Die autoriteiten informeerden de Commissie, die deze feitelijke situatie bevestigde.
9. De Commissie schreef dus op 19 februari 1992 aan de ambassadeur van Zweden bij de Europese Gemeenschappen, dat aangezien de Lavoen zich "aan illegale visserijactiviteiten schuldig [had] gemaakt, (...) [hij] niet in aanmerking [zou] worden genomen voor een nieuwe visvergunning"(4) gedurende een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf 15 december 1991, en dit op grond van artikel 3, leden 7 en 8, van genoemde verordening.
10. De Zweedse autoriteiten zonden een kopie van deze brief aan Fiskano, die de Commissie op 30 maart 1992 een bij brief van 5 mei 1992 afgewezen klacht deed toekomen.
11. Het onderhavige beroep is tegen de brief van 19 februari 1992 gericht.
12. Zoals gezegd, werpt de Commissie mijns inziens twee, door haar niet onderscheiden middelen van niet-ontvankelijkheid op. Het ene betreft de aard van de bestreden handeling, het andere het dubbele vereiste, dat verzoekster rechtstreeks en individueel moet zijn geraakt.
13. Alvorens het eerste middel aan te snijden, herinner ik eraan, dat wat het formele criterium betreft, het Hof in zijn rechtspraak geen genoegen neemt met de kwalificatie van de handeling door de instelling waarvan zij uitgaat, maar de handeling onderzoekt teneinde de werkelijke aard ervan te bepalen.
14. Zo overwoog het Hof in het arrest Belgische Steenkool-Federatie(5), dat een brief als een beschikking moest worden gekwalificeerd, want
"De Hoge Autoriteit heeft aldus op ondubbelzinnige wijze de houding bepaald, welke zij voornemens is aan te nemen zodra de voorwaarden, bedoeld sub 2 d, vervuld zijn."(6)
15. Nog vooraf zij eraan herinnerd, dat de omstandigheid dat een internationale overeenkomst aan de brief ten grondslag ligt, niet betekent dat hij aan 's Hofs beoordeling en toezicht is onttrokken.
16. Zo beklemtoonde het Hof in het arrest Haegeman(7), dat een door de Raad gesloten overeenkomst
"(...) een handeling is, welke door een der instellingen van de Gemeenschap is verricht (...)"(8),
zodat
"(...) de bepalingen van de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding daarvan, een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde vormen"(9),
en dus aan de uitleggingsbevoegdheid van het Hof zijn onderworpen.
17. Bovendien onderstreepte het Hof in zijn advies 1/75(10):
"Daar de vragen of het sluiten van een bepaald akkoord al dan niet tot de bevoegdheden van de Gemeenschap behoort en of deze bevoegdheden eventueel zijn uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, in beginsel, hetzij rechtstreeks op grond van artikel 169 of artikel 173 van het Verdrag, hetzij door middel van een prejudiciële procedure, aan het Hof van Justitie kunnen worden voorgelegd, dient derhalve te worden erkend dat deze ook door middel van de prealabele procedure van artikel 228 voor het Hof kunnen worden gebracht."(11)
18. In het licht van deze overwegingen moet de door de Commissie verdedigde stelling worden onderzocht, dat de litigieuze brief niet door verzoekster kon worden aangevochten, aangezien hij, voor zover hij gericht was aan een derde staat en dus paste in het kader van betrekkingen tussen twee soevereine entiteiten, haar niet rechtstreeks en individueel kon raken. Gezien die tussenstaatse verhouding zou de brief niet als een "beschikking" kunnen worden gekwalificeerd, maar als een eenvoudig voorstel tot het opleggen van een sanctie, dat uitgaat van de Commissie maar waarvan de beoordeling uitsluitend van de Zweedse autoriteiten afhangt.
19. Dit betoog kan worden weerlegd aan de hand van de uitlegging van de relevante bepalingen van de overeenkomst en de ten tijde van de overtreding geldende verordeningen.
20. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, bepaalt de overeenkomst in artikel 5, lid 1, dat elke partij ervoor moet zorgen dat haar eigen vaartuigen zich aan de voorwaarden van de overeenkomst en de andere regelingen houden, maar dat neemt niet weg, dat de Gemeenschap noch het Koninkrijk Zweden afstand hebben willen doen van hun respectieve bevoegdheden, wat de inachtneming van de toepasselijke regeling door de vaartuigen van de andere partij betreft.
21. Artikel 5, lid 2, bepaalt immers:
"Elke partij kan overeenkomstig het internationale recht binnen de visserijgebieden onder haar jurisdictie de maatregelen treffen die nodig kunnen zijn om te waarborgen dat vaartuigen van de andere partij zich aan de bepalingen van deze overeenkomst houden."
22. Zodra een vaartuig die verplichtingen niet nakomt, kan de ene en/of de andere partij het een sanctie opleggen, zonder daarmee inbreuk te maken op de soevereiniteit van de andere partij.
23. Het gaat integendeel om de inachtneming van het in het internationaal publiekrecht algemeen aanvaarde begrip territoriale soevereiniteit, in casu over de exclusieve visserijzone, dat door het Permanent Hof van Internationale Justitie in het beroemde arrest Lotus van 7 september 1927 als volgt werd verwoord(12):
"(...) de fundamentele beperking die het internationale recht aan de staat oplegt, is dat - behoudens wanneer er een andersluidende regel bestaat - iedere uitoefening van zijn macht op het grondgebied van een andere staat is uitgesloten."(13)
24. Geen enkele partij heeft echter van haar eigen bevoegdheid binnen haar territoriale grenzen afstand willen doen.
25. Juist dat begrip wordt herhaald in verordening nr. 3929/90, waarvan artikel 3, lid 8, de Commissie machtigt, voor rekening van de Gemeenschap aan Zweedse vaartuigen die de verordening overtreden, een vergunning te ontzeggen, onverminderd de in artikel 4, tweede alinea, voorziene mogelijkheid,
"(...) Zweden namens de Gemeenschap in kennis [te stellen] van de naam en de kenmerken van de schepen die niet in de visserijzone van de Gemeenschap mogen vissen gedurende de maand(en) volgend op een overtreding van de communautaire voorschriften".
26. Zo staat de verordening, overigens conform de overeenkomst, de Commissie toe, wanneer een vaartuig een van de bepalingen heeft geschonden, hetzij de visvergunning in te trekken of te weigeren, hetzij gewoon aan Zweden deze sanctie voor te stellen.
27. Stond het echter in het kader van de overeenkomst niet aan het Koninkrijk Zweden de "beschikking" te bestrijden, gezien het bestaan van een overleg- en arbitrageprocedure voor "geschillen over de uitleg of toepassing van deze overeenkomst"?(14)
28. De Commissie erkent, dat die bepaling niet bedoeld is om "toegepast te worden op het dagelijks beheer van de overeenkomst".(15)
29. Ik ben het met die analyse eens.
30. Dienaangaande moet hier worden herinnerd aan 's Hofs arrest in de zaak Adams(16), waarin de verzoeker, die in Zwitserland was veroordeeld omdat hij vertrouwelijke inlichtingen over concurrentievervalsende praktijken van de vennootschap Hoffmann-La Roche aan de Commissie had doorgespeeld, deze laatste verweet, zich niet te hebben gewend tot het Gemengd Comité dat in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Zwitserland was ingesteld.
31. Het Hof wees erop, dat
"(...) de beslissing om een zaak al dan niet aan het Gemengd Comité voor te leggen, slechts [kan] worden genomen met betrekking tot aangelegenheden die uitsluitend algemene belangen van de Gemeenschap raken, zulks na een beoordeling die in wezen een politiek karakter heeft en die niet door een particulier voor het Hof kan worden betwist".(17)
32. Zo ook heeft de in artikel 7 bedoelde procedure niet tot doel, de gevolgen van een individuele beschikking aan te pakken, doch uitsluitend de eventuele conflicten te regelen, die rechtstreeks tussen de partijen kunnen rijzen, onder meer wat de instandhouding van de visbestanden (vangstmethoden) of de beschermde zones betreft.
33. Daar de Gemeenschap kan verbieden, de Lavoen voor het verlenen van een vergunning in aanmerking te nemen, dient enerzijds te worden nagegaan of de brief in casu een beschikking in de zin van artikel 173, tweede alinea, is en anderzijds of hij, hoewel tot het Koninkrijk Zweden gericht, verzoekster rechtstreeks en individueel raakte.
34. Zowel in haar schrifturen als ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd, dat de brief niet kon worden uitgelegd als een verbod om een vergunning te verlenen, maar enkel als een voorstel om ze te weigeren, zodat hij niet kan worden beschouwd
"(...) als een handeling van het bevoegde orgaan, bestemd om rechtsgevolgen in het leven te roepen en genomen ter afsluiting van de interne behandeling door dit orgaan, waarmede het zich definitief uitspreekt in een vorm die de handeling duidelijk als beschikking kwalificeert".(18)
35. Toch dient te worden vastgesteld, dat de bewoordingen zelf van de brief de Zweedse autoriteiten geen discretionaire bevoegdheid verlenen, maar hen er zonder meer van op de hoogte brengen, dat het verlenen van een vergunning aan de Lavoen gedurende twaalf maanden wordt geschorst. Het gaat dus, zoals trouwens uit de uitdrukkelijke verwijzing in de brief zelf blijkt, om een met toepassing van artikel 3, leden 7 en 8, verrichte handeling en niet om een krachtens artikel 4, tweede alinea, ingediend voorstel.
36. De Zweedse regering lijkt die brief ook zo te hebben opgevat, daar zij zich ertoe beperkte, verzoekster een kopie ervan toe te zenden.
37. Kan, nu het om een beschikking gaat, verzoekster zich als rechtstreeks en individueel geraakt beschouwen?
38. Volgens de Commissie hadden de Zweedse autoriteiten, nog vóór de litigieuze brief werd verzonden, reeds besloten dat de Lavoen voor het jaar 1992 geen visvergunning zou kunnen krijgen, aangezien hij niet voorkwam op de op 17 januari 1992 ingediende jaarlijkse basislijst van de vaartuigen onder Zweedse vlag, waarvoor de autoriteiten voor het betrokken jaar een vergunning hadden aangevraagd.
39. Aangezien dus de weigering van de Zweedse autoriteiten om het vaartuig op de jaarlijst in te schrijven, en niet de beschikking van de Commissie, voor verzoekster bezwarend zou zijn, zou zij niet rechtstreeks worden geraakt door de handeling waarvan zij nietigverklaring vordert.
40. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de rechtspraak van het Hof de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep afhankelijk stelt van het belang dat de verzoeker erbij heeft, dat de bestreden handeling nietig wordt verklaard.(19)
41. Het stond dus aan de Commissie te bewijzen, dat de jaarlijst definitief is en het volstrekt onmogelijk maakt, dat aan een oorspronkelijk niet ingeschreven vaartuig later een of meer maandelijkse vergunningen worden verleend. De eenvoudige verklaringen van de Commissie dienaangaande vinden geen bevestiging in de overeenkomst of de vordering.
42. Bovendien bepaalt het verslag van de conclusies van het overleg tussen de Gemeenschap en Zweden(20), bedoeld om de vergunningen voor het jaar 1991 te beheersen, dat "verzoeken tot wijziging van de basislijsten te allen tijde kunnen worden ingediend en zo spoedig mogelijk worden behandeld" (punt 2, lid 2, laatste volzin). In dit verband heb ik ook vastgesteld, dat op de lijst voor december 1991 voor het eerst, bij zone IV, het vaartuig GG 229 "Bristol" verschijnt, dat niet op de lijst voor het jaar 1991 voorkomt.(21)
43. Ten slotte kan uit het opschrift zelf van de basislijst niet worden afgeleid, dat die lijst niet voor wijziging vatbaar is, aangezien het luidt als volgt:
"Base list of Swedish vessels intending to fish in Community waters in 1992"(22),
terwijl de maandlijst een formele aanvraag voor een vergunning bevat ["Swedish vessels applying for permission (...)"].(23)
44. Bijgevolg kon de litigieuze brief voor verzoekster bezwarend zijn, daar hij haar ten minste de kans ontnam, te worden ingeschreven.
45. Daar de Zweedse autoriteiten, wat de door de Commissie genomen beschikking betreft, over geen discretionaire bevoegdheid beschikken, werd verzoekster rechtstreeks geraakt.
46. Wat het begrip "individueel geraakt" betreft, het werd door het Hof in het arrest Plaumann(24) gedefinieerd als volgt:
"(...) zij, die niet zijn de adressaten ener beschikking [zouden] slechts (...) kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat".(25)
47. Ik kan volstaan met vast te stellen, dat de beschikking de Lavoen, met uitsluiting van ieder ander vaartuig betreft.
48. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
49. In het stadium van de repliek heeft verzoekster een exceptie van onwettigheid opgeworpen, op grond dat de Raad niet bevoegd was verordening nr. 3929/90 vast te stellen voor zover zij een sanctie oplegt, en dat hij het Verdrag heeft geschonden door de bevoegdheid om ze uit te spreken, aan de Commissie te delegeren.
50. De Commissie concludeert tot verwerping van die exceptie op grond van artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding verbiedt, "tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken".
51. Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd, dat de foutieve verwijzing in de litigieuze brief haar heeft belet de exceptie in het stadium van het verzoekschrift op te werpen.
52. Dit betoog kan niet overtuigen.
53. Weliswaar wordt het verbod om een visvergunning te verlenen, in de litigieuze brief gebaseerd op verordening (EEG) nr. 3939/90 en niet op verordening nr. 3929/90.
54. Die foutieve nummering kan echter niet worden geacht verzoekster te hebben belet, de exceptie van onwettigheid al meteen in het begin op te werpen, te meer daar de juiste verwijzing naar datum en nummer van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen volstond om een marktdeelnemer die een normale zorgvuldigheid aan de dag legt, in staat te stellen, van de inhoud van die verordening kennis te nemen.
55. Bovendien wordt in die brief verwezen naar de latere verordening nr. 3885/91 (PB 1991, L 367, blz. 48), die vrijwel identiek is aan de vorige, met uitzondering van enerzijds het jaar van toepassing en anderzijds de toegekende quota. De mogelijkheid om een verbod uit hoofde van artikel 3, leden 7 en 8, uit te spreken, is in dezelfde bewoordingen vermeld. Fiskano verwijst trouwens in haar verzoekschrift naar deze laatste verordening, zonder daartegen een exceptie van onwettigheid op te werpen.
56. Bijgevolg moet de exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk worden verklaard.
57. Ik kom thans tot de zaak ten gronde.
58. Verzoekster beroept zich op schending door de Commissie van de rechten van de verdediging en het evenredigheidsbeginsel, en op gebrek aan motivering van de bestreden beschikking.
59. Alvorens die grieven te onderzoeken, herinner ik eraan, dat in het kader van de overeenkomst de partijen onderscheiden bevoegdheden bezitten. Het Koninkrijk Zweden maakt naar goeddunken de lijst op van de vaartuigen waarvoor het vergunningen om in de communautaire wateren te vissen aanvraagt. De Commissie zal die vergunningen zonder recht van controle op de voorgestelde vaartuigen afgeven, wanneer zij hun tenminste geen verbod wegens schending van de overeenkomst of de verordeningen heeft opgelegd.
60. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, staat het niet aan haar te controleren hoe het Koninkrijk Zweden die vergunningen verdeelt, aangezien dit tot zijn soevereiniteit behoort. De Commissie hoeft dus niet te weten, waarom die staat, voor het verlenen van een maandelijkse vergunning, het ene vaartuig eerder dan het andere heeft voorgedragen.
61. Hetzelfde geldt echter niet voor beschikkingen die van de Commissie zelf uitgaan.
62. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers, dat
"(...) een bestuursorgaan bij het nemen van een maatregel waardoor individuele belangen ernstig kunnen worden gekwetst, gehouden is betrokkene in staat te stellen zijn standpunt kenbaar te maken"(26)
en dat
"(...) de eerbiediging van de rechten der verdediging in iedere procedure tegen een persoon, die tot een voor deze laatste nadelige behandeling kan leiden, [moet] worden beschouwd als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij gebreke van een bijzondere regeling in acht moet worden genomen".(27)
63. Van een zo algemeen beginsel, dat onder meer in het arrest Hoffmann-La Roche(28) werd bevestigd, kan de draagwijdte niet variëren volgens de aard van de aan 's Hofs oordeel onderworpen beschikking, aangezien het gaat om een minimumstandaard, waaraan dus geen afbreuk kan worden gedaan wegens het specifieke karakter van de betrokken procedure.
64. De Commissie betwist niet, dat zij verzoekster niet heeft gehoord alvorens de litigieuze beschikking te nemen, doch rechtvaardigt dit "verzuim" door het internationale karakter van de tussen het Koninkrijk Zweden en de Gemeenschap gesloten overeenkomst.
65. Een dergelijk argument is reeds behandeld bij het onderzoek van de ontvankelijkheid. Ik kan dus volstaan met te herhalen, dat aangezien het gaat om een behandeling van een gemeenschapsinstelling, bestemd om ten aanzien van verzoekster rechtsgevolgen in het leven te roepen, alle, met name procedurele waarborgen in acht moesten worden genomen.
66. Dat is in casu niet gebeurd, want Fiskano heeft geen gelegenheid gehad, zich vóór het nemen van de litigieuze beschikking over de aangevoerde grieven uit te laten.
67. Toch zal ik het Hof niet in overweging geven, de beschikking op die grond nietig te verklaren, want
"Opdat een dergelijke schending van de rechten van de verdediging tot nietigverklaring zou kunnen leiden, is evenwel vereist, dat de procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop zou hebben gehad."(29)
68. Zonder van Fiskano het bewijs te verlangen, dat zij, toen de overtreding werd geconstateerd, over een vergunning beschikte, had men een verklaring van de bevoegde Zweedse autoriteiten omtrent het verlenen van een vergunning voor de betrokken maand in aanmerking kunnen nemen.
69. Fiskano heeft een dergelijk stuk niet overgelegd, maar zich beperkt tot de bewering, dat aangezien zij begin 1991 in de communautaire wateren mocht vissen, "een extra zorgvuldigheidsverplichting om informatie in te winnen" op de Commissie rustte.(30)
70. Een dergelijk argument is niet overtuigend, aangezien verzoekster geen enkel motief vermeldt, dat, ware het bekend geweest, de Commissie ertoe had kunnen brengen een andere beschikking te nemen.
71. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, dit middel af te wijzen.
72. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel verlangt 's Hofs rechtspraak, dat de sanctie wegens niet-nakoming van een communautaire verplichting niet verder gaat
"(...) dan hetgeen passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel".(31)
73. Derhalve dient te worden nagegaan, of de begane overtreding rechtmatig kan worden bestraft door het vaartuig een jaar lang geen visvergunning te verlenen.
74. Verordening nr. 3929/90 legt de Zweedse vaartuigen die in de communautaire wateren vissen een aantal verplichtingen op: zij moeten een logboek bijhouden(32), de Commissie bepaalde gegevens meedelen(33), (...) een visvergunning hebben.(34)
75. Bij niet-nakoming van een van die verplichtingen wordt de vergunning ingetrokken of het verlenen van een vergunning verboden "gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden".(35)
76. Aangezien de begane overtreding uit het oogpunt van de verordeningsbepalingen de zwaarste is, kon de Commissie in casu zonder schending van het evenredigheidsbeginsel verzoekster een vergunning voor de betrokken periode weigeren.
77. Wat ten slotte de motivering van de litigieuze brief betreft, volstaat het erop te wijzen, dat de Commissie, door te verklaren dat
"(...) genoemd vaartuig niet in het bezit was van een vergunning om in voormelde periode in de communautaire wateren te vissen en zich bijgevolg aan illegale visserijactiviteiten schuldig [had] gemaakt",
een voldoende motivering heeft gegeven voor haar beschikking, die dus
"(...) het Hof in staat [stelt] tot het uitoefenen van zijn rechtmatigheidscontrole, en de betrokkene de nodige gegevens [verschaft] om uit te maken of het besluit gegrond is of niet".(36)
78. Daar Fiskano, wat dit laatste middel betreft, in het ongelijk is gesteld, moet haar vordering worden verworpen.
79. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
° het beroep van de vennootschap Fiskano tegen de beschikking van de Commissie van 19 februari 1992 ontvankelijk te verklaren;
° de in het stadium van de repliek opgeworpen exceptie van onwettigheid van verordening (EEG) nr. 3929/90 van de Raad van 20 december 1990 tot vaststelling, voor 1991, van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden van toepassing op vaartuigen die de vlag van Zweden voeren, niet-ontvankelijk te verklaren;
° het beroep te verwerpen;
° de vennootschap Fiskano in alle kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - I. De toepasselijke bepalingen.
(2) - Verordening (EEG) nr. 2209/80 van de Raad van 27 juni 1980 betreffende de sluiting van de overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap en de regering van Zweden (PB 1980, L 226, blz. 1).
(3) - Verordening (EEG) nr. 3929/90 tot vaststelling, voor 1991, van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden van toepassing op vaartuigen die de vlag van Zweden voeren (PB 1990, L 378, blz. 48).
(4) - Bijlage 1 bij het verzoekschrift.
(5) - Arrest van 16 juli 1956 (zaak 8/55, Jurispr. 1955-1956, blz. 211).
(6) - Blz. 236.
(7) - Arrest van 30 april 1974 (zaak 181/73, Jurispr. 1974, blz. 449).
(8) - R.o. 4.
(9) - R.o. 5.
(10) - Advies van 11 november 1975 (Jurispr. 1975, blz. 1355).
(11) - Blz. 1361.
(12) - Receuil des arrêts, avis consultatifs et ordonnances de la Cour permanente de justice internationale, n 9, série A, blz. 1.
(13) - Blz. 18.
(14) - Artikel 7, lid 2.
(15) - Dupliek, blz. 6.
(16) - Arrest van 7 november 1985 (zaak 53/84, Jurispr. 1985, blz. 3595).
(17) - R.o. 15, eigen cursivering.
(18) - Arrest van 16 juni 1966 (zaak 54/65, Compagnie des Forges de Châtillon; Jurispr. 1966, blz. 230, 244).
(19) - Zie in die zin het arrest van 29 juni 1978 (zaak 77/77, BP, Jurispr. 1978, blz. 1513, r.o. 13).
(20) - Bijlage bij de dupliek.
(21) - Bijlagen 1 en 2 bij het verweerschrift.
(22) - Bijlage 6 bij het verweerschrift, eigen cursivering.
(23) - Bijlage 8 bij het verweerschrift, eigen cursivering.
(24) - Arrest van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Jurispr. 1963, blz. 207).
(25) - Blz. 232.
(26) - Arrest van 27 oktober 1977 (zaak 121/76, Moli, Jurispr. 1977, blz. 1971, r.o. 20).
(27) - Arrest van 21 maart 1990 (zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 46).
(28) - Arrest van 13 februari 1979 (zaak 85/76, Jurispr. 1979, blz. 461, r.o. 14).
(29) - Arrest in zaak C-142/87 (België/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 48)
(30) - Repliek, blz. 7.
(31) - Arrest van 20 februari 1979 (zaak 122/78, Buitoni, Jurispr. 1979, blz. 677, r.o. 16).
(32) - Artikel 2, lid 2.
(33) - Artikel 2, lid 3.
(34) - Artikel 3, lid 1.
(35) - Artikel 3, lid 8.
(36) - Arrest van 13 maart 1985 (gevoegde zaken 296/82 en 318/82, Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 809, r.o. 19).
Full & Egal Universal Law Academy