CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 14 juli 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De Commissie heeft krachtens artikel 169 EEG-Vcrdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat Italië de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften. ( 1 )
2.
Volgens artikel 8 van deze richtlijn dienen de Lid-Staten de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee te delen (dat wil zeggen de technische specificaties die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik van een produkt in een Lid-Staat —zie artikeli, punt5). De Commissie stelt vervolgens de overige Lid-Staten in kennis van het ontwerp, en de Commissie en deze Lid-Staten kunnen hun opmerkingen bij de betrokken Lid-Staat indienen. De betrokken Lid-Staat dient bij de verdere uitwerking van het technisch voorschrift met deze opmerkingen rekening te houden. Overeenkomstig artikel 9 dienen de Lid-Staten, behoudens dringende redenen, de goedkeuring van het ontwerp voor een technisch voorschrift ten minste drie maanden uit te stellen om de Commissie en de overige Lid-Staten in staat te stellen hun opmerkingen te maken. Volgens artikel 10 zijn de artikelen 8 en 9 niet van toepassing, indien de Lid-Staten de technische voorschriften vaststellen om te voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit communautaire richtlijnen of bepaalde internationale voorschriften.
De richtlijn heeft tot doel te voorkomen, dat nieuwe nationale belemmeringen voor de intracommunautaire handel worden gecreëerd. Onder verwijzing naar die doelstelling, heeft de Commissie in een mededeling die op 1 oktober 1986 in het Puhlikatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd ( 2 ), de aandacht van de Lid-Statcn en andere belanghebbenden gevraagd voor het feit dat „nationale normen en technische voorschriften welke worden vastgesteld in strijd met Richtlijn 83/189/EEG niet jegens derden kunnen worden toegepast en dat de Commissie van de nationale rechterlijke instanties verwacht dat zij weigeren deze toe te passen.”
3.
Volgens de Commissie is Italië de verplichtingen van de artikelen 8 en 9 van de richtlijn niet nagekomen door het ontwerp van ministerieel decreet nr. 514 van 5 november 1987 inzake de bepaling en de controle van het maximale vermogen, de bouw en de montage aan boord, van motoren voor pleziervaartuigen niet mee te delen.
4.
De Italiaanse regering betwist niet, dat de in artikel 8 van de richtlijn neergelegde informatieverplichting van toepassing is op het ministerieel decreet — ook al valt het ten dele binnen het kader van de omzetting van een richtlijn van de Raad ( 3 ) — en evenmin dat het betrokken ontwerp van ministerieel decreet niet vóór de goedkeuring aan de Commissie is meegedeeld. ( 4 )
Zij wijst echter erop, dat de Commissie tijdens de aan het beroep voorafgegane administratieve procedure evenals in het verzoekschrift heeft aangevoerd dat in een geval als het onderhavige de Lid-Staat ingevolge de richtlijn de toepassing van de vastgestelde technische bepalingen moet opschorten en deze onmiddellijk aan de Commissie moet sturen, zodat overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn de „nieuwe” regels pas na afloop van de informatieprocedure van kracht worden.
Wat betreft de manier waarop Italië een einde moet maken aan de inbreuk op de richtlijn, deelt de Italiaanse regering de mening van de Commissie niet. Zij benadrukt, dat het ministerieel decreet nr. 514 technische voorschriften voor motoren voor pleziervaartuigen heeft vervangen welke technische belemmeringen voor de handel met zich meebrachten, en dat de nieuwe voorschriften juist tot doel hadden deze belemmeringen weg te nemen. Wanneer nu de verzuimde mededeling van het ontwerp van decreet nr. 514 opschorting van deze nieuwe regel tot gevolg zou hebben, is dat in strijd met de doelstelling van de richtlijn inzake de informatieprocedure evenals met de regels van het Verdrag inzake het vrij verkeer van goederen. Daarom heeft de Italiaanse regering geconcludeerd, dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, of, subsidiair, als ongegrond wordt verworpen.
5.
Het betoog van de Italiaanse regering houdt derhalve geen ontkenning in van de oorspronkelijke inbreuk op de verplichtingen van de richtlijn, maar geeft daarentegen uiting aan het verschil van mening met de Commissie, waar deze laatste meent dat Italië, door na te laten het ministerieel decreet op te schorten, de richtlijn heeft geschonden.
6.
In het onderhavige geval betreft het werkelijke geschil tussen partijen derhalve een ander aspect dan dat waarop de conclusie van de Commissie betrekking heeft.
7.
Er zijn goede redenen voor aan te voeren, dat het Hof zich zou uitspreken over de vraag waarover partijen het werkelijk oneens zijn. Het gaat om een principiële kwestie die van praktisch belang is, en waarover het Hof tot op heden nog niet de gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken. In hun memories hebben partijen zich op deze kwestie geconcentreerd, en zij hebben ieder zwaarwegende argumenten naar voren gebracht ter ondersteuning van hun standpunt.
8.
Het is derhalve met een zekere tegenzin en met het gevoel wellicht te formalistisch te zijn, dat ik het Hof in overweging geef om enkel een standpunt in te nemen over het voorwerp van het petitum van de Commissie, ten aanzien waarvan de Italiaanse regering een inbreuk op de richtlijn heeft erkend.
9.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient de gegrondheid van een beroep uitsluitend te worden onderzocht binnen het kader van het petitum zoals dat in het verzoekschrift is geformuleerd. ( 5 ) Afgezien van het feit dat het de essentiële doelstelling van dit beginsel is de verweerder te verzekeren van de mogelijkheid zijn verdediging voor te bereiden, en ook al is dit in casu in concreto veiliggesteld, betreft het naar mijn mening een rechtszekerheidswaarborg die van zo fundamenteel belang is, dat niet de mogelijkheid van afwijking daarvan mag worden geschapen.
10.
Ik zie niet in waarom de Commissie het petitum niet had kunnen uitbreiden tot het verzuim om het ministerieel decreet op te schorten. Het was vanaf de fase van de aan de instelling van het beroep voorafgaande administratieve procedure duidelijk, dat de kwestie van de opschorting het werkelijke twistpunt tussen partijen was. Aangezien de Commissie dit niet heeft gedaan en daardoor het onderwerp van het beroep heeft beperkt tot een aspect waarover geen echt geschil bestond, ben ik van mening dat er aanleiding is artikel 69, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen en elke partij haar eigen kosten te laten dragen.
Conclusie
11.
Om de redenen die hierboven zijn uiteengezet, geef ik het Hof in overweging vast te stellen:
„—
dat de Italiaanse Republiek, door het ministerieel decreet nr. 514 van 5 november 1987 niet in het ontwerpstadium, aan de Commissie mee te delen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften,
en
—
dat elke partij haar eigen kosten draagt.”
( *1 ) Oorspronkelijke laai: Deens.
( 1 ) PB 1983, L 109, biz. 8. Deze richtlijn is gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB 1988, L 81, biz. 75). De wijzigingsrichtlijn diende voor 1 januari 1989 te zijn omgezet. Deze richtlijn is niet van belang voor het huidige geval.
( 2 ) PB 1986, C 245, biz. 4.
( 3 ) Het betreft richtlijn 80/181/EEG van 20 december 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten op het gebied van de mcctccnhcdcn (PB 1980, L 39, biz. 40).
( 4 ) De Italiaanse regering heeft uiteengezet dat zij decreet nr. 514 in juli 1991 aan de Commissie heeft gestuurd (dat wil zeggen na de aan Italië in het met redenen omklede advies van de Commissie verleende termijn om de nodige maatregelen te nemen). Overigens blijkt uit het dossier dat de Italiaanse regering, overeenkomstig de richtlijn inzake de informatieprocedure, in juni 1992 een ontwerp voor een nieuw ministerieel decreet heeft verstuurd ter vervanging van decreet nr. 514. Het nieuwe decreet vormt een bijwerking van de regels van decreet nr. 514.
( 5 ) Zie bij voorbeeld de arrcslcn van hel Hof van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1979, blz. 2729, r. o. 3, en van S februari 1983, zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 203, r. o. 6.
Full & Egal Universal Law Academy