Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak is het Hof naar aanleiding van een geschil tussen een jonge landbouwer, B. Le Nan, en een cooeperatieve vereniging die zijn melkproduktie koopt, de Coopérative laitière de Ploudaniel, om een prejudiciële beslissing verzocht over de uitlegging van de gemeenschapsregeling inzake de hoeveelheden melk die van de extra heffing zijn vrijgesteld (referentiehoeveelheden).
2. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de relevante gemeenschapsregels verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. Voor de onderhavige zaak zijn vooral de hierna toegelichte aspecten van de gemeenschapsregeling van belang.
Zoals bekend, voorziet verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten(1), ter beperking van de structurele melkoverschotten in een extra heffing die verschuldigd is over de hoeveelheden melk of melkequivalent die een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden.
Voor de toepassing van de heffingen hebben de Lid-Staten de keuze uit twee formules: formule A, waarbij de heffing rechtstreeks door de producent is verschuldigd, en formule B, waarbij de heffing verschuldigd is door de koper (cooeperatieve vereniging of melkfabriek), die ze doorberekent aan de producenten, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper. De referentiehoeveelheden worden in principe vastgesteld op basis van de melkleveringen in 1981 (artikel 2, lid 1); de Lid-Staten kunnen hiervoor evenwel het jaar 1982 of 1983 kiezen (artikel 2, lid 2). Frankrijk heeft de formule B en het referentiejaar 1983 gekozen.
De algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing zijn neergelegd in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984(2), en de uitvoeringsbepalingen ter zake in verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984.(3)
3. In het kader van formule B worden de referentiehoeveelheden niet aan de producenten doch aan de kopers toegekend, nu de heffing te hunnen laste komt. Ingevolge verordening nr. 857/84 kunnen in bijzondere situaties evenwel extra (individuele) referentiehoeveelheden worden toegekend, bij voorbeeld aan jonge landbouwers (artikel 3, eerste alinea, punt 2) of aan producenten wier melkproduktie over het referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen (artikel 3, eerste alinea, punt 3).
Belangrijker in de context van de onderhavige zaak is artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, betreffende de overdracht van referentiehoeveelheden bij overgang van eigendom of bezit van het bedrijf(4), naar luid waarvan "in geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam wordt overgedragen".
De wijze van overdracht is geregeld in artikel 5, eerste alinea, van verordening nr. 1371/84, naar luid waarvan "in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt" (punt 1), met dien verstande dat in geval van gedeeltelijke overgang van het bedrijf, de betrokken producent aanspraak heeft op overdracht van een evenredig gedeelte van de referentiehoeveelheid (punt 2); deze bepalingen (punten 1 en 2) zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben (punt 3). Artikel 5, tweede alinea, bepaalt dat "de Lid-Staten het bepaalde in de punten 1 en 2 kunnen toepassen ten aanzien van overgangen die hebben plaatsgevonden tijdens en sinds de referentieperiode".
Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 2, van bedoelde verordening, dat de Lid-Staten een referentiehoeveelheid kunnen toewijzen aan landbouwers die hun bedrijf zijn begonnen na het begin van de referentieperiode (na 1 april 1984), en zich dus niet kunnen beroepen op een referentieproduktiecijfer, dat de grondslag is van de betrokken regeling.
4. Aan het hoofdgeding liggen de volgende feiten ten grondslag. In oktober 1983 kocht Le Nan een bedrijf dat voor de melkproduktie was gebruikt tot en met het einde van het eerste semester van dat jaar, dus tot de datum waarop de pachter van het bedrijf (de melkproducent) de pachtovereenkomst had beëindigd en de produktie had gestaakt. Le Nan hervatte de melkproduktie op 1 april 1984 en richtte dezelfde dag met zijn vader, eveneens een melkproducent, de GAEC (groupement agricole d' exploitation en commun) op, waarin beiden hun landbouwgronden inbrachten.
De Coopérative laitière de Ploudaniel weigerde evenwel aan de GAEC, bovenop de referentiehoeveelheid die aan Le Nan senior toekwam, een referentiehoeveelheid toe te kennen voor het bedrijf dat Le Nan junior in 1983 had gekocht. Diens beroep in rechte tegen deze weigering werd afgewezen, eerst door het Tribunal administratif de Rennes, en dan door het Tribunal de grande instance de Brest, dat zijn uitspraak baseerde op de omstandigheid dat de melkleveranties tijdelijk opgeschort waren geweest ten gevolge van de eigendoms- en de bezitsoverdracht van het betrokken bedrijf.
Le Nan heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het de Cour d' appel de Rennes, dat het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing heeft verzocht over de vraag, of Le Nan recht had op overdracht van de refentiehoeveelheid van de vorige producent, nu de melkleveranties gedurende verschillende maanden onderbroken waren geweest. Voor het geval dat verzoeker recht zou hebben op overdracht van de betrokken referentiehoeveelheid, wenst de verwijzende rechter bovendien te vernemen, of de omstandigheid dat de pachter en vorige producent slechts gedurende het eerste semester van 1983 - welk jaar Frankrijk als referentiejaar heeft gekozen - melk heeft geleverd, grond kan opleveren om de referentiehoeveelheid van Le Nan vast te stellen op basis van de leveringen in 1982 en niet van die in 1983.
5. Op basis van deze feiten, en gelet op de hierboven uiteengezette regeling, kan vooraf het volgende worden gesteld: a) als jong landbouwer kwam Le Nan in aanmerking voor een (specifieke) extra referentiehoeveelheid, van welke mogelijkheid hij blijkbaar gebruik heeft gemaakt(5); b) zelfs indien Le Nan op 1 april 1984 geen melkproducent was, zoals verweerster in het hoofdgeding stelt, en meer in het algemeen, indien hij geen recht had op overdracht van de referentiehoeveelheid, komt hij toch nog in aanmerking voor een individuele hoeveelheid overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1371/84, wanneer de nationale regeling daarin voorziet.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter vooral te vernemen, of Le Nan al dan niet recht had op overdracht van de referentiehoeveelheid die gebaseerd was op de leveranties van de pachter van het door hem gekochte bedrijf. Ik wil er eerst en vooral op wijzen dat er, blijkens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, een onmiskenbaar verband bestaat tussen de grond en de melkproduktie. Bovendien heeft het Hof in het arrest Wachauf(6), uit artikel 7 uitdrukkelijk afgeleid, dat "de gemeenschapswetgever de referentiehoeveelheid aan het einde van de pacht in beginsel wilde laten terugkeren aan de verpachter, die opnieuw de beschikking over het bedrijf verkrijgt". In het arrest Kuehn(7) heeft het Hof er evenwel op gewezen, dat artikel 7 enkel betrekking heeft op het geval dat reeds een referentiehoeveelheid is toegekend, en de overgang van het bedrijf dus plaatsvindt na de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing.
6. Le Nan verkeert evenwel zeker niet in dit geval. Hij heeft het betrokken bedrijf verkregen vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, en volgens zijn verklaringen is hij de dag zelf van de inwerkingtreding van de regeling met de melkproduktie begonnen. Dit houdt in, dat in de onderhavige zaak geen beroep kan worden gedaan op artikel 7 van verordening nr. 857/84, en evenmin op artikel 5, eerste alinea, van verordening nr. 1371/84. Wel kan artikel 5, tweede alinea, van laatstbedoelde verordening worden toegepast, waarin het heet, dat de Lid-Staten de bepalingen betreffende de overdracht van referentiehoeveelheden kunnen toepassen ten aanzien van de overgang van een bedrijf die heeft plaatsgevonden tijdens en sinds de referentieperiode, dus vóór de inwerkingtreding van de betrokken regeling.
Bovendien heeft het Hof in het arrest Kuehn (reeds aangehaald), in een zaak waarin de feiten veel gelijkenis vertoonden met die waarover het thans gaat, erop gewezen, dat uit artikel 7 van verordening nr. 857/84 juncto artikel 5 van verordening nr. 1371/84 volgt, dat "bedrijfsovergangen die vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing hebben plaatsgevonden, enkel dan leiden tot overdracht van de desbetreffende referentiehoeveelheden, indien de betrokken Lid-Staat dit heeft bepaald, gebruik makend van de bij artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 verleende machtiging. Slechts in dat geval moeten de hoeveelheden melk die de vorige pachter in het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar heeft geleverd, bij de vaststelling van de aan de nieuwe pachter toe te kennen referentiehoeveelheid in aanmerking worden genomen" (r.o. 24).
Dat, anders dan in de zaak Kuehn, twee opeenvolgende overgangen plaats hebben gevonden (van de pachter-melkproducent op de eigenaar, en van de eigenaar op Le Nan), wijzigt de aard van het probleem niet. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 verlenen de Lid-Staten de bevoegdheid, doch zeker niet de verplichting, aan een nieuwe producent, pachter of eigenaar, die in een bedrijf dat vroeger reeds voor de melkproduktie diende, deze produktie voortzet, en die het bedrijf vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing heeft overgenomen, een referentiehoeveelheid toe te kennen die is gebaseerd op de leveranties tijdens het referentiejaar van degene die vóór de inwerkingtreding van de betrokken regeling, het bedrijf exploiteerde.
Of bij een bedrijfsovergang vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing al dan niet de referentiehoeveelheid zal worden toegekend, hangt dus af van de eventueel krachtens artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 vastgestelde nationale wettelijke regeling. Dat de produktie wegens de overgang, of opeenvolgende overgangen, van de eigendom of het bezit van het betrokken bedrijf, tijdelijk heeft stilgelegen, is niet ter zake dienend. Deze omstandigheid is alleen van belang voor de omvang van de aan de betrokken producent toe te kennen hoeveelheid.
7. Met het tweede onderdeel van zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de betrokken gemeenschapsregeling de producent de mogelijkheid laat een ander referentiejaar te kiezen dan dat waarvoor de betrokken staat heeft gekozen; deze mogelijkheid betreft uitsluitend het geval waarin de geleverde hoeveelheden tijdens de referentieperiode zijn gedaald wegens de bedrijfsovergang.
De enige relevante bepaling is artikel 3, eerste alinea, punt 3, van verordening nr. 857/84, waarin een dergelijke mogelijkheid is voorzien ten behoeve van producenten wier melkproduktie over het referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen. In de tweede alinea van dit artikel zijn de gevallen opgesomd waarin een ander dan het gekozen referentiejaar in aanmerking kan worden genomen. Een situatie zoals die welke zich in de onderhavig zaak heeft voorgedaan, is in die opsomming evenwel niet vermeld.
Gelijk het Hof in zijn arrest Leukhardt(8) vaststelde, "geeft de in geding zijnde regeling blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming van de situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden". Nu de situatie in geding in de betrokken opsomming niet voorkomt, moet worden uitgesloten dat een ander dan het gekozen jaar als referentiejaar zou kunnen worden genomen. Bovendien heeft het Hof in het arrest Kuehn(9) verklaard, dat een bedrijfsovergang, met de daaruit voortvloeiende daling van de melkproduktie en -leveranties, geen grond kan opleveren om uit te gaan van een ander dan het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar.
8. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van de Cour d' appel de Rennes te beantwoorden als volgt:
"1. Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, inzonderheid artikel 7, lid 1, daarvan, en verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984, inzonderheid artikel 5 daarvan, moeten aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten de nieuwe eigenaar-melkproducent, die vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing een voor de melkproduktie bestemd bedrijf heeft gekocht, een referentiehoeveelheid kunnen doch niet moeten toekennen, die is gebaseerd op de leveranties van de vorige producent gedurende de referentieperiode.
2. Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de mogelijkheid voorziet om ten aanzien van een producent van een ander dan het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar uit te gaan op de enkele grond dat gedurende het referentiejaar één of meer bedrijfsovergangen plaats hebben gevonden, waardoor de melkleveranties zijn gedaald; dit geval komt niet voor in de limitatieve opsomming in artikel 3, eerste alinea, punt 3, van de verordering."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - PB 1984, L 90, blz. 10.
(2) - PB 1984, L 90, blz. 13.
(3) - PB 1984, L 132, blz. 11.
(4) - PB 1985, L 68, blz. 1.
(5) - De Franse regering heeft namelijk verklaard, dat aan de GEAC, wegens de hoedanigheid van jong landbouwer van B. Le Nan, een extra hoeveelheid van 11 500 liter melk is toegekend.
(6) - Arrest van 13 juli 1989, zaak 5/88, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 13.
(7) - Arrest van 10 januari 1992, zaak C-177/90, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 22.
(8) - Arrest van 27 juni 1989, zaak 113/88, Jurispr. 1989, blz. 1991, r.o. 13.
(9) - Arrest van 10 januari 1992, reeds aangehaald, r.o. 10 en 11.
Full & Egal Universal Law Academy