CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 15 juli 1997 ( *1 )
In de onderhavige zaak dient het Hof te beslissen op de door Imperial Chemical Industries plc (hierna: „ICI”) krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG ingestelde hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 10 maart 1992. ( 1 ) Bij dit arrest is het beroep van rekwirante ex artikel 173 EEG-Verdrag (hierna: „het Verdrag”) tegen de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 (hierna: „polypropyleenbeschikking”) ( 2 ) verworpen. Die beschikking betrof de toepassing van artikel 85 van het Verdrag in de sector polypropyleen.
I — De feiten en het procesverloop voor het Gerecht
1.
De feiten van het geschil en het procesverloop voor het Gerecht worden in het bestreden arrest als volgt weergegeven: de Westeuropese markt voor polypropyleen werd vóór 1977 bijna uitsluitend bevoorraad door tien producenten, waaronder ICI (die tevens tot de „grote vier” behoort) met een marktaandeel van ongeveer 10,6 tot 11,4 %. Na 1977, toen de octrooien van Montedison verstreken, dienden zich zeven nieuwe producenten aan met een aanzienlijke productiecapaciteit. Dat ging niet gepaard met een overeenkomstige stijging van de vraag, waardoor vraag en aanbod niet in evenwicht waren, althans niet tot 1982. In het algemeen werd de polypropyleenmarkt in het grootste deel van de periode 1977-1983 gekenmerkt door een geringe rentabiliteit en/of aanzienlijke verliezen.
2.
Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 ( 3 ) tegelijkertijd verificaties uit bij een groep ondernemingen die polypropyleen vervaardigen. Na de verificaties verzocht de Commissie die ondernemingen en enkele andere met verwante activiteiten, krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen. Op grond van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat sommige polypropyleenproducenten, waaronder ICI, tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 van het Verdrag hadden gehandeld. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en deed zij een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan de betrokken ondernemingen.
3.
Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de bovengenoemde beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
„Artikel 1
[De ondernemingen] (...) ICI pic (...) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:
(...)
—
in het geval van Hoechst, ICI, Montepolimeri en Shell, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot ten minste november 1983,
(...)
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden:
a)
met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b)
van tijd tot tijd voor de verkoop van het product in elke lidstaat van de EEG ‚richt’- (of minimum)prijzen bepaalden;
c)
verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de productie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van ‚account management’ bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d)
gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e)
de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of ‚quotum’ voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor tenminste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
(...)
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
viii)
CI plc, 10000000 ECU, dat is 6447970 £.
(...)”
4.
Veertien van de vijftien adressaten van de beschikking, waaronder rekwirante, stelden beroep in tot nietigverklaring van voornoemde beschikking van de Commissie. Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting voor het Gerecht hebben partijen pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord.
5.
Bij afzonderlijke memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 maart 1992, toen de schriftelijke en mondelinge behandeling al was voltooid, doch vóór de uitspraak van het arrest, verzocht ICI het Gerecht om heropening van de mondelinge behandeling. Hiertoe beriep zij zich op bepaalde feitelijke omstandigheden die haar, zo stelde zij, eerst bekend waren geworden na de sluiting van de mondelinge behandeling, en in het bijzonder na de uitspraak van het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 in de verwante zaken BASF e.a./Commissie ( 4 ) (hierna: „zaken PVC”). Naar ICI stelt, komen uit deze gegevens ernstige vormverzuimen in de beschikking van de Commissie naar voren, voor het onderzoek waarvan nieuwe instructiemaatregelen nodig zouden zijn.
Na de advocaat-generaal opnieuw te hebben gehoord, heeft het Gerecht bij voornoemd arrest van 10 maart 1992 het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling afgewezen. Tegelijkertijd verlaagde het de opgelegde boete en verwierp het het beroep voor het overige.
6.
ICI heeft hogere voorziening tegen dit arrest ingesteld, waarbij zij vernietiging van het bestreden arrest vordert, met non-existent- of nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking van de Commissie, dan wel, subsidiair, terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht. Tevens vordert zij veroordeling van verweerster in de kosten. In haar schriftelijke opmerkingen in het kader van de hogere voorziening maakte zij kenbaar, dat zij na het arrest Commissie/BASF e.a. van het Hof ( 5 ) niet langer non-existentverklaring van de polypropyleenbeschikking vorderde, doch dat zij haar middelen strekkende tot nietigverklaring van de beschikking handhaafde.
De Commissie vordert afwijzing van de hogere voorziening, met verwijzing van rekwirante in de kosten.
DSM NV is in de procedure tussengekomen ter ondersteuning van ICI.
II — De ontvankelijkheid van de tussenkomst
7.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van DSM in de onderhavige zaak geldt in principe hetzelfde als hetgeen ik in mijn conclusie in de verwante zaak Hüls/Commissie ( 6 ) heb uiteengezet. Uit die analyse kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
De tussenkomst van DSM in de onderhavige zaak kan gedeeltelijk ontvankelijk worden geacht, namelijk voor zover strekkende tot ondersteuning van de vordering van rekwirante om na vernietiging van het arrest in eerste aanleg de non-existentie van de polypropyleenbeschikking vast te stellen. De overige vorderingen van interveniente en de argumenten die zij aanvoert ter ondersteuning van de andere vorderingen van rekwirante, behoeven niet te worden onderzocht omdat zij niet-ontvankelijk zijn.
In de onderhavige zaak evenwel heeft rekwirante in repliek haar vordering tot non-existentverklaring van de polypropyleenbeschikking ingetrokken, dat wil zeggen zij heeft haar vorderingen verminderd en vordert thans nietigverklaring en niet langer non-existentverklaring van de beschikking. Bijgevolg is het verzoek om tussenkomst van DSM niet-ontvankelijk wegens liet ontbreken van een gerechtvaardigd belang.
III — De toepasselijke bepalingen en het arrest PVC van het Hof
Ik verwijs hier naar de punten 19 tot en met 23 van mijn conclusie in de zaak Hüls/Commissie.
IV — Het bestreden arrest
8.
Het Gerecht heeft de in de memorie van 4 maart 1992 voorgedragen middelen van rekwirante op de volgende gronden verworpen, die in punt 401 van het bestreden arrest zijn uiteengezet:
„Het arrest van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T-79/89, T-84/89—T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315), rechtvaardigt op zichzelf niet de heropening van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak. Het Gerecht stelt immers vast, dat een betekende en bekendgemaakte handeling moet worden vermoed geldig te zijn. Het staat derhalve aan degene die zich beroept op de formele ongeldigheid of de non-existentie van een handeling, het Gerecht redenen aan te geven waarom de schijn van geldigheid van de officieel betekende en bekendgemaakte handeling moet worden doorbroken. In de onderhavige zaak hebben verzoeksters geen aanwijzing geleverd, dat de betekende en bekendgemaakte handeling niet was goedgekeurd of vastgesteld door het college van Commissarissen. Met name hebben zij, anders dan in de zaken PVC (arrest van 27 februari 1992, T-79/89, T-84/89—T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-102/89 en T-104/89, reeds aangehaald, punten 32 e.v.) het geval was, geen elementen naar voren gebracht waaruit blijkt, dat het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling zou zijn geschonden door een wijziging in de tekst van de beschikking na de vergadering van het college van Commissarissen tijdens welke deze is vastgesteld.”
V — De middelen in hogere voorziening
A — Argumenten van partijen
a) De stellingen van rekwirante
9.
Rekwirante beroept zich in haar processtukken allereerst op onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, en voorts op inbreuken op het gemeenschapsrecht die het Gerecht bij de beslechting van het geschil zou hebben gemaakt. ICI betoogt met name, dat het Gerecht met zijn afwijzing van haar verzoek om de mondelinge behandeling te heropenen en nieuwe maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten, formele en materiële regels van gemeenschapsrecht heeft geschonden, waardoor haar rechten van de verdediging zijn geschaad. ICI meent dat de motivering in het bestreden arrest van de afwijzing van het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling op een rechtsfout berust. Het Gerecht had, aldus ICI, in elk geval de in haar memorie van 4 maart 1992 gedane verzoeken moeten inwilligen, daar deze op feiten en argumenten steunden die van cruciaal belang waren voor de oplossing van het geschil en die niet in een eerder stadium van de procedure naar voren konden worden gebracht. Door op deze memorie afwijzend te reageren is het Gerecht tekortgeschoten in de behoorlijke uitoefening van de hem door het Reglement voor de procesvoering toegekende bevoegdheden.
10.
Subsidiair betoogt rekwirante, dat het Gerecht de bestreden beschikking ambtshalve nietig had moeten verklaren wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift. Aangezien deze wezenlijke proceduregebreken binnen de categorie ambtshalve te onderzoeken nietigheidsgronden vallen, is het Gerecht bovendien gehouden tot het ambtshalve onderzoek hiervan en tot het treffen van passende maatregelen om dienaangaande een beslissing te kunnen nemen. Rekwirante brengt met name naar voren, dat de in punt 401 van het bestreden arrest vervatte redenering op grond waarvan haar verzoek om de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten is afgewezen, op een rechtsfout berust.
11.
ICI merkt in de eerste plaats op, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat zij zich ter ondersteuning van haar vorderingen op het arrest PVC van het Gerecht ( 7 ) beriep. Het cruciale element in haar memorie was niet het arrest PVC, doch de dooide gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling van de zaken PVC afgelegde verklaringen. Uit deze verklaringen bleek, dat de Commissie bij de totstandkoming van zowel de PVC-beschikking als andere verwante beschikkingen, waaronder de polypropyleenbeschikking, een aantal procedurevoorschriften doelbewust niet had nageleefd.
12.
Voorts acht ICI het betoog van het Gerecht, dat zij geen aanwijzingen had verstrekt dat de bestreden beschikking niet door de leden van de Commissie, handelende als college, was vastgesteld, ongefundeerd, aangezien uit de voornoemde verklaringen van de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting voor het Gerecht in de zaken PVC duidelijk was gebleken, dat de in artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie vervatte procedure niet langer in acht werd genomen. Dezelfde gemachtigden van de Commissie verdedigden de praktijk van de Commissie om de inhoud van beschikkingen achteraf te wijzigen en een van de commissarissen te machtigen om de tekst van de beschikkingen in bepaalde authentieke talen op te stellen. In Id's visie waren er dus voldoende aanwijzingen, dat dergelijke onregelmatigheden zich ook bij de totstandkoming van de polypropyleenbeschikking moesten hebben voorgedaan.
13.
Rekwirante acht het oordeel in het bestreden arrest onjuist, dat een partij die zich op het ontbreken van formele geldigheid of de non-existentie van een beschikking beroept, gehouden is te motiveren waarom de „schijn van geldigheid” van de beschikking, die enkel gebaseerd is op de betekening en bekendmaking ervan, moet worden doorbroken. Volgens haar berust deze redenering op een rechtsfout. Aangezien uitsluitend de Commissie over de gegevens beschikt waaruit het bestaan van vormfouten in de polypropyleenbeschikking kan worden afgeleid, en ICI geen toegang tot die gegevens heeft, is het in strijd met de beginselen van fair play, van de gelijkheid van partijen en van de rechtszekerheid om een aantasting van de geldigheid van een beschikking uit te sluiten, aangezien de verzoekende partijen niet over de relevante gegevens konden beschikken om de beschikking tijdig te kunnen aanvechten. In elk geval is rekwirante van mening, dat de bewijselementen die zij in haar memorie van 4 maart 1992 heeft aangedragen, voldoende waren om twijfel op te roepen ten aanzien van de „schijn van geldigheid” van die beschikking.
14.
Ten aanzien van het oordeel, dat ICI geen aanwijzingen had verschaft waaruit blijkt, dat „het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling zou zijn geschonden”, merkt ICI op, dat zij inderdaad geen aanwijzingen heeft geproduceerd waaruit blijkt, dat de inhoud van de beschikking achteraf is gewijzigd. De reden hiervan was geweest, dat anders dan in de zaken PVC de tekst van de haar betekende polypropyleenbeschikking geen in het oog springende wijzigingen en aanvullingen vertoonde. Dit neemt echter niet weg, dat zowel de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting in de zaken PVC als het grote tijdsverloop tussen de datum van vaststelling van de beschikking (23 april 1986) en de betekening ervan (22 mei 1986) doen vermoeden, dat er wijzigingen in de beschikking zijn aangebracht. ICI preciseert evenwel dat, gelet op hetgeen het Hof in de zaken PVC heeft erkend, het ontbreken van aanwijzingen dat de inhoud van de bestreden beschikking is gewijzigd, hoe dan ook niet de afwijzing van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling kon rechtvaardigen, aangezien de cruciale vraag waar het om draaide, was, of artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie was nageleefd. Nu hieromtrent na de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie in de zaken PVC geen twijfel meer bestond, had het Gerecht de mondelinge behandeling moeten heropenen.
15.
Rekwirante betoogt in het bijzonder, dat volgens het arrest PVC van het Hof de waarmerking van de beschikkingen van de Commissie krachtens artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie een wezenlijk vormvoorschrift is waarvan nietinachtneming op zich voldoende grond is voor nietigverklaring, zonder dat aanvullend bewijs behoeft te worden verschaft ter weerlegging van het vermoeden van wettigheid van die beschikking, of bewijs, dat de inhoud van de beschikking achteraf is gewijzigd. Bijgevolg berust het oordeel dat een inbreuk op artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie niet automatisch de ongeldigheid van de beschikking waaraan dat gebrek kleeft, met zich brengt, op een rechtsfout, zodat het arrest moet worden vernietigd.
16.
ICI betoogt voorts, dat het Gerecht een rechtsfout heeft begaan door te oordelen, dat zij niet voldoende „aanwijzingen” had verschaft om haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling te kunnen inwilligen. Ten aanzien van de bewijselementen die zij tot staving van de in haar memorie geformuleerde middelen had moeten verstrekken, brengt rekwirante het volgende naar voren. Ten eerste behoefde zij helemaal geen bewijs aan te bieden: zowel het Gerecht in eerste aanleg als het Hof oordelende in hogere voorziening kunnen zelf het nodige bewijs verzamelen en de polypropyleenbeschikking ambtshalve nietig verklaren wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift. Ten tweede is ICI evenwel hoe dan ook van mening, dat zij de bewijsregels in acht heeft genomen en de krachtens deze regels vereiste documenten en bewijselementen heeft verstrekt. Zij verwijst in dit verband naar het standpunt dat het Gerecht heeft ingenomen in recente zaken, waarin het met precies dezelfde rechtsvraag werd geconfronteerd als die welke in casu voor het Hof aan de orde is. ( 8 )
17.
Volgens rekwirante moet voorts worden beklemtoond, dat haar argumenten met betrekking tot de voornoemde proceduregebreken in de polypropyleenbeschikking niet te laat zijn aangevoerd; mitsdien had het Gerecht het bestaan van de beweerde gebreken moeten onderzoeken. Rekwirante beroept zich op de hierboven genoemde bepalingen van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op grond waarvan het, in de door haar correct geachte uitlegging, is toegestaan in elk stadium van het geding nieuwe middelen voor te dragen, mits deze steunen op gegevens die in de loop van de behandeling aan de dag zijn getreden. ICI betoogt, dat de procedure eerst eindigde, toen het Gerecht zijn bestreden arrest wees, zodat zij zich tot 4 maart 1992 — de datum waarop zij haar memorie bij het Gerecht heeft ingediend -— op gegevens kon beroepen die eerst na afloop van de mondelinge behandeling bekend waren geworden, en nieuwe middelen kon voordragen. De mogelijkheid aanvullende middelen voor te dragen totdat het arrest van het Gerecht is gewezen, volgt ook uit de artikelen 49 en 62 van het Reglement voor de procesvoering. ICI merkt bovendien op, dat het Gerecht er in de gelijksoortige zaken PVC, LdPE ( 9 ), AAC e.a./Commissie ( 10 ) en natriumcarbonaat ( 11 ) geen bezwaar in zag, exact dezelfde middelen van de verzoekende ondernemingen in die zaken te onderzoeken, ondanks het feit dat deze niet tijdig waren voorgedragen. Voorts heeft het Hof zich in de zaken PVC niet over het door het Gerecht vastgestelde feit gebogen, dat een van de betrokken ondernemingen (Montedison om precies te zijn) zich niet tijdens de schriftelijke procedure op vormfouten in de bestreden beschikking had beroepen, doch eerst ter terechtzitting. Rekwirante concludeert uit het standpunt van het Hof in de zaken PVC, dat het procedureel gezien mogelijk is zelfs na afloop van de schriftelijke behandeling vormfouten als middel voor te dragen. Tot slot voegt rekwirante hieraan toe, dat de vraag of haar memorie en de daarin geformuleerde middelen te laat zijn ingediend hoe dan ook zonder praktische betekenis is, aangezien het Gerecht die middelen ambtshalve had moeten onderzoeken.
18.
Ten aanzien van de verplichting om vormfouten in bestreden beschikkingen ambtshalve te onderzoeken ongeacht procestermijnen merkt rekwirante op, dat deze berust op de in de rechtspraak erkende beginselen van proceseconomie en goede rechtsbedeling. ( 12 )
b) Stellingen van verweerster
19.
De Commissie van haar kant heeft een andere visie op de uitlegging van de in geding zijnde bepalingen van gemeenschapsrecht en de uit het arrest van het Hof in de zaken PVC te trekken conclusies. Haars inziens staat het buiten twijfel, dat partijen met een gerechtvaardigd belang zich tijdig op vormgebreken in de door hen aangevochten beschikking moeten beroepen en tijdig het relevante bewijsmateriaal moeten produceren. Vanuit procedureel oogpunt moeten dergelijke gebreken, indien daarop een beroep wordt gedaan, in het inleidende verzoekschrift worden gesteld, tenzij ze op gegevens steunen die eerst in de loop van de procedure aan de dag zijn getreden. Met name ingeval een beroep wordt gedaan op de niet-inachtneming van het procedurele vereiste van waarmerking van de beschikkingen van de Commissie krachtens artikel 12 van haar reglement van orde, is het van wezenlijk belang, dat ter zake overtuigend en tijdig bewijs wordt geproduceerd door de partij waarop de bewijslast rust, en waardoor het bestaan van een gewaarmerkt origineel van de beschikking van de Commissie in twijfel wordt getrokken. Verweerster trekt deze conclusie uit de punten 73 tot en met 76 van het arrest PVC van het Hof. Voor wat de beroepen tegen de polypropyleenbeschikking betreft, stelt zij, dat de verzoekende partijen niet, althans niet tijdig, het vereiste overtuigende bewijsmateriaal hebben geleverd. ( 13 )
20.
Ten aanzien van de onderhavige hogere voorziening in het bijzonder betoogt de Commissie het volgende. De in casu bestreden afwijzing van ICI's verzoek om heropening van de mondelinge behandeling is op twee gronden gebaseerd, vermeld in punt 401 van het bestreden arrest. In de eerste plaats wordt door het Gerecht opgemerkt, dat zijn arrest PVC op zich niet de heropening van de mondelinge behandeling rechtvaardigt. In de tweede plaats oordeelde het Gerecht, dat ICI geen aanwijzingen had verschaft dat de polypropyleenbeschikking niet wettig door de Commissie, handelend als college, was vastgesteld, of dat de tekst van de beschikking achteraf was gewijzigd.
21.
Ten aanzien van de eerste grond schaart de Commissie zich achter het standpunt van het Gerecht en zet zij uiteen, dat het arrest PVC van deze rechter terecht niet als overtuigend bewijsmateriaal ter rechtvaardiging van een heropening van de mondelinge behandeling is aangemerkt. Zij voegt hieraan toe, dat rekwirante ten onrechte stelt, dat haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling niet op het arrest PVC van het Gerecht, doch op feiten van andere aard was gebaseerd. Zij verwijst daartoe naar de formulering van het verzoek dat ICI op 4 maart 1992 bij het Gerecht heeft ingediend: dat verzoek zou een uitdrukkelijke verwijzing bevatten naar het arrest PVC van het Gerecht. Bovendien zou ICI, indien zij haar verzoek inderdaad niet op dat arrest doch op de onthullingen van de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting in de zaken PVC wilde baseren, niet op de uitspraak van dat arrest hebben gewacht, doch zou zij haar verzoek terstond na die onthullingen, dat wil zeggen terstond na 10 december 1991, hebben ingediend.
22.
Ten aanzien van de grieven van ICI betreffende de tweede in punt 401 van het bestreden arrest geformuleerde grond, stelt de Commissie, dat deze niet-ontvankelijk zijn. Deze grond is namelijk gebaseerd op de constatering van het Gerecht, dat ICI in haar memorie van 4 maart 1992 geen aanwijzingen had verschaft dat de polypropyleenbeschikking niet door de Commissie, handelende als college, was vastgesteld of dat die beschikking achteraf was gewijzigd. De Commissie merkt op, dat enkele lezing van de door ICI op 4 maart 1992 ingediende memorie uitwijst, dat geen specifieke aanwijzingen zijn verstrekt over de beweerde onwettige wijziging achteraf van de tekst van de polypropyleenbeschikking; overigens wordt dit door rekwirante niet bestreden. Bovendien is de vraag, of er al dan niet voldoende indiciën zijn verstrekt voor het bestaan van vormfouten in de bestreden beschikking, een feitelijke vraag en geen rechtsvraag. Mitsdien kan deze vraag niet in hogere voorziening worden getoetst.
Tot slot stelt verweerster, dat het Gerecht in elk geval geen procedurele of materiële regels van gemeenschapsrecht heeft geschonden door niettegenstaande ICI's verzoek te weigeren de mondelinge behandeling te heropenen en nieuwe instructiemaatregelen te gelasten. Volgens de Commissie heeft het Gerecht het verzoek van ICI terecht afgewezen, aangezien het niet op voldoende feitelijke of juridische omstandigheden steunde om het aan de betekening en bekendmaking ontleende vermoeden van geldigheid van de polypropyleenbeschikking te kunnen doorbreken. Zij haalt het arrest PVC van het Hof aan, waaruit zij de uitleggingsregel afleidt, dat het vermoeden van geldigheid van een handeling van een gemeenschapsinstelling slechts kan worden doorbroken door een partij met een gerechtvaardigd belang die ernstige en gegronde twijfel uit ten aanzien van de naleving van de procedurevoorschriften voor de totstandkoming van die handeling. Deze twijfel moet bovendien tijdig worden geuit. ( 14 ) Verweerster past deze uitleggingsregel op de feiten van het onderhavige geding toe en merkt op, dat het Gerecht de mondelinge behandeling terecht niet heeft heropend, niet alleen omdat ICI haar verzoek had onderbouwd met gegevens die onvoldoende bewijs van de beweerde vormgebreken opleverden, doch ook omdat die gegevens te laat waren geproduceerd. Volgens de Commissie is dit de reden die ten grondslag ligt aan de afwijzing van ICI's verzoek om heropening van de mondelinge behandeling. Zij trekt deze conclusie uit de formulering van de arresten van het Gerecht op de andere beroepen tegen dezelfde beschikking, die op dezelfde datum zijn uitgesproken als het bestreden arrest. Resumerend voegt zij hieraan toe, dat het middel van rekwirante, inhoudende dat het Gerecht volledig bewijs van haar verlangde om haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling te kunnen inwilligen, ongegrond is, aangezien geen verklaring wordt gegeven voor de tardieve indiening van dat verzoek en de daarin geformuleerde grieven. Vanuit deze invalshoek bezien waren de door het Gerecht in casu toegepaste criteria niet in strijd met het recht.
Β — Bespreking van de middelen in hogere voorziening
23.
a)Ik zal beginnen met de eerste in punt 401 van het bestreden arrest genoemde grond. Het Gerecht heeft het verzoek van ICI om heropening van de mondelinge behandeling afgewezen op grond van het oordeel, dat het enige gegeven waarop het bestaan van vormgebreken in de polypropyleenbeschikking was gebaseerd, de inhoud van het arrest PVC van het Gerecht van 27 februari 1992 ( 15 ) was. Volgens rekwirante heeft het Gerecht de inhoud van haar verzoek van 4 maart 1992 verkeerd beoordeeld; niet het arrest PVC van het Gerecht werd daarin als doorslaggevend element ter betwisting van de formele geldigheid van de polypropyleenbescliikking aangevoerd, doch de hierboven aangehaalde onthullingen van de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling van de zaken PVC op 10 december 1991. ( 16 )
24.
Lezing van punt 401 van het bestreden arrest wijst uit, dat het Gerecht zijn afwijzing van het verzoek op het feit heeft gebaseerd, dat ICI „geen aanwijzing [had] geleverd, dat de betekende en bekendgemaakte handeling niet was goedgekeurd of vastgesteld door het college van Commissarissen”. Het Gerecht heeft zich in zijn arrest derhalve niet beperkt tot de opmerking, dat een beroep op zijn arrest PVC op zich niet de heropening van de mondelinge behandeling rechtvaardigde, doch het heeft alle feitelijke en juridische argumenten in de memorie van ICI van 4 maart 1992 in aanmerking genomen. Mitsdien is dit middel ongegrond.
25.
b) Thans moet de tweede in punt 401 van het bestreden arrest genoemde grond worden onderzocht. Allereerst is een reactie noodzakelijk op de door de Commissie voorgedragen exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen de middelen waarmee rekwirante de vaststelling van het Gerecht bestrijdt, dat er geen aanwijzing bestond dat de polypropyleenbeschikking aan de beweerde vormgebreken leed. De Commissie betoogt, dat deze vaststelling van het Gerecht van feitelijke aard is, dat wil zeggen geen in hogere voorziening toetsbare rechtsvraag. Ik acht deze visie onjuist. Rekwirante bestrijdt niet de vaststelling en beoordeling van de feiten door het Gerecht, doch betoogt dat een rechtsfout is begaan bij de uitlegging van de relevante bepalingen. Zij beweert in het bijzonder, dat het Gerecht een meer dan volledige bewijsvoering van haar verlangde, wat verder ging dan normaliter is vereist volgens de regels omtrent de bewijslast. Zij betoogt daarnaast, dat het Gerecht, door te oordelen dat zij in haar memorie van 4 maart 1992„geen aanwijzing [had] geleverd, dat de betekende en bekendgemaakte handeling niet was goedgekeurd of vastgesteld door het college van commissarissen”, de regels inzake de bewijslastverdeling onjuist heeft toegepast. Bijgevolg zijn deze middelen in hogere voorziening ontvankelijk.
26.
Ten aanzien van de gegrondheid van de genoemde middelen verwijs ik naar de analyse in de punten 50 tot en met 57 van mijn conclusie in de zaak Hüls/Commissie. Uit deze analyse volgt, dat het Gerecht niet een zo volledig mogelijk bewijs, of liever gezegd „aanwijzingen”, van ICI mocht verlangen van het bestaan van mogelijke vormfouten in de polypropyleenbeschikking. Door enkel te oordelen, dat die onderneming geen aanwijzing voor het bestaan van dergelijke gebreken had verschaft, heeft het Gerecht een rechtsfout begaan, te weten miskenning van de regels inzake de bewijslast; dientengevolge is deze redenering in het bestreden arrest niet correct.
27.
c) De volgende vraag die moet worden onderzocht is, of het Gerecht het verzoek van ICI van 4 maart 1992 op andere gronden kon afwijzen. Anders geformuleerd: te onderzoeken blijft, of het Gerecht het verzoek van 4 maart 1992 had moeten inwilligen dan wel ambtshalve de mondelinge behandeling had moeten heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang had moeten gelasten, teneinde het bestaan van mogelijke vormgebreken in de betrokken beschikking nader te kunnen onderzoeken.
28.
Allereerst zij opgemerkt, dat het door rekwirante opgeworpen vraagpunt van juridische aard is en dus ontvankelijk in hogere voorziening, zulks in tegenstelling tot de beweringen van de Commissie. Nauwkeuriger gezegd, de vraag of het Gerecht bij een juiste uitlegging en toepassing van de regels inzake de bewijslast in samenhang met de bepalingen van de artikelen 48, 62 en 64 van zijn Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling had moeten heropenen op basis van de gegevens die ICI in haar memorie van 4 maart 1992 heeft aangevoerd, is een rechtsvraag die betrekking heeft op de toepassing van de toepasselijke rechtsregels op de vastgestelde feiten en die dus vatbaar is voor toetsing in hogere voorziening.
29.
Ik wil deze vraag ontkennend beantwoorden. Mijns inziens heeft het Gerecht terecht geweigerd de mondelinge behandeling te heropenen, daar het betrokken verzoek niet aan de vereiste voorwaarden voldeed, terwijl een verplichting tot heropening evenmin voortvloeide uit de communautaire procesregels inzake ambtshalve toetsing van bepaalde rechtsvragen. Deze zienswijze is gebaseerd op mijn analyse in de punten 58 tot en met 79 van mijn conclusie in de zaak Hüls/Commissie, waarnaar ik hier zou willen verwijzen.
VI — Conclusie
30.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1)
de hogere voorziening van Imperial Chemical Industries plc in haar geheel af te wijzen;
2)
de vorderingen van interveniente af te wijzen;
3)
interveniente in haar eigen kosten te verwijzen;
4)
rekwirante in de overige kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) ICI/Commissie (T-13/89, Jurispr. blz. II-1021).
( 2 ) IV/31.149 — Polypropyleen (PB L 230, blz. 1).
( 3 ) Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en SS van het Verdrag (PB 1962, blz. 204).
( 4 ) Arrest van 27 februari 1992 (T-79/S9, T-84/89, T-85/89, T-86/S9, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/S9, T-102/89 en T-104/S9, Jurispr. blz. II-315).
( 5 ) Commissie/BASF ca., het „PVC-arrest” (C-137/92 I', Jurispr. hl/.. I-2555).
( 6 ) Zie puntiin 10-15 van mijn conclusie van vandaag in zaak C-19 9/92 l'.
( 7 ) Zie voetnoot 4 hierboven.
( 8 ) Volgens ICI waren de dienovereenkomstige aanwijzingen die de verzoekende partijen in de zaken PVC (aangehaald in voetnoot 4) en BASF e.a./Commissie (arrest van 6 april 1995, „LdPE”, T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89 en T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, Jurispr. blz. II -729), hadden geproduceerd, van beduidend minder gewicht tinti die welke in de thans voor het Hof aanhangige zaak zijn geproduceerd; niettemin weigerde het Gerecht niet deze aanwijzingen in aanmerking te nemen en de Commissie te gelasten, de relevante documenten over te leggen teneinde de (on-)gcgrondheid van de argumenten van de verzoekende partijen te kunnen hcoordclen.
Daarnaast meent rekwirante, dat het Gerecht het standpunt dat het in de onderhavige zaak innam, reeds heeft verlaten: zo was een duidelijke koerswijziging in de rechtspraak merkhaar in de zaken „natriumcarbonaat” (arresten van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T-32/91, Jurispr. hlz. II-1825; ICI/Commissie, T-36/91, Jnrispr. blz. II-1847; ICI/Commissie, T-37/91, Jurispr. blz. II-1901), waarin het Gerecht volgens ICI oordeelde, dat verzoeksters de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie in de zaken PVC konden inroepen als aanwijzing dat de bestreden beschikking door een inbreuk op een wezenlijk vormvoorschrift werd gekenmerkt, en dat de Commissie met deze verklaringen toegaf, dat haar beschikkingen van vóór eind 1991 niet aan de procedurevoorschriften voldeden.
Rekwirante wijst er voorts op, dat het Gerecht in het arrest van 14 juli 1994, Parker Pen (T-77/92, Jurispr. blz. II-549), de Commissie bad uitgenodigd om vóór de terechtzitting her gewaarmerkte origineel van de bestreden beschikking te produceren.
( 9 ) Zie voetnoot S.
( 10 ) Arrest van 27 april 1995 (T-442/93, Jurispr. blz. II-1329).
( 11 ) Zie voetnoot 8. Rekwirante onderstreept de overeenkomsten met die zaken en is van oordeel, dat de redenering in die zaken ook had moeten worden gevolgd bij de beoordeling van haar eigen beroep. Volgens rekwirante oordeelde het Gerecht in de natriumcarbonaat-zaken, dat verzoekster haar nieuwe middel inzake het vermoedelijke bestaan van proceduregebreken zo spoedig als mogelijk had voorgedragen. Het oordeelde voorts, aldus rekwirante, dat verzoekster niet eerder bekend kon zijn met een schending van artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie dan na de verklaring van de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting in de zaken PVC; verzoekster had dan ook terecht op de uitspraak van het arrest PVC gewacht alvorens die nieuwe middelen voor te dragen.
( 12 ) Rekwirante verwijst naar de oplossing van het Gerecht in de genoemde zaken PVC en natriumcarbonaat (aangehaald in voetnoot 8), en de arresten van het Hof van 20 maart 1959, Nold/Hoge Autoriteit van de EGKS (18/57, Jurispr. blz. 41), en 7 mei 1991, Interhotel/Commissie (C-291/S9, Jurispr. blz. I-2257), en Oliveira/Commissie (C-304/89, Jurispr. blz. I-2283).
( 13 ) De Commissie wijst erop, dat ook al zouden de onthullingen van haar gemachtigden ter terechtzitting voor het Gerecht in de zaken PVC als overtuigend hewijsmateriaal ter beslechting van het onderhavige geschil worden beschouwd, dat bewijsmateriaal terecht niet in aanmerking is genomen omdat het tardier is geproduceerd. De Commissie betoogt inzonderheid, dat deze onthullingen ter terechtzitting van 20 november 1991 plaatsvonden en niet, zoals rekwirante stelt, op 10 december 1991. Ook al zou men van de laatste datum uitgaan, dan nog blijft het een feit dat de memorie waarin om heropening van de mondelinge behandeling is verzocht, te Jaat is ingediend, namelijk eerst begin maart 1992.
( 14 ) Ter ondersteuning van haar betoog beroept de Commissie zich op de arresten van het Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. bh. II-905}, en John Deere/Commissie (T-35/92, Jurispr. blz. II-957).
( 15 ) Her doet nier ter zake, dat het Gerecht terecht heeft geconcludeerd, dat de mogelijke gebreken, indien vastgesteld, niet tot non-existentic van de beschikking konden leiden (zie op dit punt de analyse van het arrest PVC van het Gerecht m mijn conclusie in de zaak Hüls/Commissie, punten 20 e.v.). Her beslissende bewijsclement dat rekwirante voor het Gerecht heeft aangevoerd, bestaat nier uit de waarschijnlijke non-exisrentie van de bestreden beschikking, maar uit de mogelijke samenloop van verschillende vormfouten, namelijk het onrbreken van een gewaarmerkt origineel van de beschikking, de wijziging achteraf van de inhoud ervan en de niet-inachtneming van de taalregcling. Met andere woorden, niet de door partijen aan de feiten gegeven juridiselle kwalificatie, maar de aangevoerde feiten zelf zijn van belang voor het Gerecht; dit geldt mer name wanneer tlie feiten bij samenloop weliswaar niet tot non-existentie van de handeling kunnen leiden, maar desalniettemin een schending opleveren van een wezenlijk vormvoorschrift voor de totstandkoming van de beschikking.
( 16 ) Opmerking verdient, dat dit middel van rekwirante ontvankelijk is in hogere voorziening. Ook al is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, dit neemt niet weg, dat het niet mag voorbijgaan aan een door een der partijen geldig voorgedragen feitelijk middel.
Full & Egal Universal Law Academy