CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 13 mei 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak gaat het om een geschil tussen een Duitse onderneming (hierna: „Jepsen Stahl”) en de Duitse douaneadministratie over de tariefindeling van een partij staalprodukten die Jepsen Stahl in 1989 uit Polen in Duitsland heeft ingevoerd. Centraal staat de vraag, welke betekenis bij de tariefindeling mag worden toegemeten aan een fabricageprocédé dat niet blijkt uit een objectief kenmerk van het betrokken produkt, De ter discussie staande tariefpost betreft platte staalprodukten, „aan vier zijden gewalst”, en nu het gaat erom, of deze produkten objectief als „aan vier zijden gewalst” herkenbaar moeten zijn, wat het geval is wanneer alle zijden scherpe kanten vertonen, dan wel of voor de indeling onder deze post kan worden volstaan met het bewijs door de importeur dat de produkten daadwerkelijk „aan vier zijden gewalst” zijn, al vertonen zij objectief enigszins afgeronde kanten.
2.
Jespen Stahl verdedigt deze laatste opvatting. Zij meent dan ook, dat de door haar ingevoerde produkten zijn in te delen onder postonderverdeling 72112100 van het gemeenschappelijk douanetarief ( 1 ), waaronder vallen:
„7211 Gewalste platte produkten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van minder dan 600 mm (...):
—
enkel warm gewalst, met een dikte van minder dan 3 mm (...):
—
andere, enkel warm gewalst:
7211 21 00
— — aan vier zijden of in een gesloten kaliber gewalst, met een breedte van meer dan 150 mm en een dikte van 4 mm of meer (...)”
De Duitse douaneadministratie is het hiermee niet eens. Zij heeft produkten vastgesteld „met een breedte van minder dan 500 mm, met afgeronde kanten, niet aan vier zijden gewalst”, die volgens haar dan ook in te delen zijn onder post 72112290 waarvan de omschrijving luidt „721122 — andere, met een dikte van 4,75 mm of meer. 72112290 met een breedte van niet meer dan 500 mm.” De indeling van produkten moet geschieden op grond van hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals die bij inspectie kunnen worden vastgesteld; het fabricageprocédé mag niet als indelingscriterium worden aangemerkt, behoudens indien het gemeenschappelijk douanetarief zulks voorschrijft en het procédé aan het produkt zelf herkenbaar is. Bijgevolg kunnen volgens de Duitse douaneadministratie alleen maar produkten met scherpe kanten als aan vier zijden gewalste staalprodukten worden aangemerkt en onder post72112100 worden ingedeeld.
3.
Het is tegen deze achtergrond dat het Finanzgericht Düsseldorf de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
„Moet postonderverdeling 72112100 van de gecombineerde nomenclatuur, in de versie van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3174/88, aldus worden uitgelegd, dat het kenmerk ‚aan vier zijden gewalst’ alleen slaat op de wijze waarop het produkt is vervaardigd, of is voorts vereist, dat het aan vier zijden walsen moet resulteren in een vervorming — scherpe kanten aan alle gewalste zijden— die aan de goederen kan worden waargenomen?”
4.
De verwijzende rechter is van oordeel, dat de betrokken produkten in elk geval beantwoorden aan de vereisten voor indeling onder post 7211. Hij baseert zich hiertoe op het feit, dat de produkten op een universeel walswerk zijn vervaardigd, en merkt op dat blijkens de toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (hierna: „toelichtingen GS”) post 7211 „aan vier zijden, in een gesloten kaliber of op een universeel walswerk, warm gewalste produkten” ( 2 ) omvat.
De nationale rechter wijst in dit verband erop, dat in geval van produktie op een universeel walswerk het materiaal daadwerkelijk aan vier zijden wordt gewalst. Anders dan bij het walsen in een gesloten kaliber, waar het stuk tegelijkertijd aan alle zijden wordt gewalst, kan bij het walsen in een universeel walswerk het materiaal op een gegeven tijdstip alleen maar worden bewerkt door het tegenover elkaar liggende paar walsrollen. Daar de walsrolparen steeds alleen maar na elkaar kunnen opereren, ontstaan bij de laatste walsbewerking door de op de bewerkte zijden uitgeoefende druk noodzakelijkerwijs aan de dan niet bewerkte zijden zogeheten natuurlijke walszijkanten. Wanneer zoals in casu de verticale walsrollen bij de laatste walsbewerking worden weggeschoven, dan moeten de verticale lange zijkanten van het afgewerkte produkt de door het douanekantoor vastgestelde afrondingen, stuikingen ten gevolge van het horizontaal walsen, vertonen. Die stuikingen wekken evenwel de indruk, dat het produkt aan de verticale lange zijden niet werd gewalst. ( 3 )
De verwijzende rechter vraagt zich af, of het begrip „aan vier zijden gewalst” alleen doelt op het fabricageprocédé dan wel of het bepaalde eisen stelt aan de objectieve eigenschappen van het afgewerkte produkt. Zijns inziens pleit de formulering van het gemeenschappelijk douanetarief voor de eerste opvatting, daar zij vooral uitgaat van het gebruikte fabricageprocédé, in casu het walsen aan vier zijden. Daarentegen geven de toelichtingen SH geen nader uitsluitsel, of alleen het fabricageprocédé in aanmerking moet worden genomen: zij vermelden alleen maar, dat post 7211 ook op een universeel walswerk vervaardigde produkten omvat, doch geven niet aan onder welke postonderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur deze produkten moeten worden ingedeeld.
De verwijzende rechter onderstreept nog, dat het beslissende indelingscriterium normaal is gelegen in de objectieve eigenschappen van de produkten en dat voor een snelle en correcte indeling door de douaneautoriteiten aan dit criterium een zeer grote waarde moet worden gehecht. Naar zijn oordeel zijn er dan ook goede redenen voor een uitlegging in die zin, dat het aan vier zijden walsen aan het uiterlijk van het produkt zelf te zien moet zijn, al valt deze uitlegging niet met zekerheid uit het gemeenschappelijk douanetarief op te maken.
Kan het fabricageprocédé beslissend zijn voor de tariefindeling?
5.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn voor de tariefindeling in beginsel de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen beslissend op het tijdstip waarop zij ter inklaring worden gecontroleerd, omdat dit criterium rekening houdt enerzijds met het belang van de rechtszekerheid en anderzijds met dat van gemakkelijke controle. Het is daarom normaliter niet nodig nauwkeurig na te gaan, hoe het goed is vervaardigd. ( 4 )
Niettemin heeft het Hof meer dan eens vastgesteld, dat het fabricageprocédé als criterium voor de tariefindeling kan dienen. Het fabricageprocédé is evenwel alleen beslissend, wanneer de desbetreffende post dit uitdrukkelijk bepaalt. ( 5 )
De eerste vraag is dan ook, of postonderverdeling 72112100 van het gemeenschappelijk douanetarief — zoals Jepsen Stahl en de Commissie beweren — het fabricageprocédé uitdrukkelijk als indelingscriterium aanwijst.
Naar mijn mening moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Deze post omvat bepaalde „aan vier zijden of in een gesloten kaliber gewalste produkten”. Hieronder moeten worden verstaan, op een universeel walswerk of in een gesloten kaliber vervaardigde produkten. Er wordt dus naar het fabricageprocédé verwezen. ( 6 ) Mijns inziens wordt dit ook bevestigd door de geciteerde toelichtingen, waarin uitdrukkelijk wordt gezegd dat post 7211 „in een gesloten kaliber of op een universeel walswerk” vervaardigde produkten omvat. Deze precisering geldt eveneens voor post 7211 21 00.
6.
Deze vaststelling volstaat in beginsel om de prejudiciële vraag te beantwoorden. Aangezien dus de vervaardiging op een universeel walswerk noodzakelijkerwijs een zekere afronding van de lange verticale zijden van de produkten meebrengt, moet de uitlegging van de Duitse douaneadministratie, dat bedoelde post alleen produkten met aan alle zijden scherpe kanten omvat, worden uitgesloten.
7.
Deze uitkomst is niet in strijd met de andere toelichtingen GS. In de in voetnoot 2 aangehaalde toelichtingen wordt alleen maar gezegd, dat produkten als waar het hier om gaat, scherpere kanten moeten hebben dan coils, banden en platen. Bijgevolg zijn niet „scherpe kanten” vereist, maar enkel „scherpere kanten” dan coils, banden en platen.
8.
Naar mijn mening moeten de door de Duitse douaneadministratie aangehaalde Euronormen niet bij de indeling betrokken worden. Het is juist, dat Euronorm 91-81 aan produkten als die welke hier in geding zijn, eisen stelt waaraan de feitelijk ingevoerde produkten niet beantwoorden. Maar toch beweert de Commissie volgens mij terecht, dat deze Euronorm voor de uitlegging van post 7211 niet beslissend is. Het betreft namelijk een norm die in november 1981 is aangenomen door de „Commissie voor coördinatie van de nomenclatuur van de ijzer- en staalprodukten bij de EG-Commissie”, die kwaliteitsstandaarden vaststelt gebaseerd op de in de Lid-Staten toegepaste moderne produktiemethoden en die niet tot doel had, de inhoud van post 7211 te wijzigen.
9.
De Commissie merkt op, dat een indeling op grond van alleen het fabricageprocédé kan zijn uitgesloten „wanneer uit de kenmerken van het produkt duidelijk blijkt, dat het fabricageprocédé niet volgens de gebruikelijke commerciële minimumstandaarden is uitgevoerd.” Dit betekent, dat de betrokken produkten niet bij postonderverdeling 72112100 mogen worden ingedeeld „wanneer de ingevoerde staalprodukten objectieve kenmerken en eigenschappen vertonen waardoor zij niet kunnen worden aangemerkt als aan vier zijden gewalst, in de zin van de voor universele walswerken geldende industriële standaarden”. De Commissie stipt evenwel ook aan, en terecht, dat het in de praktijk juist kenmerkend is voor de vervaardiging op een universeel walswerk, dat de produkten enigszins afgeronde verticale kanten hebben.
10.
Het is uiteraard juist, dat bewijsproblemen ontstaan wanneer bij de toepassing van het douanetarief het fabricageprocédé wordt betrokken. Bij op een universeel walswerk vervaardigde produkten is aan hun objectieve eigenschappen niet per se herkenbaar, dat het aan vier zijden gewalste produkten zijn. Voor deze produkten moet derhalve worden aangetoond, dat zij werkelijk aan vier kanten werden gewalst, dat wil zeggen, dat zij op een universeel walswerk zijn vervaardigd. Uit de beschikbare gegevens blijkt echter, dat er in casu geen concrete bewijsproblemen zijn.
11.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening, dat voor de indeling onder postonderverdeling 72112200 kan worden volstaan met het bewijs door de importeur, dat de betrokken produkten werkelijk door walsbewerkingen aan vier zijden zijn vervaardigd, ongeacht of dit fabricageprocédé al dan niet aan objectieve kenmerken van de betrokken produkten — enigszins afgeronde en geen scherpe kanten — is te zien.
Conclusie
12.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Postonderverdeling 72112100 van het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat zíj staalprodukten omvat die werkelijk door walsbewerkingen aan vier zijden zijn vervaardigd, ongeacht of bij dit fabricageprocédé aan alle gewalste zijden scherpe kanten ontstaan.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3174/88 van de Commissie van 21 september Ī988 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1988, L 298, bb.. 1).
( 2 ) In de eerste en de tweede alinea van de toelichtingen GS bij post 7211 wordt het volgende gezegd: „Deze post omvat dezelfde soort produkten als omschreven in de posten 72.08 en 72.09, doch met een breedte van minder dan 600 mm. Het bepaalde in de toelichting op de posten 72.08 en 72.09 is van overeenkomstige toepassing op de produkten bedoeld bij deze post, met uitzondering van de breedte (...)” De tiende en de elfde alinea van de toelichtingen GS bij post 72.08 bepalen het volgende: „Voor de toepassing van deze post worden onder plaatstroken verstaan produkten met een rechthoekige dwarsdoorsnede, niet opgerold, aan vier zijden in een gesloten kaliber of op het universeel walswerk warm gewalst met een dikte van niet minder dan 4 mm en met een Drecdtc van meer dan 600 doch niet meer dan 1250 mm. Door deze bewerking hebben deze plaatstroken regelmatigere zijkanten en scherpere hoeken dan de coils, banden en platen. Zij worden nooit hcrwalst maar worden steeds gebruikt in constructicwcrk enz., zonder nadere bewerking van de randen.”
( 3 ) Verwijzingsbeschikking, blz. 8.
( 4 ) Arrest van 25 mei 1989 (zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395, r. o. 135 alsmede de door advocaatgeneraal Tesauro in zijn conclusie bij deze zaak aangehaalde arresten (Jurispr. 1989, blz. 1403, puni 3).
( 5 ) Arresten van liet Hof van 25 mei 1989 (zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395, r. o. 14 en 15) en van 16 december 1976 (zaak 38/76, Luna, Jurispr. 1976, blz. 2027).
( 6 ) De Duitse douaneadministratie heeft in haar schriftelijke opmerkingen gesteld, dat blijkens met name de Engelstalige versie de tariefpost uitgaat van de objectieve eigenschappen van het afgewerkte produkt. Deze versie luidt: „(...) other, not further worked than hot-rolled: — rolled on four faces or in a closed box pass (...)”. Hct is mij niet duidelijk, hoc hierin iets anders kan worden gelezen dan hetgeen ik heb aangegeven.
Full & Egal Universal Law Academy