CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 4 maart 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Deze zaak heeft als onderwerp een tweetal prejudiciële vragen, waarmee de Franse Cour de Cassation een antwoord zoekt op de vraag, of de artikelen 30 en 36 van het Verdrag zich verzetten tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de verkoop van optisch materiaal en corrigerende glazen door personen die niet het diploma van opticien of een daaraan gelijkwaardig diploma bezitten, verbiedt.
De toepasselijke Franse wetgeving bepaalt, dat niemand het beroep van opticien mag uitoefenen die niet in het bezit is van de voorgeschreven titel (artikel L-505 van de Code de la santé publique), en dat de handelsondernemingen waarvan het hoofddoel de optiek is, hun filialen en de afdelingen optiek van winkels slechts mogen worden geleid of beheerd door een persoon die de voorwaarden vervult vereist voor de uitoefening van het beroep van opticien (artikel 508 van dezelfde wet). De produkten bestemd voor het onderhoud van contactlenzen kunnen overigens, in afwijking van het monopolie van de apothekers, ook aan het publiek worden verkocht door opticiens (artikel L-521).
2.
In het hoofdgeding staat de vennootschap Laboratoire de protheses oculaires (hierna : „LPO”), die door tussenkomst van haar vertegenwoordigers of van ondernemers met wie een franchiseovereenkomst is gesloten, contactlenzen, intra-oculaire implantaten en aanverwante artikelen verhandelt, tegenover vier beroepsorganisaties van opticiens: het Syndicat des opticiens français indépendants (hierna: „SOFI”), de Groupement d'opticiens-lunctiers détaillants (hierna: „GOLD”), de Union nationale des chambres syndicales d'opticiens-lunctiers détaillants (hierna: „UNSOF”) en het Syndicat national des opticiens d'optique de contact (hierna: „SNADOC”).
Van mening dat de acties die de beroepsorganisaties zijn begonnen om haar te verhinderen de betrokken produkten te verkopen, in strijd zijn met de mededingingsregels, wendde LPO zich tot het Tribunal de grande instance de Paris. Dit wees echter niet enkel de vordering van LPO af, maar rechtdoende op de vordering in reconventie van de beroepsorganisaties, verbood het LPO op straffe van een dwangsom ook voort te gaan met de verkoop van contactlenzen aan particulieren in verkooppunten die door haar worden gecontroleerd of die worden geleid door personen die niet in het bezit zijn van het diploma van opticien.
Tegen deze beslissing, bevestigd door de Cour d'appel, is LPO in cassatie gekomen, stellende dat de betrokken maatregel in feite een door artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking is. Juist om na te gaan of het verkoopmonopolie waarop de opticiens zich beroepen, een maatregel is van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, en, als die vraag bevestigend wordt beantwoord, of dit monopolie gerechtvaardigd wordt door dwingende vereisten van bescherming van de consumenten of de bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 36 van het Verdrag, heeft de Cour de Cassation zich met prejudiciële vragen tot het Hof gewend.
3.
Ter inleiding merk ik op, dat het gemeenschapsrecht thans geen speciale regeling kent voor de distributie van optische produkten. ( 1 ) Dit heeft tot gevolg, dat de vaststelling van toepasselijke regels blijft voorbehouden aan de Lid-Staten, onder voorwaarde wel te verstaan dat zij de bepalingen van het Verdrag in acht nemen en met name die welke betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen.
Voorts stellen SOFI en GOLD onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof volgens welke artikel 30 niet van toepassing is op situaties die geen enkel grensoverschrijdend aspect vertonen en derhalve onderworpen zijn aan het interne recht van een Lid-Staat ( 2 ), dat de regeling met betrekking tot het goederenverkeer in de onderhavige zaak niet van toepassing is, aangezien LPO noch producent noch importeur van contactlenzen is.
Laat mij aanstonds opmerken dat deze stelling niet kan worden aanvaard, aangezien voor de toepasselijkheid van artikel 30 voldoende is, dat LPO eveneens geïmporteerde produkten verhandelt, hetgeen door het dossier niet wordt weersproken noch door één der partijen wordt bestreden.
4.
Ten gronde zijn alle beroepsorganisaties het erover eens, dat de bestreden regeling geen belemmeringen voor de intracommunautaire handel opwerpt, daar het gaat om een regeling die zonder onderscheid toepasselijk is en die noch tot doel noch tot gevolg heeft dat de handelsstromen worden beperkt, en die enkel de verkoop van contactlenzen voorbehoudt aan gekwalificeerde ondernemers. De enige voorwaarde die voor de verkoop van die produkten wordt gesteld, is immers dat die handelsondernemingen gedreven worden door een persoon die in het bezit is van het diploma van opticien. De beroepsorganisaties doen echter opmerken, dat LPO hoe dan ook de onderhavige produkten zou kunnen verhandelen zonder haar verkoopsysteem te veranderen of zich te begeven in bijzonder onereuze aanpassingen, omdat het voldoende is dat zij haar verschillende verkooppunten door opticiens laat leiden.
Zich baserend op de zoeven vermelde overwegingen, stellen UNSOF en SNADOC bovendien, dat een dergelijke wetgeving enkel dan een beperkende invloed zou kunnen hebben, wanneer de gestelde voorwaarde (verkoop in handelszaken geleid door opticiens) zo moeilijk te vervullen ware, dat slechts enkele verkooppunten in staat zouden zijn de produkten te leveren en, derhalve, alleen wanneer het aantal opticiens beperkt zou zijn.
5.
De onderhavige wetgeving, gelijk in het algemeen de voorschriften die de modaliteiten van verhandeling van produkten regelen (waar, hoc, wanneer, door wie), is op zichzelf niet van dien aard, dat zij de verhandeling van geïmporteerde produkten moeilijker maakt dan die van binnenlandse produkten. Het is derhalve duidelijk dat, waar het gaat om dit soort wetgeving, het feit dat in de verschillende Lid-Staten gelijke dan wel verschillende systemen van verhandeling gelden, volledig irrelevant is.
Uit het voorgaande volgt, dat een dergelijke regeling daadwerkelijk een zekere invloed kan hebben op de invoer, maar uitsluitend doordat zij, door de beperking van de afzetkanalen van de betrokken produkten, de vraag kan beïnvloeden en tot een vermindering van het afzetvolumc en dientengevolge van de invoer kan leiden. In casu is het echter niet bewezen, dat en in welke mate het afschaffen van de in geding zijnde wetgeving een positief effect zou kunnen hebben op de verkopen en, dientengevolge, op de invoer.
Wij hebben, kortom, te maken met het inmiddels veel voorkomende geval van een potentiële vermindering van de invoer, die niet het gevolg is van het feit dat men verschillende regelingen toepast op ingevoerde en op binnenlandse produkten, noch van een mogelijk verschil tussen de wettelijke regelingen betreffende dwingende voorschriften ten aanzien van samenstelling en presentatie van het produkt (het geval Cassis de Dijon). In tegendeel, in casu gaat het om het geval van een maatregel die slechts betrekking heeft op de verhandeling van een produkt, die daarvoor een beroepsdiploma voorschrijft, maar die ook een simpele verkoopvergunning zou kunnen betreffen; een maatregel dus die, door het aantal distributiekanalen te regelen en dus te beperken — van geval tot geval op verschillende wijze—, een beperking van de invoer met zich mee kan brengen. Dientengevolge kan in dit geval de causale betrekking tussen de kanalisering van de distributie en de vermindering van de invoer niet anders dan indirect en potentieel zijn, in die zin dat zij niet noodzakelijkerwijs bestaat en dientengevolge niet kan worden vermoed.
6.
Desondanks zou in principe het onderhavige geval onder de werking van het arrest Dassonville kunnen vallen, volgens hetwelk iedere handelsregeling „die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen”. ( 3 ) Het Hof heeft ter zake voor recht verklaard, dat een nationale regel niet onttrokken is aan het verbod van artikel 30 van het Verdrag door het enkele feit dat „de belemmering van geringe omvang is en er andere afzetmogelijkheden voor de ingevoerde produkten bestaan”. ( 4 )
Hoe het zij, de antwoorden die de rechtspraak van het Hof heeft gegeven op de vraag, hoe en in welke mate de artikelen 30 en 36 van het Verdrag van toepassing zijn op een reglementering van de handel zoals die hier aan de orde is, en die niet in verband kan worden gebracht met het geval Cassis de Dijon, zijn verschillend en kunnen schematisch in drie groepen worden samengevat.
7.
In een eerste groep arresten, heeft het Hof geoordeeld, dat de betrokken regelingen geen enkel verband hadden met de invoer. ( 5 ) Het Hof kwam overigens tot dit resultaat door de nadruk te leggen op het feit dat die regelingen niet tot doel hadden de intracommunautaire handel te regelen, niet van toepassing waren op andere wijzen van verhandeling van hetzelfde produkt ( 6 ), of in ieder geval de mogelijkheid van verkoop via andere kanalen openlieten ( 7 ): het ging, zoals men zich zal herinneren, om het verbod om gedurende bepaalde uren brood te bakken en te verkopen (Oebel), het verbod om alcoholische dranken te nuttigen in bepaalde commerciële etablissementen (Blesgen), het verbod om pornografische artikelen te verkopen in niet geautoriseerde inrichtingen (Quietly nn).
8.
In een tweede groep arresten oordeelde het Hof daarentegen, dat de reglementering van de verkoop, hoewel niet rechtstreeks van invloed op de invoer, in ieder geval, door het enkele feit dat zij uitwerking kon hebben op de distributie van ingevoerde produkten, het importvolume kon beperken, waardoor zij moesten worden onderworpen aan een onderzoek met betrekking tot de verenigbaarheid met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag. ( 8 )
Dat is het geval bij maatregelen die, door het enkele feit dat zij het gebruik van een bepaalde verkoopmethode verbieden, de toegang tot de markt moeilijker en minder rendabel maken; zulks te meer, zoals het Hof zelf preciseerde, wanneer de belanghebbende ondernemer nagenoeg al zijn verkopen door middel van de betrokken verkoopmethode realiseert. ( 9 )
Met andere woorden, het Hof heeft in zaken als Oosthoek (premieverkoop), Buet (huis-aan-huis-verkoop) en Delattre (postorderverkoop) een nauw verband gelegd tussen de eventuele vermindering van de invoer en de belemmeringen die voor de ondernemer in de betrokken sector uit de in geding zijnde regeling voortvloeiden.
Dit geldt eveneens voor een regeling die slechts aan een enkele categorie van marktdeelnemers (de apothekers) de verkoop van bepaalde soorten van produkten voorbehoudt en daarmee de verhandeling van die produkten buiten de door de wet voorziene distributiekanalen om onmogelijk maakt. ( 10 )
In al die gevallen onderzoekt het Hof, of enerzijds de nationale wetgeving een doel van algemeen belang nastreeft dat door de communautaire rechtsorde wordt erkend (naar gelang van het geval, de bescherming van de consumenten of van de volksgezondheid), en, anderzijds, of de gekozen maatregelen in verhouding staan tot het (legitieme) doel dat wordt nagestreefd.
9.
In een derde groep arresten, betreffende het verbod van verkoop op zondag ( 11 ), lijkt het Hof op het eerste gezicht definitief te hebben aanvaard, dat het beginsel van het arrest Dassonville ook van toepassing is op handelsregelingen van het in die arresten bedoelde type, met als gevolg dat hun verenigbaarheid met artikel 30 ondergeschikt is aan een dubbele voorwaarde: a) dat de betrokken wettelijke regeling een vanuit communautair gezichtspunt legitiem doel nastreeft, en b) dat de beperkende gevolgen die eruit voortvloeien, niet verder gaan dan wat nodig is om het gestelde doel te bereiken, of ook, naar de formulering in de genoemde arresten, niet verder gaan dan de gevolgen die inherent zijn aan een handelsregeling.
Het is juist, dat het Hof in dezelfde arresten, na de legitimiteit naar gemeenschapsrecht te hebben vastgesteld van een doel bestaande in het verzekeren van een verdeling van werken rusttijden die overeenkomt met het bijzondere nationale of regionale sociaal-culturele karakter, enkel heeft verklaard, dat de beperkingen van het handelsverkeer die eventueel uit een dergelijke regeling kunnen voortvloeien, niet buitensporig zijn ten opzichte van het nagestreefde doel ( 12 ), en vervolgens in het meest recente arrest in deze materie heeft gepreciseerd, dat om vast te stellen of de (eventuele) beperkende gevolgen van een dergelijke regeling niet verder gaan dan wat nodig is ter bereiking van het gestelde doel, onderzocht moet worden of het daarbij gaat om „directe, indirecte of enkel hypothetische gevolgen en of de verhandeling van ingevoerde produkten er niet sterker door wordt belemmerd dan die van binnenlandse produkten”. ( 13 )
Welbeschouwd heeft het Hof zich dus beperkt tot een marginale toetsing van de redelijkheid van de betrokken maatregel, meer bepaald van haar opportuniteit in verband met (eventuele) restrictieve effecten. Maar afgezien van de diverse gebruikte formuleringen en het meer of minder diepgaand onderzoek van de in geding zijnde regelingen, lijkt het ons niet mogelijk te ontkennen, dat het Hof altijd een onderzoek instelt naar het te bereiken doel en de daartoe door de nationale wetgever getroffen regelingen.
10.
Keren wij terug tot de zaak die ons bezig houdt. Zoals gezegd, behoudt de hier besproken wettelijke regeling de verkoop van bepaalde produkten (met name brilleglazen en contactlenzen) voor aan een gegeven beroepsgroep.
Deze wetgeving kanaliseert de verkopen via een netwerk van gespecialiseerde tussenpersonen, onder uitsluiting derhalve van de distributicmogelijkheden van het produkt via andere kanalen dan door de wet bepaald.
Zo gezien zijn er dus geen verschillen met het monopolie van de apothekers, dat het Hof heeft onderzocht in de zaken Delattre en Monteil en Samanni. Het is juist, dat in de onderhavige zaak de organisaties van opticiens hebben gesteld, dat er voor apothekers een numeras clausus geldt, terwijl er geen enkele bijzondere voorwaarde bestaat voor het openen van winkels die optische produkten verhandelen, wat betekent dat iedereen een optiekwinkel kan openen of een optische afdeling kan inrichten in, bij voorbeeld, een supermarkt, mits die afdeling wordt geleid door een gediplomeerd opticien. Dit argument is echter niet doorslaggevend. Het is duidelijk, dat het aantal verkooppunten van brillen en contactlenzen hoogstens gelijk kan zijn aan het aantal opticiens. ( 14 ) Hoe dan ook hebben wij derhalve te maken met een meer of minder ingrijpende kanalisering van de distributie van het produkt.
11.
Volgens de rechtspraak van het Hof nu heeft dit soort regelingen een uitwerking op de handel, die onder omstandigheden tot toepasselijkheid van artikel 30 kan leiden.
In de arresten Delattre en Monteil et Samanni heeft het Hof gepreciseerd, „dat een aan officina-apothekers verleend monopolie, voor de verhandeling van geneesmiddelen of andere produkten, doordat het de verkoop in banen leidt, de verhandelingsmogelijkheden van ingevoerde produkten ongunstig kan beïnvloeden en in die omstandigheden een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag kan vormen”. ( 15 ) Het Hof achtte het dus noodzakelijk te onderzoeken, of het bestaan van een dergelijk monopolie gerechtvaardigd kon zijn om redenen van bescherming van de volksgezondheid of het leven van personen of door dwingende vereisten van bescherming van de consument.
12.
Dit onderzoek moet ook worden verricht in de zaak die ons thans bezig houdt. Ik herinner er in de eerste plaats aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 16 ) de Lid-Staten bij ontbreken van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regelingen het recht hebben om het niveau vast te stellen waarop zij de bescherming van de volksgezondheid en de manier waarop dit niveau moet worden bereikt, willen verzekeren, onder voorwaarde dat het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd.
Verder heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld, dat de Lid-Staten de verkoop of het op de markt brengen van produkten die, hoewel geen farmaceutische specialiteiten in de zin van de gemeenschapsregeling, toch aan de eisen van bescherming van de volksgezondheid moeten voldoen, in beginsel kunnen beperken. ( 17 )
13.
Dit is zeker van toepassing in het geval van de thans in geding zijnde bepalingen, die de verkoop regelen van produkten bestemd om een gebrek in het goede functioneren van het organisme te corrigeren. Een dergelijke bepaling die aan de opticiens de verkoop voorbehoudt van middelen ora het gezichtsvermogen te corrigeren, beoogt duidelijk de bescherming van de volksgezondheid.
In de eerste plaats, ook al is het juist, dat — zoals LPO betoogt — het voorschrijven en het aanpassen van contactlenzen tot de bevoegdheid van de oogarts behoort, het is evenzeer juist, dat de verkoop van deze contactlenzen niet beschouwd kan worden als een willekeurige commerciële activiteit. Zulks niet alleen omdat de opticien (naast de oogarts) de enige is die aan de gebruikers de nodige informatie omtrent het gebruik van de lenzen alsmede over hun onderhoudsprodukten kan verschaffen, maar ook omdat, bij ontbreken van een medisch voorschrift (slechts nodig tot de leeftijd van 16 jaar), een passende controle onmisbaar is evenals de adviezen van iemand die een minimum aan deskundigheid bezit. De maatregel in kwestie is dus objectief noodzakelijk om de bescherming van de volksgezondheid te verzekeren.
In de tweede plaats lijkt het niet mogelijk dat doel te bereiken zonder dat men de verkoop van de betrokken produkten aan gekwalificeerde personen toevertrouwt. Wij kunnen de stelling van verzoekster, dat het voldoende is dat deze produkten enkel op medisch voorschrift worden verkocht en dat het verkooppersoneel geen enkele technische of medische dienst verricht, niet onderschrijven. Het enkele feit dat voor de hicrbcdoelde produkten een medisch voorschrift nodig is, lijkt mij beslissend te zijn om de aanwezigheid in de optiekwinkels van een gekwalificeerd persoon te rechtvaardigen, omdat men ervan mag uitgaan, dat om een recept te kunnen „lezen”, het nodig is te beschikken over een persoon die kennis van optiek heeft. Ik geloof dus niet, dat er minder beperkende oplossingen bestaan om hetzelfde resultaat te garanderen.
Overigens merk ik op, dat het door de Franse wetgeving toegekende monopolie niet onevenredig is ten opzichte van het nagestreefde doel. Het is immers beperkt tot de produkten waarvoor de tussenkomst van personen met een passende beroepskwalificatie noodzakelijk lijkt. Immers, het enige wat aan de opticiens is voorbehouden, is de verkoop van contactlenzen of corrigerende glazen en niet de verkoop van andere produkten, die geen verband houden met de correctie van gebreken van het gezichtsvermogen (of waarvan het gebruik in ieder geval geen gezondheidsrisico met zich brengt), zoals bij voorbeeld zonnebrillen of skibrillen.
In het licht van deze overwegingen meen ik te kunnen zeggen, dat de in deze zaak bedoelde regeling beantwoordt aan het doel van bescherming van de volksgezondheid, dat de beperkende gevolgen, die hoc dan ook indirect en neutraal zijn, niet verder gaan dan wat nodig is ter bereiking van het gestelde doel, en dat, dientengevolge, de regeling niet onder het verbod van artikel 30 valt.
14.
Ten slotte moet ik er nog wel op wijzen, dat het Hof, wanneer het gaat om maatregelen ter bescherming van de gezondheid, hun evenredigheid gewoonlijk niet onderzoekt in het kader van artikel 30, maar in dat van artikel 36. In de praktijk is het resultaat in beide gevallen hetzelfde in die zin, dat de maatregelen in ieder geval verenigbaar worden geacht met de regels betreffende het vrije verkeer van goederen. In het arrest Aragonesa ( 18 ) heeft het Hof trouwens uitdrukkelijk verklaard, dat wanneer het erom gaat, of een maatregel gerechtvaardigd is om redenen van bescherming van de volksgezondheid, het geen nut heeft te onderzoeken of een dergelijk doel ook het karakter van een dwingend vereiste kan hebben voor de toepassing van artikel 30, aangezien de bescherming van de volksgezondheid in artikel 36 uitdrukkelijk wordt genoemd bij de redenen van algemeen belang.
Dienaangaande ben ik van mening, dat in het geval van maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn, en met name de specifieke categorie van zonder onderscheid toepasselijke maatregelen die gevormd wordt door bepalingen die commerciële handelsactiviteiten regelen, het juister zou zijn, die maatregelen, wanneer zij gerechtvaardigd zijn om redenen van bescherming van de gezondheid en evenredig zijn aan het ermee beoogde doel, te beschouwen als vallende binnen het eigen competentiegebied van de Lid-Staten, zodat het verbod van maatregelen van gelijke werking er niet op van toepassing kan zijn. Gezien de uitsluitend theoretische portee van die vraag meen ik echter, dat het geen nut heeft zich verder met dit punt bezig te houden, en dat het volstaat akte te nemen van de praktische keuze die het Hof in het arrest Aragonesa heeft gemaakt.
15.
Gelet op het voorgaande geeft ik het Hof in overweging, de vragen van de Franse Cour de Cassation te beantwoorden als volgt:
„Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale regeling die de verkoop van contactlenzen en verwante produkten verbiedt door handelsondernemingen die niet geleid of beheerd worden door personen die aan de voorwaarden voor het uitoefenen van het beroep van opticien voldoen. Zelfs indien een dergelijke regeling een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 zou zijn, kan zij gerechtvaardigd worden door redenen van bescherming van de volksgezondheid als bedoeld in artikel 36 van het Verdrag.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Ik breng in dit verband in herinnering, dat een ontwerprichtlijn met betrekking tot medische voorzieningen (PB 1991, C-237, blz. 3) bij de Raad ter tafel ligt. Deze richtlijn, die de nationale regelingen met betrekking tot de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de patiënten harmoniseert, opdat het vrije verkeer van deze voorzieningen binnen de gemeenschappelijke markt wordt verzekerd, is ook op de contactlenzen, en meer in het algemeen op optische produkten, van toepassing.
( 2 ) In het arrest van 15 december 1982 (zaak 286/81, Oosthoek, Jurispr. 1982, blz. 4575) heeft het Hof uitdrukkelijk verklaard, dat „de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling op de verkoop in Nederland van aldaar geproduceerde encyclopedieën, geen verband houdt met de invoer of uitvoer van goederen en dus niet onder de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag valt” (r. o. 9).
( 3 ) Arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r. o. 5).
( 4 ) Zie arresten van 5 april 1984 (gevoegde zaken 177/82 en 178/82, Van de Haar, Jurispr. 1984, blz. 1797, r. o. 13) en 5 juni 1986 (zaak 103/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 1759, r. o. 18).
( 5 ) Zie arresten van 14 juli 1981 (zaak 155/80, Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993), 31 maart 1982 (zaak 75/81, Blcsgcn, Jurispr. 1982, blz. 1211), 25 november 1986 (zaak 145/85, Forest, Jurispr. 1986, blz. 3449), 7 maart 1990 (zaak C-69/88, Krantz, Jurispr. 1990, blz. I-583), 11 juli 1990 (zaak C-23/89, Quictlynn, Jurispr. 1990, blz. I-3059) en 7 mei 1991 (zaak C-350/89, Shcptonhurst, Jurispr. 1991, blz. I-2387).
( 6 ) Zie arrest Blcsgcn, reeds aangehaald, r. o. 9.
( 7 ) Arrest Quictlynn, reeds aangehaald, r. o. 11.
( 8 ) Zie arrest van 15 december 1982, Oosthoek, reeds aangehaald, dat de eerste toepassing vormt van de onderhavige benadering van een regeling van de soort die ons in deze zaak bezig houdt. Zie voorts arresten van 16 mei 1989 (zaak 322/87, Buet, Jurispr. 1989, blz. 1235) en 21 maart 1991 (zaak C-369/88, Delattre, Jurispr. 1991, blz. I-1487). Dezelfde lijn volgend heeft het Hof overwogen, dat nationale maatregelen strekkende tot verbod of beperking van zekere vormen van publiciteit, naar hun aard het importvolumc beperken: zie, bij voorbeeld, arresten van 7 maart 1990 (zaak C-362/88, GBINNOBM, Jurispr. 1990, blz. I-667) en 25 juli 1991 (gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90, Aragonesa, Jurispr. 1991, blz. I-4151).
( 9 ) Arrest Oosthoek, reeds aangehaald, r. o. 15; arrest Buet, reeds aangehaald, r. o. 7 en 8, en arrest Delattre, reeds aangehaald, r. o. 50.
( 10 ) Zie arrest van 21 maart 1991 (zaak C-60/89, Monteil en Samanni, Jurispr. 1991, blz. I-1547), alsmede arrest Delattre, reeds aangehaald.
( 11 ) Arresten van 23 november 1989 (zaak C-145/88, Torfaen, Jurispr. 1989, blz. I-3851), 28 februari 1991 (zaak C-312/89, Conforama, Jurispr. 1991, blz. I-997, en zaak C-332/89, Marchandise, Jurispr. 1991, blz. I-1027) en 16 december 1992 (zaak C-169/91, Council of the City of Stokc-on-Trcnt, Jurispr. 1992, blz. I-6635).
( 12 ) Arresten Conforama en Marchandise, reeds aangehaald, resp. r. o. 12 en 13.
( 13 ) Arrest Council of the City of Stokc-on-Trent, reeds aangehaald, r. o. 15.
( 14 ) Volgens LPO verkoopt de grote meerderheid van opticiens alleen brillen. De door partijen verstrekte cijfers komen echter niet met elkaar overeen: volgens LPO gaat het om 2000 van de 6000 verkooppunten, volgens de beroepsorganisaties om meer dan 4000.
( 15 ) Arrest Delattre, reeds aangehaald, r. o. 51.
( 16 ) Zie laatstelijk arrest van 25 juli 1991, Aragonesa, reeds aangehaald, r. o. 16.
( 17 ) Zie, naast de arresten Delattre en Monteil en Samanni, arresten van 30 november 1983 (zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr. 1983, blz. 3883) en 20 maart 1986 (zaak 35/85, Tissicr, Jurispr. 1986, blz. 1207).
( 18 ) Arrest van 25 juli 1991, reeds aangehaald, r. o. 13.
Full & Egal Universal Law Academy