Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 In deze zaak, waarin het gaat om een verzoek om een prejudiciële beslissing van de arbeidskamer van de Italiaanse Corte Suprema di Cassazione, wordt het Hof verzocht zijn rechtspraak te herzien inzake de vraag, of een Lid-Staat het recht op voortgezette vrijwillige verzekering afhankelijk mag stellen van een eerdere aansluiting bij het sociale-zekerheidsstelsel van die staat. De Corte Suprema di Cassazione heeft de volgende vraag aan het Hof voorgelegd:
"Moet artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, bepalende dat $de onder de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken, voor zover nodig, in aanmerking worden genomen alsof het verzekeringstijdvakken zijn die onder de wetgeving van eerstbedoelde staat zijn vervuld', aldus worden uitgelegd, dat toegang tot de vrijwillig voortgezette verzekering ook kan worden verleend aan de werknemer die niet verscheidene, voor samentelling vatbare tijdvakken van arbeid in meerdere Lid-Staten - waaronder de Lid-Staat waarin het verzoek is ingediend - heeft vervuld, doch slechts één voorafgaand tijdvak van arbeid als migrerend werknemer in een andere Lid-Staat, wat zou betekenen dat de in laatstbedoelde staat deswege betaalde verplichte bijdragen in aanmerking moeten worden genomen voor de toelating tot de vrijwillige verzekering in de staat waarin om voortzetting van de verzekering is verzocht?"
2 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zal ik in het vervolg eenvoudig aanduiden als "de verordening". Zij is bij verordening nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 gewijzigd en bijgewerkt (PB 1983, L 230, blz. 6). Latere wijzigingen (zie de geconsolideerde versie die, uitsluitend ter informatie, is gepubliceerd in PB 1992, C 325, blz. 1) hebben geen veranderingen gebracht die voor de onderhavige zaak van belang zijn. Artikel 9, lid 2, van de verordening luidt als volgt:
"Indien de wetgeving van een Lid-Staat de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, voor zover nodig, de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervuld zijn, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat vervuld waren."
3 Mevrouw Baglieri is een Italiaans staatsburger die van 23 augustus 1965 tot 4 april 1975 in Duitsland heeft gewerkt, tijdens welke periode zij verplichte bijdragen heeft betaald krachtens de Duitse sociale-verzekeringswetgeving. Vervolgens keerde zij terug naar Italië. Op 17 december 1979 beriep zij zich tegenover verzoeker, een orgaan van sociale zekerheid, op haar recht om vrijwillige verzekeringsbijdragen in Italië te betalen. Deze bijdragen wilde zij betalen om te kunnen voldoen aan de vereisten voor toekenning van een invaliditeitspensioen in Italië. Gebleken is, dat Baglieri nooit werkzaam is geweest in Italië of bij enig Italiaans stelsel van sociale zekerheid aangesloten is geweest.
4 Het INPS wees het verzoek van Baglieri af, waarna deze beroep instelde bij de Pretura di Siracusa, die haar beroep toewees, om reden dat haar recht om vrijwillige bijdragen te betalen, zou zijn verzekerd door artikel 9, lid 2, van de verordening. Op zijn beurt ging het INPS in beroep, eerst bij het Tribunale di Siracusa en vervolgens bij de hoogste Italiaanse rechter, de Corte Suprema di Cassazione. Het INPS betoogt, dat artikel 9, lid 2, van de verordening niet vereist, dat een Lid-Staat de in een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking neemt, wanneer de betrokken persoon nooit aangesloten is geweest bij een verplicht verzekeringsstelsel in de eerste Lid-Staat.
De bestaande rechtspraak
5 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt duidelijk, dat de Corte Suprema di Cassazione zich ervan bewust is, dat de gestelde vraag reeds eerder door het Hof is beantwoord in het arrest Vigier (zaak 70/80, Jurispr. 1981, blz. 229). Deze zaak had betrekking op het recht van slachtoffers van nazi-vervolgingen op nabetaling van vrijwillige bijdragen aan een Duits stelsel van sociale zekerheid. Krachtens de toepasselijke wetgeving was dit recht afhankelijk van het feit, of de betrokken persoon al dan niet de status van verzekerde onder Duits recht had. Het Hof verklaarde in de overwegingen 18-20 van het arrest:
"Blijkens de verwijzingsbeschikking (...) moet de belanghebbende, om de hoedanigheid van verzekerde te bezitten, tenminste één bijdrage als werknemer aan een Duits sociaal-verzekeringsorgaan hebben betaald.
Wanneer naar nationaal recht de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een van de takken daarvan afhangt van de voorwaarde dat de betrokkene reeds eerder bij het nationale stelsel van sociale zekerheid aangesloten is geweest, dan legt volgens de rechtspraak van het Hof, en met name het arrest van 24 april 1980 (zaak 110/79, Coonan, Jurispr. 1980, blz. 1445), verordening nr. 1408/71 de Lid-Staten niet de verplichting op, de in een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken gelijk te stellen met tijdvakken die op het nationale grondgebied hadden moeten zijn vervuld.
De tweede vraag dient mitsdien aldus te worden beantwoord, dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1408/71 moet worden uitgelegd in die zin, dat een sociale-verzekeringsorgaan van een Lid-Staat niet verplicht is rekening te houden met tijdvakken van verzekering, die krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn vervuld, wanneer de betrokken werknemer in de eerstgenoemde Lid-Staat nooit de wettelijk vereiste bijdrage heeft betaald ter verkrijging van de hoedanigheid van verzekerde in de zin van de wetgeving van deze Lid-Staat."
Advocaat-generaal Reischl zette in zijn conclusie op blz. 248 uiteen:
"[Artikel 9, lid 2,] is enkel een samentellingsvoorschrift en bewerkstelligt zodoende een gelijkstelling van buitenlandse verzekeringstijdvakken, voor zover uitkeringen van de verzekeringsduur afhangen, zodat het een rol speelt bij de vraag of een minimumverzekeringstijdvak van 60 maanden is vervuld. De bepaling heeft daarentegen niet de strekking, de hoedanigheid van verzekerde te verlenen. Die wordt veeleer verondersteld (...) Dit is een aspect dat, zoals de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte terecht opmerkt, in principe buiten de sfeer van het gemeenschapsrecht inzake de sociale zekerheid valt. Het verkrijgen van de hoedanigheid van verzekerde is een zaak van nationaal recht, en een van de noodzakelijke vereisten voor de toepassing van verordening nr. 1408/71."
6 Het in het arrest Vigier vastgelegde beginsel is in latere zaken bevestigd, het meest recentelijk in het arrest Hartmann Troiani (zaak 368/87, Jurispr. 1989, blz. 1333). Deze zaak had betrekking op het recht tot vrijwillige nabetaling van verzekeringsbijdragen die bij het huwelijk van de premiebetaler waren terugbetaald. Krachtens de toepasselijke nationale wetgeving was het recht om dergelijke bijdragen te betalen, afhankelijk van de aansluiting bij een verplicht stelsel van sociale zekerheid in de betrokken Lid-Staat. Het Hof verklaarde in de overwegingen 12, 15 en 16 van zijn arrest:
"Vooraf zij erop gewezen, dat een nationale wettelijke regeling die het recht tot vrijwillige nabetaling van bijdragen voor de pensioenverzekering afhankelijk stelt van bepaalde voorwaarden, onder het begrip voortgezette verzekering in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1408/71 valt.
(...)
Artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1408/71 heeft ten doel de gelijkstelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken te waarborgen, zodat de belanghebbenden kunnen voldoen aan de voorwaarde van een minimumperiode van verzekering, indien een nationale wettelijke regeling de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering daarvan afhankelijk stelt.
Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt daarentegen, dat zij niet de overige voorwaarden regelt die de wettelijke regelingen van de Lid-Staten kunnen stellen aan het ontstaan van een recht, zoals bij voorbeeld het recht om bijdragen te betalen aan een nationaal stelsel van vrijwillige verzekering of vrijwillig voortgezette verzekering."
Voorts verklaarde het Hof, dat een dergelijk resultaat in overeenstemming was met de artikelen 48 en 51 van het Verdrag. Zoals het in overweging 21 van zijn arrest opmerkte:
"Het is weliswaar juist, dat zoals het Hof in zijn arrest van 25 februari 1986 (zaak 284/84, Spruyt, Jurispr. 1986, blz. 685, r.o. 19) heeft vastgesteld, het doel van de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hen door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend. Zoals het Hof echter anderzijds in zijn arresten van 24 april 1980 (zaak 110/79, Coonan, Jurispr. 1980, blz. 1445, r.o. 12) en 24 september 1987 (zaak 43/86, De Rijke, Jurispr. 1987, blz. 3611, r.o. 12) heeft geoordeeld, staat het niettemin aan de nationale wetgever om de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten."
7 Bijgevolg kan worden geconstateerd, dat het Hof in zijn rechtspraak herhaaldelijk het beginsel heeft bevestigd, dat het aan de betrokken Lid-Staat staat om de voorwaarden vast te stellen voor de aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid van die staat, en dat dergelijke voorwaarden niet onder de werkingssfeer vallen van bepalingen zoals die van artikel 9, lid 2, van de verordening, die uitsluitend betrekking hebben op de samentelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken, ten einde te kunnen voldoen aan de vereisten inzake de minimumverzekeringsduur. Hieruit volgt, dat artikel 9, lid 2, een Lid-Staat niet kan beletten om de toelating tot een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk te stellen van een eerdere aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid van die staat.
Moet de rechtspraak worden herzien?
8 De Corte Suprema di Cassazione betoogt echter, dat het Hof zijn uitlegging van artikel 9, lid 2, van de verordening wellicht zal willen herzien. De Corte motiveert dit voorstel van een nieuwe uitlegging in de eerste plaats met een verwijzing naar "de aanstaande opheffing van iedere beperking van het vrije verkeer van werknemers" binnen de Gemeenschap, waarmee zij lijkt te doelen op de totstandkoming van de interne markt, zoals bedoeld in artikel 8 A van het Verdrag. Op de tweede plaats verwijst de Corte Suprema di Cassazione naar wat zij omschrijft als "beginselen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van werknemers binnen de landen van de Gemeenschap en hun sociale zekerheid", die volgens haar "bedoeld zijn om op het grondgebied van de Gemeenschap verworven rechten te verzekeren (en gelijk te stellen)". Ten slotte brengt de Corte naar voren, dat een onnodig restrictieve uitleg van artikel 9, lid 2, werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in een nadelige situatie brengt ten opzichte van werknemers die in derde landen hebben gewerkt.
9 Zoals de Commissie op overtuigende wijze in haar schriftelijke opmerkingen aantoont, kan geen van de door de Corte Suprema di Cassazione aangevoerde argumenten aanleiding vormen tot een heroverweging van de bestaande uitlegging van het Hof van artikel 9, lid 2. Niettemin zal ik deze argumenten in het hiernavolgende kort onder de loep nemen.
a) De totstandkoming van de interne markt
10 Zoals ik reeds opmerkte, heeft de eerste opmerking van de Corte Suprema betrekking op de totstandkoming van de interne markt krachtens artikel 8 A van het Verdrag, zoals gewijzigd bij de Europese Akte, dat het volgende bepaalt:
"De Gemeenschap stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992, overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel en van de artikelen 8 B, 8 C en 28, artikel 57, lid 2, artikel 59, artikel 70, lid 1, de artikelen 84, 99, 100 A en 100 B, onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag.
De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag."
Door de Commissie is terecht naar voren gebracht, dat de Raad drie richtlijnen heeft aangenomen die het recht om in een andere Lid-Staat te verblijven, uitbreiden tot bepaalde categorieën personen - met name personen die over eigen financiële middelen beschikken, gepensioneerden en studenten -, waarvan sommigen dit recht krachtens het Verdrag voorheen niet genoten.(1) Daarnaast is door de Commissie een voorstel aan de Raad gedaan om een verordening vast te stellen ter wijziging van verordening nr. 1408/71, waardoor, als de Raad dit voorstel zou aannemen, de werkingssfeer van de verordening in principe wordt uitgebreid tot alle verzekerde personen; thans heeft de verordening uiteraard alleen betrekking op werknemers en zelfstandigen, alsmede op gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen.(2)
11 Genoemde richtlijnen en de voorgestelde wijziging van de verordening hebben alle tot doel de totstandkoming van de interne markt in de zin van artikel 8 A van het Verdrag te verzekeren, zoals uit hun considerans blijkt. Uit de bewoordingen van artikel 8 A blijkt echter duidelijk, dat dit artikel zelf niet bedoeld is ter harmonisatie van bepalingen van de Lid-Staten betreffende het vrije verkeer van personen. Ook na het verstrijken van de in artikel 8 A genoemde datum van 31 december 1992 kan het niet worden geacht een dergelijk effect te hebben.
12 Deze conclusie wordt bevestigd door een onderzoek van de artikelen 100 A en 100 B van het Verdrag, die bij de Europese Akte in het EEG-Verdrag zijn opgenomen, teneinde de doelstellingen van artikel 8 A gemakkelijker te realiseren. Allereerst moet worden opgemerkt, dat de fiscale bepalingen, de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen en de bepalingen inzake de rechten en belangen van werknemers van de werking van artikel 100 A zijn uitgesloten: zie lid 2 van dit artikel. Ten aanzien van de bepalingen die wel onder de werkingssfeer van artikel 100 A vallen, bepaalt artikel 100 B, lid 1, eerste alinea, dat de Commissie met elke Lid-Staat in de loop van 1992 overgaat tot een inventarisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nog geen voorwerp van harmonisatie uit hoofde van dat artikel zijn geweest. De tweede alinea van artikel 100 B, lid 1, bepaalt als volgt:
"De Raad kan volgens de bepalingen van artikel 100 A besluiten dat in een Lid-Staat geldende bepalingen moeten worden erkend als zijnde gelijkwaardig aan die welke door een andere Lid-Staat worden toegepast."
Bijgevolg is, zelfs in het geval van bepalingen die onder artikel 100 A vallen - het verdragsartikel dat specifiek is bedoeld om de totstandkoming van de interne markt overeenkomstig artikel 8 A te verzekeren -, verdere actie van de Raad nog steeds vereist voordat de bepalingen van de Lid-Staten als gelijkwaardig moeten worden erkend. In geval van bepalingen, zoals die in casu aan de orde zijn en die buiten de werkingssfeer van artikel 100 A vallen, moet deze conclusie volgens mij a fortiori gelden. Bovendien zou een dergelijke conclusie in overeenstemming zijn met de Verklaring inzake artikel 8 A van het EEG-Verdrag, die als bijlage bij de Slotakte, waarbij de Europese Akte is aangenomen, is opgenomen en waarin bepaald wordt, dat de vaststelling van de datum van 31 december 1992 "geen automatische rechtsgevolgen schept". Ofschoon de status en de werking van deze verklaring nog verheldering behoeven(3), is het duidelijk, dat, voor zover bij de uitleg van artikel 8 A met deze verklaring rekening wordt gehouden, zij onverenigbaar is met de stelling, dat het vaststellen van die datum tot wijzigingen in de draagwijdte van de sociale-zekerheidsregelingen heeft geleid.
13 Bijgevolg kan worden geconstateerd, dat het verstrijken van de voor de totstandkoming van de interne markt vastgestelde datum er op zich niet toe kan leiden, dat Lid-Staten worden verplicht de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid van een andere Lid-Staat te erkennen als gelijkwaardig met de aansluiting bij het eigen stelsel van sociale zekerheid, ook indien een dergelijke wederzijdse erkenning noodzakelijk zou worden geacht voor de totstandkoming van de interne markt. Hieruit volgt, dat het verstrijken van die datum niet rechtstreeks van invloed is op de geldende rechtspraak van het Hof inzake artikel 9, lid 2, van de verordening. Nu wetgeving die in een dergelijke wederzijdse erkenning voorziet, ontbreekt, behoudt iedere Lid-Staat mitsdien het recht om voorwaarden te stellen aan de aansluiting bij zijn eigen stelsels van sociale zekerheid.
b) Het vrije verkeer van werknemers
14 Het lijkt mij evenmin toe, dat de overwegingen op grond van de in het Verdrag neergelegde beginselen inzake het vrije verkeer van werknemers afbreuk kunnen doen aan de geldende rechtspraak van het Hof inzake artikel 9, lid 2. Zoals wij onder punt 6 supra hebben gezien, heeft het Hof beklemtoond, dat zijn bestaande uitlegging volledig in overeenstemming is met zowel artikel 48 als artikel 51 van het Verdrag. Uiteraard valt niet te betwisten, dat de bepalingen van de verordening moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het doel van de artikelen 48 en 51, dat wil zeggen te verzekeren dat een werknemer, als gevolg van de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer ingevolge het Verdrag, geen sociale-zekerheidsvoordelen verliest die hem door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend (zie zaak 254/84, De Jong, Jurispr. 1986, blz. 671, r.o. 15, en zaak 368/87, Hartmann Troiani, reeds aangehaald, r.o. 21). Hieruit volgt echter niet, dat een werknemer die zijn recht op vrij verkeer uitoefent, het recht zou moeten hebben om zich aan te sluiten bij een stelsel van sociale zekerheid in de Lid-Staat van zijn keuze. Bij gebreke aan harmonisatie van de sociale-zekerheidswetgevingen van de Lid-Staten zou een dergelijke keuzevrijheid een ondraaglijke last leggen op de Lid-Staten die naar verhouding relatief aantrekkelijke sociale-zekerheidsvoorzieningen hebben.
15 In casu is het duidelijk, dat Baglieri, als gevolg van haar werkzaamheden in Duitsland, geen enkel recht dat zij reeds onder het Italiaanse recht had, heeft verloren om vrijwillig verzekeringsbijdragen te betalen. Het is inderdaad zo, dat als zij in Italië had gewerkt in plaats van in Duitsland, zij een dergelijk recht had kunnen verwerven. Daar staat echter tegenover, dat zij in dat geval niet de rechten zou hebben verworven die zij thans geniet als gevolg van haar aansluiting bij een Duits stelsel van sociale zekerheid. Uiteraard zou sprake zijn van een potentiële belemmering van het vrije verkeer van werknemers indien een werknemer, om reden dat hij in meer dan één andere Lid-Staat werkzaam is geweest, niet zou kunnen voldoen aan de voorwaarden ter verkrijging van een recht op sociale-zekerheidsuitkeringen in een van de Lid-Staten waarin hij gewerkt heeft. Deze belemmering is echter uit de weg geruimd door de bepalingen van de verordening, met inbegrip van artikel 9, lid 2, op grond waarvan het mogelijk is de in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken bijeen te tellen.
c) Gelijke behandeling met migrerende werknemers in derde landen
16 Ten slotte voert de Corte Suprema aan, dat 's Hofs bestaande uitlegging van artikel 9, lid 2, tot gevolg kan hebben, dat werknemers die hun recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap hebben uitgeoefend, onder de nationale wetgeving minder gunstig worden behandeld dan zij die in een derde land hebben gewerkt. Het schijnt, dat in het Italiaanse recht een bijzondere voorziening in het leven is geroepen voor de betaling van verzekeringsbijdragen door dergelijke werknemers, teneinde hun rechten op Italiaanse sociale-zekerheidsuitkeringen te beschermen. Het gemeenschapsrecht verbiedt een Lid-Staat uiteraard niet om dergelijke voordelen toe te kennen aan personen die in een derde land gaan werken; deze voorzieningen kunnen noodzakelijk worden geacht om de positie veilig te stellen van werknemers in een derde land dat geen bilateraal verdrag met de betrokken Lid-Staat heeft gesloten. Het is echter eveneens zo, dat het gemeenschapsrecht niet vereist, dat soortgelijke voordelen worden toegekend aan werknemers die in een andere Lid-Staat gaan werken. De positie van die werknemers wordt in alle gevallen beschermd door de bepalingen van de verordening, welke zowel voorziet in gelijke behandeling met de onderdanen van de Lid-Staat van ontvangst, als in samentelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken.
Conclusie
17 Ik kom derhalve tot de conclusie, dat de door de Corte Suprema di Cassazione naar voren gebrachte argumenten geen reden zijn om de bestaande rechtspraak van het Hof inzake artikel 9, lid 2, van de verordening te verlaten. Zoals wij hebben kunnen constateren, blijkt duidelijk uit deze rechtspraak, dat het voor de toepassing van artikel 9, lid 2, aan de betrokken Lid-Staten staat om de voorwaarden vast te stellen voor aansluiting bij hun stelsel van sociale zekerheid, zolang er maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen de onderdanen van die Lid-Staat en die van de andere Lid-Staten.
18 Mitsdien ben ik de mening toegedaan, dat de door de Corte Suprema di Cassazione aan het Hof voorgelegde vraag moet worden beantwoord als volgt:
"Artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten niet verplicht zijn verzekeringstijdvakken die onder de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn vervuld, in aanmerking te nemen, wanneer de betrokken persoon nooit aangesloten is geweest bij een stelsel van sociale zekerheid in de eerste Lid-Staat en een dergelijke aansluiting voorwaarde is om te kunnen worden toegelaten tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering onder de wetgeving van die staat."
(1) - Zie richtlijn 90/364/EEG van de Raad betreffende het verblijfsrecht, richtlijn 90/365/EEG van de Raad betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepsactiviteiten hebben beëindigd, en richtlijn 90/366/EEG van de Raad betreffende het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, resp. blz. 26, 28 en 30). Opmerking verdient, dat de laatste richtlijn door het Hof nietig is verklaard in het arrest van 7 juli 1992 (zaak C-295/90, Parlement/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-4193), omdat de verkeerde verdragsgrondslag was gehanteerd (artikel 235 in plaats van artikel 7). Het Hof heeft echter de gevolgen van de richtlijn gehandhaafd zolang de Raad geen nieuwe richtlijn op basis van de juiste verdragsgrondslag heeft vastgesteld.
(2) - Voor de tekst van dat voorstel zie PB 1992, C 46, blz. 1.
(3) - Voor de status van deze verklaring en de mogelijke rechtsgevolgen van de in artikel 8 A vastgestelde tijdslimiet, zie H. G. Schermers, "The effect of the date 31 December 1992" in Common Market Law Review, nr. 28, 1991, blz. 275-289. Zie ook A. G. Toth "The legal status of the declarations annexed to the Single European Act" in Common Market Law Review, nr. 23, 1986, blz. 803-812.
Full & Egal Universal Law Academy