Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Haim, geboren in 1922 en Italiaans onderdaan, ontvangt in 1946 zijn diploma tandheelkunde aan de universiteit van Istanboel, waar hij tot 1980 zijn praktijk uitoefent. Op 18 september 1981 krijgt hij van de Regierungspraesident van Arnsberg de "Approbation" als tandarts, op grond waarvan hij zijn beroep in Duitsland kan uitoefenen. Hij mag echter geen ziekenfondspatiënten behandelen, maar uitsluitend particuliere patiënten. Hij vestigt zich in België, waar hij met succes een theoretisch en praktisch examen aflegt. Dit geeft hem recht op een "certificat d' équivalence" (certificaat van gelijkwaardigheid) met het "diplôme légal belge de licencié en science dentaire", waarop hij in België als ziekenfondstandarts wordt ingeschreven.
2. In 1988 besluit Haim te gaan werken als assistent van zijn zoon, die in Duitsland als ziekenfondstandarts is gevestigd. Ten einde ziekenfondspatiënten te kunnen behandelen, verzoekt Haim de Kassenzahnaerztliche Vereinigung Nordrhein (hierna "KVN") om inschrijving in het tandartsenregister.
3. Om in Duitsland als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, dient men op grond van § 3, lid 2, van de Zulassungsverordnung fuer Kassenzahnaerzte (hierna: "ZZV") te zijn inschreven in het tandartsenregister, voor welke inschrijving de volgende voorwaarden gelden:
- de officiële erkenning ("Approbation") als tandarts;
- de vervulling van een voorbereidende stage van twee jaar.
4. Volgens artikel 20 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (hierna: "richtlijn nr. 1")(1), kunnen "de Lid-Staten die van hun eigen onderdanen eisen dat zij een voorbereidende stage hebben vervuld om werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondstandarts (...) gedurende een periode van acht jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van deze richtlijn, dezelfde eis stellen aan de onderdanen van andere Lid-Staten. De duur van de stage mag evenwel niet langer zijn dan zes maanden".
5. De termijn van acht jaar is voor de Bondsrepubliek Duitsland op 28 juli 1986 verstreken.
6. Overeenkomstig dit artikel (hierna: "artikel 20") zijn ingevolge § 3, lid 4, ZZV "tandartsen die in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap een door het gemeenschapsrecht erkend diploma hebben verworven en tot de uitoefening van hun beroep zijn toegelaten", vrijgesteld van de stage.
7. Met een beroep op dit artikel verzoekt Haim te worden vrijgesteld van de verplichte voorbereidende stage, hetgeen de KVN weigert op grond dat hij zijn diploma niet in een Lid-Staat heeft behaald.
8. Het tegen die beslissing ingestelde beroep wordt achtereenvolgens verworpen door het Sozialgericht Duesseldorf en het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen. Het Bundessozialgericht, waar Haim "Revision" heeft ingesteld, stelt het Hof drie prejudiciële vragen over de uitlegging van artikel 20 van de richtlijn en artikel 52 EEG-Verdrag.
9. Het Bundessozialgericht wenst in hoofdzaak te vernemen:
1) of artikel 20 verbiedt, dat een Lid-Staat die een onderdaan van een andere Lid-Staat heeft toegestaan op zijn grondgebied zijn beroep uit te oefenen, van de betrokkene verlangt dat hij een voorbereidende stage vervult om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, wanneer hij geen volgens de richtlijnen te erkennen titel bezit;
2) zo nee, of artikel 20 de onderdaan van een Lid-Staat die een diploma van een derde staat bezit, dat door een andere Lid-Staat is erkend als gelijkwaardig met een in de richtlijn genoemd diploma, vrijstelt van de stage;
3) zo nee, of ingevolge artikel 52 EEG-Verdrag aan een communautair onderdaan die geen in de richtlijn genoemd diploma bezit, maar in de Lid-Staat van vestiging tot de beroepsuitoefening is toegelaten, de toelating als ziekenfondstandarts wegens het ontbreken van de voorbereidende stage mag worden geweigerd, zonder dat wordt nagegaan of de huidige beroepservaring van betrokkene kan worden geacht aan dat vereiste te voldoen.(2)
10. Het voorwerp van discussie is dus duidelijk afgebakend: het gaat er hier niet om, de voorwaarden te bepalen voor de toelating tot de uitoefening van het beroep van tandarts - dat in de onderhavige zaak niet ter discussie staat -, maar van het beroep van ziekenfondstandarts, voor een communautair onderdaan die een diploma van een derde staat bezit, dat door de Lid-Staat van vestiging en door een andere Lid-Staat van de Gemeenschap als gelijkwaardig is erkend.
11. Mij lijkt, dat de eerste twee vragen, die beide betrekking hebben op de uitlegging van artikel 20, gezamenlijk moet worden beantwoord.
12. Daartoe dient dit artikel te worden geplaatst in het kader van de richtlijn.
13. Uit de artikelen 2 en 3 van richtlijn nr. 1 blijkt, dat deze betrekking heeft op de onderlinge erkenning door de Lid-Staten van limitatief opgesomde tandartsdiploma' s die door deze staten zijn uitgereikt.
14. De cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de tandarts wordt verzekerd door richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (hierna: "richtlijn nr. 2")(3), waarnaar richtlijn 1, van dezelfde dag, verwijst.(4)
15. Een door een Lid-Staat afgegeven diploma wordt in de andere Lid-Staten van de Gemeenschap automatisch erkend, omdat het voldoet aan de in richtlijn nr. 2(5) vastgelegde minimumcriteria, die de Lid-Staten zijn overeengekomen.
16. Een dergelijke cooerdinatie van opleidingen en wettelijke regelingen bestaat niet met derde landen. Dienaangaande bepaalt artikel 1, lid 4, van richtlijn nr. 2 het volgende: "Deze richtlijn laat de mogelijkheid voor de Lid-Staten om op hun eigen grondgebied volgens hun eigen regeling de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde en de uitoefening ervan toe te staan aan de houders van diploma' s, certificaten en andere titels die niet in een Lid-Staat zijn behaald, geheel onverlet."(6)
17. Een Lid-Staat is dus geenszins verplicht een in een derde staat verkregen diploma te erkennen, ook al is dat verkregen door een communautair onderdaan.
18. De vraag van de erkenning door de Lid-Staten van door derde staten afgegeven diploma' s, komt in de specifieke richtlijnen over de onderlinge erkenning van diploma' s niet aan de orde. Die richtlijnen preciseren dienaangaande in het algemeen slechts, dat deze kwestie wordt geregeld door de Lid-Staten, die hun eigen criteria voor de gelijkwaardigheid bepalen en een beoordelingsvrijheid behouden die door het gemeenschapsrecht niet ter discussie wordt gesteld.(7)
19. De Raad heeft bij richtlijn 89/49/EEG van 21 december 1988(8) weliswaar een algemeen stelsel ingevoerd van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, doch deze richtlijn is niet van toepassing op de beroepen die vallen onder een specifieke richtlijn waarmee tussen de Lid-Staten een onderlinge erkenning van diploma' s is ingesteld.(9) Dus ook al gaat artikel 1, sub a, van deze richtlijn in de richting van de erkenning van in een derde staat verkregen diploma' s, het onderhavige geschil valt buiten de werkingssfeer ervan. Bij aanbeveling van dezelfde dag heeft de Raad de regeringen van de Lid-Staten dan ook aanbevolen, hun onderdanen die in het bezit zijn van een in een derde staat afgegeven diploma, de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde beroepen binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.(10)
20. Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen(11), die richtlijn 89/48 aanvult, is evenmin van toepassing op de beroepen die vallen onder een specifieke richtlijn waarmee tussen de Lid-Staten een onderlinge erkenning van diploma' s is ingesteld.(12)
21. Hieruit volgt, dat de onderdaan van een Lid-Staat die niet in het bezit is van één van de in artikel 3 van richtlijn nr. 1 genoemde diploma' s, doch uitsluitend van een in een derde staat verkregen diploma, zich niet op deze richtlijn, met name niet op artikel 20 ervan, kan beroepen.
22. Wordt aan deze conclusie afgedaan door het feit dat dit diploma door de Lid-Staat van vestiging als gelijkwaardig is erkend? Dient deze Lid-Staat de richtlijn toe te passen en de houder van een dergelijk diploma vrij te stellen van de stage?
23. Verzoeker in het hoofdgeding vindt van wel en hij voert hiervoor een aantal argumenten aan.
24. In de eerste plaats, aldus verzoeker in het hoofdgeding, mogen Lid-Staten die van hun eigen onderdanen de vervulling van een voorbereidende stage eisen om werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondstandarts, dit op grond van artikel 20 gedurende een periode van acht jaar ook eisen van onderdanen van andere Lid-Staten, zonder enige andere voorwaarde: van laatstgenoemden kan niet worden verlangd, dat zij bovendien in het bezit zijn van een communautair diploma.
25. In de tweede plaats, aldus verzoeker, heeft richtlijn nr. 1 luidens haar titel niet alleen betrekking op de erkenning van diploma' s; de titel spreekt eveneens van "maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vrije vestiging en vrij verrichten van diensten". Artikel 20, dat behoort tot het hoofdstuk met de titel "slotbepalingen", zou geen verband houden met de bepalingen inzake de onderlinge erkenning van diploma' s. De richtlijn zou in eerste instantie de voorwaarden voor de onderlinge erkenning van diploma' s in de Gemeenschap vaststellen, en in tweede instantie de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van ziekenfondstandarts.
26. In de derde plaats zou alleen door deze uitlegging kunnen worden voorkomen, dat tussen communautaire onderdanen die in de Lid-Staat van ontvangst het beroep van tandarts mogen uitoefenen, wordt gediscrimineerd.
27. Ten slotte is deze uitlegging volgens verzoeker in overeenstemming met de ratio legis van het artikel, dat niet tot doel heeft ervaren tandartsen te verplichten tot het volgen van een stage, doch uitsluitend het gebrek aan praktijkervaring van beginnende tandartsen wil compenseren.
28. Deze redenering kan mij niet overtuigen.
29. Indien men artikel 20 afzondert van de rest van de richtlijn, miskent men daarmee de structuur van de richtlijn en het ondeelbare karakter van de twee richtlijnen van 25 juli 1978. Gelijk G. Druesne opmerkt: "[op het gebied van de onderlinge erkenning van diploma' s] wordt altijd dezelfde methode gevolgd: twee richtlijnen worden op dezelfde dag vastgesteld, één voor de cooerdinatie van de nationale wettelijke regelingen, en één voor de onderlinge erkenning van diploma' s. De eerste legt bepaalde minimumnormen vast betreffende de opleiding, en juist omdat het stelsel van opleidingen in de gehele Gemeenschap dan gelijkwaardig is, kan de tweede richtlijn elke Lid-Staat verplichten de in de andere Lid-Staten afgegeven diploma' s te erkennen".(13)
30. Bij het verstrijken van de termijn van acht jaar zijn communautaire onderdanen dus vrijgesteld van de stage, juist omdat zij in het bezit zijn van een diploma dat alle garanties biedt omtrent de kwaliteit van hun opleiding, die een praktische stage dient in te houden.(14)
31. Zo een Lid-Staat eigen onderdanen die in het bezit zijn van het nationale diploma, derhalve mag blijven verplichten een aanvullende stage te vervullen alvorens zij werkzaam kunnen zijn als ziekenfondstandarts, zie ik daarin niets anders dan een klassiek voorbeeld van omgekeerde discriminatie binnen die Lid-Staat, die het gemeenschapsrecht niet verbiedt.
32. De erkenning door een Lid-Staat van een door een derde staat afgegeven diploma is overigens uitsluitend een zaak van het nationale recht van die staat, die voor de erkenning van dergelijke diploma' s op geen enkele wijze verplicht is dezelfde criteria en eisen aan te houden als de richtlijn voor communautaire diploma' s.(15)
33. Bovendien kan de communautaire onderdaan die een in een derde staat verkregen diploma bezit, worden verplicht de stage te volgen, zonder dat er sprake is van discriminatie ten opzichte van de onderdanen van andere Lid-Staten. De erkenning van een diploma op grond van een bilaterale overeenkomst tussen een Lid-Staat en een derde staat, staat niet gelijk aan een op een communautaire richtlijn gebaseerde erkenning.(16) Eerstgenoemde communautaire onderdaan voldoet immers niet aan een voorwaarde waaraan laatstgenoemde onderdanen wel voldoen, te weten het bezit van een in de richtlijn genoemd diploma.
34. Het aan de "sedes materiae" ontleende argument is ten slotte omkeerbaar. Alle overige artikelen van de "slotbepalingen" verwijzen naar andere bepalingen van de richtlijn, met name naar die betreffende de onderlinge erkenning van diploma' s.
35. Men moet in deze zaak wel vaststellen, dat de richtlijn de harmonisatie van het recht tussen de Lid-Staten beoogt, terwijl het in de door de verwijzende rechter onderzochte situatie slechts gaat om de vestiging in Duitsland van een persoon die een in een derde staat verkregen diploma bezit, zonder dat zich een vraag voordoet van cooerdinatie of harmonisatie van in de Lid-Staten verkregen diploma' s.
36. Mag een Lid-Staat echter worden verplicht, een door een derde staat afgegeven diploma als gelijkwaardig te erkennen, op grond dat een andere Lid-Staat het als gelijkwaardig beschouwt?
37. Ik ben van mening, dat een dergelijke erkenning evenmin tot gevolg heeft dat de belanghebbende onder de werkingssfeer van de richtlijnen van 25 juli 1978 valt.
38. Aanvaarding van de door verzoeker in het hoofdgeding aangevoerde stelling zou tot een logische impasse leiden: de in artikel 1, lid 4, van richtlijn nr. 2 aan een Lid-Staat geboden mogelijkheid zou worden omgezet in een verplichting jegens alle andere. Deze bepaling kan niet op die manier worden uitgelegd zonder haar betekenis te verdraaien. Meer in het bijzonder kan de gelijkwaardigheid van diploma' s in de Gemeenschap niet afhankelijk zijn van tussen de Lid-Staten en derde staten gesloten bilaterale overeenkomsten die niet voldoen aan een communautaire minimumstandaard.
39. In antwoord op een vraag van een lid van het Europees Parlement(17), verklaarde Lord Cockfield namens de Commissie het volgende met betrekking tot een gelijksoortige bepaling als artikel 1, lid 4, van richtlijn nr. 2, die is opgenomen in artikel 1, lid 5, van richtlijn 75/363/EEG(18): "De erkenning van diploma' s van een derde land hangt dus uitsluitend af van de regeling van de ontvangende Lid-Staat, die uiteraard zonder onderscheid op eigen staatsburgers en onderdanen van de andere Lid-Staten van toepassing moet zijn. Krachtens het eerdergenoemde lid 5 van artikel 1 heeft het Verenigd Koninkrijk nog steeds het recht om het Israëlische artsendiploma niet te erkennen, zelfs al is dat erkend door de Bondsrepubliek Duitsland."
40. Dit standpunt werd op 13 maart 1989 herhaald in een antwoord van de heer Bangemann, eveneens namens de Commissie. Terwijl hij meer in het bijzonder sprak over de richtlijnen van 25 juli 1978, verklaarde hij dat "de 'onderlinge erkenning' geen betrekking [heeft] op diploma' s van derde landen. In deze teksten wordt uitdrukkelijk het recht voor de Lid-Staten gehandhaafd om op hun grondgebied, op grond van hun wetgeving, de toegang tot de betrokken beroepsactiviteiten en de uitoefening daarvan toe te staan aan de houders van diploma' s van derde landen. De erkenning van deze diploma' s door een Lid-Staat betekent evenwel niet dat ook de andere Lid-Staten automatisch verplicht zijn om die te erkennen."(19)
41. Zoals men ziet kan de tandarts die in het bezit is van een in een derde land verkregen diploma, en buiten de werkingssfeer van voormelde richtlijnen valt, geen rechten ontlenen aan artikel 20, ook al is zijn diploma in een Lid-Staat erkend. Zoals gezegd kan men alleen op grond van een in een Lid-Staat verkregen diploma, dat wordt genoemd in artikel 3 van de richtlijn, worden vrijgesteld van de stage.
42. Aangezien de communautaire onderdaan die een in een derde staat verkregen tandartsdiploma bezit, zich niet kan beroepen op artikel 20, moet hij dus in beginsel een voorbereidende stage vervullen alvorens werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondstandarts.
43. Maar mag de Lid-Staat van ontvangst dan op grond van artikel 52 EEG-Verdrag zijn kwalificaties en vroegere stages buiten beschouwing laten? Daarover gaat de derde vraag.
44. De situatie waarin een communautair onderdaan gebruik maakt van zijn aan het Verdrag ontleende vrijheid om zich in een andere Lid-Staat dan zijn Lid-Staat van herkomst te vestigen, valt zonder twijfel onder de werkingssfeer van het Verdrag.
45. Zo artikel 52 zich alleen zou verzetten tegen nationale maatregelen die een formele of materiële discriminatie tussen nationale onderdanen en die van andere Lid-Staten inhouden, zou dit artikel hier niet van toepassing zijn: de Duitse regeling maakt immers geen onderscheid op grond van nationaliteit.
46. Uit de meest recente beslissingen van het Hof blijkt echter dat "gelijke behandeling alleen niet kan weergeven wat reeds tot de huidige stand van de rechtspraak behoort".(20)
47. In de zaak Vlassopoulou(21) bij voorbeeld vroeg verzoekster in het hoofdgeding, advocate bij de balie te Athene met de Griekse nationaliteit, om toelating tot de balie in Mannheim. Haar verzoek werd afgewezen op grond dat zij niet voldeed aan de eisen van bekwaamheid voor de uitoefening van rechterlijke functies, vastgelegd in de Bundesrechtsanwaltsordnung.
48. Naast haar Griekse diploma' s had Vlassopoulou in Duitsland de titel van doctor in de rechtsgeleerdheid verworven, terwijl zij sinds vijf jaar in dat land werkzaam was als juridisch adviseur.
49. In het kader van een door haar tegen de afwijzende beslissing ingesteld beroep, werd het Hof gevraagd, of de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat bij de toelating van een communautair onderdaan tot de uitoefening van het beroep van advocaat, op grond van artikel 52 van het Verdrag rekening moet houden met de in een andere Lid-Staat verkregen diploma' s en de beroepservaring van de betrokkene.
50. Na te hebben opgemerkt, dat de Lid-Staten, "bij gebreke van harmonisatie van de voorwaarden voor de toegang tot een beroep, mogen vaststellen welke kennis en bekwaamheden voor de uitoefening van dat beroep vereist zijn en de overlegging mogen verlangen van een diploma waaruit het bezit van die kennis en bekwaamheden blijkt"(22), stelde het Hof vast, dat de vrijheid van vestiging zou kunnen worden belemmerd, wanneer in de nationale voorschriften geen rekening werd gehouden met reeds in een andere Lid-Staat verworven kennis en bekwaamheden.
51. Het Hof leidde hieruit af, dat
"(...) een Lid-Staat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma' s, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere Lid-Staat heeft verworven, door de uit die diploma' s blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en ervaring".(23)
52. De Lid-Staat van ontvangst zal dus moeten nagaan, of de kandidaat niet reeds over kennis en bekwaamheden beschikt die gelijkwaardig zijn met die welke hij verlangt.
53. Een eventuele afwijzende beslissing moet worden genomen met inachtneming van "de eisen van het gemeenschapsrecht betreffende de effectieve bescherming van de door het Verdrag aan de gemeenschapsonderdanen verleende fundamentele rechten".(24) De beslissing moet met redenen zijn omkleed en vatbaar zijn voor beroep in rechte.
54. Een zelfde redenering - die in het arrest van 7 mei 1992, Aguirre Borrell e.a.(25), opnieuw bevestiging heeft gevonden - zou het Hof in deze zaak in overweging moeten nemen.
55. De voorwaarden voor de toelating tot het beroep van ziekenfondstandarts voor een communautair onderdaan die in een derde staat een diploma heeft verkregen, zijn niet geharmoniseerd.(26)
56. Sommige Lid-Staten verlangen dat tandartsen die als ziekenfondstandarts werkzaam willen zijn, een stage vervullen waarmee, naast een zekere ervaring, ook kennis moet worden verkregen over de voor het ziekenfondsstelsel kenmerkende wijze van boekhouden en het systeem van betaling van honoraria door derden, alsmede de beginselen van zuinigheid en de beheersing van de ziektekosten.(27)
57. Hoe staat het met de communautaire onderdaan wiens inschrijving in het tandartsenregister wordt geweigerd op grond dat hij geen stage heeft vervuld?
58. Ofschoon de Lid-Staat van ontvangst de vervulling van een voorbereidende stage mag eisen, volgt uit artikel 52 EEG-Verdrag en uit het arrest Vlassopoulou, dat hij rekening moet houden met de diploma' s, certificaten, andere titels alsmede de ervaring die de betrokkene in een andere Lid-Staat heeft verworven, door de aangetoonde en de verlangde bekwaamheden met elkaar te vergelijken.
59. Een particulier tandarts die reeds in Lid-Staat A werkzaam is geweest als ziekenfondstandarts en in Lid-Staat B werkzaam mag zijn als particulier tandarts, vraagt in laatstgenoemde Lid-Staat toelating tot het beroep van ziekenfondstandarts. Het verband met de zaak Vlassopoulou is duidelijk. Vlassopoulou, die toelating tot de werkzaamheden van "Rechtsbeistand" had gekregen, vroeg om toelating als "Rechtsanwalt".
60. Indien een communautair onderdaan die geen verplichte voorbereidende stage heeft vervuld, een Lid-Staat verzoekt om toelating tot het beroep van ziekenfondstandarts, dient deze Lid-Staat derhalve, voordat hij deze stage verplicht stelt, van geval tot geval na te gaan, of de door de betrokkene in een andere Lid-Staat verkregen ervaring en bekwaamheden niet zodanig zijn dat zij deze stage kunnen vervangen.
61. In het onderhavige zal de nationale rechter dus moeten beoordelen of, gezien de ervaring van verzoeker in het hoofdgeding alsmede de hem door de Belgische autoriteiten verleende toelating tot de werkzaamheden van ziekenfondstandarts, de door de Duitse wettelijke regeling vereiste voorbereidende stage nog noodzakelijk is, en zo ja, in welke mate.
62. Ik geef het Hof derhalve in overweging, voor recht te verklaren:
"1) De communautaire onderdaan die geen diploma, certificaat of andere titel bezit in de zin van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, valt niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn, zelfs al is hij in het bezit van een in een derde staat verkregen diploma, dat in de Lid-Staat van vestiging en in een andere Lid-Staat krachtens artikel 1, lid 4, van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, is erkend als gelijkwaardig met het nationale diploma.
2) Artikel 52 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat, bij wie een verzoek om toelating tot het beroep van ziekenfondstandarts zonder vervulling van de verplichte voorbereidende stage wordt ingediend door een communautair onderdaan die dat beroep gedurende meerdere jaren in een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend, dienen te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de ervaring en bekwaamheden waarover de betrokkene reeds beschikt overeenkomen met die welke door de wettelijke regeling van de Lid-Staat van ontvangst worden vereist. Indien die bekwaamheden slechts gedeeltelijk overeenkomen, kunnen de betrokken nationale autoriteiten van de betrokkene verlangen, dat hij de ontbrekende kennis en bekwaamheden verwerft of bewijst dat hij die heeft verworven."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - PB 1978, L 233, blz. 1.
(2) - De vragen zijn in het rapport ter terechtzitting opgenomen onder punt 14.
(3) - Richtlijn inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB 1978, L 233, blz. 10).
(4) - Zie de artikelen 1 en 2 ervan.
(5) - Zie de eerste twee overwegingen van de considerans.
(6) - Cursivering van mij.
(7) - Zie bij voorbeeld richtlijn 78/1027/EEG van de Raad van 18 december 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van dierenarts (PB 1978, L 362, blz. 7), artikel 1, lid 4.
(8) - PB 1989, L 19, blz. 16.
(9) - Artikel 2, tweede alinea.
(10) - Aanbeveling 89/49/EEG betreffende de onderdanen van de Lid-Staten die in het bezit zijn van een in een derde staat verleend diploma (PB 1989, L 19, blz. 24).
(11) - PB 1992, L 209, blz. 25.
(12) - Artikel 2.
(13) - G. Druesne, Droit matériel et politiques de la Communauté européenne, tweede editie, 1991, blz. 92.
(14) - Zie artikel 1, leden 1 tot en met 3, van richtlijn nr. 2.
(15) - Artikel 1, lid 4, van richtlijn nr. 2 geeft de Lid-Staten de mogelijkheid op hun eigen grondgebied volgens hun eigen regeling toegang tot de beoefening der tandheelkunde te verlenen aan houders van een diploma dat in een derde staat is verkregen. Deze erkenning behoeft niet te voldoen aan de vereisten en de standaard van artikel 1 van deze richtlijn, ook al vereist de totstandkoming van de interne markt logischerwijs dat elke arts die binnen de Gemeenschap werkzaam is een minimumopleiding heeft, ongeacht de vraag waar hij zijn diploma heeft behaald. Het staat de Lid-Staat van ontvangst vrij, voor tandartsen die hun diploma in een derde staat hebben behaald een bijzondere regeling te treffen.
(16) - Ik wil er hier op wijzen, dat in het hoofdgeding de erkenning in Duitsland is gebaseerd op het Turkse diploma, en niet op het door de Belgische autoriteiten afgegeven certificaat van gelijkwaardigheid.
(17) - Schriftelijke vraag nr. 2076/87 (PB 1988, C 283, blz. 11).
(18) - Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB 1975, L 167, blz. 14).
(19) - Antwoord op schriftelijke vraag nr. 2103/88 (PB 1989, C 202, blz. 19).
(20) - J.-G. Huglo, Droit d' établissement et libre prestation des services, Chronique, RTDE 1992, blz. 696.
(21) - Arrest van 7 mei 1991, zaak C-340/89, Jurispr. 1991, blz. I-2357.
(22) - Rechtsoverweging 9.
(23) - Rechtsoverweging 16, cursivering door mij.
(24) - Rechtsoverweging 22.
(25) - Zaak C-104/91, Jurispr. 1992, blz. I-3003.
(26) - Richtlijn 89/48 van 21 december 1988 is, zoals gezien, in deze zaak niet van toepassing.
(27) - Zie het antwoord van de KVN op de vragen van het Hof.
Full & Egal Universal Law Academy