Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 In onderhavige zaak verzoekt Compagnie d'entreprise CFE (hierna: "CFE"), een naamloze vennootschap naar Belgisch recht, het Hof om het Europees Parlement (hierna: "het Parlement") te veroordelen tot de betaling van een geldsom voor de uitvoering van aannemingswerken. CFE wendt zich tot het Hof op grond van een arbitragebeding in het contract tussen haar en het Parlement, waarin aan het Hof conform de artikelen 42 EGKS-Verdrag, 181 EEG-Verdrag en 153 Euratom-Verdrag bevoegdheid is toegekend.
Feitelijk en juridisch kader
2 De feiten kunnen als volgt worden samengevat. Het geding betreft de inrichting van drie conferentiezalen in het gebouw "Van Maerlant", een kantoorgebouw dat de Belgische Staat te Brussel heeft laten bouwen om het aan het Parlement ter beschikking te stellen. Op 23 november 1987 lanceerde het Parlement als bouwheer een openbare aanbesteding voor de inrichting van voornoemde zalen, onder andere voor de uitvoering van schrijnwerk (lot 5.1). CFE en andere aannemers dienden een inschrijving in. Op 28 januari 1988 ging het Parlement over tot opening van de inschrijvingen. In een brief van 21 juni 1988 deelde het Parlement aan CFE mee dat zij was gekozen om het schrijnwerk (lot 5.1) uit te voeren. Het Parlement bevestigde in die brief het bedrag van de werken en verzocht CFE alle maatregelen te treffen opdat de overeengekomen termijnvoorwaarden zouden worden nageleefd. Op 18 juli 1988 ondertekende het Parlement het contract en maakte het ter ondertekening over aan CFE. Deze laatste maakte bij brief van 8 augustus 1988 een exemplaar van de ondertekende contractuele stukken aan het Parlement over. In haar brief voegde zij evenwel volgende overweging toe:
"De voorziening voor kostenstijgingen in onze prijzen was gebaseerd op het uitvoeringsprogramma als aangegeven in het bestek, dat voorzag in gunning van het werk in februari-maart 1988. Bij een berekening van de prijsontwikkeling in de bouw volgens een klassieke formule (...) blijkt een prijsstijging van 2 % tussen de voorziene en de werkelijke datum. Graag zouden wij met uw diensten tot een billijke regeling van deze kwestie komen."
3 Bij de uitvoering van de werken zijn drie problemen gerezen. In de eerste plaats maakte CFE het Parlement bij brieven van 18 augustus, 28 november en 14 december 1989 erop attent dat zij door de naar haar mening laattijdige gunning van de opdracht, bestellingen bij leveranciers en onderaannemers heeft moeten doen in de maanden augustus tot oktober 1988 in plaats van in de periode maart tot mei van dat jaar, en zulks tegen prijzen die sedert juni 1988 een gevoelige stijging hadden ondergaan. CFE herhaalde in deze correspondentie haar bemerking dat, om dit probleem op een billijke wijze op te lossen, een in België geldende, technische herzieningsformule zou moeten worden toegepast op de facturatie van de werken. Dit zou een prijsverhoging van 1 689 055 BFR meebrengen.
Een tweede probleem betreft het aanbrengen van gipsplaten. CFE beschouwt de vraag van de architect van het Parlement om over de gehele hoogte der tussenwanden dergelijke platen aan te brengen, als een bestelling van bijkomende werken die niet in het bestek vervat zijn.
Het derde probleem heeft betrekking op het aanbrengen en, na verwijdering, opnieuw aanbrengen van de lambrizering aan de plafonds. Aangezien het door CFE voorgestelde materiaal niet aan de veiligheidsnormen beantwoordde, werd het lakken van de lambrizering toevertrouwd aan een andere onderneming. CFE heeft de lambrizering van de plafonds genomen en, nadat zij gelakt was, terug aangebracht. Zij betoogt dat dit eveneens bijkomende werken zijn en eist daarvoor 306 344 BFR.
Nadat de regeling waarin het contract voorziet met betrekking tot een minnelijke schikking van twistpunten zonder succes was doorlopen, bracht CFE de zaak voor het Hof op grond van hogergenoemd arbitragegeding.(1) Zij eist van het Parlement i) een actualisering van de prijs ten belope van 1 689 055 BFR gelet op de vertraging die bij de gunning van de opdracht is opgelopen; ii) betaling voor het aanbrengen van bijkomende gipsplaten ten belope van 393 600 BFR; iii) betaling voor het aanbrengen en heraanbrengen van muurlambrizeringen ten belope van 215 437 BFR; en iv) betaling van intrest voor achterstallige bedragen conform artikel 15 van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977.(2)
4 Het juridisch kader van de verhoudingen tussen CFE en het Parlement wordt in de eerste plaats beheerst door hun contract van 18 juli 1988. Dit contract bepaalt dat het Belgisch recht toepasselijk is voor alle vragen die in de overeenkomst niet specifiek geregeld zijn.(3) In het contract verbinden beide partijen zich ertoe de bepalingen van de "contractuele stukken" te eerbiedigen tegen de door CFE in haar aanbod van 28 januari 1988 geformuleerde voorwaarden inzake prijs en verbintenissen.(4) Voornoemde "contractuele stukken", die integraal van het contract deel uitmaken, zijn het contract in kwestie, de door twee directeuren van CFE op 28 januari 1988 ondertekende verbintenis (waarin het aanbod vervat is), de in bijlage I vervatte administratieve clausules, de technische clausules van lot 5.1 en de plannen.(5) Beide partijen aanvaarden uitdrukkelijk de uitsluiting van elke andere clausule of voorwaarde.(6)
De in bijlage I bij het contract vervatte administratieve clausules vormen het bestek. Laat ik meteen de voor het onderhavige geding meest relevante bepalingen ervan weergeven.
Artikel A 14 ("referentiedocumenten") stipuleert dat, voor zover de bepalingen van het bestek er niet van afwijken, de aanneming onder meer onderworpen is aan het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (hierna: "het koninklijk besluit") en aan het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten (hierna: "de algemene aannemingsvoorwaarden").(7)
Artikel A 5.1 ("relatief forfait") bepaalt:
"De onderhavige opdracht, of deze een afzonderlijk perceel, verscheidene percelen of het totaal van de percelen omvat, wordt gegund op basis van een $relatief forfait tegen een totaalprijs en volgens een staat van eenheidsprijzen'.
Onder relatief forfait wordt verstaan, dat (het Europees Parlement) zich het recht voorbehoudt om tot een bepaalde omvang wijzigingen aan te brengen in het bouwwerk. Het forfait blijft niettegenstaande dit recht van kracht, met dien verstande dat (de aannemer) tegen de overeengekomen prijs, aangepast met de verrekeningen, alle in de documenten en bijlagen bij de onderhavige overeenkomst aangegeven werken volgens de regels van goed vakmanschap, voor zijn rekening en risico en binnen de in de overeenkomst bepaalde termijnen zal uitvoeren."
Artikel A 15 ("toepassing en/of afwijkingen") specificeert onder meer van welke bepalingen van het koninklijk besluit wordt afgeweken. Met betrekking tot artikel 35 van dit besluit, dat betrekking heeft op de periode gedurende welke een inschrijver door zijn inschrijving gebonden blijft(8), stipuleert het:
"Keuze van de aannemer: de termijn waarbinnen de beslissing van (het Europees Parlement) aan de ondernemer dient te worden bekendgemaakt, wordt bepaald op 180 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag volgende op die van de opening van de inschrijving."
Artikel B 13.1 ("geldigheid van de aanbieding") bepaalt:
"In afwijking van het bepaalde in het Publikatieblad van 3 januari 1979, moet de inschrijver zijn aanbieding gestand doen gedurende 600 kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van indiening van de inschrijving.
Vóór het verstrijken van deze termijn zijn prijsherzieningen niet toegestaan."
Artikel B 28.1 ("duur van het werk") ten slotte luidt:
"De werkzaamheden in verband met de onderhavige opdracht dienen geheel voltooid te zijn op 27 februari 1989. Er dient evenwel te worden voorzien in een gedeeltelijke ingebruikneming van de zalen vóór deze datum (...)
Het begin van de werkzaamheden wordt bepaald op 15 mei 1988. De voorbereidingen in de werkplaats dienen evenwel eerder ter hand te worden genomen (...)"
De eis tot actualisering van de prijs van het aanbod
5 Het standpunt van partijen. CFE stelt dat haar eis geen betrekking heeft op een herziening van de prijs tijdens de uitvoering van de werken, maar op een actualisering van de prijs van haar aanbod van 28 januari 1988. In haar inleidend verzoekschrift eist zij een actualisering tot op het ogenblik van de opdracht, dit is 18 juli 1988. In repliek voert CFE evenwel aan dat haar eis de actualisering van de biedprijs betreft tot op de dag waarop zij de opdracht aan haar onderaannemers heeft kunnen doorgeven. Zij vraagt daarom de actualisering ten belope van een bedrag dat resulteert uit de toepassing van de technische formule tot prijsherziening voor de periode van maart 1988 tot 31 oktober 1988, de datum tot wanneer zij over nieuwe prijzen met haar onderaannemers zou hebben onderhandeld.
6 Alvorens op de argumenten ten gronde in te gaan, moet ik mij uitspreken over een exceptie van niet-ontvankelijkheid die het Parlement, op basis van artikel 42, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, in zijn dupliek opwerpt tegen wat het een belangrijke wijziging van de eis van CFE noemt, namelijk een uitbreiding van de gevraagde actualisering van de datum van de opdracht tot de datum van het doorgeven van de opdracht aan de onderaannemers, met andere woorden, van 18 juli 1988 tot 31 oktober 1988. Uit artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering - dat partijen toestaat in repliek en dupliek hun stellingen nader te bewijzen, op voorwaarde dat de vertraging waarmee dit bewijsaanbod geschiedt, gemotiveerd wordt - zou a fortiori volgen dat een wijziging van de eis in een memorie van repliek door het Hof niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Anders dan het Parlement ben ik van mening dat CFE haar eis in repliek niet heeft uitgebreid: wat zij aldaar vraagt, is immers hetzelfde als datgene waarop zij in het verzoekschrift aanspraak maakte, namelijk een actualisering van de prijs gelet op de bij de gunning van de opdracht opgelopen vertraging. CFE heeft in repliek veeleer, zoals zij ter zitting aanvoerde, haar eis gepreciseerd - dit blijkt ook hieruit, dat zij het bedrag van deze eis, 1 689 055 BFR, niet heeft verhoogd - of, juister nog, op een meer zorgvuldige wijze uiteengezet; zulks klaarblijkelijk als antwoord op de kritiek die het Parlement in zijn verweerschrift uitte op de onnauwkeurige formulering van de eis.
Het is juist dat de preciseringen die CFE in repliek aanbrengt met betrekking tot de na haar aanbod opgetreden prijsstijging en de moeilijkheden die zij ondervond in de onderhandelingen met haar leveranciers en onderaannemers, een feitelijk beter onderbouwde bewijsvoering, en in die zin een nader bewijs, vormen van haar stelling betreffende de actualisering van de te betalen geldsom. In die zin verstaan had CFE de vertraging waarmee zij deze bijkomende bewijsvoering verricht, krachtens voornoemd artikel 42, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moeten motiveren. Dat zij dit niet gedaan heeft mag er mijns inziens echter niet toe leiden dat het Hof besluit tot niet-ontvankelijkheid van de betrokken preciseringen. In wezen stonden immers zowel CFE's precieze eis als de eraan ten grondslag liggende feitelijke omstandigheden reeds enige tijd ter discussie tussen partijen, zoals moge blijken uit de hiervoor (punt 3) aangehaalde briefwisseling uit de periode augustus-december 1989. Bovendien kunnen CFE's preciseringen geacht worden nauw samen te hangen met, en in die zin "een uitwerking (te zijn) van een eerder, in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel", namelijk tot betaling van een geldsom wegens vertraging in de gunning van de opdracht. Op grond van de soepele rechtspraak van het Hof op dit punt(9), besluit ik derhalve tot ontvankelijkheid van voornoemde preciseringen.
7 Laat ik, ten gronde, eerst de argumenten van partijen en de door hen ingeroepen bepalingen overlopen. CFE voert in de eerste plaats ter staving van haar stelling aan dat de gunning van de opdracht omstreeks 1 maart 1988 had moeten plaatsvinden, dit is tweeënhalve maand vóór de voor het begin van de werken in artikel B 28.1 van het bestek voorziene datum van 15 mei 1988. De clausules krachtens welke de opdracht gegund moet worden binnen de 180 dagen na de opening van de inschrijvingen (artikel A 15) en de inschrijvingen gedurende 600 dagen geldig blijven (artikel B 13.1) zouden geen toepassing vinden, aangezien een redelijke uitlegging van de aannemingsvoorwaarden ertoe leidt dat enkel de opgegeven begin- en einddatum (15 mei 1988 respectievelijk 27 februari 1989) van het werk doorslaggevend mag worden geacht.
Gelet op deze uitlegging en de eruit voortvloeiende vertraging in de gunning baseert CFE haar eis tot bijkomende betaling in hoofdorde op artikel 16, § 1, van de algemene aannemingsvoorwaarden. Deze bepaling luidt:
"De aannemer kan zich beroepen op nalatigheden, vertragingen of welke feiten ook die hij aan het bestuur of zijn personeel ten laste legt en die voor hem oorzaak zouden zijn van een vertraging en (of) een nadeel met het oog op het verkrijgen, in voorkomend geval van verlenging van de uitvoeringstermijnen, herziening of verbreking van de overeenkomst en (of) schadeloosstelling (...)"
Volgens CFE verleent deze bepaling de aannemer een recht op herziening van de opdracht in de ruime zin van het woord, en kan de aanvraag tot herziening gebaseerd worden op elke daad van het bestuur, zonder dat een welbepaalde contractuele fout moet bewezen worden. De aan het Parlement toerekenbare daad is diens vertraging in de gunning van de opdracht omwille van budgettaire redenen. Daardoor zou CFE gedwongen zijn geweest een onvoorzienbare prijshausse te ondergaan en met haar onderaannemers - die niet meer gebonden waren door hun oorspronkelijk aanbod (dat gewoonlijk slechts voor drie maanden geldt) - opnieuw te onderhandelen in de periode augustus-oktober 1988. Het Parlement zou ook tevergeefs een schending van § 3 van artikel 16 inroepen (voor de tekst daarvan, zie hierna, punt 8), aangezien deze bepaling verwijst naar de aannemingsovereenkomst en CFE de bepalingen van het contract slechts vanaf de ontvangst van de gunningsbeslissing kon inroepen, hetgeen zij ook gedaan heeft. Zij heeft het Parlement immers op 8 augustus 1988 ingelicht aangaande de negatieve gevolgen van de vertraging, nadat zij de opdracht op 1 augustus had ontvangen.
In subsidiaire orde houdt CFE staande dat er buitengewone en onvoorzienbare omstandigheden bestaan in de zin van § 2 van artikel 16 van de algemene aannemingsvoorwaarden. Deze bepaling luidt:
"§ 2. 1_ In beginsel heeft de aannemer geen recht op enige wijziging van de contractuele voorwaarden wegens onverschillig welke omstandigheden waaraan het bestuur vreemd is. Hij kan nochtans, hetzij om verlenging van de uitvoeringstermijnen, hetzij, indien hij een belangrijk nadeel heeft geleden, om herziening of verbreking van de overeenkomst vragen, door omstandigheden te doen gelden, die hij redelijkerwijs niet kon voorzien bij het indienen van de inschrijving of het sluiten van de overeenkomst, die hij niet kon ontwijken en waarvan hij de gevolgen niet kon verhelpen alhoewel hij al het nodige daarvoor heeft gedaan (...)"
De vertraging waarmee de opdracht gegund werd is volgens CFE, gelet op de dwingende voorwaarden inzake het begin en de beëindiging van de werken, een omstandigheid die op het ogenblik van de inschrijving redelijkerwijs onvoorzienbaar was. § 2 zou moeten worden toegepast ongeacht de aanwezigheid van enige clausule die - zoals in casu artikel A 5.1 van het bestek (zie hiervoor, punt 4) - de herziening van de prijs uitsluit.
8 Het Parlement brengt tegen de eis van CFE in hoofdorde in dat artikel B 13.1 van het bestek elke herziening van de prijs verbiedt (zie hiervoor, punt 4). CFE zou niet om deze verbodsbepaling heen kunnen door middel van een eis tot actualisering van de prijs van haar aanbod. Vervolgens ontleedt het Parlement CFE's eis tot actualisering van de prijs en onderscheidt daarin twee fasen, namelijk een precontractuele fase tot 19 juli 1988 en een contractuele fase na die datum.
Wat de precontractuele periode betreft, betoogt het Parlement dat, indien ten tijde van de gunning van de opdracht de termijn voor de gunning verstreken was en de prijzen gestegen waren, CFE op dat ogenblik toepassing had moeten vragen van artikel 38 van het koninklijk besluit (voor de tekst daarvan, zie hierna, punt 10) teneinde een verhoging van de prijs te bekomen.
Wat de contractuele periode betreft, meent het Parlement dat de verhoudingen tussen hem en CFE geregeld zijn door artikel 16 van de algemene aannemingsvoorwaarden. CFE zou zich echter niet op § 1 van dat artikel kunnen beroepen wegens een daad van het bestuur, in casu de beweerde vertraging bij de gunning van de opdracht, die van vóór de contractssluiting dateert. Ook § 2 van artikel 16 is volgens het Parlement niet van toepassing, aangezien de daartoe geldende voorwaarden niet vervuld zijn: de prijsverhoging van ongeveer 2 % die in de periode augustus-oktober 1988 is opgetreden, zou geen belangrijk nadeel in de zin van die bepaling uitmaken, en bovendien zou CFE niet het nodige hebben gedaan om de gevolgen van die prijsstijging op te vangen.
In subsidiaire orde betoogt het Parlement dat, wanneer artikel 16, § 1 of § 2, toepassing zou vinden, CFE haar eis slechts ingewilligd kan zien indien zij kan aantonen, met betrekking tot de uitvoeringstermijn van de werken, een gewettigd vertrouwen te hebben gehad en haar inschrijvingsprijs op die periode te hebben afgestemd. Bovendien had zij de door haar aangevoerde feiten overeenkomstig §§ 3 en 4 van artikel 16 aan het Parlement bekend moeten maken binnen de dertig dagen volgend op de dag waarvan zij er normalerwijze kennis van had moeten hebben en had zij haar verzoek behoorlijk moeten rechtvaardigen en becijferen. Voor een goed begrip citeer ik § 3 en vat ik § 4 samen:
"§ 3. De aannemer is verplicht op straffe van verval, het bestuur ten spoedigste en schriftelijk in te lichten wanneer hij feiten of willekeurig welke omstandigheden vaststelt die de goede gang van de aanneming verstoren, die onder de toepassing van § 1 en § 2 vallen en waaromtrent hij bijgevolg een verlenging van de uitvoeringstermijn, de herziening en/of verbreking van de overeenkomst of/en schadeloosstelling kan vragen; hij moet hierbij bondig de invloed doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op de opdracht of de kosten van de aanneming.
Zijn niet ontvankelijk, de klachten en verzoeken die steunen op feiten en omstandigheden die door de aannemer niet te gepasten tijde aan het bestuur werden kenbaar gemaakt en waarvan het bijgevolg het bestaan en de invloed op de opdracht niet heeft kunnen nagaan ten einde eventueel de door de toestand vereiste maatregelen te nemen.
Bedoelde klachten en verzoeken zijn in elk geval niet ontvankelijk indien de ingeroepen feiten en omstandigheden niet werden bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen ofwel nadat ze zich hebben voorgedaan, ofwel na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen (...)"
Van zijn kant bepaalt § 4 van artikel 16 dat voornoemde klachten en verzoeken van de aannemer behoorlijk gerechtvaardigd en becijferd, op straffe van verval, binnen bepaalde termijnen moeten worden ingediend.
9 Eigen beoordeling. Laat ik in de eerste plaats duidelijk maken dat ik onmogelijk de stelling van CFE kan delen, als zou een redelijke uitlegging van de aannemingsvoorwaarden ertoe leiden dat de artikelen A 15 en B 13.1 van het bestek, gelet op artikel B 28.1 daarvan (voor de tekst van die artikelen, zie hiervoor, punt 4), geen toepassing mogen vinden. CFE beroept zich daartoe, mijns inziens ten onrechte, onder meer op artikel 1161 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek inzake de uitlegging van overeenkomsten. Dit artikel schrijft voor dat alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd "het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit". Slechts wanneer de artikelen A 15, B 13.1 en B 28.1 van het bestek elkaar zouden tegenspreken, kan hiervan worden afgeweken. Welnu, dit is niet het geval zoals ik nu wil aantonen.
Onder deze bepalingen formuleert artikel A 15 ongetwijfeld de hoofdregel: zoals gezegd, stipuleert dit artikel een afwijking op artikel 35 van het koninklijk besluit. Terwijl artikel 35 de inschrijvers door hun inschrijving gebonden acht gedurende een termijn van 60 kalenderdagen vanaf de dag na de opening van de inschrijvingen, bepaalt artikel A 15 daarentegen dat het Parlement binnen de 180 kalenderdagen na die dag zijn keuze aan de aannemer moet ter kennis brengen. Daaruit vloeit duidelijk voort dat inschrijvers in ieder geval gedurende ten minste 180 dagen door hun inschrijving gebonden blijven. Als Belgisch aannemer wist CFE, of behoorde zij alleszins te weten, wat deze afwijking van artikel 35 van het koninklijk besluit voor haar (en voor haar verplichtingen ten opzichte van leveranciers en onderaannemers) betekende. Tussen de bepaling van artikel A 15 en de strikte termijnvoorwaarden van artikel B 28.1 zie ik evenwel geen onverenigbaarheid: ofschoon de termijn van 180 dagen, indien hij door het Parlement maximaal zou zijn benut - quod non(10) -, inderdaad een vertraging van het begin van de werkzaamheden zou opleveren, maakte hij het niet onmogelijk, alleen moeilijker, om de werken nog vóór de contractueel opgelegde einddatum, 27 februari 1989, te beëindigen.
Ik zie evenmin een tegenstrijdigheid tussen de in artikel B 13.1 aan het aanbod gestelde geldigheidstermijn van 600 dagen en artikel B 28.1. Uit het tweede lid van artikel B 13.1 blijkt immers dat de aan dit artikel ten grondslag liggende bedoeling erin bestaat de aannemer te beletten de prijs van zijn aanbod binnen de 600 kalenderdagen na de inschrijving te wijzigen. Ofschoon de einddatum van de werken inderdaad was vastgesteld op 27 februari 1989 - dit is dus lang vóór het verstrijken van de 600 dagen, halverwege juli 1989 -, kan het stipuleren van een dergelijke lange termijn een redelijke verklaring hierin vinden, dat de bouwheer rekening heeft willen houden met vertraging bij de uitvoering van de werken en zich tegen elke prijsherziening heeft willen indekken. Ik mag er overigens op wijzen dat CFE zich er, in haar aanbod van 28 januari 1988, zonder reserve toe verbonden heeft de werken uit te voeren overeenkomstig de in het bestek vervatte voorwaarden, waaraan zij zelf uitdrukkelijk toevoegde dat het aanbod haar slechts verbond indien zij binnen de 600 dagen vanaf die dag kennis zou krijgen van de aanvaarding.
10 Afgezien daarvan, loopt het door CFE aangevoerde bezwaar inzake de laattijdigheid van de gunning eveneens vast op artikel 38 van het koninklijk besluit. Dit artikel bepaalt in zijn lid 1:
"Wordt binnen de in artikel 35 gestelde termijn aan de betrokken inschrijver geen kennis gegeven van de goedkeuring van zijn inschrijving dan is de opdracht slechts gegund voor zover deze inschrijver hiermede schriftelijk en zonder voorbehoud heeft ingestemd."
Welnu, indien CFE meende dat de gunning van de opdracht laattijdig was, had zij deze laattijdigheid op het ogenblik van de kennisgeving van de opdracht moeten opwerpen. Zij had zich dan, onder verwijzing naar artikel 38 van het koninklijk besluit, van ondertekening kunnen onthouden dan wel haar inschrijving kunnen handhaven, aldus lid 2 van het artikel, op voorwaarde van een prijssupplement.(11) Zij heeft dit echter niet gedaan en heeft het contract integendeel op 8 augustus 1988 ondertekend. De door haar in de brief van diezelfde datum toegevoegde overweging in verband met de tussentijds opgetreden prijsverhoging (voor de tekst daarvan, zie hiervoor, punt 2) kan ik onmogelijk als een voorbehoud aanzien in de zin van artikel 38, lid 1, en evenmin als een voorwaarde van prijssupplement in de zin van artikel 38, lid 2.
11 CFE slaagt er mijns inziens evenmin in de fout aan te tonen die het Parlement zou hebben begaan in de zin van artikel 16, § 1, van de algemene aannemingsvoorwaarden (zie de tekst hiervoor in punt 7). Uit de voorgaande analyse van de revelante contractuele bepalingen blijkt dat van "nalatigheden, vertragingen of welke feiten ook" geen sprake is, nu het Parlement contractueel over 180 kalenderdagen beschikte om tot de keuze van de aannemer over te gaan.
Zelfs indien aan deze instelling een vertraging verweten zou kunnen worden, had CFE, om met § 3 van artikel 16 (hiervoor in punt 8 weergegeven) in orde te zijn, het Parlement over haar klacht of verzoek moeten inlichten binnen de 30 kalenderdagen nadat de door haar ingeroepen vertraging zich had voorgedaan respectievelijk nadat zij ze normaal had moeten kennen. Het is duidelijk dat CFE sedert de brief van het Parlement van 21 juni 1988 (zie hoger, punt 2) op de hoogte was van het feit dat zij als aannemer was aangeduid en dat - zoals het Parlement in die brief in herinnering bracht - de termijnen moesten worden nageleefd. CFE had dus, om van haar eis op grond van artikel 16, § 1, niet vervallen te zijn, ten laatste een maand later (dit is op 21 juli 1988) het haar schade toebrengende feit aan het Parlement moeten melden. Zij heeft dit niet gedaan; integendeel, in haar antwoord van 4 juli 1988 op de voornoemde brief van het Parlement, bevestigt zij dat zij de haar toevertrouwde opdracht zal uitvoeren in het kader van haar aanbod van 28 januari 1988 en rept zij met geen woord over de zogenaamde laattijdigheid van de gunning.
12 Evenmin lijkt mij voldaan te zijn aan de voorwaarden van artikel 16, § 2, van de algemene aannemingsvoorwaarden (zie de tekst hiervoor in punt 7). Daartoe is immers in de eerste plaats vereist dat de aannemer een belangrijk nadeel heeft geleden. Uit de Belgische rechtspraak kan niet worden afgeleid dat een prijsstijging van 4 % als een dergelijk belangrijk nadeel geldt.(12) Daarnaast is het zeer de vraag of, zoals artikel 16, § 2, vereist, de betrokken prijsstijgingen voor CFE onvoorzienbaar waren en of zij al het nodige heeft gedaan om de gevolgen ervan te verhelpen. In de eerste plaats kan ik mij moeilijk voorstellen dat CFE de betrokken prijsstijgingen bij het sluiten van de overeenkomst niet redelijkerwijs kon voorzien. Uit haar schrijven van 8 augustus 1988 (hiervoor, punt 2) blijkt immers dat zij op dat ogenblik weet had van de prijsstijging van omstreeks 2 % die tussen februari-maart 1988 en juli 1988 had plaatsgevonden, een prijsevolutie die zij in die brief geenszins uitzonderlijk noemt, doch berekenbaar volgens "een klassieke formule". Ik kan mij evenmin voorstellen dat CFE niet wist of kon weten dat de prijzen nog verder zouden stijgen in de periode juli-oktober 1988, een stijging die - na aftrek van de 2 % die tot juli werd genoteerd - slechts 2 % bedroeg en derhalve geenszins het spectaculaire karakter had dat CFE daaraan wil geven.
Precies dit punt doet mij twijfelen of wel voldaan is aan het vereiste van artikel 16, § 2, dat CFE de door haar ingeroepen omstandigheden niet kon ontwijken en dat zij al het nodige heeft gedaan om de gevolgen ervan te verhelpen. In het besef dat een prijsstijging aan de gang was, had CFE immers vanaf ontvangst van de brief van het Parlement van 21 juni 1988 het nodige kunnen doen om het effect van toekomstige prijsstijgingen te vermijden, door zo snel mogelijk met haar onderaannemers opnieuw te onderhandelen. Daarvoor moest zij zeker niet tot augustus 1988 wachten.
13 Op grond van de voorgaande overwegingen besluit ik dus dat de eerste eis van CFE, strekkend tot een actualisering van haar biedprijs ten belope van 1 689 055 BFR, moet worden afgewezen.
De eis tot betaling wegens het aanbrengen van gipsplaten
14 CFE stelt dat zij de werken overeenkomstig de detailplannen heeft uitgevoerd door de gipsplaten aan te brengen onder de vloer en aan het valse plafond. In een brief van 22 december 1988 eiste de architect dat de platen over de gehele hoogte van de tussenwanden zouden worden aangebracht, hetgeen volgens CFE bijkomende werken uitmaken die niet in de oorspronkelijke bestelling vervat zijn. Bijgevolg zou op grond van artikel 42 van de algemene aannemingsvoorwaarden een prijssupplement van 393 600 BFR verschuldigd zijn.
Het Parlement daarentegen betoogt dat uit de artikelen 5.1.5 en 5.1.5.1 van de technische clausules blijkt dat de gipsplaten over de gehele hoogte van de tussenwanden moeten worden aangebracht. De brief van de architect zou deze clausules enkel in herinnering hebben gebracht, en zou dus geen bijkomende bestelling uitmaken. In ieder geval had CFE, als zij van oordeel was geweest dat deze brief haar verplichtte tot een prestatie waartoe zij contractueel niet gehouden was, daarop moeten reageren overeenkomstig artikel B 16.3 van het bestek. Dit artikel ("afwijkende orders van de voorschriften") bepaalt:
"Dit artikel is eveneens van toepassing ingeval de aannemer meent, dat de orders die hij heeft ontvangen, afwijken van de contractuele bepalingen. Van de feiten wordt bij aangetekende brief aan de bouwheer kennis gegeven."
CFE had bijgevolg zo vlug mogelijk de bouwheer per aangetekende brief moeten laten weten dat de door haar ontvangen opdracht strijdig was met de contractuele bepalingen. Zij heeft dit evenwel nooit gedaan, zodat haar eis niet-ontvankelijk is.
15 Ook op dit punt meen ik dat de eis van CFE niet kan worden ingewilligd. Sla ik de technische clausules erop na, dan lijken deze mij voldoende duidelijk met betrekking tot de vraag hoe de gipsplaten moesten worden aangebracht. Artikel 5.1.5 ("tussenwanden") schrijft immers voor:
"De opdracht betreft alle beschotwerk in de drie zalen (...)
Met uitzondering van de telefooncellen, worden alle tussenwanden opgericht vanaf de niet-verhoogde vloer tot aan de onderzijde van het dak (...)
De dikte van de verschillende wanden varieert tussen 75 en 300 mm. Wat de opbouw en afwisseling van de verschillende materialen betreft volgt de aannemer de beschrijving op de detailtekeningen. De opbouw van een standaardwand van 150 mm wordt beschreven in artikel 5.1.5.1."
Artikel 5.1.5.1 van de technische clausules bepaalt:
"a) De tussenwanden bestaan uit een skelet van hard hout (eiken of beuken ...) of van geperste natuurlijke vezel (...)
b) Aan weerszijden van het skelet wordt een plaat SPAN 18 mm, of een daarmee overeenstemmende plaat (...), aangebracht en een gipsplaat van 15 mm, waarvan de zijde in het zicht is bestemd voor afwerking (textielbehang of schilderwerk)."
Samen gelezen, maken deze bepalingen voldoende duidelijk dat de gipsplaten over de gehele hoogte van de tussenwanden moesten worden aangebracht: er wordt immers uitdrukkelijk bepaald dat de tussenwanden van de vloer tot onderaan het dak moeten worden aangebracht en dat, in het typegeval van een tussenwand van 150 millimeter, de wand moet worden opgericht aan de hand van een structuur van hard hout of geperste natuurlijke vezel die aan weerskanten onder meer met een gipsplaat van 15 millimeter moeten worden bekleed.
Bovendien kan, zoals het Parlement aanvoert, niet worden ontkend dat CFE conform artikel B 16.3 van het bestek een aangetekende brief aan het Parlement had moeten richten, indien zij van oordeel was dat de brief van de architect van 18 december 1988 een bestelling vormde die tegen de contractuele bepalingen inging. Dat zij dit niet gedaan heeft, kan mij slechts in de overtuiging sterken dat de technische clausules op dit punt duidelijk en ondubbelzinnig zijn.
De eis tot betaling voor het aanbrengen en heraanbrengen van lambrizeringen
16 Onder verwijzing naar het contract stelt CFE dat de aan haar gegunde opdracht, naast het lot 5.1 "menuiserie", aanvankelijk tevens de post "laquage lambris faces cabines" omvatte. Onder die oorspronkelijke regeling zou het afnemen van de panelen met het oog op het lakken ervan, te haren laste gevallen zijn. Aangezien echter haar panelen niet aan de weerstandscriteria van het brandweerkorps beantwoordden, werd voornoemd werk aan CFE onttrokken en werd de post lakwerk aan een andere onderneming, ACP, toegekend. CFE heeft evenwel zelf de lambrizeringen moeten afnemen en terug aanbrengen, hetgeen voor haar een bijkomende prestatie was die volgens haar niet langer was inbegrepen in de taken die haar zijn toevertrouwd gebleven. Zij eist daarom, overeenkomstig artikel 42 van de algemene aannemingsvoorwaarden, een bijkomende betaling.
Het Parlement brengt daartegen in dat de voorwaarden die artikel 42 voor een bijkomende betaling stellen, niet vervuld zijn. Bovendien zou uit artikel 5.4 van het bestek volgen dat CFE geen enkel werk had mogen uitvoeren dat een bijkomende kost meebrengt zonder de voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming van het Parlement te verkrijgen.
17 Het gaat hier om een zeer feitelijk twistpunt, waarbij de dossierstukken niet aangeven welke precies de herverdeling van taken was tussen CFE en ACP nadat, ten gevolge van de door CFE gerecapituleerde moeilijkheden, laatstgenoemde onderneming het lakwerk kreeg toevertrouwd. Toch meen ik dat ook deze eis van CFE niet kan slagen. Het afnemen en opnieuw aanbrengen van een lambrizering moet mijns inziens immers als schrijnwerk in de ruime zin van het woord worden beschouwd, en niet als schilderwerk, dit is het werk dat voortaan aan ACP was toevertrouwd. De verplichting om de lambrizering te verwijderen respectievelijk terug aan te brengen, lijkt mij derhalve logischerwijs vervat te zijn in de aan CFE toevertrouwde opdracht van lot 5.1, dit is de opdracht tot het uitvoeren van schrijnwerk. Daarbij komt dat het bestek zelf, in artikel A 2.2, met betrekking tot de inhoud van de aannemingsopdracht stipuleert dat
"Deze opdracht omvat eveneens alle bijkomende werkzaamheden en leveringen die nodig zijn om een volstrekt compleet werk af te leveren, dat beantwoordt aan de normale bestemming van elke reeks van werkzaamheden behorend tot het (de) aanbestede perce(e)l(en)."
Deze regel, die in wezen de in artikel 1134, lid 3, van het Belgisch Burgerlijk Wetboek vervatte verplichting tot de uitvoering te goeder trouw van contractuele verbintenissen expliciteert, maakt duidelijk dat CFE alleszins gehouden was bijkomende werkzaamheden als de onderhavige uit te voeren met het oog op een volledige vervulling van de door haar opgenomen taken. Ik mag trouwens aanstippen dat deze bijkomende inspanning, het verwijderen en opnieuw aanbrengen van de lambrizering, zoals CFE zelf impliciet toegeeft, te wijten was aan een tekortkoming die aan haarzelf kan worden toegerekend, namelijk het feit dat haar panelen niet aan de weerstandsnormen van de brandweer beantwoordden.
Zelfs indien men het met CFE eens zou kunnen zijn - wat ik niet ben - dat het afnemen en opnieuw bevestigen van de lambrizering bijwerken uitmaakten in de zin van artikel 42 van de algemene aannemingsvoorwaarden die voor CFE bijkomende kosten meebrachten, dan vloeit alleszins uit artikel A 5.4 van het bestek voort dat CFE deze werken slechts had mogen uitvoeren mits zij daarvoor een voorafgaande prijsopgaaf had opgesteld en schriftelijke toestemming van het Parlement had verkregen. Voornoemd artikel bepaalt immers:
"Behoudens voorafgaande prijsopgaaf en schriftelijke toestemming van (het Europees Parlement) en van zijn vertegenwoordigers, voert (de aannemer) geen werken uit die meerkosten veroorzaken."
Deze prijsopgaaf werd echter nooit opgesteld, en deze schriftelijke toestemming van het Parlement werd nooit verkregen.
18 Aangezien CFE op alle drie punten in het ongelijk is gesteld en het Parlement zulks heeft gevorderd, dient zij, op grond van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de kosten van het geding te worden verwezen.
Conclusie
19 Op grond van voorgaande overwegingen suggereer ik het Hof het geding als volgt op te lossen:
"1) De eisen van CFE worden afgewezen.
2) CFE wordt veroordeeld in de kosten van het geding."
(1) - Zowel voornoemde procedure als het arbitragebeding zijn vervat in artikel 2.4 van het contract.
(2) - Zie voor de verwijzing naar dit ministerieel besluit hierna, punt 4 en voetnoot 6.
(3) - Artikel 2.4 van het contract.
(4) - Artikel 2.1 van het contract.
(5) - Artikel 2.2 van het contract.
(6) - Artikel 2.6 van het contract.
(7) - Het koninklijk besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1977, blz. 9552; de algemene aannemingsvoorwaarden in het Belgisch Staatsblad van 8 september 1977, blz. 10931.
(8) - De tekst van artikel 35, § 1, van het koninklijk besluit luidt: "De inschrijvers blijven gebonden door hun inschrijving, eventueel verbeterd door het bestuur, gedurende een termijn van zestig kalenderdagen, ingaande op de dag na de zitting voor de opening van de inschrijvingen, tenzij in het bestek een andere termijn is vermeld." (cursivering van mij).
(9) - Arrest van 19 mei 1983, zaak 306/81, Verros, Jurispr. 1983, blz. 1755, r.o. 9 en 10. Het citaat is afkomstig uit rechtsoverweging 9 van dat arrest, waarin het Hof op zijn beurt verwijst naar het arrest Amylum: zie arrest van 30 september 1982, zaak 101/81, Amylum, Jurispr. 1982, blz. 3107, in het bijzonder r.o. 25.
(10) - De termijn van 180 dagen, vanaf de dag van de opening van de inschrijving, gaf het Parlement de tijd tot 27 juli 1988 om zijn keuze ter kennis van de inschrijvers te brengen.
(11) - De situatie waarin de inschrijver zijn inschrijving slechts handhaaft op voorwaarde dat hij een hogere prijs bekomt, is geregeld in artikel 38, lid 2, van het koninklijk besluit: de bevoegde overheid kan dan, in plaats van de procedure te herbeginnen, hetzij de gevraagde prijsverhoging toestaan, hetzij zich achtereenvolgens volgens de rangschikking van hun inschrijving richten tot de andere inschrijvers, hetzij aan al de andere inschrijvers vragen hun prijs te herzien.
(12) - Zie onder meer Rb. Brussel, 8 juni 1984, L'entreprise et le Droit, 1985, blz. 108, in het bijzonder op blz. 110 (van een belangrijk nadeel is slechts sprake indien het minstens 10 tot 15 % van het bedrag van de inschrijving vertegenwoordigt); Rb. Brussel, 18 september 1986, L'entreprise et le Droit, 1991, blz. 388, meer bepaald op blz. 392 (een nadeel, ten gevolge van een opgetreden prijsstijging, van omstreeks 3,5 % is geen belangrijk nadeel).
Full & Egal Universal Law Academy