Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Finanzgericht Duesseldorf (hierna: het "Finanzgericht") legt u langs prejudiciële weg volgende vraag voor:
"Is het in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag om bij de vaststelling van de referentiehoeveelheid de melkproduktie op een overgenomen en mede geëxploiteerd bedrijf dat in een andere Lid-Staat is gelegen, niet in aanmerking te nemen, wanneer dit in aanmerking nemen, dat anders naar nationaal recht wel mogelijk zou zijn en tot een hogere referentiehoeveelheid zou leiden, enkel is uitgesloten omdat het bedrijf in een andere Lid-Staat is gelegen?"
Alvorens daarop te antwoorden schets ik bondig het bodemgeschil en de toepasselijke regelgeving.
Het bodemgeschil
2. Graff is landbouwer in het dicht bij de Belgische grens gelegen Simmerath (Duitsland). Op zijn aldaar gelegen bedrijf produceerde hij melk die hij leverde aan de Milchversorgung Rheinland eG (hierna: "Rheinland"), een melkcooeperatie. Bij overeenkomst van 1 november 1981 verkreeg hij het 14 ha grote bedrijf van zijn grootouders in Raeren (België) in onderpacht van zijn moeder die het zelf in pacht had gekregen van de grootouders. Op grond van die overeenkomst exploiteerde Graff het Belgische bedrijf naast zijn Duitse bedrijf.
De pachtster die het Belgische bedrijf vóór Graff en zijn moeder exploiteerde, had in 1981 91 869 liter melk geproduceerd, dewelke zij geleverd had aan de Walhorn Eupener Genossenschaftsmolkerei (hierna: de "Genossenschaftsmolkerei") in Walhorn (België). Blijkens een door de Genossenschaftsmolkerei opgestelde verklaring leverde het bedrijf in 1982 nog 8 236 liter en in 1983 niets meer, zodat de Genossenschaftsmolkerei dan ook geen referentiehoeveelheid berekende.
Rheinland liet Graff bij schrijven van 25 juni 1984 weten, dat zij hem over het jaar 1984/1985 een referentiehoeveelheid van 368 900 kg toewees, uitgaande van een geleverde hoeveelheid van 405 305 kg in 1981 en van 398 796 kg in 1983.
Na eerdere controles bij Rheinland werd eind 1988 een onderzoek begonnen waarbij het vermoeden rees dat de referentiehoeveelheden van de aan Rheinland leverende producenten niet correct berekend werden. Het Hauptzollamt Koeln-Rheinau (hierna: het "Hauptzollamt") ging, in het kader van de daarop ingestelde strafvervolging, alle door Rheinland berekende referentiehoeveelheden na. Daaruit bleek, dat Graff in 1981 slechts 335 305 kg aan Rheinland had geleverd (in plaats van 405 305 kg). Ook werd een brief gevonden die Graff begin 1990 aan Rheinland had gericht en waarin hij beweerde dat in 1984 tussen Rheinland en de Genossenschaftsmolkerei was afgesproken dat, wat de in 1981 geleverde melk betreft, rekening zou worden gehouden met het feit dat Graff ook het bedrijf in Raeren exploiteerde, en hij de verzekering zou hebben gekregen dat die vaststelling rechtmatig was.
3. Op grond van deze bevindingen annuleerde het Hauptzollamt, bij beschikking van 12 september 1990, de aan Graff toegekende referentiehoeveelheid, met terugwerkende kracht, en stelde deze per 2 april 1984 opnieuw vast op 349 000 kg, een en ander krachtens § 10, lid 1, eerste alinea, van het Gesetz zur Durchfuehrung der gemeinsamen Marktorganisation (hierna: "MOG") juncto § 48, leden 1 en 2, van het Verwaltungsverfahrensgesetz.
Tegen deze beschikking diende Graff een bezwaarschrift in, waarin hij onder overlegging van de pachtovereenkomst en van een verklaring van de Genossenschaftsmolkerei betoogde dat Rheinland hem voor 1981 de juiste referentiehoeveelheid had toegekend, omdat bij zijn eigen produktie die van de voormalige pachtster van het bedrijf te Raeren moest worden geteld.
Het Hauptzollamt verklaarde op 19 juni 1991 Graff' s bezwaarschrift ongegrond. Voor de bijtelling bij de in 1981 geleverde hoeveelheid van 70 000 kg wegens leveringen die in België nog in een ander bedrijf hadden plaatsgevonden, was volgens het Hauptzollamt geen rechtsgrond aanwezig. Bovendien hadden de in België geleverde hoeveelheden volgens de Milch-Garantiemengen-Verordnung (hierna: "MGVO") (1) ueberhaupt niet mogen worden meegeteld, omdat de MGVO niet kon worden toegepast op bedrijven waarvoor de MOG niet geldt. Overigens, al was de exploitatie van het bedrijf in België in 1981 op Graff overgegaan, dan nog hadden er, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de extra-heffingregeling in 1984, geen melkleveringen meer plaats gehad, zodat vroegere leveringen door dat bedrijf niet meer in aanmerking konden worden genomen.
Graff ging hiertegen bij het Finanzgericht in beroep. Hij vordert de vernietiging van de beschikking van 12 september 1990, zoals die op 19 juni 1991 werd bekrachtigd.
De toepasselijke regelgeving
4. De aan de orde staande communautaire regelgeving is het Hof bekend. Het gaat om verordeningen (EEG) nr. 856/84 en nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 die destijds werden genomen om de structurele overschotten op de zuivelmarkt van de Gemeenschap onder controle te brengen. (2) Ik breng de relevante punten van het door deze verordeningen ingevoerde stelsel, zoals herhaaldelijk gewijzigd, toch nog even in herinnering.
De door verordening nr. 856/84 gehanteerde methode om het evenwicht in de zuivelsector te herstellen, bestaat erin voor een periode van vijf jaar een extra heffing in te voeren op de melkaanvoer boven een garantiedrempel, die oorspronkelijk voor de gehele Gemeenschap op 97,2 miljoen ton werd vastgesteld. (3) Met het oog daarop voegt verordening nr. 856/84 een artikel 5 quater toe aan verordening (EEG) nr. 804/68 (4), dit is de communautaire basisverordening inzake de sector melk en zuivelprodukten. Luidens lid 1 van dat artikel wordt gedurende vijf opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 1984, een extra heffing ingesteld ten laste van de producenten of kopers van koemelk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden. Die heffing wordt bepaald volgens een formule A of een formule B. Krachtens formule A, de enige relevante in onderhavig geding (verder, nr. 6), geldt de extra heffing enkel voor producenten van melk:
"Formule A
- Voor elke melkproducent geldt een heffing over de hoeveelheden melk en/of melkequivalent die hij aan een koper heeft geleverd en die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden."
Overeenkomstig artikel 5 quater, lid 3, mag de som van deze referentiehoeveelheden niet meer bedragen dan een gegarandeerde totale hoeveelheid die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in de betrokken Lid-Staat in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivelprodukten bewerken of verwerken, verhoogd met 1 %. Elke Lid-Staat krijgt een eigen gegarandeerde totale hoeveelheid toegewezen: zo kreeg België oorspronkelijk als gegarandeerde totale hoeveelheid 3 106 000 ton toegewezen, Duitsland 23 248 000 ton.
5. De algemene toepassingsregels voor dit stelsel werden vastgesteld in verordening nr. 857/84. Luidens artikel 2, lid 1, van die verordening is hogergenoemde referentiehoeveelheid, wanneer voor formule A wordt gekozen,
"gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd (...), verhoogd met 1 %".
Artikel 2, lid 2, biedt de Lid-Staten evenwel de mogelijkheid om het kalenderjaar 1983 te hanteren voor de vaststelling van de referentiehoeveelheid, op voorwaarde althans dat dit gebeurt
"met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld dat de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 omschreven gegarandeerde hoeveelheid niet wordt overschreden. Dit percentage kan variëren aan de hand van het niveau van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen, de ontwikkeling van de leveranties in bepaalde gebieden tussen 1981 en 1983 of de ontwikkeling van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen gedurende dezelfde periode, volgens voorwaarden te bepalen overeenkomstig de procedure van artikel 30 van verordening (EEG) nr. 804/68."
Daarnaast kunnen de Lid-Staten op grond van artikel 2, lid 3, van bedoelde verordening de in leden 1 en 2 van dat artikel genoemde percentages aanpassen met het oog op de toepassing van de artikelen 3 en 4 van die verordening. Het betreft aanpassingen om rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties (artikel 3) dan wel om de herstructurering van de melkproduktie tot een goed einde te brengen (artikel 4). Artikel 5 van dezelfde verordening stipuleert evenwel uitdrukkelijk dat, voor de toepassing van de artikelen 3 en 4, extra referentiehoeveelheden slechts kunnen worden toegekend binnen de grenzen van de aan de Lid-Staat in kwestie door artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 toegewezen gegarandeerde hoeveelheid.
6. Naar nationaal recht zijn volgende elementen aan te stippen. Zowel België als Duitsland hebben voor hogervermelde formule A gekozen. Zo ook hebben beide landen gebruik gemaakt van de mogelijkheden vervat in artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 857/84 en met name 1983 als referentiejaar gekozen. In Duitsland is de toestand meer bepaald als volgt. Krachtens § 4, lid 2, tweede alinea, sub 1, MGVO moet bij de berekening van de referentiehoeveelheid een aftrek worden toegepast, die hoger uitvalt naarmate de betrokken producent zijn melkproduktie in de periode van 1981 tot 1983 had opgevoerd. Ingevolge § 4, lid 2, tweede alinea, sub 2, moet de producent, wanneer hij na 1 januari 1981 de exploitatie van een ander bedrijf volledig heeft overgenomen, de melkproduktie van het overgenomen bedrijf evenwel bij de eigen produktie over 1981 voegen. Daardoor zal de stijgingsaftrek van § 4, lid 2, tweede alinea, sub 1, MGVO normalerwijze lager uitvallen.
Het Finanzgericht merkt op dat, wanneer het door Graff in 1981 overgenomen bedrijf niet in België maar in Duitsland was gelegen, de produktie van dat bedrijf, op grond van § 4, lid 2, tweede alinea, MGVO mede in aanmerking had moeten worden genomen. Als dat zou zijn gebeurd, zou de oorspronkelijk aan Graff toegekende referentiehoeveelheid correct zijn geweest.
Behandeling van de vraag
7. Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag rijzen twee voorafgaande punten.
Het eerste punt betreft de vraag of de Duitse instanties zich bij hun weigering om de melkproduktie van Graff' s Belgisch bedrijf in aanmerking te nemen, op het Duitse recht hebben gebaseerd dan wel rechtstreeks op het communautaire stelsel van de extra heffing. Het antwoord op deze vraag doet er niet veel toe: ook wanneer de weigering gesteund is op het in uitvoering van de gemeenschapregelingen genomen Duitse recht dienen de nationale autoriteiten, zoals de Raad terecht opmerkt, het in de prejudiciële vraag genoemde gelijkheidsbeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag in acht te nemen. Immers, zoals het Hof oordeelde in het arrest Klensch geldt die bepaling niet alleen voor het optreden van de communautaire wetgever, maar
"voor alle maatregelen in verband met de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, onverschillig door welke instantie zij worden genomen. Zij bindt derhalve ook de Lid-Staten wanneer deze die ordening toepassen." (5)
8. Iets moeilijker ligt de volgende kwestie waarop de Raad in zijn schriftelijke opmerkingen de aandacht vestigt. De Raad betoogt dat verordening nr. 857/84 weliswaar aan de Lid-Staten de mogelijkheid laat om als referentiejaar 1981, 1982 of 1983 uit te kiezen voor de vaststelling van de individuele quota, maar dat deze verordening het hen niet toestaat twee referentiejaren tegelijkertijd in aanmerking te nemen. De verhoging van referentiehoeveelheid die Graff vraagt voor de door hem in 1983 verrichte leveringen op grond van leveringen die in 1981 vanuit zijn bedrijf in België werden verricht, zou volgens de Raad in strijd zijn met deze in de communautaire wetgeving vervatte regel dat slechts één referentiejaar in aanmerking mag worden genomen. Op die regel zou verordening nr. 857/84 maar één uitzondering aanbrengen, namelijk in artikel 3, lid 3. Die bepaling staat producenten toe om, bij aanzienlijke beïnvloeding van hun melkproduktie over het gekozen referentiejaar door buitengewone gebeurtenissen (een ernstige natuurramp, vernieling van produktiemiddelen, epizooetie), binnen de periode 1981-1983 een ander referentiekalenderjaar te kiezen.
9. Al legt de communautaire wetgeving inderdaad één enkel referentiejaar op, toch meen ik dat de Raad het niet bij het rechte eind heeft. In het bodemgeschil gaat het om de toepassing, overeenkomstig § 4, lid 2, tweede alinea, MGVO van een aftrek bij de berekening van de voor 1983 vast te stellen referentiehoeveelheid, ter voldoening aan de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 857/84 opgelegde voorwaarde. Overeenkomstig die voorwaarde moet een betrokken Lid-Staat die 1983 als referentiejaar heeft gekozen, een percentage vaststellen om te voorkomen dat de gegarandeerde hoeveelheid van artikel 5 quater zou worden overschreden (zie hiervoor nr. 5). Artikel 2, lid 2, laat uitdrukkelijk toe dat dit percentage kan variëren aan de hand van, onder andere, "de ontwikkeling van de leveranties in bepaalde gebieden tussen 1981 en 1983 of de ontwikkeling van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen gedurende dezelfde periode". Welnu, de modaliteiten van de stijgingsaftrek zoals voorzien in § 4, lid 2, tweede alinea, MGVO lijken mij precies daarop betrekking te hebben: zij betreffen enerzijds de hypothese van een opvoering van de melkproduktie in de periode 1981-1983 (sub 1), anderzijds deze van een volledige overname van de exploitatie van een ander bedrijf in de loop van diezelfde periode (sub 2).
10. De vraag waarmee het Hof in wezen geconfronteerd wordt, is of het gemeenschapsrecht, met name het gelijkheidsbeginsel en artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag eraan in de weg staat dat een bevoegde nationale overheid weigert de melkproduktie voor 1981 in acht te nemen van een bedrijf gelegen in een andere Lid-Staat terwijl zij dat wel zou doen voor de melkproduktie van een in de eigen Lid-Staat gelegen bedrijf. Krachtens genoemde bepaling van artikel 40 moet de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten "zich beperken tot het nastreven van de in artikel 39 genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten".
Ik neem mij voor deze vraag uitsluitend in verband met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag te beantwoorden. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat
"het in genoemd artikel vervatte discriminatieverbod slechts een bijzondere uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een der grondprincipes van het gemeenschapsrecht is". (6)
11. Ligt er in onderhavig geval wel degelijk een discriminatie in de zin van voornoemde bepaling voor? Volgens de rechtspraak van het Hof kan namelijk
"van discriminatie in de zin van artikel 40 EEG-Verdrag [...] geen sprake zijn wanneer een ongelijke behandeling van de ondernemingen voortspruit uit het feit dat zij in ongelijke situaties verkeren". (7)
Essentieel opdat men van een discriminatie kan gewagen, is daarentegen dat
"vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld". (8)
Mijns inziens ligt een discriminatie in het onderhavige geval wel degelijk voor: de overname van een in een andere Lid-Staat gelegen melkproducerend bedrijf lijkt mij inderdaad volstrekt vergelijkbaar te zijn met de overname van een melkproducerend bedrijf in de eigen Lid-Staat. Het loutere feit dat een binnen de Gemeenschap gevestigd bedrijf aan de andere kant van een nationale grens is gelegen, maakt deze situatie naar gemeenschapsrecht niet verschillend.
12. Vervolgens rijst de vraag naar de mogelijke rechtvaardiging van de aldus vastgestelde discriminatie. Ook hier moet uitgegaan worden van vaste rechtspraak van het Hof volgens welke artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag
"zich er niet tegen verzet, dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld indien zo' n verschil objectief gerechtvaardigd is". (9)
Ik ben het met Raad en Commissie eens dat in casu een rechtvaardiging aanwezig is. Zonder mij te willen uitspreken over de juistheid van alle door hen naar voren geschoven argumenten, meen ik inderdaad, zoals hierna besproken, dat een objectieve rechtvaardigingsgrond gelegen is in het specifieke karakter van het door de gemeenschapswetgever ingestelde stelsel van extra heffing.
13. Zoals hiervoor (nr. 4) in herinnering gebracht, neemt de communautaire melkkwotaregeling als uitgangspunt een voor elke Lid-Staat specifiek berekende gegarandeerde totale hoeveelheid. De vijfde considerans van de preambule van verordening nr. 856/84 motiveert deze nationale verdeling van de globale communautaire hoeveelheid met de overweging dat,
"met het oog op het beheer van het systeem en om een adequate controle te waarborgen, deze hoeveelheid over de Lid-Staten moet worden verdeeld op basis van de hoeveelheden die op hun grondgebied zijn geleverd in het kalenderjaar 1981".
Uit deze overweging, alsook uit artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 (zie eveneens nr. 4) mag blijken, dat het stelsel van de extra heffing wezenlijk afgestemd is op het grondgebied van de onderscheiden Lid-Staten aangezien het per Lid-Staat steunt op de in 1981 op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat geleverde hoeveelheden melk of andere zuivelprodukten. In casu betekent dit dat, bij de vaststelling voor België van de gegarandeerde totale hoeveelheid, rekening werd gehouden met de leveringen van Graff' s te Raeren gelegen bedrijf terwijl, bij de vaststelling van de hoeveelheid voor Duitsland, rekening werd gehouden met de leveringen van Graff' s bedrijf te Simmerath. Indien de Duitse overheden de in België verrichte leveringen van Graff in acht hadden moeten nemen, hadden zij hem een hogere referentiehoeveelheid moeten toekennen dan binnen de door artikel 5 quater, lid 3, gegarandeerde totale hoeveelheid van Duitsland proportioneel mogelijk is. Deze totale hoeveelheid is aan elke Lid-Staat toegewezen met inachtneming van de aldaar in 1981 gedane leveringen. Het meetellen in een Lid-Staat voor de berekening van die hoeveelheid, van leveringen die reeds in een andere Lid-Staat in aanmerking werden genomen, gaat derhalve rechtstreeks in tegen de structuur van het op nationale quota gebaseerde stelsel van de extra heffing.
Dat, zoals het Finanzgericht opmerkt, het in aanmerking nemen in Duitsland van de door Graff' s Belgisch bedrijf geproduceerde hoeveelheden melk, geen nawijsbare invloed heeft gehad op de vaststelling van referentiehoeveelheden die aan anderen zijn toegekend, kan mij niet van het tegendeel overtuigen. Het is niet omdat de aangehouden berekeningswijze geen gevolgen heeft in een specifiek geval, dat zij in het algemeen toelaatbaar mag worden geacht.
14. In de hiervoor aangehaalde considerans uit de preambule van verordening nr. 856/84 wordt de op nationale quota gesteunde berekening verantwoord door de noodzaak van een goed beheer en een adequate controle van het stelsel van extra heffing. Zoals de Raad terecht opmerkt, is dit stelsel aangewezen op een nauwe samenwerking tussen de bevoegde controle-autoriteiten van de Lid-Staten en de melkerijen die, bij toepassing van formule A, de extra heffing bij de producenten moeten innen (artikel 9, lid 2, van verordening nr. 857/84). Het ligt mijns inziens voor de hand dat, wanneer de melkerijen ook moeten letten op leveringen die in een andere Lid-Staat dan de hunne worden verricht, het beheer van het stelsel en het voorkomen van fraudes fel bemoeilijkt worden, vooral in Lid-Staten die een lange grenslijn met andere Lid-Staten hebben. Niet overtuigend acht ik in dat verband de opmerking van het Finanzgericht dat de Duitse overheden steeds de bijstand van de Belgische autoriteiten kunnen inroepen krachtens verordening (EEG) nr. 1468/81. (10) Een dergelijke bijstand kan immers, gelet op de administratieve inspanningen en de kosten die zij meebrengt, niet de garantie bieden van een doeltreffende controle.
15. Ik besluit uit het voorgaande, dat een discriminatie zoals die in het bodemgeschil voorligt bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht haar rechtvaardiging vindt in de op nationale leest geschoeide structuur van het stelsel van extra heffing - een structuur die door het Hof in vroegere rechtspraak nooit in twijfel werd getrokken - alsmede in de noodzaak van een goede werking van dat stelsel. Dat de goede werking van het stelsel een dwingend vereiste is dat verschillen in behandeling die daaruit voortvloeien objectief kan rechtvaardigen, heeft het Hof reeds herhaaldelijk erkend. (11) Natuurlijk zou het vanuit het standpunt van de marktintegratie aanbevelingswaardig zijn dat de communautaire wetgever voor een situatie als in het bodemgeschil een bevredigende regeling zou hebben ontwikkeld. Dat hij dit in het kader van verordeningen nr. 856/84 en nr. 857/84 niet heeft gedaan, is op zich jammer maar is geen reden om de door Graff voorgestelde interpretatie te verkiezen. (12)
Conclusie
16. Ik geef het Hof in overweging de door het Finanzgericht gestelde vraag als volgt te beantwoorden:
"Gelet op de eigen structuur van het communautaire stelsel van extra heffing als vervat in verordening (EEG) nr. 856/84 en verordening (EEG) nr. 857/84 is het niet in strijd met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag om de melkproduktie van een in een andere Lid-Staat gelegen, door dezelfde melkproducent geëxploiteerd bedrijf, niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling in een Lid-Staat van de aan deze producent toe te kennen referentiehoeveelheid."
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) - De MGVO dateert van 25 mei 1984 (BGBl. 1984, I, blz. 720). De laatste versie van de MGVO dateert volgens de Commissie van 16 juli 1992 (BGBl. 1992, I, blz. 1324).
(2) - Verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10). Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
(3) - Zie vierde en vijfde considerans van de preambule van verordening nr. 856/84.
(4) - Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13).
(5) - Arrest van 25 november 1986, gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Jurispr. 1986, blz. 3477, r.o. 8.
(6) - Arrest van 19 oktober 1977, gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, Jurispr. 1977, blz. 1753, r.o. 7. Voor recente bevestingen, zie onder meer arresten van 11 maart 1987, gevoegde zaken 279/84, 280/84, 285/84 en 286/84, Rau, Jurispr. 1987, blz. 1069, r.o. 28; 17 mei 1988, zaak 84/87, Erpelding, Jurispr. 1988, blz. 2647, r.o. 29; 21 februari 1990, gevoegde zaken C-267/88 tot en met C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435, r.o. 13; 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kuehn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 18; en 19 maart 1992, zaak C-311/90, Hierl, Jurispr. 1992, blz. I-2061, r.o. 18.
(7) - Arrest van 27 september 1979, zaak 230/78, Eridania, Jurispr. 1979, blz. 2749, r.o. 18.
(8) - Arrest van 13 november 1984, zaak 283/83, Racke, Jurispr. 1984, blz. 3791, r.o. 7; arrest Erpelding, r.o. 29; arrest van 22 oktober 1992, zaak C-85/90, Dowling, Jurispr. 1992, blz. I-5303, r.o. 21. Daarover, in de context van artikel 119 EG-Verdrag, mijn conclusie van 15 juli 1993 in zaak C-132/92, Roberts, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, nr. 12.
(9) - Arrest Rau, r.o. 28; zie verder ook arrest Erpelding, r.o. 29; arrest Wuidart, r.o. 13. Reeds in rechtsoverweging 7 van het arrest Ruckdeschel gaf het Hof de mogelijkheid van objectieve rechtvaardiging aan. Voor de volledige referentie naar deze arresten, zie voetnoot 6.
(10) - Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB, 1981, L 144, blz. 1); gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 945/87 van de Raad van 30 maart 1987 (PB, 1987, L 90, blz. 3).
(11) - Arrest Erpelding, aangehaald in voetnoot 6, r.o. 30; arrest van 27 juni 1989, zaak 113/88, Leukhardt, Jurispr. 1989, blz. 1991, r.o. 19; arrest Kuehn, eveneens geciteerd in voetnoot 6, r.o. 18; arrest Dowling, aangehaald in voetnoot 8, r.o. 23.
(12) - Cf. arrest Erpelding, r.o. 28. Zie ook mijn conclusie van 19 mei 1993 in zaak C-120/92, Schultz, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, nr. 11.
Full & Egal Universal Law Academy