Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 Eppe is sinds 1988 hoofd van de eenheid VI-BI-4, in de rang A 4, bij het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie.
2 Bij nota van 12 februari 1990 verzoekt hij om overplaatsing in het kader van de lopende "reorganisatie" van het betrokken directoraat, omdat zijn eenheid "onvoldoende is uitgerust voor het verrichten van belangrijke taken", doordat een aantal posten onbezet is.(1)
3 Op 14 maart 1990 gaat hij akkoord met een overplaatsing naar een adviseurspost bij het directoraat. Bij die gelegenheid wordt gepreciseerd, dat de directeur-generaal hem niets kan toezeggen over de rang die hij in zijn nieuwe functie zal krijgen.
4 In een nota van 21 juli 1990 maakt Eppe bekend, dat hij zijn principe-akkoord met een overplaatsing naar het EOGFL intrekt, tenzij hij naar de rang A 3 wordt bevorderd.
5 In een nota van 25 juni 1990, gericht aan de directeuren, de adjunct-directeuren en de hoofden van eenheden, zet de directeur-generaal van DG VI de redenen voor en de doelstellingen van de reorganisatie van dat directoraat uiteen. Bij deze reorganisatie wordt onder meer de functie van "adviseur bij het directoraat VI-G $EOGFL'" gecreëerd.(2)
6 Bij nota van 6 augustus 1990 herhaalt Eppe, dat hij een overplaatsing zonder bevordering niet zal accepteren.
7 Op 18 september 1990 verzoekt hij de secretaris-generaal van de Commissie om erop toe te zien, dat het nieuwe organogram zijn huidige functie ongewijzigd laat, "om te vermijden dat een parallel wordt getrokken met de overplaatsing van het hoofd van de eenheid VI-E-4", "waarvan algemeen bekend is, dat het een disciplinaire maatregel betrof".(3)
8 Op 17 oktober 1990 aanvaardt de Commissie het nieuwe organogram en besluit zij om 1) de functie van adviseur van de directeur van DG-VI-G-EOGFL te creëren en om 2) Eppe in die functie te werk te stellen.
9 Van deze aanstelling, uiterlijk per 1 december 1990, wordt Eppe op 6 november 1990 door zijn directeur in kennis gesteld. Op 9 november 1990 bevestigt het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer hem het besluit van de Commissie.
10 Bij een klacht van 17 november 1990 keert Eppe zich tegen het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990 waarbij hij in zijn nieuwe functie tewerk wordt gesteld.
11 Op 14 januari 1991 solliciteert hij naar zijn oude post, waarvoor op 20 december 1990 een kennisgeving van vacature was gepubliceerd.
12 Op 25 februari 1991 dient hij een tweede klacht in, ditmaal tegen de drie besluiten van de Commissie om voor die post een kennisgeving van vacature te publiceren, om zijn plaatsvervanger hierop aan te stellen en om zijn eigen sollicitatie hiernaar af te wijzen.
13 De eerste klacht is op 21 mei 1991 afgewezen en de tweede op 9 augustus 1991.
14 In zijn eerste beroep voor het Gerecht van eerste aanleg (zaak T-59/91) vordert Eppe nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990. In een tweede beroep (zaak T-79/91) vordert hij nietigverklaring van de drie hiervoor genoemde besluiten.
15 Het Gerecht heeft beide beroepen gevoegd en vervolgens bij arrest van 10 juli 1992 verworpen.(4)
16 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening beroept Eppe zich op: 1) onregelmatigheid in de procedure, 2) schending van de motiveringsplicht (artikel 25 Ambtenarenstatuut) met betrekking tot het besluit van de Commissie om hem ambtshalve over te plaatsen, 3) schending van het non-discriminatiebeginsel, 4) onwettigheid van de weigering om zijn sollicitatie naar zijn oude post te aanvaarden, en 5) schending van de zorgplicht.
17 Allereerst een opmerking vooraf. In punt 8 van zijn memorie van repliek stelt Eppe, dat zijn hogere voorziening niet beperkt is tot bepaalde specifieke middelen, maar dat hij "expliciet alle middelen en argumenten handhaaft, die hij in zijn oorspronkelijke beroepen heeft aangevoerd".
18 Uit artikel 112, lid 1, sub c, gelezen in samenhang met artikel 118 juncto artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt, dat de middelen en argumenten in het verzoekschrift in hogere voorziening moeten voorkomen en dat in de loop van de procedure geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij feitelijk of rechtens, waarvan eerst in de loop van de procedure is gebleken; dit laatste wordt door requirant niet gesteld.
19 Het verzoekschrift in hogere voorziening fixeert bijgevolg de middelen van requirant en alle later voorgedragen middelen zijn niet-ontvankelijk. Ik beperk mij dus tot de vijf bovengenoemde punten, die ik achtereenvolgens zal behandelen.
I - Onregelmatigheid in de procedure
20 Het middel betreffende onregelmatigheid in de procedure bestaat uit twee onderdelen.(5)
21 In het eerste verwijt Eppe het Gerecht, twee argumenten te hebben "genegeerd"(6), die waren gebaseerd op artikel 29 Ambtenarenstatuut, respectievelijk op het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 betreffende voorziening van vacatures in het middenkader [COM(88) PV 928].
22 Inderdaad heeft Eppe artikel 29 niet als middel aangevoerd(7), maar heeft hij het enkel geciteerd ter ondersteuning van het middel ontleend aan de schending van het discriminatieverbod.(8)
23 Artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG bepaalt, dat hogere voorziening gebaseerd kan zijn op middelen ontleend aan onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, mits daardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan. De onregelmatigheid moet dus van invloed zijn geweest op het oordeel van het Gerecht.
24 In zijn arrest stelt het Gerecht vast, dat "verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard dat zijn beroep ten aanzien van de te volgen procedure uitsluitend was gebaseerd op de miskenning van de reorganisatieprocedure en niet van enige andere procedure, zoals die van artikel 29 van het Statuut (...)".(9)
25 Eppe kan het Gerecht niet verwijten, dat het een procedurefout heeft gemaakt door het aan artikel 29 Ambtenarenstatuut ontleende argument te negeren, wanneer hij zelf ter terechtzitting van een beroep op die bepaling heeft afgezien. De gestelde onregelmatigheid heeft dus in geen geval afbreuk kunnen doen aan verzoekers belangen voor het Gerecht, want gezien het standpunt dat Eppe had geuit, behoefde het Gerecht de toepassing van dat artikel niet meer te onderzoeken, zelfs niet in het kader van het middel ontleend aan schending van het discriminatieverbod.
26 De gestelde schending van het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 is door het Gerecht terecht expliciet als middel aangemerkt.(10) Immers, om het effect van dit besluit te kunnen onderzoeken, had het Gerecht moeten nagaan of het van toepassing was en zo ja, of de daarin voorgeschreven procedure was gevolgd. Dat onderzoek had veel meer in gehouden dan een simpele toetsing van de motivering. Het Gerecht stelde vast, dat hier sprake was van een middel, dat evenwel in repliek was voorgedragen, zodat het Gerecht het terecht op grond van artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk heeft verklaard.(11)
27 Nu dit middel niet rechtsgeldig voor het Gerecht is voorgedragen, kan het in het stadium van de hogere voorziening niet meer worden ontvangen. Het Hof heeft immers overwogen, dat nieuwe middelen die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, ingevolge "de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet in hogere voorziening kunnen worden voorgedragen".(12)
28 Ten overvloede blijkt tenslotte nog na vergelijking van de rechtsoverwegingen 96 en 40 van het arrest, dat Eppe ter terechtzitting voor het Gerecht heeft afgezien van een beroep op schending van enige andere aanstellingsprocedures dan de reorganisatieprocedure. Hierdoor was het Gerecht ontslagen van elke verplichting om te toetsen of de in voornoemd besluit van de Commissie neergelegde procedure was nageleefd.
29 Het eerste onderdeel van het eerste middel kan dus niet slagen.
30 In het tweede onderdeel maakt requirant bezwaar "tegen de redenering van het Gerecht in de rechtsoverwegingen 113-115 (en in het bijzonder rechtsoverweging 114) met betrekking tot de vergelijking van requirants verdiensten met die van de andere kandidaten".(13)
31 Deze grief raakt de regelmatigheid van de procedure niet en zal hierna onder punt IV worden behandeld.
32 Het eerste middel moet bijgevolg worden verworpen.
II - Schending van de motiveringsplicht
33 De eerste door Eppe gestelde schending van het recht betreft de schending van de motiveringsplicht.
34 In het arrest Vidrányi van 1 oktober 1991(14) heeft het Hof een middel ontleend aan schending, door de rechter in eerste aanleg, van de verplichting om zijn beslissingen te motiveren, als middel in hogere voorziening aanvaard.(15)
35 Heeft het Gerecht, door te beslissen dat het besluit van de Commissie betreffende Eppe voldoende met redenen was omkleed, het Hof in staat gesteld "de wettigheid van [zijn] beslissing te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beslissing gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan kan worden betwist"?(16)
36 Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Het Gerecht zou het recht hebben geschonden door niet de wettigheid van het gewraakte besluit te onderzoeken vanuit de invalshoek van de naleving van de procedure, neergelegd in het besluit van 19 juli 1988.(17) En bovendien zou het in rechtsoverweging 93 van zijn arrest een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot de rechtsgrondslag voor het besluit om Eppe over te plaatsen.(18)
37 Ik geef het Hof in overweging om het eerste onderdeel af te wijzen en hiervoor kan ik volstaan met een verwijzing naar mijn eerdere opmerkingen(19) betreffende het besluit van 19 juli 1988.
38 Ik kom thans tot het tweede onderdeel.
39 In de rechtsoverwegingen 91 en volgende onderzoekt het Gerecht de strekking van de brieven van 6 en 9 november 1990 om na te gaan of deze niet onderling afwijken met betrekking tot de grondslag voor de maatregel tot aanstelling van Eppe als adviseur.
40 Het overweegt, dat "van een schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut geen sprake kan zijn", "nu de eventuele onnauwkeurigheid in de brief van 6 november 1990 in de loop van de administratieve procedure is hersteld".(20)
41 Dit is een zuiver feitelijk oordeel dat Eppe voldoende inzicht geeft in de beweegredenen van het Gerecht, en is als zodanig een soeverein oordeel van het Gerecht, dat zich dientengevolge in het kader van deze hogere voorziening aan de toetsing van het Hof onttrekt.
42 Het middel ontleend aan schending van de motiveringsplicht moet dus worden verworpen.
III - Schending van het discriminatieverbod
43 Requirant stelt, dat hij is gediscrimineerd doordat de procedure waarvoor is gekozen voor de bezetting van de post van adviseur, een andere was dan die welke is gevolgd voor de bezetting van de andere kaderpost die bij de wijziging van het organogram van DG VI was gecreëerd, te weten die van hoofd van de nieuwe eenheid VI-04 ("Promotie van landbouwprodukten").
44 Volgens vaste rechtspraak van het Hof "is het algemene gelijkheidsbeginsel een van de fundamentele beginselen van het communautaire ambtenarenrecht. Op grond van dit beginsel mogen vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Het vereist uiteraard dat personeelsleden die zich in volkomen gelijke situaties bevinden, aan dezelfde bepalingen worden onderworpen, maar het verbiedt de gemeenschapswetgever niet rekening te houden met objectieve verschillen in de omstandigheden of situaties waarin de betrokkenen zich bevinden."(21)
45 Indien was komen vast te staan, dat voor beide posten noodzakelijkerwijze een volkomen gelijke aanwervingsprocedure had moeten worden gevolgd en bovendien, dat requirant minder gunstig is behandeld dan de succesvolle kandidaat voor de post van hoofd van de nieuwe eenheid, zou dus moeten worden onderzocht of er sprake was van een eventuele discriminatie.
46 Aangezien dit dubbele bewijs niet is geleverd, concludeer is tot verwerping van dit middel.
IV - Onwettigheid van de weigering om requirant op zijn oude post aan te stellen
47 Is de weigering om Eppes sollicitatie naar zijn oude post te aanvaarden onwettig?
48 Volgens requirant is dit het geval omdat, bij afwezigheid van zijn laatste beoordelingsrapport, zijn verdiensten niet deugdelijk met die van de andere kandidaten waren vergeleken.(22)
49 Na eraan te hebben herinnerd, dat aan de gemeenschapsinstellingen een grote beoordelingsvrijheid is toegekend bij de organisatie van hun diensten en de tewerkstelling van hun personeel(23), komt het Gerecht in rechtsoverweging 114 van zijn arrest tot de soevereine vaststelling, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, gelet op vier door het Gerecht opgesomde feitelijke gronden, zelfs bij ontbreken van het laatste beoordelingsrapport van Eppe, in redelijkheid had kunnen besluiten om Eppes sollicitatie naar zijn oude post af te wijzen.
50 Dit middel moet dus eveneens worden verworpen.
V - Schending van de zorgplicht
51 Ten slotte wil ik het middel behandelen, dat is ontleend aan schending van de zorgplicht.
52 Na een onderzoek van de nota van de secretaris-generaal van 15 oktober 1990 en die van de directeur-generaal van 6 november 1990(24) overweegt het Gerecht:
"In verzoekers geval heeft de Commissie voldaan aan de eisen van de zorgplicht, nu zij hem bij de brief van de secretaris-generaal van 15 oktober 1990 en bij die van de directeur-generaal van 6 november 1990 duidelijk heeft laten weten, dat het te zijnen aanzien genomen besluit geen enkele beoordeling inhoudt van de wijze waarop hij zijn functie als hoofd van de eenheid VI-BI-4 heeft vervuld, en dat bij dit besluit integendeel volkomen terecht het eerste juridisch onderzoek en de juridische coördinatie van de talrijke handelingen die het EOGFL betreffen, aan een $ervaren en gekwalificeerd jurist' zijn opgedragen. Hiermee heeft de Commissie verzoeker een schriftelijk document verstrekt aan de hand waarvan hij eventuele geruchten over zijn persoon zoveel mogelijk kan tegenspreken. De Commissie kan dus geen verwijt worden gemaakt van de wijze waarop zij haar ruime discretionaire bevoegdheid heeft gebruikt bij de afweging van de eisen van het dienstbelang enerzijds en die van verzoekers belang anderzijds."(25)
53 Hiermee geeft het Gerecht een juiste uitlegging aan het begrip zorgplicht. De toepassing hiervan op de concrete feiten behoort tot zijn soevereine beoordeling. Dit middel kan bijgevolg niet slagen.
54 Alvorens te concluderen, wil ik nog iets opmerken over de kosten. Op grond van artikel 69, lid 2, in samenhang met de artikelen 118 en 122, van het Reglement voor de procesvoering wordt in beginsel de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Eppe verzoekt echter om toepassing van artikel 69, lid 3, van dit Reglement en om veroordeling van de Commissie tot betaling "van alle kosten op frustratoire of vexatoire gronden".(26) De Commissie vordert daarentegen, dat Eppe naast zijn eigen kosten alle kosten draagt die zij heeft moeten maken.
55 De Commissie toont niet aan, dat zij kosten heeft moeten maken die "vergeefs zijn aangewend".(27)
56 Eppe toont evenmin aan, hoe de Commissie hem zou hebben verplicht om kosten te maken die vergeefs zijn aangewend of van vexatoire aard zijn.
57 Bijgevolg moet de hoofdregel worden aangehouden en moet requirant in de kosten worden verwezen, nu artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering ingevolge artikel 122 van dit Reglement niet van toepassing is op hogere voorzieningen die door ambtenaren zijn ingesteld.
58 Op grond hiervan geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening af te wijzen en requirant te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof.
(1) - Bijlage 6 bij het verzoekschrift in hogere voorziening.
(2) - Bijlage 8 bij het verzoekschrift in hogere voorziening (bijlage 1, blz. 3).
(3) - Bijlage 10 bij het verzoekschrift in hogere voorziening.
(4) - Gevoegde zaken T-59/91 en T-79/91, Jurispr. 1992, blz. II-2061.
(5) - Punten 31 en 34 van het verzoekschrift.
(6) - Punt 31 van het verzoekschrift.
(7) - Deze worden opgesomd in r.o. 31 van het arrest.
(8) - R.o. 78 van het arrest.
(9) - R.o. 40.
(10) - R.o. 96.
(11) - Ibidem.
(12) - Arrest van 19 juni 1992, zaak C-18/91 P, V., Jurispr. 1992, blz. I-3997 (r.o. 21). Zie voor dit punt ook de toelichting op artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering.
(13) - Punt 34 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(14) - Zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339.
(15) - R.o. 29.
(16) - Arrest van 4 juni 1992, zaak C-181/90, Consorgan, Jurispr. 1992, blz. I-3557, r.o. 14.
(17) - Punt 37 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(18) - Punt 40 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(19) - Punten 26-28 supra.
(20) - R.o. 95 van het beroepen arrest.
(21) - Arrest van 14 juli 1983, gevoegde zaken 152/81, 158/81, 162/81, 170/81, 173/81, 175/81, 177/81-179/81, 182/81 en 186/81, Ferrario, Jurispr. 1983, blz. 2357, r.o. 7. Zie laatstelijk arrest van het Gerecht van 10 december 1992, zaak T-33/91, Williams, Jurispr. 1992, blz. II-2499, r.o. 36.
(22) - Punt 41 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(23) - R.o. 112.
(24) - Zie de punten 8 en 9 supra.
(25) - R.o. 67.
(26) - Conclusie van requirants memorie van repliek.
(27) - Punt 65 van de memorie van antwoord.
Full & Egal Universal Law Academy