Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De door de Cour d' appel te Toulouse voorgelegde prejudiciële vraag is gerezen in een geding tussen de Franse douane-administratie en een douane-agent over de voorwaarden voor vrijstelling van douanerechten bij de invoer van bepaalde produkten uit India.
2. De relevante bepalingen inzake vrijstelling van douanerechten vormen een onderdeel van het stelsel van algemene tariefpreferenties voor produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden. Het stelsel van algemene tariefpreferenties gaat, zoals bekend, terug op de door de tweede UNCTAD-conferentie in 1968 aangenomen resolutie, volgens welke de industrielanden algemene tariefpreferenties aan ontwikkelingslanden dienen te verlenen. Dit stelsel is vandaag de dag aangepast aan de economische omstandigheden in de afzonderlijke ontwikkelingslanden en tot op zekere hoogte gelden voor verschillende soorten produkten verschillende regels. In deze zaak is van belang, dat de voorwaarden voor vrijstelling van douanerechten uit hoofde van het preferentiële stelsel door de afzonderlijke industrielanden autonoom zijn vastgesteld.
3. In casu staat vast, dat de door de douane-agent in 1987 en 1988 voor rekening van een Franse klant ingevoerde produkten volgens de geldende gemeenschapsvoorschriften kunnen worden vrijgesteld van douanerechten, indien naar het oordeel van de Franse douane de Indiase oorsprong van de produkten naar behoren is aangetoond.
Te zamen met de douane-aangifte legde de douane-agent een aantal door de Indiase autoriteiten bekrachtigde certificaten van oorsprong over. De tekst van het door de exporteur ingevulde vak 12 - van de in casu gebruikte Engelse versie - van de certificaten van oorsprong luidt als volgt:
"The undersigned hereby declares that the above details and statements are correct; that all the goods were produced in ..., and that they comply with the origin requirements specified for those goods in the generalized system of preferences for goods exported to ...".(1)
Volgens de door de douane-agent overgelegde certificaten van oorsprong zijn de produkten van oorsprong uit India; op sommige certificaten wordt als land van bestemming "Czechoslovak Socialist Republic", op andere "Polish People' s Republic" vermeld.
In vak 11 hebben de bevoegde Indiase autoriteiten verklaard, "on the basis of control carried out, that the declaration by the exporter is correct".(2)
4. Volgens de gemeenschapsvoorschriften die in 1987 respectievelijk 1988 van toepassing waren voor de tariefvrijstellingen voor de betrokken produkten (3), moest bij het invullen van vak 12 van het certificaat van oorsprong daarin ofwel "Europese Economische Gemeenschap" ofwel een bepaalde Lid-Staat worden vermeld.(4) Aangezien de door de douane-agent overgelegde certificaten noch de Europese Economische Gemeenschap noch een Lid-Staat als land van bestemming van de goederen vermeldden, was de Franse douane van mening, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor tariefvrijstelling en vorderden zij onder meer betaling van het normaliter voor deze soort van goederen geldende recht van 7 %.
5. De douane-agent had de Franse autoriteiten meegedeeld, dat vak 12 op die manier was ingevuld, omdat het compensatie-aankopen tussen de Oosteuropese landen en India betrof. Volgens de door de agent verstrekte inlichtingen verkochten de Oosteuropese landen machines aan India, die door de kopers aldaar, die niet over deviezen beschikten, met goederen, onder meer leer en kleding, werden betaald. Aangezien in de Oosteuropese landen geen behoefte aan deze goederen bestond, verkochten zij ze op andere markten, bij voorbeeld in Frankrijk, waarbij de goederen rechtstreeks naar de kopers werden gestuurd.
6. De douane-agent, die recht op tariefvrijstelling meent te hebben, stelt, dat de douaneschuld enkel uit hoofde van goederenstromen ontstaat - het staat vast dat de goederen van oorsprong uit India zijn - en niet uit hoofde van certificaten. Volgens hem dient de Franse douane, evenals in eerdere gevallen, een tariefvrijstelling door middel van regularisatie van de certificaten mogelijk te maken.
7. De Cour d' appel, die zich onder meer moet uitspreken over de mogelijkheid om in casu een tariefvrijstelling te verlenen, heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Gaat de aanspraak op toepassing van het preferentiële stelsel EEG/ontwikkelingslanden, dat vrijstelling van douanerechten meebrengt, noodzakelijkerwijs verloren wanneer op het bij uitvoer van de produkten afgegeven certificaat van oorsprong (formulier A) een andere staat dan een Lid-Staat van de EEG is vermeld?"
In het kader van deze vraag verwijst de Cour d' appel naar diverse bepalingen van de relevante gemeenschapsverordeningen, op grond waarvan de douane de certificaten van oorsprong eventueel zou kunnen corrigeren, of die anderszins een grondslag voor verkrijging van de tariefvrijstelling zouden kunnen opleveren.
Kan de Franse douane voorbijgaan aan het feit, dat vak 12 van de certificaten van oorsprong niet juist is ingevuld?
8. Zoals gezegd, is de douane-agent in wezen van mening, dat het om een vormfout gaat, die kan worden hersteld.
De Commissie en de Franse, de Belgische en de Britse regering bestrijden dit.
9. Mijns inziens is er geen reden te betwijfelen, dat de betrokken gemeenschapsvoorschriften aldus moeten worden opgevat, dat de Franse douane niet bevoegd is een tariefvrijstelling te verlenen indien in vak 12 is vermeld, dat de goederen zijn bestemd voor uitvoer naar een ander land dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap.
Tariefvrijstelling wordt overeenkomstig de gemeenschapsvoorschriften verleend, mits wordt aangetoond dat het produkt van oorsprong is uit het land waarvoor de Europese Gemeenschap tariefvrijstelling verleent. De Europese Gemeenschap stelt autonoom de criteria vast om te kunnen bepalen wanneer een produkt moet worden geacht van oorsprong te zijn uit de staat ten gunste waarvan de Europese Gemeenschap tariefvrijstelling verleent. De in casu overgelegde certificaten van oorsprong bevatten een verklaring van de exporteur, dat de goederen bestemd zijn voor uitvoer naar twee landen die geen Lid-Staat van de Gemeenschap zijn, welke verklaring door de bevoegde Indiase autoriteiten is bevestigd. Het behoeft dan ook geen betoog, dat uit de overgelegde certificaten van oorsprong niet met zekerheid kan worden opgemaakt, dat de communautaire oorsprongregels zijn nageleefd. Aan de certificaten van oorsprong kleeft derhalve een gebrek en het gaat daarbij niet uitsluitend om een vormgebrek. Het valt immers niet uit te sluiten, dat de oorsprongregels in de landen waarvoor de goederen volgens de certificaten bestemd zijn, verschillen van de communautaire oorsprongregels. Verder blijkt uit de informatie waarover wij beschikken, dat althans in Tsjechoslowakije de geldende oorsprongregels afweken van de gemeenschapsregels ter zake.
10. Gelet op het voorgaande is het ook duidelijk, dat de mogelijkheid die artikel 12 van de twee relevante verordeningen de douane-autoriteiten van de Lid-Staten biedt om de gegevens op de certificaten van oorsprong te corrigeren, voor het onderhavige geval niet geldt. Artikel 12 bepaalt, dat "(...) geringe verschillen tussen de gegevens op het certificaat en die op de documenten welke ter vervulling van de invoerformaliteiten voor de produkten bij het douanekantoor worden ingediend", alleen om die reden niet leiden tot "ongeldigheid van het certificaat indien naar behoren wordt vastgesteld, dat het certificaat met de aangebrachte produkten overeenstemt". In de omstandigheden van het onderhavige geval is er geen sprake van "geringe verschillen".
11. Het lijkt mij evenzeer duidelijk, dat de bijzondere bepaling inzake vervanging van certificaten van oorsprong, die men in artikel 22 van de twee verordeningen vindt, in de omstandigheden van dit geval geen toepassing kan vinden. Volgens deze bepaling kunnen "een of meer certificaten van oorsprong, formulier A, (...) altijd worden vervangen door een of meer andere certificaten van oorsprong, formulier A, op voorwaarde dat dit geschiedt op het douanekantoor van de Gemeenschap waar de produkten zich bevinden". De Britse en de Franse regering stellen - zonder daarbij in de loop van de procedure op tegenspraak te zijn gestuit -, dat artikel 22 ziet op het geval, dat een oorspronkelijk voor een Lid-Staat bestemde partij goederen geheel of ten dele naar een of meer andere Lid-Staten wordt doorgezonden om aldaar in het vrije verkeer te worden gebracht.
Kunnen in het land van uitvoer achteraf nieuwe certificaten van oorsprong worden afgegeven?
12. De Franse regering enerzijds en de Commissie en de Britse en de Belgische regering anderzijds verschillen van mening over de vraag, of artikel 23 van de toepasselijke verordeningen het mogelijk maakt dat achteraf nieuwe certificaten van oorsprong worden afgegeven, waarin de Indiase autoriteiten verklaren dat de goederen ook een Indiase oorsprong hebben wanneer het bij de in vak 12 bedoelde uitvoer gaat om uitvoer naar een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap.
13. Artikel 23 luidt als volgt:
"1. Bij wijze van uitzondering kan het certificaat worden afgegeven na de werkelijke uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, wanneer dit als gevolg van vergissingen, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is geschied, en op voorwaarde dat de goederen niet werden uitgevoerd vóór de mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de bij artikel 26 verlangde gegevens.
2. De bevoegde regeringsinstantie kan eerst tot afgifte achteraf van een certificaat overgaan, na te hebben nagegaan of de in het verzoek van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die van het desbetreffende dossier van uitvoer, en of bij de uitvoer van de betrokken produkten geen certificaat van oorsprong is afgegeven.
(...)."
14. Volgens de Franse regering laat deze bepaling in casu niet toe, dat achteraf certificaten van oorsprong worden afgegeven. Deze bepaling zou ervan uitgaan, dat niet eerder een certificaat van oorsprong bij de uitvoer van de betrokken goederen is opgemaakt; overigens zou het in een geval als het onderhavige voor de Indiase autoriteiten moeilijk zijn, te bevestigen dat de goederen volgens de communautaire oorsprongregels van oorsprong uit India zijn.
15. De Commissie en de twee andere regeringen zijn van mening, dat het in een situatie als de onderhavige mogelijk moet zijn, op basis van naar behoren ingevulde certificaten van oorsprong tariefvrijstelling te verkrijgen, ook al zijn de certificaten achteraf opgemaakt, dat wil zeggen na de invoer van de produkten in de Gemeenschap. De in de onderhavige zaak afgegeven certificaten van oorsprong dienen met het oog op de gemeenschapsbepalingen als non-existent te worden beschouwd.
16. Het lijkt mij volstrekt duidelijk, dat afgifte achteraf van certificaten van oorsprong slechts mogelijk is wanneer de bevoegde instantie van het land van uitvoer op basis van de beschikbare gegevens in staat is de ter zake door de exporteur in vak 12 verstrekte inlichtingen te bevestigen. Het behoeft voorts geen betoog, dat dergelijke achteraf afgegeven certificaten slechts recht geven op tariefvrijstelling indien zij vóór het verstrijken van eventuele termijnen zijn afgegeven en de invoer kan plaatsvinden in het kader van een eventueel tariefquotum.
Maar wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, lijkt het mij redelijk de uitlegging te volgen die de Commissie en de Britse en de Belgische regering aan artikel 23 geven, namelijk dat de bevoegde instantie op grond van deze bepaling in een situatie als de onderhavige achteraf certificaten van oorsprong kan afgeven. Er lijken geen doorslaggevende redenen verband houdend met het douanebeheer te bestaan, die zich tegen een dergelijke uitlegging verzetten, en evenmin lijkt er reden te zijn om de gemeenschapsregels aldus uit te leggen, dat zij in de weg staan aan tariefvrijstelling bij de invoer van goederen uit ontwikkelingslanden. Een dergelijke restrictieve uitlegging zou indruisen tegen de doelstellingen van het stelsel van algemene tariefpreferenties. Volgens mij betoogt de Britse regering terecht, dat een restrictieve uitlegging zou betekenen dat de importeur over geen enkel rechtsmiddel beschikt, en dat een dergelijk resultaat niet evenredig is aan de doelstelling van de verordeningen, namelijk het verlenen van vrijstelling voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden.
Conclusie
17. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
De aanspraak op toepassing van het preferentiële stelsel EEG/ontwikkelingslanden gaat verloren wanneer op het bij uitvoer van de produkten afgegeven certificaat van oorsprong (formulier A) een ander land dan een Lid-Staat van de EEG als land van bestemming is vermeld.
De autoriteiten van het land van invoer kunnen een tariefvrijstelling evenwel niet weigeren, wanneer na de invoer een nieuw, juist ingevuld certificaat van oorsprong (formulier A) wordt overgelegd, zelfs indien wegens bijzondere omstandigheden op het oorspronkelijk overgelegde certificaat een ander land van bestemming dan een Lid-Staat van de EEG was vermeld.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - De op standaardformulieren opgemaakte certificaten zijn gesteld in het Engels of het Frans. De Nederlandse vertaling luidt als volgt: Ondergetekende verklaart hierbij, dat bovenvermelde gegevens en toelichtingen juist zijn, dat alle goederen zijn geproduceerd in (...), en dat zij voldoen aan de in het stelsel van algemene preferenties voor die goederen gestelde voorwaarden betreffende de oorsprong voor de uitvoer van goederen naar (...) .
(2) - De Nederlandse vertaling van deze tekst luidt als volgt: op de grondslag van uitgevoerde controles, dat de verklaring van de exporteur juist is .
(3) - De in casu relevante verordeningen zijn verordening (EEG) nr. 3749/83 (PB 1983, L 372, blz. 1) en verordening (EEG) nr. 693/88 (PB 1988, L 77, blz. 1), die hetzelfde opschrift dragen, te weten verordening (...) betreffende de definitie van het begrip produkten van oorsprong voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties . De verordening van 1983 is van toepassing op de invoeren in 1987, en de verordening van 1988 op de invoeren in 1988. De voor de beantwoording van de prejudiciële vraag relevante bepalingen zijn in beide verordeningen gelijkluidend.
(4) - Zie daartoe aantekening 8 in bijlage I bij de verordening van 1983 en aantekening 9 in bijlage I bij de verordening van 1988.
Full & Egal Universal Law Academy