Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Hessische Verwaltungsgerichtshof heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening nr. 2267/84/EEG van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen.(1)
2. Voor het begrijpen van de achtergrond van deze vraag volstaat het te wijzen op het volgende.
3. Het aanbod van rundvlees op de gemeenschappelijke markt is soms te groot. Het kan worden verminderd doordat de ondernemingen rundvlees opslaan. De Gemeenschap kan een dergelijke opslag bevorderen, door daarvoor steun toe te kennen. Genoemde verordening betreft de toekenning van dergelijke steun. Voor toekenning van de steun moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan, bij voorbeeld dat de opslag een bepaalde tijd duurt, dat voldoende grote partijen vlees worden opgeslagen en dat het vlees pas na afloop van een bepaalde minimumopslagperiode vóór de overeengekomen tijd mag worden uitgeslagen.
4. Volgens de verordening van de Commissie kon steun worden toegekend voor de opslag van hele en halve geslachte dieren alsmede voor voor- en achtervoeten. De verordening liet de mogelijkheid open, het vlees vóór de opslag uit te benen. Bij het uitbenen wordt het vlees in verschillende stukken versneden, zoals rib, borst, schenkel en vang. Het uitbenen heeft als voordeel, dat minder ruimte nodig is voor de opslag.
5. Artikel 4, lid 2, van de verordening bepaalt, dat de marktdeelnemer tegen een evenredige verlaging van het steunbedrag de opslag mag beperken tot 90 % van de in het contract overeengekomen hoeveelheid.
6. De onderhavige zaak betreft de opslag door een Duitse onderneming van een grote partij uitgebeende voorvoeten, waarvoor de Gemeenschap steun zou betalen. De opslag betrof aanvankelijk de totale hoeveelheid waarvoor steun was toegezegd.
De onderneming wilde echter vóór afloop van de minimumopslagperiode met inachtneming van de 90 %-regel een deel van het opgeslagen vlees uitslaan. Zij was van mening, dat artikel 4, lid 2, van de verordening de nodige rechtsgrondslag bood voor deze uitslag, en volgens de beschikbare gegevens deelden de Duitse autoriteiten dit standpunt. De Commissie heeft zich overigens bij deze opvatting aangesloten.
7. De onenigheid in deze zaak ontstond daardoor, dat niet hele uitgebeende voorvoeten werden uitgeslagen, maar slechts delen daarvan. Een voorvoet bestaat, zoals gezegd, uit verschillende stukken, zoals rib, borst, schenkel, vang enzovoort. De onderneming had geen schenkel en vang uitgeslagen.
8. De Duitse autoriteiten stelden, dat de onderneming zich niet had gehouden aan de in artikel 4, lid 2, geformuleerde 90 %-regel, die huns inziens aldus moet worden uitgelegd, dat alleen hele uitgebeende voorvoeten mogen worden uitgeslagen. Zij weigerden haar derhalve de steun. De onderneming is het met deze uitlegging van artikel 4, lid 2, van de verordening niet eens.
In deze zaak wordt niet betwist, dat de onderneming de 90 %-regel alleen dan in acht heeft genomen, wanneer het voor de berekening van de 90 % niet van belang is, welke delen van het opgeslagen vlees worden uitgeslagen. Vaststaat eveneens, dat slechts 89,9 % van het vlees in opslag is gebleven wanneer bij het uitgeslagen vlees de daarbij behorende, doch niet uitgeslagen, partijen vang en schenkel worden gerekend.
9. Om dit geding te kunnen beslechten heeft het Hessische Verwaltungsgerichtshof het Hof genoemde prejudiciële vraag voorgelegd.
10. Artikel 4, lid 2, bepaalt:
"Indien de in ongewijzigde staat opgeslagen hoeveelheid vlees of, wanneer het versneden of uitgebeend vlees betreft, de hoeveelheid vlees met been die is behandeld, kleiner is dan de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, en
a) groter is dan of gelijk is aan 90 % van deze hoeveelheid, wordt het in artikel 1, lid 1, tweede alinea, bedoelde steunbedrag voor de particuliere opslag naar evenredigheid verlaagd;
b) kleiner is dan 90 % van deze hoeveelheid, wordt de steun voor de particuliere opslag niet betaald."
11. De Duitse autoriteiten hebben bij het Hof geen opmerkingen ingediend, doch uit de verwijzingsbeschikking blijkt duidelijk, op welke gronden zij hun opvatting baseren. Huns inziens is de opslaghouder verplicht, hele voorvoeten op te slaan. De mogelijkheid om uitgebeend vlees op te slaan, is alleen ingevoerd om opslagruimte te besparen. De stukken vlees die na uitbening worden opgeslagen, moeten derhalve gedurende de hele opslagperiode tot hele voorvoeten kunnen worden samengesteld, en de krachtens artikel 4, lid 2, toegestane uitslag kan derhalve ook slechts betrekking hebben op hele voorvoeten. Op die manier wordt voorkomen, dat alleen de minderwaardige delen van de voorvoeten opgeslagen blijven, terwijl de waardevolle delen van het vlees, die op de gemeenschappelijke markt met winst kunnen worden verkocht, worden uitgeslagen.
12. De onderneming en de Commissie leggen de bepaling anders uit. Hun opvatting is mijns inziens de juiste.
De Duitse autoriteiten hebben terecht aangevoerd, dat op grond van artikel 4, lid 1, in beginsel hele uitgebeende voorvoeten moeten worden opgeslagen. De onderneming en de Commissie hebben echter gelijk waar zij stellen, dat uit artikel 4, lid 2, niet kan worden afgeleid, dat de onderneming die gebruik maakt van de mogelijkheid om met inachtneming van de 90 %-regel een klein gedeelte van het opgeslagen vlees uit te slaan, hele voorvoeten moet uitslaan. Een dergelijk vereiste kan niet worden afgeleid uit de bewoordingen van die bepaling en deze kan evenmin aldus worden uitgelegd. Het doel van de verordening en de context van de bepaling bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de door de Duitse autoriteiten gegeven uitlegging, die de beschikkingsvrijheid van de opslaghouder beperkt. Integendeel, met de Commissie kan worden aangenomen, dat dit vereiste in strijd is met het doel van de verordening, namelijk de grootst mogelijke opslag te verzekeren, en het is in ieder geval juist, dat de toepassing van dit vereiste moeilijkheden zou opleveren.
Conclusie
13. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Artikel 4, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 moet aldus worden uitgelegd, dat het recht op steun blijft bestaan wanneer delen van uitgebeende voorvoeten van runderen vóór afloop van de minimumopslagperiode worden uitgeslagen en de totale hoeveelheid in opslag gehouden vlees tenminste 90 % van de overeengekomen hoeveelheid bedraagt, ongeacht of het in opslag gebleven vlees nog tot hele uitgebeende voorvoeten kan worden samengesteld.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - PB 1984, L 208, blz. 31.
Full & Egal Universal Law Academy