Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Inleiding
1. In het onderhavige beroep wegens niet-nakoming gaat het in de eerste plaats om de Spaanse voorschriften betreffende de werkzaamheden van toeristengidsen en gids-tolken.(1) Volgens de Commissie wordt door deze voorschriften de toegang van onderdanen van andere Lid-Staten tot het beroep van toeristengids en de uitoefening van de werkzaamheden van toeristengidsen uit andere Lid-Staten belemmerd, zodat zij in strijd zijn met het EEG-Verdrag (thans: EG-Verdrag). Deze voorschriften zijn vervat in de ministeriële verordening van 31 januari 1964 tot goedkeuring van de regeling inzake de uitoefening van de werkzaamheden van particuliere toeristengidsen (hierna: de "verordening van 1964")(2).
2. Volgens deze verordening mag het beroep van toeristengids (of gids-tolk) enkel worden uitgeoefend door degene die de door het Ministerie van Voorlichting en Toerisme georganiseerde specifieke examens heeft afgelegd (artikel 12). Het onbevoegd uitoefenen van deze werkzaamheden is strafbaar gesteld (artikel 7). Aan deze examens mogen enkel personen met de Spaanse nationaliteit deelnemen (artikel 13, sub a). Voorts kunnen groepen toeristen zich wel door een gids (correo de turismo) uit hun eigen land laten begeleiden, maar deze moet gebruik maken van de diensten van een gids-tolk (artikel 11, lid 3), die dan weer op grond van het vereiste van artikel 13, sub a, de Spaanse nationaliteit moet bezitten.
3. Dienaangaande stelt de Commissie in de eerste plaats, dat het vereiste van de Spaanse nationaliteit voor deelname aan de examens onverenigbaar is met de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag.
4. Voorts worden haars inziens de artikelen 5, 48, 52 en 59 van het Verdrag geschonden, doordat de Spaanse voorschriften niet voorzien in een procedure voor de beoordeling van in andere Lid-Staten verworven en door een diploma bewezen bekwaamheden.
5. Ten slotte stelt zij met een beroep op de zogenoemde toeristengidsen-arresten van 26 februari 1991(3), dat de werkzaamheden van zelfstandige of in loondienst werkende toeristengidsen die vergezeld van een gesloten groep toeristen tijdelijk naar Spanje reizen, worden belemmerd door het vereiste van een beroepskaart waarvoor een met een diploma afgesloten beroepsopleiding wordt verlangd. Dit vereiste is onverenigbaar met artikel 59 van het Verdrag, voor zover het betrekking heeft op het verlenen van diensten op andere plaatsen dan musea of monumenten, waarvoor een gespecialiseerde gids nodig is.
6. In de tweede plaats acht de Commissie artikel 5 van het Verdrag geschonden, doordat Spanje haar de verlangde inlichtingen over de wettelijke regelingen van de Comunidades Autónomas (autonome gemeenschappen) betreffende de werkzaamheden van toeristengidsen en gids-tolken niet heeft doen toekomen.
7. Daarom verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk Spanje om de hier genoemde redenen de artikelen 5, 48, 52 en 59 van het Verdrag heeft geschonden. Voorts verzoekt zij, de verwerende Lid-Staat in de kosten van de procedure te verwijzen.
8. Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof te verklaren, dat er geen termen aanwezig zijn om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje het Verdrag heeft geschonden, en het in de kosten te verwijzen. Ter verdediging beroept het zich op de decreten nr. 210/1989 van de Generalitat de Catalunya en nr. 72/1992 van de Junta de Castilla y León. Bovendien beroept het zich op de maatregelen die de Spaanse Staat heeft getroffen om de richtlijnen 75/368/EEG(4) en 89/48/EEG(5) in nationaal recht om te zetten.
9. Voor zover nodig, zal ik in mijn hierna volgende standpunt verder op de details van de zaak en op de relevante regels ingaan.
B - Juridische beoordeling
I. De belemmering van de beroepsvrijheid van onderdanen van andere Lid-Staten
10. 1. In verband met dit onderdeel van het beroep moeten eerst de feiten van het geding nader worden bepaald.
11. Het Koninkrijk Spanje bestaat uit 17 autonome gemeenschappen. Tussen partijen is onomstreden, dat deze autonome gemeenschappen op het in casu in geding zijnde gebied van het toerisme over bepaalde wetgevingsbevoegdheden beschikken. Evenmin staat ter discussie, dat de verordening van 31 januari 1964 in het geografische gebied van elk van deze autonome gemeenschappen van kracht blijft, zolang en voor zover het bevoegde wetgevingsorgaan geen afwijkende regeling heeft getroffen.
12. Ten tijde van de mondelinge behandeling waren in slechts twee van de 17 gemeenschappen bepaalde voorschriften vastgesteld die met het oog op de onderhavige procedure van belang kunnen zijn. De Commissie werd pas in het verweerschrift van deze voorschriften in kennis gesteld. Vervolgens leverde zij hierop commentaar in haar repliek en tijdens de mondelinge behandeling.
13. Tegen deze achtergrond verklaarde de Commissie ter terechtzitting, dat zij niet verlangt, dat het Hof zich specifiek over de genoemde voorschriften van die beide autonome gemeenschappen uitspreekt. Zo nodig zouden deze voorschriften na onderzoek door de Commissie in een andere niet-nakomingsprocedure aan de orde worden gesteld. Zij heeft in haar repliek en ter terechtzitting slechts de gelegenheid benut om een standpunt over deze niet van tevoren meegedeelde voorschriften in te nemen en te verklaren, dat uiteindelijk ook in deze autonome gemeenschappen de verdragsschending voortduurde. In haar verzoekschrift heeft zij tot schending van artikel 5 EEG-Verdrag geconcludeerd, omdat Spanje deze voorschriften van de autonome gemeenschappen niet tijdig had doen toekomen.
14. In het licht van deze verklaringen moet het eerste onderdeel van het verzoek van de Commissie aldus worden opgevat, dat het strekt tot vaststelling van de inbreuk die haars inziens bij de verordening van 1964 op het Verdrag is gemaakt, en wel binnen het gehele toepassingsgebied van deze verordening met uitzondering van de autonome gemeenschappen Catalonië en Castilië en León. Met andere woorden het betwiste onderdeel van het beroep is geografisch beperkt tot het gedeelte van het nationale grondgebied waarvan vaststaat, dat de bedoelde verordening niet door voorschriften van de (eerdergenoemde) autonome gemeenschappen is gewijzigd of aangevuld.
15. 2. Aldus uitgelegd acht ik het beroep van de Commissie gegrond.
16. a) Met betrekking tot het nationaliteitsvereiste van artikel 13, sub a, van de verordening van 1964(6) erkent de Spaanse regering, dat dit vereiste behalve in de beide genoemde autonome gemeenschappen nog steeds wordt gesteld. Het vormt een voorwaarde voor de toegang tot het beroep van toeristengids, aangezien dit enkel na het afleggen van de in artikel 12 bedoelde examens mag worden uitgeoefend en tot deze examens slechts personen met de Spaanse nationaliteit worden toegelaten. Als discriminatie op grond van nationaliteit valt het in beginsel onder artikel 48 (toeristengidsen in loondienst) en onder de artikelen 52 en 59 van het Verdrag (zelfstandig werkzame toeristengidsen). Aangezien er geen redenen zijn te ontdekken, uit hoofde waarvan de ongelijke behandeling gerechtvaardigd zou kunnen zijn (artikelen 48, lid 4, 55 en 56), heeft Spanje deze bepalingen geschonden.
17. Met betrekking tot in het bijzonder artikel 48, heeft de Commissie het beroep beperkt tot werknemers die op het tijdstip van toetreding reeds in Spanje werkzaam waren. Ter zake is het volgende op te merken.
18. Bij het verstrijken van de termijn die de Commissie in haar met redenen omkleed advies had gesteld (december 1991)(7), waren de rechten betreffende het vrije verkeer die in de artikelen 1 en 6 van verordening (EEG) nr. 1612/68(8) nader zijn uitgewerkt, ingevolge de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte niet van toepassing. Deze overgangsregeling diende verstoringen op de Spaanse arbeidsmarkt te voorkomen, die door de toevloed van werkzoekenden uit andere Lid-Staten zouden kunnen ontstaan.(9) Een dergelijke grond ontbreekt met betrekking tot werknemers uit andere Lid-Staten die reeds regelmatig op Spaans grondgebied werkzaam zijn. Voor deze werknemers gelden niet enkel de bepalingen van titel II van verordening nr. 1612/68, maar ook de artikelen 48 en 49 van het Verdrag.(10) Daarom maakte het onderhavige nationaliteitsvereiste voor deze groep werknemers met ingang van de toetreding van Spanje (1 januari 1986) en dus ook bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn inbreuk op artikel 48 van het Verdrag. Het verwijt van de Commissie met betrekking tot artikel 48 van het Verdrag is dus in elk geval met de door haarzelf aanvaarde beperking gegrond.(11)
19. De Spaanse regering verzoekt in dit verband om begrip voor de moeilijkheden van een staat die een structuur heeft als de Spaanse Staat, waarin de autonome autoriteiten zeer gevoelig reageren op elk initiatief dat hun exclusieve bevoegdheden aantast en dat niet beperkt blijft tot voorstellen en cooerdinatie of tot het toezicht van de staat. Daarom beroept de Spaanse regering zich op het bestaan van onvoorzienbare moeilijkheden in de zin van de arresten Commissie/België(12) en "Alcan".(13)
20. Dit argument is onaanvaardbaar. Doen zich "onvoorzienbare moeilijkheden" voor - die bovendien ook "onvoorzienbaar" moeten zijn - dan is de Commissie volgens die rechtspraak namelijk verplicht tot loyale samenwerking, in die zin dat zij over voorstellen van de betrokken Lid-Staat tot wijziging van een besluit uit hoofde van artikel 93, lid 2, van het Verdrag moet onderhandelen, ten einde de moeilijkheden met inachtneming van het gemeenschapsrecht te overwinnen.
21. Hieruit volgt, dat de Commissie op grond van dergelijke moeilijkheden verplicht kan zijn, deze in aanmerking te nemen in het kader van de procedure ter handhaving van het gemeenschapsrecht. Deze moeilijkheden kunnen evenwel niet ertoe leiden, dat de materiële beginselen van deze rechtsorde zelf ter discussie worden gesteld.
22. In dit verband moet ook worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-eerbiediging van verplichtingen die in gemeenschapsnormen besloten liggen, niet op nationale situaties kan beroepen.(14)
23. Het staat dus vast, dat Spanje met de onderhavige nationaliteitsclausule inbreuk op de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag maakt.
24. b) Met betrekking tot het ontbreken van een procedure ter beoordeling van in andere Lid-Staten verworven kwalificaties, wijst de Commissie er terecht op, dat de fundamentele vrijheden van de artikelen 48, 52 en 59(15) onder meer het volgende beginsel omvatten:
"Een Lid-Staat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, (moet) rekening (...) houden met de diploma' s, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere Lid-Staat heeft verworven, door de uit die diploma' s blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en ervaring.
Deze onderzoeksprocedure moet de autoriteiten van het gastland in staat stellen, er zich objectief van te overtuigen dat de houder van het buitenlandse diploma over kennis en bekwaamheden beschikt die zo niet identiek, dan toch ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit het binnenlandse diploma blijken. Bij deze beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlandse diploma mag uitsluitend worden gelet op het niveau van de kennis en bekwaamheden dat de houder ervan mag worden geacht te bezitten, rekening houdend met de aard en de duur van de studie en de praktijkopleiding waarvan het de voltooiing bewijst."(16)
25. Bovendien moet elk besluit in rechte aan het gemeenschapsrecht kunnen worden getoetst en moet de belanghebbende kennis kunnen nemen van de redenen van het jegens hem genomen besluit.(17)
26. Aangaande de aanpassing van het nationale recht aan deze beginselen gaat de Commissie er stilzwijgend van uit, dat zij door de verwerende Lid-Staat via een uitdrukkelijke regeling in de bepalingen betreffende het beroep van toeristengids moeten worden ingevoegd.
27. Met deze opvatting ben ik het eens. De beginselen van rechtszekerheid en rechtsbescherming met betrekking tot de materies die aan het gemeenschapsrecht zijn onderworpen, vereisen namelijk een ondubbelzinnige regeling van de Lid-Staten, die de belanghebbenden op duidelijke en nauwkeurige wijze in kennis stelt van hun rechten en plichten en de nationale rechter in staat stelt, deze te handhaven.(18)
28. Aangezien de verordening van 1964 echter ontegenzeglijk geen bepaling bevat die aan deze beginselen voldoet, heeft de verwerende Lid-Staat zich beroepen op zijn regelingen ter omzetting in nationaal recht van de richtlijnen 75/368 en 89/48.(19) Er moet dus worden onderzocht of door de vaststelling van die bepalingen al het nodige is gedaan.
29. Met betrekking tot richtlijn 75/368 en de voor de omzetting daarvan vastgestelde Spaanse voorschriften, valt in de eerste plaats op, dat zij niet van toepassing zijn op toeristengidsen.(20) Bovendien staan zij niet datgene toe waarom het de Commissie in casu gaat, namelijk dat rekening wordt gehouden met uit een diploma blijkende kwalificaties. Zij bieden particulieren enkel de gelegenheid om de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid ten bewijze van de vereiste kennis en bekwaamheden aan te voeren.(21)
30. De Spaanse voorschriften ter omzetting van richtlijn 75/368 maken de inbreuk op de drie betrokken fundamentele vrijheden dus geheel noch gedeeltelijk ongedaan.
31. Datzelfde geldt voor de voorschriften ter omzetting van richtlijn 89/48. Het is juist, dat Spanje voor die omzetting koninklijk besluit nr. 1665/1991 van 25 oktober 1991(22) heeft vastgesteld. Het is eveneens juist, dat bij koninklijk besluit nr. 767/1992 van 26 juni 1992(23) het beroep van Técnico de Empresas y Actividades Turísticas in de bijlage bij koninklijk besluit nr. 1665/1991 werd ingevoegd.
32. De Commissie heeft evenwel onweersproken gesteld, dat het bij dit beroep om een ander beroep dan toeristengids gaat. Bovendien blijkt uit het betoog van de Spaanse regering, dat hooguit in Catalonië en Castilië en León een mogelijkheid bestaat om met het diploma van Técnico de Empresas y Actividades Turísticas zonder verder examen (als bedoel in artikel 12 van de verordening van 1964) het beroep van toeristengids uit te oefenen.
33. Uit dit alles volgt, dat de Spaanse regeling ook ten aanzien van de procedure ter beoordeling van in andere Lid-Staten verworven kwalificaties niet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldoet.
34. Alvorens dit punt af te sluiten, zou ik nog twee korte opmerkingen over de draagwijdte van deze inbreuk willen maken.
35. In de eerste plaats lijkt het mij, anders dan de Commissie meent, niet juist om naast de bepalingen betreffende de desbetreffende fundamentele vrijheden (artikelen 48, 52 en 59) ook nog artikel 5 van het Verdrag bij de zaak te betrekken. In de zaak Geddo(24) heeft het Hof vastgesteld:
"dat in artikel 5, volgens hetwelk de Lid-Staten alle algemene of bijzondere maatregelen treffen welke geschikt zijn om de nakoming hunner verplichtingen te verzekeren en zich onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen, een algemene verplichting der Lid-Staten is omschreven welker concrete inhoud van geval tot geval van de verdragsbepalingen of van de uit de verdragssystematiek af te leiden regelen afhangt".
36. De verplichting van de Lid-Staten om te voorzien in een procedure ter beoordeling van in andere Lid-Staten verworven kwalificaties, volgt op grond van de aangehaalde rechtspraak(25) rechtstreeks uit de bedoelde fundamentele vrijheden die evenwel in de geest van de algemene regel van artikel 5 zijn uitgelegd.(26) Wordt deze verplichting niet nagekomen, dan is er niet (naast een miskenning van de fundamentele vrijheden) sprake van een zelfstandige schending van artikel 5.
37. In de tweede plaats geldt voor de inbreuk op artikel 48 de beperking die uit de rechtspraak in de zaak Lopes da Veiga volgt.(27)
38. c) Terwijl het bij de tot dusver behandelde aspecten ging om de toestemming voor de uitoefening van het beroep van toeristengids, werpt de grief van de Commissie die steunt op de toeristengidsen-arresten, een vraag op die moet worden beantwoord voordat deze toegangsvoorwaarden worden onderzocht, de vraag namelijk, of de draagwijdte van het vergunningsvereiste als zodanig verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, of preciezer met artikel 59 EEG-Verdrag.
39. Dienaangaande moet er eerst aan worden herinnerd, dat de beroepsmatige uitoefening van "werkzaamheden ter voorlichting van toeristen" als toeristengids (of als gids-tolk) ingevolge de artikelen 4, 7 en 12 van de verordening van 1964 slechts geoorloofd is voor toeristengidsen die een examen hebben afgelegd, hetgeen door de in artikel 21 geregelde beroepskaart wordt bewezen.
40. "Werkzaamheden ter voorlichting van toeristen" zijn volgens artikel 1 van deze verordening werkzaamheden, die bestaan in het duurzaam en tegen betaling verrichten van diensten, betreffende rondleiding en voorlichting van en assistentie aan toeristen, op het gebied van zowel monumenten, kunst of geschiedenis als over verkeersverbindingen en logies, en in het algemeen op alle gebieden die van belang kunnen zijn, met het oog op het verkrijgen van een grondige kennis van de toeristische rijkdommen van het land en een efficiënte benutting van de middelen die ten dienste van reizigers en toeristen staan.
41. Deze definitie omvat alle werkzaamheden die ook aan de orde waren in het arrest Commissie/Griekenland(28), een van de toeristengidsen-arresten.(29)
42. Met betrekking tot de Griekse regeling heeft het Hof vastgesteld, dat de verwerende Lid-Staat
"de krachtens artikel 59 EEG-Verdrag op (hem) rustende verplichtingen niet is nagekomen door de dienstverrichting van toeristengidsen die een groep toeristen uit een andere Lid-Staat vergezellen, afhankelijk te stellen van het bezit van een vergunning afgegeven na een bepaalde, uit een diploma blijkende opleiding, wanneer die dienstverrichting bestaat in het begeleiden van die toeristen op andere plaatsen dan de musea of historische monumenten die alleen onder begeleiding van een gespecialiseerde beroepsgids kunnen worden bezocht".
43. Voor de reeds genoemde Spaanse voorschriften geldt precies hetzelfde.
44. De schending van artikel 59, die overigens niet door de Spaanse regering wordt betwist, staat daarmee vast.
II. Met betrekking tot het niet doen toekomen van de voorschriften van de autonome gemeenschappen
45. De Commissie verwijt de verwerende Lid-Staat schending van artikel 5 van het Verdrag, omdat hij haar de tekst van de voorschriften van de autonome gemeenschappen, ondanks herhaalde aanmaningen, niet heeft doen toekomen.
46. Dienaangaande moet in beginsel worden vastgesteld, dat de Lid-Staten krachtens artikel 5 van het Verdrag verplicht zijn, op verzoek van de Commissie binnen een passende termijn die inlichtingen te verstrekken die zij voor de vervulling van haar taak op het gebied van artikel 169 nodig heeft.(30)
47. In het onderhavige geval heeft de Commissie bij brieven van 8 juli en 11 oktober 1989 (en nogmaals in de precontentieuze procedure) om toezending van de voorschriften van de autonome gemeenschappen op het gebied van de verordening van 1964 verzocht. Het wordt niet betwist, dat deze autonome gemeenschappen op dat gebied over bepaalde bevoegdheden beschikken. De betrokken inlichtingen had de Commissie na het verstrijken van de termijn die zij in haar met redenen omkleed advies had gesteld (december 1991) echter nog niet ontvangen. Zij werden pas met het verweerschrift verstrekt.
48. Bijgevolg is ook de op artikel 5 van het Verdrag berustende grief van de Commissie gegrond.
C - Conclusie
49. Op grond van het voorgaande geef ik in overweging, het beroep van de Commissie in al zijn onderdelen gegrond te verklaren en het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Aangezien voor beide beroepen dezelfde regeling geldt, wordt in het vervolg gemakshalve enkel het begrip toeristengids gebruikt.
(2) - BOE van 26.2.1964.
(3) - Zaken C-154/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-659; C-180/89, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-709; C-198/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-727.
(4) - Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor diverse werkzaamheden (ex klasse 01 tot en met 85 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (PB 1975, L 167, blz. 22).
(5) - Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16).
(6) - Zie punt 2 hiervoor.
(7) - Dit tijdstip is beslissend: zie laatstelijk arrest van 1 december 1993, zaak C-37/93, Commissie/België, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 5.
(8) - Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2; gecorrigeerd in PB 1968, L 295, blz. 12; de latere wijzigingen van deze verordening zijn in de onderhavige zaak niet van belang).
(9) - Vgl. met betrekking tot de wederkerigheidsclausule ten gunste van andere Lid-Staten het arrest van 27 september 1989, zaak 9/88, Lopes da Veiga, Jurispr. 1989, blz. 2989, r.o. 10.
(10) - Zie het in de vorige noot aangehaalde arrest, r.o. 10 en 11, alsmede arrest van 30 mei 1989, zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461; laatstgenoemd arrest betrof artikel 45 van de Toetredingsakte van Griekenland.
(11) - In werkelijkheid komen volgens de aangehaalde rechtspraak vóór het verstrijken van de overgangstermijn in de zin van artikel 56 van de Toetredingsakte ook die migrerende werknemers voor de rechten van artikel 48 EEG-Verdrag in aanmerking die pas na de toetreding regelmatig in Spanje werkzaam waren. Zij kunnen alleen voor hun eerste baan geen beroep op artikel 48 doen.
(12) - Arrest van 15 januari 1986, zaak 52/84, Jurispr. 1986, blz. 89, r.o. 16.
(13) - Arrest van 2 februari 1989, zaak 94/87, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 175.
(14) - Bij voorbeeld arrest van 10 februari 1991, zaak C-374/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-367, r.o. 10.
(15) - De hierna aangehaalde rechtspraak betreft weliswaar enkel de artikelen 48 en 52, maar er bestaat geen twijfel over, dat de tot dusver ontwikkelde beginselen ook op artikel 59 van toepassing zijn.
(16) - Arrest van 7 mei 1991, zaak C-340/89, Vlassopoulou, Jurispr. 1991, blz. I-2357, r.o. 16 en 17; arrest van 7 mei 1992, zaak C-104/91, Aguirre Borrell e.a., blz. I-3003, r.o. 11 en 12.
(17) - R.o. 22 van het arrest Vlassopoulou en r.o. 15 van het arrest Aguirre Borrell; zie laatstelijk het arrest van 31 maart 1993, zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663, r.o. 40.
(18) - Arrest van 26 februari 1991, zaak C-120/88, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-621, r.o. 11.
(19) - Zie punt 8 hiervoor.
(20) - Artikel 2, lid 5, van de richtlijn; artikel 2, sub f, van koninklijk besluit nr. 439/1992 van 30 april 1992 (BOE nr. 111 van 8.5.1992).
(21) - Artikel 7, lid 1, van de richtlijn en van koninklijk besluit nr. 439/1992; zie ook de tweede en derde overweging van de considerans van de richtlijn.
(22) - BOE nr. 80 van 22.11.1991.
(23) - BOE nr. 170 van 16.7.1992.
(24) - Arrest van 12 juli 1973, zaak 2/73, Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865, r.o. 4; voor de verhouding tussen artikel 5 en artikel 76 EEG-Verdrag vergelijk arrest van 19 mei 1992, zaak C-195/90, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1992, blz. I-3141, r.o. 36-38; zie thans ook voor de verhouding tussen artikel 5 en artikel 189, lid 3, arrest van 13 oktober 1993, zaak C-378/92, Commissie/Spanje, Jurispr. 1993, blz. I-5095, r.o. 6.
(25) - Zie voetnoot 16.
(26) - Zie bij voorbeeld arrest Aguirre Borrell (voetnoot 16): enerzijds het dictum en anderzijds r.o. 9.
(27) - Punt 18 hiervoor en voetnoot 9.
(28) - Zie voetnoot 3 hiervoor.
(29) - Zie r.o. 2 van dit arrest.
(30) - Arresten van 22 september 1988, zaak 272/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 4895, r.o. 31 en 32; en 24 juni 1992, zaak C-137/91, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. I-4023, r.o. 3 e.v., in het bijzonder r.o. 6.
Full & Egal Universal Law Academy