Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 Deze zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesfinanzhof. Dit verzoek is gedaan in een geschil tussen Felix Koch Offenbach Couleur und Karamel GmbH (hierna: "Felix Koch") en de Oberfinanzdirektion München. Het geschil heeft betrekking op de indeling in het gemeenschappelijk douanetarief van kokosnootvlees dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van levensmiddelen. De gestelde vraag luidt als volgt:
"Moet het gemeenschappelijk douanetarief (gecombineerde nomenclatuur 1990) aldus worden uitgelegd, dat $kokosnootpoeder' verkregen uit een gepasteuriseerd, gehomogeniseerd en vervolgens door middel van verstuiving gedroogd mengsel van gemalen en geperst kokosnootvlees, waaraan ter verkrijging van de poedervorm vóór het drogen maltodextrine en natriumcaseïnaat zijn toegevoegd, zoals nader beschreven in de verwijzingsbeschikking, als (ander) produkt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, onder postonderverdeling 2106 90 99 moet worden ingedeeld?"
2 De thans geldende versie van de gecombineerde nomenclatuur (GN), die in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) is ingevoerd, is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2505/92 van de Commissie van 14 juli 1992.(1) Wat de thans in geding zijnde tariefposten betreft, blijkt er geen verschil te zijn tussen de huidige versie van het GDT en de in de verwijzingsbeschikking bedoelde versie van 1990.
3 Het in geding zijnde kokosnootpoeder (hierna: "het produkt") wordt verkregen uit een gepasteuriseerd mengsel van gemalen en geperst kokosnootvlees, waaraan voor het drogen 8 % maltodextrine en 5 % natriumcaseïnaat zijn toegevoegd. Het resultaat is een poeder met 6,9 gewichtsprocenten saccharose, dat kan worden gebruikt bij de bereiding van levensmiddelen. De stof waaruit het poeder wordt verkregen, heeft een vezelgehalte van slechts 0,15 %, terwijl het eetbare vruchtvlees van een kokosnoot uit ongeveer 3,3 % ruwe plantaardige vezel bestaat; het produkt zelf bevat nagenoeg geen vezels.
4 Onderverdeling 2106 90 GN ["produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen: (...) - andere: (...) - andere: (...)"] bestaat uit twee verdere onderverdelingen:
"2106 90 91 - bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, melkproteïnen, saccharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige stoffen, minder dan 2,5 gewichtspercenten melkproteïnen, minder dan 5 gewichtspercenten saccharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel
2106 90 99 - andere".
Het is duidelijk dat post 2106 ("produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen") een restcategorie is met een zeer algemeen karakter, die slechts toepasselijk is op produkten die niet kunnen worden ingedeeld onder enige andere post voor produkten voor menselijke consumptie. Er bestaat overeenstemming over, dat er in casu hooguit twee andere tariefindelingen mogelijk zijn: onderverdeling 1106 30 ("poeder van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8") en onderverdeling 2008 19 ["vruchten en andere eetbare plantedelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, (...) elders genoemd noch elders onder begrepen: - noten (...): - andere (...)"]. De volgende posten van hoofdstuk 8 zijn voor de toepassing van onderverdeling 1106 30 van belang:
"0801 kokosnoten, paranoten en cashewnoten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal:
0801 10 - kokosnoten: 0801 10 10 - gedroogd vruchtvlees van kokosnoten 0801 10 90 - andere".
5 Felix Koch stelt, dat het produkt moet worden ingedeeld onder onderverdeling 1106 30 GN, daar het een poeder van een produkt van onderverdeling 0801 10 is, namelijk vruchtvlees van de kokosnoot. Volgens de Commissie kan het daarentegen niet als een produkt van post 0801 in poedervorm worden aangemerkt, daar de oorspronkelijke vrucht een behandeling heeft gekregen die in die post niet is voorzien.
6 Mijns inziens heeft de Commissie het bij het rechte eind. Post 0801 omvat zowel gedroogde als verse noten, inclusief die welke van hun dop of schaal zijn ontdaan, zijn gepeld of een overeenkomstige behandeling hebben ondergaan, maar het is duidelijk dat zij geen produkten omvat die meer ingrijpend zijn bewerkt, afgezien van bepaalde behandelingen die het produkt houdbaar moeten maken of het uiterlijk ervan moeten behouden. Zo bepaalt aantekening 3 bij hoofdstuk 8 GN:
"Gedroogde vruchten bedoeld bij dit hoofdstuk mogen gedeeltelijk zijn gerehydrateerd of zijn behandeld met het oog op:
a) aanvullende verduurzaming of stabilisatie (bij voorbeeld door lichte warmtebehandeling, zwavelen, toevoegen van sorbinezuur of van caliumsorbaat),
b) het verbeteren of het behouden van hun uiterlijk (bij voorbeeld door het toevoegen van plantaardige olie of van kleine hoeveelheden glucosestroop),
voor zover zij het karakter van gedroogde vruchten behouden."
7 Ik herinner eraan, dat het produkt in deze zaak wordt verkregen door kokosnootvlees te persen teneinde het grootste deel van de vezels uit de oorspronkelijke vrucht te verwijderen. Het produkt wordt gepasteuriseerd en vermengd met maltodextrine en natriumcaseïnaat, voordat het ten slotte wordt gedroogd en in poeder wordt omgezet. Ik meen dan ook, dat de oorspronkelijke vrucht, ook voor dat zij is gedroogd en verpulverd, zodanig is bewerkt, dat zij buiten de werkingssfeer van hoofdstuk 8 valt.
8 Die conclusie wordt bevestigd door de GS-toelichtingen(2) die volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur in aanmerking moeten worden genomen.(3) Zo wordt in de derde alinea van de algemene opmerkingen bij hoofdstuk 8 verklaard:
"[Vruchten van dit hoofdstuk] mogen geheel, in schijven of in stukken gesneden, ontpit, tot pulp geplet, geraspt, geschild of ontbolsterd zijn."
Geen van deze termen doelt op een behandeling waarbij het vruchtvlees van de vruchten wordt geperst om een extract te verkrijgen waaruit de meeste plantaardige vezels zijn verwijderd. Evenmin kan een dergelijke behandeling worden geacht overeen te komen met malen, zodat het ermee verkregen poeder onder artikel 11 GN zou kunnen vallen. Zoals duidelijk blijkt uit de algemene opmerkingen bij hoofdstuk 11 GS, omvat dit hoofdstuk:
"1) produkten verkregen door het malen van bij hoofdstuk 10 bedoelde granen en van suikermaïs bedoeld bij hoofdstuk 7 (...);
2) produkten, eveneens verkregen uit granen bedoeld bij hoofdstuk 10, door behandelingen die in de tekst van verschillende posten van dit hoofdstuk zijn aangeduid, zoals mouten en extractie van zetmeel of tarwegluten;
3) produkten verkregen uit onder andere hoofdstukken vallende grondstoffen (gedroogde groenten, aardappelen, fruit, enz.) door ze gelijksoortige bewerkingen te doen ondergaan als onder 1 en 2 hiervoor zijn omschreven".
Er is niet gesteld, dat het onderhavige produkt is verkregen door een bewerking die op enigerlei wijze overeenkomt met mouten of het extracteren van zetmeel of tarwegluten.
9 Ik kom dan ook tot de conclusie, dat onderverdeling 1106 30 in casu niet van toepassing is. Dan zullen wij nu moeten nagaan, of het produkt kan worden ingedeeld onder post 2008, die van toepassing is op
"Vruchten en andere eetbare plantedelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen."
10 De Commissie betoogt, dat post 2008 in wezen om dezelfde reden niet van toepassing is als post 1106. Het produkt kan niet worden beschouwd als een bereiding van "vruchten", omdat het vruchtvlees van de kokosnoot, waaruit het wordt vervaardigd, is geperst om voor de verdere verwerking het grootste gedeelte van de vezels te verwijderen. Volgens de Commissie kan slechts een bereiding die het gehele vruchtvlees van de kokosnoot bevat, als "vruchten (...) op andere wijze bereid of verduurzaamd" onder post 2008 worden ingedeeld, in plaats van als "produkt voor menselijke consumptie" onder restpost 2106.
11 De Commissie betoogt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het onderhavige produkt en de bij verordening (EEG) nr. 316/91(4) van de Commissie onder onderverdeling 2008 19 90 ingedeelde substantie. Deze laatste wordt in die verordening beschreven als volgt:
"Gepasteuriseerde, witte pasteuze massa, $creamed coconut' genoemd, verkregen door het fijnmalen van vruchtvlees van de kokosnoot."
De Commissie merkt op, dat een dergelijke substantie correct als een bereiding van "vruchten" wordt beschreven, daar de gehele vrucht, met uitzondering van de schaal, op de beschreven wijze wordt bereid. In casu daarentegen is het grootste deel van de vezels van de vrucht verwijderd, voordat enige verdere bewerking plaatsvindt. In dit opzicht lijkt derhalve het in geding zijnde produkt op dat ("kokosmelk") wat bij verordening (EEG) nr. 1486/93(5) van de Commissie onlangs is ingedeeld onder post 2106.
12 Mijns inziens heeft de Commissie het bij het rechte eind wanneer zij onderscheid maakt tussen een produkt verkregen door bereiding van het gehele vruchtvlees van de kokosnoot, en een produkt dat pas uit het kokosnootvlees is bereid nadat dit laatste is geperst om er het grootste deel van de vezels uit te verwijderen. Van een bewerking waarbij een wezenlijk bestanddeel van de vrucht, zoals de plantaardige vezels ervan, wordt verwijderd, kan correcterwijze niet worden gezegd dat zij leidt tot een "bereiding" van de vrucht. Bovendien is duidelijk, dat de overblijvende bestanddelen zelf niet als "andere eetbare plantedelen" in de zin van post 2008 (zie punt 9 supra) kunnen worden aangemerkt.
13 Anderzijds lijdt het, zoals de Commissie opmerkt, geen twijfel, dat het produkt kan worden beschouwd als "produkt voor menselijke consumptie" in de zin van post 2106. Blijkens de verwijzingsbeschikking betoogde Felix Koch in het hoofdgeding, dat het produkt geen produkt voor menselijke consumptie, is omdat het wordt gebruikt als ingrediënt bij de vervaardiging van produkten voor menselijke consumptie en niet zelfstandig wordt geconsumeerd. Volgens de GS-toelichtingen heeft post 2106 ("produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen") in het bijzonder betrekking op:
"B) Bereidingen die geheel of gedeeltelijk uit voedingsstoffen bestaan en die gebruikt worden bij de vervaardiging van dranken of produkten voor menselijke consumptie. De post omvat onder meer bereidingen die zijn samengesteld uit mengsels van chemicaliën (organische zuren, calciumzouten, lecithine, enz.) en voedingsstoffen (meel of bloem, suiker, melkpoeder, enz.) en die bestemd zijn om aan preparaten voor menselijke consumptie te worden toegevoegd, hetzij als samenstellend bestanddeel, hetzij om de eigenschappen ervan te verbeteren (voorkomen, houdbaarheid, enz.)."
Het is dus duidelijk, dat een produkt ook een "produkt voor menselijke consumptie" in de zin van post 2106 kan zijn wanneer het uitsluitend wordt gebruikt als ingrediënt bij de vervaardiging van andere produkten voor menselijke consumptie. Zoals wij zagen, valt het thans in geding zijnde produkt niet onder enige andere GN-categorie produkten voor menselijke consumptie, en het moet derhalve worden ingedeeld onder post 2106. Bovendien blijkt uit een door de Commissie ter terechtzitting overgelegd stuk, dat een dergelijke indeling reeds eenstemmig is geaccepteerd door het Comité nomenclatuur.(6) Aangezien het produkt meer dan vijf gewichtspercenten saccharose bevat, moet het onder onderverdeling 2106 90 99 worden ingedeeld.
Conclusie
14 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
"Een stof verkregen uit een gepasteuriseerd, gehomogeniseerd en vervolgens door verstuiving gedroogd mengsel van gemalen en geperst kokosnootvlees, waaraan ter verkrijging van poeder vóór het drogen maltodextrine en natriumcaseïnaat zijn toegevoegd en dat een gering gehalte aan vezels en ten minste 5 % saccharose bevat, moet onder onderverdeling 2106 90 99 van het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld."
(1) - PB 1992, L 267, blz. 1.
(2) - Toelichtingen bij het Geharmoniseerd Systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (Internationale Douaneraad, Brussel).
(3) - Zie arresten van 18 juli 1990, zaak C-265/89, Vismans Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-3411, r.o. 18, en 3 juni 1992, zaak C-318/90, Boehringer Mannheim, Jurispr. 1992, blz. I-3495, r.o. 14.
(4) - Verordening (EEG) nr. 316/91 van de Commissie van 7 februari 1991 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 1991, L 37, blz. 25).
(5) - Verordening (EEG) nr. 1486/93 van de Commissie van 16 juni 1993 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 1993, L 147, blz. 8).
(6) - Zie voor de rol van het Comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, dat bestaat uit douanedeskundigen van de Lid-Staten, arrest van 11 november 1975, zaak 37/75, Bagusat, Jurispr. 1975, blz. 1339, r.o. 5-7, en arrest Vismans Nederland, reeds aangehaald, r.o. 13. Het comité is opgericht bij verordening (EEG) nr. 97/69 van 16 januari 1969 van de Raad betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1969, L 14, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy