CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 4 april 1995 ( *1 )
Inhoud
A — Inleiding
Β — Standpuntbepaling
I. De toepasselijkheid van artikel 30 van het Verdrag
II. Het apothekersmonopolie als maatregel van gelijke werking
III. Rechtvaardiging van de maatregel
1. Dwingende vereisten van consumentenbescherming
2. Bescherming van de gezondheid en het leven van personen
a) Volledige zuigelingenvoeding als geneesmiddel
b) Laag geboortecijfer en zuigelingensterfte
3. Vergelijkbare regeling in andere Lid-Staten
C — Conclusie
A — Inleiding
1.
Met deze niet-nakomingsprocedure wil de Commissie zien vastgesteld, dat de Helleense Republiek haar verplichtingen uit artikel 30 EEG-Verdrag ( 1 ) niet is nagekomen door bij artikel 10 van besluit nr. A2/oik.361 van 29 januari 1988 te bepalen, dat volledige zuigelingenvoeding uitsluitend in apotheken mag worden verkocht. De gelaakte regeling verleent apotheken een monopolie op de verkoop van volledige voeding voor zuigelingen tot de leeftijd van vijf maanden. De enige uitzondering op dit monopolie betreft gemeenten zonder apotheek. ( 2 ) Onder bepaalde voorwaarden ( 3 ) kan volledige zuigelingenvoeding aldaar ook op andere plaatsen worden verkocht.
2.
De niet-nakomingsprocedure vloeit voort uit een klacht die de Griekse vereniging van ondernemingen in de sector kindervoeding in april 1988 bij de Commissie heeft ingediend. Volgens deze klacht zou de invoer zonder het bepaalde in artikel 10 van het besluit gemakkelijker zijn. Na afloop van de precontentieuze procedure heeft de Commissie in november 1992 beroep bij het Hof ingesteld.
3.
De Commissie stelt in haar verzoekschrift, dat de regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is zoals bedoeld in artikel 30, in de zin van de „Dassonville-formule”. ( 4 ) Een gemeenschapsrechtelijke regeling betreffende de distributie van zuigelingenvoeding ontbreekt weliswaar, zodat in beginsel de Lid-Staten bevoegd zijn. Toch mag deze bevoegdheid enkel met inachtneming van het Verdrag worden uitgeoefend. Doordat het verkoopmonopolie de distributie in banen leidt, vormt het overeenkomstig de arresten Delattre ( 5 ) en Monteil ( 6 ) een maatregel van gelijke werking die niet kan worden gerechtvaardigd.
4.
In de visie van de Griekse regering daarentegen is deze regeling geenszins een maatregel van gelijke werking. Het verbruik van zuigelingenvoeding is na invoering van de maatregel constant gebleven in vergelijking bij het voorgaande jaar, wat een beperkende werking van de maatregel tegenspreekt. Verder is de maatregel in elk geval gerechtvaardigd. Hiervoor zoekt de Griekse regering steun in de bescherming van de volksgezondheid. Om te beginnen verwijst zij naar de bijzondere klimaatomstandigheden in Griekenland. Daarnaast kent Griekenland een laag geboortecijfer en een relatief hoge zuigelingensterfte, waardoor drastische maatregelen geboden zijn.
5.
Volledige zuigelingenvoeding heeft de eigenschappen van een geneesmiddel en behoort daarom op doktersvoorschrift te worden afgeleverd. Dit vereist uitsluitende verkoop in apotheken. Daarenboven wil men in het belang van de gezondheid van de zuigelingen borstvoeding aanmoedigen. Het merendeel van de circa 110000 borelingen per jaar wordt geheel of althans gedeeltelijk met de fles gevoed. Deze voedingsmethode houdt echter bijzondere risico's in, met name bij gebruik van produkten die niet optimaal op de behoeften zijn afgestemd of bij onjuiste toebereiding. De etikettering alleen is onvoldoende voor de voorlichting over de samenstelling en de juiste bereiding van de zuigelingenvoeding, vanwege het lage opleidingsniveau — het analfabetisme zelfs — van een groot aantal Griekse vrouwen in de vruchtbare leeftijd. ( 7 ) Daarom moet bij de verkoop deskundig advies worden verstrekt, iets waarvoor alleen apothekers wegens hun specifieke vakkennis garant kunnen staan.
6.
In geval van bederf of een terugroepactie zijn door hun infrastructuur alleen apothekers in staat om snel en efficiënt te reageren. Verder bieden de deontologische, van sancties voorziene verplichtingen van de apothekers een garantie, dat de zuigelingenvoeding met de vereiste zorgvuldigheid wordt bewaard en verkocht.
7.
Bovendien staat Griekenland met zijn regeling niet alleen; ook andere Lid-Staten kennen vergelijkbare systemen voor de verkoop van zuigelingenvoeding.
8.
Omdat de schriftelijke behandeling afgesloten was vóór de uitspraak van het arrest Keek en Mithouard ( 8 ) waarin het Hof zijn rechtspraak inzake maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30 herzag, zijn partijen in de gelegenheid gesteld om over de eventuele consequenties voor onderhavige zaak schriftelijk opmerkingen in te dienen.
9.
De Commissie houdt in dit opzicht vol, dat er sprake is van een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 en heeft dat in haar pleidooi ook met argumenten onderbouwd. Volgens de Griekse regering daarentegen omvat de litigieuze regeling een verkoopmodaliteit in de zin van de arresten Keek en Mithouard ( 9 ) en Hünermund ( 10 ) en valt zij alleen al daarom buiten de werkingssfeer van artikel 30.
Β — Standpuntbepaling
I. De toepasselijkheid van artikel 30 van bet Verdrag
10.
Van wezenlijk belang voor de beslissing in deze zaak is de voorafgaande vraag naar de toepasselijkheid van artikel 30, een vraag die na het arrest Keek en Mithouard in elk geval moet worden onderzocht. Sedert het arrest Dassonville definieert het Hof maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen als volgt:
„Elke maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (...)” ( 11 )
Sedert het arrest „Cassis de Dijon” ( 12 ) is duidelijk, dat zonder onderscheid op binnen- en buitenlandse produkten toepasselijke voorschriften eveneens maatregelen van gelijke werking in de zin van bedoelde bepaling kunnen opleveren.
11.
Zo vallen in beginsel zowel produkt- ( 13 ) als verkoopregelingen ( 14 ) onder de werkingssfeer van artikel 30. Wat de verkoopregelingen betreft, heeft zich sinds de jaren tachtig een ontwikkeling voorgedaan waardoor bepaalde nationale maatregelen — telkens na uitgebreide afweging door het Hof— aan het verbod van artikel 30 zijn ontsnapt. Daartoe heeft het Hof verschillende wegen gevolgd: nu eens aanvaardde het het bestaan van rechtvaardigingsgronden in de zin van artikel 36 ( 15 ), dan weer was het van oordeel, dat de zaak niet eens onder de potentiële werkingssfeer van artikel 30 viel. ( 16 )
12.
Vanaf het arrest Keek en Mithouard ( 17 ) — inmiddels herhaaldelijk bevestigd ( 18 ) — lijkt het Hof te hebben geopteerd voor een restrictieve opstelling ten opzichte van zonder onderscheid toepasselijke verkoopregelingen van Lid-Staten. Het Hof zegt in dat arrest niet, dat het zijn vroegere rechtspraak wil inperken, doch enkel dat het die wenst te „verduidelijken”. Ook tast het niet de formule aan, dat als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen, elke maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. ( 19 ) In de rechtsoverwegingen 16 en 17 van het arrest merkt het Hof evenwel op:
„16.
In afwijking van de eerdere rechtspraak moet echter worden aangenomen, dat als een maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren in de zin van de Dassonville-rechtspraak (...) niet kan worden beschouwd, de toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
17.
Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft immers de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. (...)” ( 20 )
13.
De vernieuwing heeft dus betrekking op bepaalde verkoopmodaliteiten onder de aangegeven voorwaarden. Welke afbakeningscriteria in concrete gevallen van toepassing zijn, komt in het arrest zelf niet duidelijk naar voor. Zowel in de rechtsleer als bij het Hof, bij monde van de advocaten-generaal Van Gerven ( 21 ) en Jacobs ( 22 ), is dan ook publiekelijk over eventuele afbakeningslijnen nagedacht. ( 23 )
14.
De oplossing van dit concreet geval vereist een opmerking vooraf: wij moeten ervan uitgaan, dat artikel 30 meer is dan een louter discriminatieverbod. Anders zouden allerhande nationale regelingen denkbaar zijn die — hoewel zonder onderscheid toepasselijk — de toegang tot de markt voor produkten uit andere Lid-Staten kunnen bemoeilijken. Dit te verbieden was en is nog steeds, in het belang van de instelling en de handhaving van de interne markt, de ratio van artikel 30.
15.
Verhindering of in elk geval bemoeilijking van de toegang tot de markt is evenwel ook denkbaar door de vaststelling van bepaalde verkoopvoorwaarden. ( 24 ) Afhankelijk van de aard en de reikwijdte van de verkoopregeling zijn belemmeringen mogelijk die specifiek de invoer treffen. Deze a priori van de werkingssfeer van artikel 30 uit te sluiten, lijkt mij onjuist en was ook zeker niet de bedoeling van het arrest Keek en Mithouard ( 25 ), naar rechtsoverweging 17 ervan te oordelen.
16.
Beslissend is bijgevolg, wat onder „bepaalde” verkoopmodaliteiten in de zin van het arrest moet worden verstaan of, anders gezegd, welke verkoopvoorwaarden daarbuiten vallen en waarvoor dus het klassieke toetsingsschema voor maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen van toepassing is. Uit de denkbare oplossingen moet volgens mij die worden gekozen, die het best bij de vereisten van het vrije goederenverkeer en bij de huidige rechtspraak aansluit.
17.
Bij de pogingen tot een theoretische plaatsbepaling van het arrest Keek en Mithouard is gesteld, dat in deze rechtspraak een de minimis-regel ( 26 ) wordt geïntroduceerd. Anderen zien er een bewijslastregel in. ( 27 )
18.
Afgezien van het feit dat liet Hof in zijn vroegere rechtspraak een merkbaarheidsvereiste heeft afgewezen ( 28 ) en een bewijslastregel tot dusver geen steun vindt in de rechtspraak ( 29 ), hebben beide oplossingen een concrete analyse van de gelaakte maatregel gemeen, welke analyse het arrest Keek en Mithouard ook verlangt. Beslissend voor de kwalificatie moet zijn, of voor importprodukten de markttoegang wordt belemmerd.
II. Het apothekersmonopolie als maatregel van gelijke werking
19.
Tegen deze achtergrond moet de invoering van het apothekersmonopolie voor de verkoop van volledige zuigelingenvoeding aan een „vooronderzoek” worden onderworpen. Een op een nationale maatregel berustend verkoopmonopolie is weliswaar een verkoopmodaliteit, doch een modaliteit die de verkoop kan sturen en in banen leiden. ( 30 ) Andere distributiewegen worden erdoor uitgesloten, wat de invoer ongetwijfeld negatief kan beïnvloeden. Doordat mogelijk reeds beproefde distributiesystemen ( 31 ) worden verboden, wordt de afzet van een produkt moeilijker en duurder ( 32 ), hetgeen de invoer rechtstreeks zal beïnvloeden. De introductie van nieuwe distributieformules kan daarbij voor buitenlandse producenten moeilijker uitvallen dan voor binnenlandse producenten, die met de omstandigheden op de nationale markt vertrouwd zijn. Een afzetregeling voor een produkt of groep produkten werkt in dit verband doorgaans ingrijpender dan een regeling van de algemene verkoopvoorwaarden. ( 33 )
20.
Of bij een categorie produkten het importvolume voor en na de invoering van een dergelijke maatregel in absolute cijfers varieert, kan voor de kwalificatie van de maatregel niet doorslaggevend zijn, daar het effectieve importvolume ook kan worden beïnvloed door andere factoren die dan weer van de eigenschappen van het produkt anlangen. Bovendien zou ook het uitblijven van een op zich mogelijke stijging van de invoer op een beperking neerkomen.
21.
Naar mijn mening kan invoering van het verkoopmonopolie als zodanig de invoer reeds belemmeren, zodat toepasselijkheid van artikel 30 moet worden aanvaard. De instelling van monopolies op distributieniveau lijkt ook in de visie van het Hof na het arrest Keek en Mithouard een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 te zijn. In de arresten Ligur Carni ( 34 ) en Centre d'insémination de La Crespelle ( 35 ), waarin het om exclusieve rechten van bepaalde organisaties in de afzetfase ging ( 36 ), verwees het Hof naar de artikelen 30 en 36 zonder ook maar de rechtspraak Keek en Mithouard te noemen.
22.
Volgens de rechtspraak van het Hof zowel voor als na het arrest Keek en Mithouard moet een apothekersmonopolie derhalve als maatregel van gelijke werking worden gekwalificeerd.
23.
Overigens zijn er in casu bepaalde omstandigheden die alleen al aanleiding geven tot een dergelijke visie. In Griekenland zelf wordt geen volledige zuigelingenvoeding geproduceerd. Dit argument van de Commissie werd door de Griekse regering bevestigd. Op de Griekse markt zijn veertien concurrerende produkten verkrijgbaar die alle uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap afkomstig zijn. Een reële vergelijking tussen de belemmering van de markttoegang voor nationale en voor importprodukten is dan ook niet mogelijk. Elke bemoeilijking van de afzetmogelijkheden ten gevolge van regelgeving beïnvloedt derhalve specifiek de geïmporteerde goederen.
24.
Volgens het arrest Kecken Mithouard vallen „bijzondere” verkoopvoorwaarden buiten het toepassingsgebied van artikel 30 „mits zij [bepaalde verkoopmodaliteiten] zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten als op die van produkten uit andere Lid-Staten”. Bijgevolg kunnen wij a contrario stellen, dat de in casu gelaakte maatregel, omdat feitelijk alleen de afzet van produkten uit andere Lid-Staten wordt beïnvloed, als maatregel van gelijke werking moet worden gekwalificeerd.
25.
Gelet op het bovenstaande lijdt het naar mijn mening geen twijfel, dat de monopolieregeling als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag moet worden aangemerkt.
III. Rechtvaardiging van de maatregel
26.
De Griekse regering voert een reeks argumenten ter rechtvaardiging van de maatregel aan die volgens het klassieke schema moeten worden getoetst.
27.
Om te beginnen zij opgemerkt, dat wat volledige zuigelingenvoeding betreft op gemeenschapsniveau enkel de samenstelling, etikettering en presentatie is geregeld, en wel bij richtlijn 91/321/EEG. ( 37 ) ( 38 ) Met betrekking tot de distributiekanalen bestaat geen gemeenschapsregeling, zodat de Lid-Staten op dit gebied nog steeds regelgevend kunnen optreden en zich in voorkomend geval op artikel 36 van het Verdrag kunnen beroepen.
1. Dwingende vereisten van consumentenbescherming
28.
Ter rechtvaardiging van de verkoopregeling steunt de Griekse regering op de consumentenbescherming, een van de erkende dwingende vereisten. ( 39 ) De etikettering alleen is haars inziens als informatiebron ontoereikend, zowel wat de samenstelling van het produkt als de bereiding voor eindverbruik ervan betreft.
29.
De samenstelling van de produkten is op gemeenschapsniveau dwingend geregeld bij richtlijn 91/321. De omvang en de wijze van vermelding van de ingrediënten in het kader van de voorgeschreven etikettering vloeien voort uit richtlijn 91/321 in combinatie met richtlijn 79/112/EEG. ( 40 ) De verplichte etikettering verstrekt dus inlichtingen over de samenstelling van het produkt.
30.
De Griekse regering betoogt evenwel, dat gezien het lage opleidingsniveau van een groot deel van de vrouwen in de vruchtbare leeftijd de etikettering alleen niet volstaat. Zij is kennelijk van mening, dat een aanzienlijk deel van de betrokken vrouwen de tekst op de verpakking niet kan lezen. Na het debat tussen haar en de Commissie over de verbreiding van het analfabetisme mogen wij echter aannemen, dat slechts een klein deel — circa 2 % — van de potentieel betrokken vrouwen analfabeet is. De vraag is bijgevolg, of deze omstandigheid een zodanig risico betekent, dat een bijzondere afzetregeling noodzakelijk en gerechtvaardigd is.
31.
Er mag van uitgegaan worden, dat het produkt als zodanig niet gevaarlijk is, omdat volledige zuigelingenvoeding in de Gemeenschap enkel mag worden verkocht wanneer zij aan de vereisten van richtlijn 91/321 voldoet. ( 41 ) Het kunnen aflezen en verifiëren van de stoffen waaruit het produkt is samengesteld, is voor een veilige toediening dan ook niet absoluut noodzakelijk. Bovendien kunnen potentiële kopers zich te allen tijde door een vertrouwenspersoon uit hun familie- of bekendenkring of door een arts of apotheker laten adviseren.
32.
Voor de bereiding van de zuigelingenvoeding voor eindverbruik ligt dit in beginsel niet anders. Richtlijn 91/321 zegt in artikel 4, lid 3: „Volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding zijn onmiddellijk of eventueel na toevoeging van water gebruiksklaar.” Hooguit moet dus worden gelet op de dosering en op het feit, dat het water gekookt moet zijn. Deze informatie kan aan de hand van symbolen en tekeningen worden verstrekt. Volgens artikel 7, lid 5, zin 2, van de richtlijn „(mag) het [etiket van zuigelingenvoeding] echter wel grafische afbeeldingen bevatten om (...) de bereidingswijzen te illustreren”; dat is in de praktijk ook het geval.
33.
Zelfs als met een gering aantal analfabete vrouwen moet worden gerekend, dan nog bestaat er volgens mij geen bijzonder risico wanneer zij flesvoeding gebruiken die in de vrije verkoop is.
34.
Bovendien lijkt het mij irreëel te geloven, dat juist een moeder haar kind lichtvaardig iets zou geven dat een gevaar zou opleveren, want normaal gesproken is het in de eerste plaats de moeder die zich om het welzijn van haar kind beijvert.
35.
In het gemeenschapsrecht wordt met het belang van de consumentenbescherming in ruime mate rekening gehouden door etiketteringsvoorschriften. Zowel de gemeenschapswetgever als het Hof van Justitie zien daarin een toereikende bescherming. Ik zie geen redenen om in casu van deze regel af te wijken.
36.
De consumentenbescherming als dwingend vereiste rechtvaardigt de restrictieve verkoopregeling bijgevolg niet.
2. Bescherming van de gezondheid en het leven van personen
37.
De Griekse regering voert een reeks argumenten aan die alle onder de noemer gezondheidsbescherming kunnen worden gebracht. De „bescherming van de gezondheid” is een van de rechtvaardigingsgronden van artikel 36 die de Lid-Staten op niet door het gemeenschapsrecht geregelde gebieden te allen tijde kunnen inroepen. Derhalve moeten de argumenten van de Griekse regering niet in het licht van de door het Hof ontwikkelde dwingende vereisten worden bezien, doch als een van de in artikel 36 genoemde gronden van algemeen belang die ook dan kunnen gelden, wanneer een maatregel alleen maar de invoer beperkt. ( 42 )
a) Volledige zuigelingenvoeding als geneesmiddel
38.
De Griekse regering betoogt, dat volledige zuigelingenvoeding de eigenschappen heeft van een geneesmiddel en daarom is gebonden aan een recept van een arts, en alleen door apotheken mag worden verstrekt.
39.
Aangaande het receptvereiste heeft de Commissie met klem bestreden, dat dit uit de Griekse wetgeving voortvloeit. Op een uitdrukkelijke vraag tijdens de mondelinge behandeling antwoordde de vertegenwoordiger van de Griekse regering, dat aangezien deze produkten onder een apothekersmonopolie vallen automatisch een receptvereiste geldt. Dit antwoordt overtuigt mij niet. Hoewel in deze zaak uiteindelijk niet over het beweerde receptvereiste moet worden beslist, is deze omstandigheid toch van belang voor de status die de Griekse regering aan de produkten toekent.
40.
In dit verband heeft de Griekse regering ook aangevoerd, dat de volledige zuigelingenvoeding onder de toelatingsprocedure voor geneesmiddelen valt. Dit werd bevestigd door de Commissie die het toelatingsvereiste uit artikel 3 van het litigieuze besluit afleidt. Naar mijn mening zou hierin een verboden maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 kunnen worden gezien, omdat het een belemmering van de markttoegang voor een produkt betekent, terwijl de aard en de presentatie van de zuigelingenvoeding als voorwaarden voor de markttoegang uitputtend geregeld zijn bij richtlijn 91/321. De toelatingsprocedure kan evenwel in het midden blijven, daar zij in deze procedure niet aan de orde is.
41.
Nadere bespreking behoeft daarentegen wel liet argument van de Griekse regering, dat volledige zuigelingenvoeding de eigenschappen van een geneesmiddel heeft. Indien het produkt als geneesmiddel kan worden gekwalificeerd, dan zou de beslissing van de wetgever om de verkoop ervan aan apotheken voor te behouden, — behoudens tegenbewijs — in beginsel gerechtvaardigd zijn. ( 43 )
42.
Het begrip geneesmiddel is op gemeenschapsniveau gedefinieerd in richtlijn 65/65/EEG. ( 44 ) Artikel 1 luidt:
„Voor de toepassing van de onderhavige richtlijn moet worden verstaan onder:
(...)
2. Geneesmiddel
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij mens of dier;
elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan mens of dier toegediend kan worden ten einde een medische diagnose te stellen of om organische functies bij mens of dier te herstellen, te verbeteren of te wijzigen. ” ( 45 )
Het Hof is verschillende malen verzocht om uitlegging van deze definitie. ( 46 ) Daarbij ging het herhaaldelijk om de afbakening tussen geneesmiddelen en kosmetica in verband met de moeilijkere markttoegangsvoorwaarden voor geneesmiddelen. Het Hof besliste dat een produkt, zelfs indien de eigenschappen ervan onder de gemeenschapsrechtelijke definitie van cosmetisch produkt vallen, niettemin als geneesmiddel kan worden aangemerkt. ( 47 ) Dit ligt in de lijn van wat het Hof over de grens tussen geneesmiddelen en levensmiddelen heeft beslist. ( 48 ) De rechtspraak geeft de Lid-Staten een vrij ruime beoordelingsbevoegdheid om produkten als geneesmiddel te kwalificeren.
43.
Desalniettemin is er in dit geval gemeenschapsrechtelijke regelgeving die naar mijn mening eraan in de weg staat, dat Griekenland de volledige zuigelingenvoeding als geneesmiddel kwalificeert. De reeds aangehaalde richtlijn 91/321 over volledige en opvolgzuigelingenvoeding is gebaseerd op richtlijn 89/398/EEG ( 49 ), die de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen betreft.
Artikel 1 luidt:
„1.
Deze richtlijn heeft betrekking op voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen.
2.
a)
Voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen zijn levensmiddelen die zich door hun bijzondere samenstelling of bereidingswijze duidelijk van gewone levensmiddelen onderscheiden, die voor het aangegeven voedingsdoel geschikt zijn en zodanig in de handel worden gebracht dat de geschiktheid voor dat doel wordt aangeduid.
b)
Een bijzondere voeding behoort te voldoen aan de bijzondere voedingsbehoeften:
i)
(...)
ii)
(...)
iii)
van zuigelingen, peuters of kleuters, in goede gezondheid.” ( 50 )
Bijlage 1 bij de richtlijn, „Voor bijzondere voeding bestemde groepen levensmiddelen waarvoor bij bijzondere richtlijnen bijzondere bepalingen worden vastgesteld”, vermeldt onder 1) „zuigelingenvoeding”.
44.
De eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/321 zegt dat „(...) de essentiële samenstelling van de desbetreffende produkten aan de voedingsbehoeften van ingoede gezondheid verkerende zuigelingen moet voldoen, zoals deze behoeften op grond van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens zijn vastgesteld”. ( 51 )
Artikel 1, eerste zin, luidt:
„Deze richtlijn is een bijzondere richtlijn in de zin van artikel 4 van richtlijn 89/398/EEG, en stelt eisen inzake samenstelling en etikettering vast voor volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die bestemd zijn om door gezonde zuigelingen in de Gemeenschap te worden gebruikt.” ( 52 )
Deze bindende gemeenschapsrechtelijke kwalificatie laat volgens mij de Lid-Staten geen ruimte om de genoemde levensmiddelen aan de bijzondere regeling voor geneesmiddelen te onderwerpen. Daarenboven gaat ook de Griekse wetgever in artikel 1 van het litigieuze besluit ervan uit, dat een regeling voor de verkoop van voedingsmiddelen voor gezonde zuigelingen wordt vastgesteld.
45.
Doordat uitdrukkelijk op gezonde zuigelingen wordt gedoeld, is bovendien niet voldaan aan de vereisten van de definitie van geneesmiddel in de zin van richtlijn 65/65. Eigenschappen die verder gaan dan de profylactische werking van elke andere gezonde voeding heeft een produkt niet reeds omdat het als geneesmiddel wordt aangediend. ( 53 ) Herstellen, verbeteren of wijzigen van de organische functies bij de mens vooronderstelt een negatieve afwijking van de norm, wat voor een gezonde zuigeling niet kan worden aangenomen. ( 54 )
46.
Ook al kan volledige zuigelingenvoeding niet als geneesmiddel worden gekwalificeerd, moet toch nog worden bezien, of de bestreden regeling noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid en of dit doel niet kan worden bereikt met middelen die de intracommunautaire handel minder beperken. ( 55 )
b) Laag geboortecijfer en zuigelingensterfte
47.
De Griekse regering voert aan, dat het lage geboortecijfer en de relatief hoge zuigelingensterfte drastische maatregelen vereisen. Wat het lage geboortecijfer betreft, zie ik niet in hoe de verkoopregeling hierop enigerlei invloed zou kunnen hebben. Dit lijkt mij dermate vanzelfsprekend, dat ik hierop niet verder hoef in te gaan.
48.
Anders is het gesteld met de zuigelingensterfte. De Commissie heeft weliswaar getracht de premisse van de Griekse regering — dat Griekenland vergeleken bij de andere Lid-Staten een hoge zuigelingensterfte kent— te weerleggen met desbetreffende statistieken van andere Lid-Staten. Mijns inziens gaat het er hier echter niet om, of Griekenland bij de zuigelingensterfte ten opzichte van andere Lid-Staten de eerste, de tweede of de derde plaats inneemt. De bestrijding van de zuigelingensterfte als zodanig is een doelstelling van algemeen belang die passende maatregelen rechtvaardigt. De vraag is alleen, hoe het apothekersmonopolie de zuigelingensterfte kan beïnvloeden. Dat de volledige zuigelingenvoeding naar haar aard gevaarlijk zou zijn voor de zuigelingen, heeft de Griekse regering niet beweerd. Een dergelijke stelling zou gelet op de uniforme gemeenschappelijke regeling inzake de aard en de presentatie van flesvoeding ook nietkunnen slagen. In geval van mogelijke gevolgen van voor bijzondere voeding bestemde middelen voor de volksgezondheid diende ingevolge artikel 4 van richtlijn 89/398 vóór de vaststelling van de richtlijn betreffende volledige en opvolgzuigelingenvoeding het wetenschappelijk comité voor de menselijke voeding te worden geraadpleegd. ( 56 )
49.
De Griekse regering heeft ter zake van de zuigelingensterfte ook aangevoerd borstvoeding te willen aanmoedigen. Bevordering en bescherming van borstvoeding is een door de Gemeenschap erkend doel, zoals in richtlijn 91/321 wordt gezegd. Zowel in de considerans als in de bepalingen van de richtlijn wordt op meerdere plaatsen aan dit doel gerefereerd. Dit streven berust hierop, dat volgens de huidige stand van de medische wetenschap borstvoeding in sommige opzichten beter is voor de gezondheid van zuigelingen dan flesvoeding, en ook door de Wereldgezondheidsorganisatie wordt gepropageerd. Zo hebben pasgeborenen nog geen eigen afweersysteem en halen ze hun afweerstoffen uit de moedermelk; dit verklaart waarom zuigelingen die borstvoeding krijgen, statistisch gezien minder vatbaar zijn voor ziekten. Minder meetbaar daarentegen zijn de beweerde voordelen van borstvoeding voor de fysieke en psychische ontwikkeling van het kind. Het streven om in het belang van de gezondheid van de zuigelingen borstvoeding te bevorderen, lijkt derhalve op het vlak van de volksgezondheid te liggen.
50.
Aangenomen dat borstvoeding de gezondheid van de kinderen ten goede komt, moet nog worden uitgemaakt, of de litigieuze maatregel kan bijdragen tot de verwezenlijking van dat doel. De stimulerende werking ervan kan hooguit indirect zijn, aangezien de aankoop van flesvoeding wordt bemoeilijkt. De vertegenwoordiger van de Griekse regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat de bevordering van borstvoeding niet het hoofddoel maar een gelegen komend neveneffect van de maatregel was. Daarom moet volgens mij absoluut worden nagegaan, welke factoren de beslissing van een vrouw om al of niet tot borstvoeding over te gaan kunnen beïnvloeden. Op de eerste plaats komen zeker de fysieke mogelijkheden van een vrouw en moeder, en die kunnen niet via wetgeving worden beïnvloed. Dit geldt zowel voor het voorhanden zijn als voor de hoeveelheid moedermelk.
51.
Andere factoren zijn van sociale aard, zoals de lasten van de vrouw en moeder in haar maatschappelijke omgeving door gezins- en beroepsverplichtingen. Deze leggen naar mijn mening veel gewicht in de schaal bij de beslissing van de vrouw voor borstvoeding of voorlopige voortzetting daarvan. In dit verband moet de opmerking van de Griekse regering worden gezien, dat een aan sociaal-economische factoren te wijten achteruitgang van borstvoeding te betreuren valt. Voor een werkende vrouw die over tijd noch ruimte beschikt om met haar kind samen te zijn, is het objectief zo goed als uitgesloten dat zij, zelfs als zij positief staat tegenover borstvoeding, haar kind vier tot vijf maanden — zoals medisch wordt aangeraden— volledig voedt. In deze omstandigheden vereist het belang van de volksgezondheid, dat over het gehele grondgebied vervangingsmiddelen verkrijgbaar zijn. Zo lijkt ook de Griekse regering te hebben gedacht toen zij als uitzondering op het apothekersmonopolie bepaalde, dat in gemeenten zonder apotheek volledige zuigelingenvoeding ook verkocht mag worden in winkels die daarvoor een speciale afdeling hebben ingericht en aan bepaalde sanitaire voorschriften voldoen.
52.
Het is bijgevolg de vraag, of de beperking van de verkoop van volledige zuigelingenvoeding tot apotheken een geschikt middel is om het gewenste neveneffect — bevordering van borstvoeding — te bereiken. Dat is meer dan twijfelachtig. Ter terechtzitting heeft de Griekse regering uiteengezet, dat borstvoeding in Griekenland de laatste jaren achteruitgaat. Dat is in grote mate te wijten aan de heersende sociale en economische omstandigheden. Want in Griekenland gaan steeds meer vrouwen werken waardoor zij over minder tijd beschikken om zich vooral tijdens de eerste levensmaanden met hun kinderen bezig te houden.
53.
Om in deze context borstvoeding positief te beïnvloeden, moeten de randvoorwaarden worden gecreëerd die ook werkende vrouwen de vrijheid geven om voor borstvoeding te opteren.
54.
Het is niet de taak van het Hof, maatschappelijk geschikte maatregelen voor te stellen om moeders eventueel tot borstvoeding te bewegen; het scheppen van de daarvoor nodige randvoorwaarden is een zaak van de politiek. De verkoop van volledige zuigelingenvoeding aan apotheken voorbehouden is mijns inziens in beginsel geen geschikt middel om de beslissing van de moeders positief te beïnvloeden: een moeder die — om welke reden ook — geen borstvoeding kan geven, zal voor haar kind de vitale voedingsmiddelen weten te vinden, hoe moeilijk haar dat ook wordt gemaakt. Vanuit het oogpunt van de koper kan het apothekersmonopolie dan ook alleen maar de verkrijgbaarheid bemoeilijken en de produkten duurder maken. ( 57 ) Borstvoeding en flesvoeding zijn weliswaar alternatieve voedingsmethoden voor zuigelingen, doch zij zijn niet onderling substitueerbaar in die zin, dat de beperkte verkrijgbaarheid van flesvoeding een grotere verbreiding van de natuurlijke voedingsmethode tot gevolg zou hebben. De keuze voor borstvoeding wordt principieel door andere elementen bepaald, onder meer door de reeds genoemde sociaal-economische factoren.
55.
Dat het apothekersmonopolie borstvoeding niet bevordert, blijkt ook uit de mededeling van de Griekse regering, dat het verbruik van volledige zuigelingenvoeding ook na de invoering van het apothekersmonopolie in 1988 constant is gebleven. Wanneer het monopolie echter geen positieve invloed heeft op de keuze van de moeders voor borstvoeding, dan kan evenmin de zuigelingensterfte erdoor worden verlaagd en is de beperking van het vrije goederenverkeer niet gerechtvaardigd.
56.
In haar betoog dat de maatregel de volksgezondheid dient, wijst de Griekse regering op de mogelijkheid van bederf van de goederen en op het gevaar daarvan voor de gezondheid van de zuigelingen. Het risico van bederf van levensmiddelen is er echter altijd. Om dit gevaar zo veel mogelijk te beperken, bestaat de gemeenschapsrechtelijke verplichting om op de goederen een minimumhoudbaarheidsdatum aan te brengen. ( 58 ) De verificatie van de vervaldatum vergt geen specifieke kennis die alleen van een apotheker kan worden verwacht. Een minimum aan oplettendheid ten aanzien van de vervaldatum kan zonder twijfel van elke detailhandelszaak of supermarkt worden verlangd. En deze oplettendheid kan ook worden verwacht van de moeders die tenslotte voor hun zuigelingen voeding kopen. De verificatie van de houdbaarheidsdatum is mijns inziens toereikend om het verbruik van bedorven voeding tegen te gaan, en is bovendien binnen de grenzen van het menselijk mogelijke gegarandeerd.
57.
Daarenboven zal men mogen aannemen, dat zuigelingenvoeding uiterst zorgvuldig bereid en verpakt wordt, iets wat ook in richtlijn 91/321 aan bod komt. Het betoog van de Griekse regering lijkt deels te steunen op de verkeerde veronderstelling, dat de apotheker de inhoud van elke verpakking zuigelingenvoeding die hij verkoopt, kan controleren. Doorgaans gaat het om poeder dat verzegeld en verpakt te koop wordt aangeboden. De apotheker zou de verpakking moeten openen om analyses van welke aard ook uit te voeren. Derhalve ben ik van mening, dat het apothekersmonopolie geen betere garantie tegen de verkoop van bedorven goederen biedt dan de vrije verkoop in de detailhandel.
58.
Ten slotte voert de Griekse regering aan, dat in geval van een terugroepactie enkel apothekers snel en veilig zouden kunnen reageren. Zij alleen beschikken over een infrastructuur die een snelle, betrouwbare en wijdverspreide reactie kan garanderen.
59.
Aangenomen mag worden, dat het enkel in uitzonderlijke gevallen nodig is om produkten uit de markt te nemen. Zo kon de Griekse regering geen voorbeeld uit de Griekse praktijk noemen en heeft zij hiervoor naar de Belgische en de Luxemburgse markt ( 59 ) moeten verwijzen. Naar mijn mening is het in deze uiterst zeldzame gevallen mogelijk, met de moderne telecommunicatiemiddelen een terugroepactie betrouwbaar uit te voeren, ook wanneer de volledige zuigelingenvoeding buiten apotheken mag worden verkocht. De afzetwegen kunnen worden nagetrokken en de vereiste informatie kan worden doorgegeven. En al zou dit type actie duurder zijn dan de weg via de apotheken, dan nog zou dit vergeleken bij een verkoopmonopolie voor apothekers het minst ingrijpende middel zijn.
3. Vergelijkbare regeling in andere Lid-Staten
60.
Tot slot voert de Griekse regering aan, dat in andere Lid-Staten regelingen bestaan die vergelijkbaar zijn met het Griekse apothekersmonopolie voor volledige zuigelingenvoeding. De Commissie spreekt dit tegen en bevestigt dat alleen Spanje een wettelijk vastgelegde verkoopregeling kent. Afspraken tussen producenten en verkopers op vrijwillige basis zijn niet met de Griekse regeling vergelijkbaar.
61.
De rechtsopvatting in andere Lid-Staten is op zich aanleiding om het betoog andermaal op zijn gegrondheid te toetsen. Nu zijn echter voor de blijkbaar in Spanje bestaande wettelijke regeling geen gronden genoemd die inhoudelijk verder reiken dan de reeds onderzochte rechtvaardigingsgronden. En voor zover in andere Lid-Staten distributieregelingen bestaan die op initiatief van en in het kader van afspraken tussen de betrokken marktdeelnemers tot stand zijn gekomen, staan die los van artikel 30 EG-Verdrag. De verwijzing van de Griekse regering naar de praktijk in andere Lid-Staten levert dus geen aanvullende elementen op die haar handelwijze zouden kunnen rechtvaardigen. Ik ben dan ook van mening, dat het apothekersmonopolie voor volledige zuigelingenvoeding in strijd is met artikel 30 van het Verdrag.
Kosten
Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.
C — Conclusie
62.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, als volgt te beslissen:
1)
De Helleense Republiek is de krachtens artikel 30 EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door bij artikel 10 van besluit nr. A2/oik.361 van 29 januari 1988 te bepalen, dat volledige zuigelingenvoeding uitsluitend in apotheken mag worden verkocht.
2)
De Helleense Republiek wordt in de kosten verwezen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) Sedert 1 november 1993 EG-Verdrag, conform het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (PB 1992, C 224, van 31 augustus 1992).
( 2 ) Volgens de Griekse regering gaat het hier om slechts enkele gemeenten in de bergen en op dun bevolkte eilanden, waar geneesmiddelen normaal door artsen of overheidsofficina's worden verkocht.
( 3 ) In de winkel moet een speciaal rek worden opgesteld dat aan de sanitaire voorschriften voldoet.
( 4 ) Arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837, r. o. 5).
( 5 ) Arrest van 21 maart 1991 (zaak C-369/88, Delattre, Jurispr. 1991, blz. I-1487, r. o. 51).
( 6 ) Arrest van 21 maart 1991 (zaak C-60/89, Monteil en Samanni, Jurispr. 1991, blz. I-1547, r. o. 38).
( 7 ) Het verweerschrift spreekt van 55 %. In antwoord op het argument van de Commissie, dat het analfabetisme hooguit 2,4 % bedraagt, heeft de Griekse regering erkend, dat dit cijfer bij 1,9 % ligt, doch dat 49 % in het gunstigste geval de basisschool heeft doorlopen.
( 8 ) Arrest van 24 november 1993 (gevoegde zaken C-267/9I en C-268/91, Keck en Mithouard, Jurispr. 1993, blz. I-6097).
( 9 ) Gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, reeds aangehaald.
( 10 ) Arrest van 15 december 1993 (zaak C-292/92, Hünermund, Jurispr. 1993, blz. I-6787).
( 11 ) Zie zaak 8/74, reeds aangehaald, r. o, 5.
( 12 ) Arrest van 20 februari 1979 (zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649).
( 13 ) Zie arresten van 20 februari 1979 (zaak 120/78, reeds aangehaald); 12 maart 1987 (zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1987, blz. 1227); 23 februari 1988 (zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Juripsr. 1988, blz. 793); 14 juli 1988 (zaak 90/86, Zoni, Jurispr. 1988, blz. 4285), en 11 mei 1989 (zaak 76/86, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 1021).
( 14 ) Arresten van 31 maart 1982 (zaak 75/81, Blesgen, Jurispr. 1982, blz. 1211); 15 december 1982 (zaak 286/81, Oosthoek's Uitgeversmaatschappij, Jurispr. 1982, blz. 4575); 7 maart 1990 (zaak C-362/88, GBINNOBM, Jurispr. 1990, blz. I-667); 21 maart 1991 (zaak C-369/88, reeds aangehaald); 21 maart 1991 (zaak C-60/89, reeds aangehaald); 30 april 1991 (zaak C-239/90, Boscher, jurispr. 1991, blz. I-2023); 25 juli 1991 (gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90, Aragonesa de Publicidad Exterior Publivía, Jurispr. 1991, blz. I-4151); 25 mei 1993 (zaak C-271/92, LPO, Jurispr. 1993,I-2899), en 2 februari 1994 (zaak C-315/92, Clinique Laboratoires, Jurispr. 1994, blz. I-317).
( 15 ) Zie gevoegde zaken C- 1/90 en C-176/90 alsmede zaak C-271/92, reeds aangehaald.
( 16 ) Zie zaak 75/81, reeds aangehaald alsmede zaak 268/81, reeds aangehaald; arrest in zaak C-23/89 (Quietlynn en Richards, Jurispr. 1990, blz. I-3059), arresten van 7 mei 1991 (zaak C-350/89, Sheptonhurst, Jurispr. 1991, blz. I-2387); 23 november 1989 (zaak C- 145/88, Torfacn Borough Council, Jurispr. 1989, blz. 3851); 28 februari 1991 (zaak C-332/89, Marchandise e. a., Jurispr. 1991, blz. I-1027), en 16 december 1992 (zaak C-169/91, Council of the City of Stoke-on-Trcnt, Jurispr. 1992, blz. I-6635).
( 17 ) Gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, reeds aangehaald.
( 18 ) Arresten van 15 december 1993 (zaak C-292/92, reeds aangehaald); 2 juni 1994 (zaak C-401/92, Tankstation 't Heukske en Boermans, Jurispr. 1994, blz. I-2199); 2 juni 1994 (zaak C-69/93, Punto Casa en PW, Jurispr. 1994, blz. I-2355), en 9 februari 1995 (zaak C-412/93, Leedere-Siplec, Jurispr. 1995, blz. I-179).
( 19 ) Zie r. o. 11 en 16 van het arrest.
( 20 ) Cursivering van mij.
( 21 ) Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 16 maart 1994 in de gevoegde zaken C-401/92 en C-402/92 (reeds aangehaald, blz. I-2201)
( 22 ) Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 24 november 1994 in zaak C-412/93, reeds aangehaald.
( 23 ) Nadat het terrein was voorbereid door de conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 27 oktober 1993 in zaak C-292/92 (reeds aangehaald).
( 24 ) Zie zaak C-369/88, reeds aangehaald, en zaak C-60/89, reeds aangehaald, alsmede zaak C-315/92, reeds aangehaald.
( 25 ) Gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, reeds aangehaald.
( 26 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs in zaak C-412/93 (reeds aangehaald, punt 45).
( 27 ) Zíe conclusie van advocaat-generaal Van Gcrvcn in de gevoegde zaken C-401/92 en C-402/92 (reeds aangehaald, noot 53).
( 28 ) Arresten van 13 maart 1984 (zaak 16/83, Prantl, Jurispr. 1984, blz. 1299, r. o. 20), en 18 mei 1993 (zaak C-126/91, Yves Rocher, Jurispr. 1993, blz. I-2361, r. o. 21).
( 29 ) Gezien de ruime definitie van het begrip maatregelen van gelijke werking behoefde het belemmerende effect van een maatregel geen bewijs; omgekeerd had een Lid-Staat geen baat bij het —al dan niet met bewijzen ondersteunde — argument, dat de litigieuze maatregel in werkelijkheid geen invoerbcperkcndc werking had.
( 30 ) Zie in deze zin het arrest in zaak C-369/88, reeds aangehaald, en het arrest in zaak C-60/89, reeds aangehaald.
( 31 ) De litigieuze maatregel werd eerst in 1988 ingevoerd.
( 32 ) Volgens de overeenstemmende verklaringen van partijen beloopt de winstmarge vau de apotheken tot 15 %, terwijl volgens de verklaring van de Commissie tijdens de terechtzitting die van grootwinkelbedrijven tot 7 % bedraagt.
( 33 ) Zoals bü voorbeeld in de gevallen van verbod van verkoop op zondag en zondagsarbeid in de arresten van 23 november 1989, zaak C-145/88, reeds aangehaald; 28 februari 1991, zaak C-332/89, reeds aangehaald; 16 december 1992, zaak C- 169/91; 16 december 1992 (zaak C-306/88, Anders, Jurispr. 1992, blz. I-6457); 28 februari 1991 (zaak 312/89, Conforama e. a., Jurispr. 1991, blz. I-997), en 16 december 1992 (zaak C-304/90, Payless DIY e. a., Jurispr. 1992, blz. I-6493).
( 34 ) Arrest van 15 december 1993 (gevoegde zaken C-277/91, C-318/91, C-319/91, Ligur Carni, Jurispr. 1993, blz. I-6621).
( 35 ) Arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-323/93, „La Crespelle”, Jurispr. 1994, blz. I-5077).
( 36 ) In de zaak Ligur Carni ging het om nationale bepalingen volgens welke goederen (vers vlees) bij de doorvoer en de aankomst op de plaats van bestemming systematisch aan veterinaire onderzoeken en sanitaire controles —waarvoor een vergoeding moest worden betaald — werden onderworpen. In de zaak La Crespelle ging het om de exclusieve rechten van inseminatiestations binnen een bepaald rayon.
( 37 ) Richtlijn 91/321/EEG van de Commissie van 14 mei 1991 inzake volledige zuigelingenvocding en opvolgvocding (PB 1991, L175, blz.35).
( 38 ) Artikel 1 van de richtlijn verwijst naar de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk, waarvan de doelstellingen en beginselen aangaande verkoop, voorlichting en bevoegdheden van de gezondheidsdiensten door de Lid-Staten moeten worden verwezenlijkt.
( 39 ) Zie zaak 120/78 (reeds aangehaald, r. o. 8).
( 40 ) Richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 tot onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1), gewijzigd bij richtlijn 89/395/EEG van de Raad van 14 juni 1989 (PB 1989, L 186, blz. 17).
( 41 ) Artikel 2, tweede zin, van de richtlijn luidt: „Geen ander produkt dan volledige zuigelingenvoeding mag op de markt worden gebracht, of worden voorgesteld als geschikt om gedurende de eerste vier tot zes levensmaanden volledig aan de voedingsbehoeften van normale gezonde zuigelingen te voldoen,”
( 42 ) Zie de gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90 (reeds aangehaald, r. o. 13).
( 43 ) Zie zaak C-369/88 (reeds aangehaald, r. o. 56) en zaak C-60/89 (reeds aangehaald, r. o. 43). Zie ook richtlijn 85/432/EEG van de Raad van 16 september 1985 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde werkzaamheden op farmaceutisch gebied (PB 1985, L 253, blz. 34); volgens de eerste overweging van de considerans blijft de invoering van een monopolie voor apothekers uitsluitend onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen.
( 44 ) Richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, nr.22, blz. 369), gewijzigd bij richtlijn 89/341/EEG van 3 mei 1989 (PB 1989, L 142, blz. 11).
( 45 ) Cursivering van mij.
( 46 ) Arresten van 30 november 1983 (zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr. 1983, blz. 3883), en 20 maart 1986 (zaak 35/85, Tissier, Jurispr. 1986, blz. 1207); vgl. zaak C-369/88 (reeds aangehaald) alsmede zaak C-60/89, reeds aangehaald; arresten van 16 april 1991 (zaak C-112/89, Upjohn, Jurispr. 1991, blz. I-1703); 20 mei 1992 (zaak C-290/90, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1992, blz. I-3317); en 28 oktober 1992 (zaak C-219/91, Ter Voort, Jurispr. 1992, blz. I-5485).
( 47 ) Zie zaken C-369/88, reeds aangehaald, C-60/89, reeds aangehaald, C-112/89, reeds aangehaald en C-295/90, reeds aangehaald.
( 48 ) Zie zaken C-369/88, reeds aangehaald, en C-219/91, reeds aangehaald.
( 49 ) Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (PB 1989, L 186, blz. 27).
( 50 ) Cursivering van mij.
( 51 ) Cursivering van mij.
( 52 ) Cursivering van mij.
( 53 ) Vgl. geneesmiddel naar aandiening in de zin van artikel 1, sub 2, eerste alinea, van richtlijn 65/65,
( 54 ) Vgl. geneesmiddel naar eigenschap in de zin van artikel 1, sub 2, tweede alinea, van richtlijn 65/65.
( 55 ) Zie arresten van 20 mei 1976 (zaak 104/75, De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613, r. o. 32); 28 februari 1984 (zaak 247/81, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1984, blz. 1111, r. o. 7); 27 mei 1986 (zaak 87/85, Legia, Jurispr. 1986, blz. 1707, r. o. 19); zaak C-369/88 (reeds aangehaald, r. o. 67) alsmede zaak C-60/89 (reeds aangehaald, r. o. 46), en arrest van 8 juni 1993 (zaak C-373/92, Commissie/België, Jurispr. 1993, blz. I-3107, r. o. 8 en 10).
( 56 ) Dat liet permanent comité voor levensmiddelen werd geraadpleegd, volgt uit de twaalfde overweging van de considerans van richtlijn 91/321. Over de raadplegingspliclit van wetenschappelijke comités, zie ook liet arrest van 25 januari 1994 (zaak C-212/91, Angelopharm, Jurispr. 1994, blz. I-171).
( 57 ) Terwijl het vanuit het oogpunt van de producenten en importeurs de afzet van de goederen bemoeilijkt en duurder maakt.
( 58 ) Zie artikel 3, lid 1, sub-t, van richtlijn 79/112.
( 59 ) Zie blz. 14 van het verweerschrift.
Full & Egal Universal Law Academy