Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Hanseatische Oberlandesgericht Hamburg heeft het Hof bij beschikking van 16 november 1992 de vraag gesteld, of een bepaling als § 917, lid 2, Zivilprozessordnung (het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, hierna: "ZPO"), volgens welke het feit dat het vonnis in het buitenland ten uitvoer zal moeten worden gelegd, voldoende grond is voor het leggen van conservatoir beslag, ook wanneer de tenuitvoerlegging moet geschieden in een land dat partij is bij het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag (thans, sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht op 1 november 1993: artikel 6).
2. De feitelijke toedracht in deze procedure laat zich als volgt samenvatten.
Hatrex Internationaal Transport (hierna: "Hatrex"), een in Nederland gevestigd internationaal vervoerbedrijf, had voor een Duitse opdrachtgever goederen vervoerd. Omdat die goederen tijdens het vervoer waren beschadigd, vorderde de Duitse vennootschap Mund & Fester, die in de rechten van de opdrachtgever was getreden na cessie van diens vordering, schadevergoeding. Ten einde de voldoening van haar vordering veilig te stellen, verzocht zij het Landgericht te Hamburg overeenkomstig § 917 ZPO verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de vrachtwagen die Hatrex voor het vervoer had gebruikt en die zich nog in Duitsland bevond. Het eerste lid van de genoemde nationale bepaling voorziet in de mogelijkheid van het leggen van conservatoir beslag, wanneer de vrees bestaat dat zonder een dergelijke maatregel de tenuitvoerlegging van het vonnis onmogelijk of aanzienlijk moeilijker zal worden, en het tweede lid bepaalt, dat wanneer het vonnis in het buitenland ten uitvoer zal moeten worden gelegd, dit als voldoende grond geldt voor een conservatoir beslag.
3. Tegen de afwijzing van dat verzoek, voornamelijk op grond dat § 917, lid 2, ZPO geen toepassing meer kan vinden in het geval van tenuitvoerlegging van vonnissen in staten die partij zijn bij het Executieverdrag, stelde Mund & Fester beroep in bij het Hanseatische Oberlandesgericht, dat besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om uitlegging van artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag.
4. De verwijzingsbeschikking moet aldus worden verstaan, dat de rechter in feite wil weten, of de bepalingen van het Executieverdrag afzonderlijk dan wel in samenhang met artikel 7 of andere bepalingen van het EEG-Verdrag, zich verzetten tegen toepassing van een nationale bepaling die, indien het land van tenuitvoerlegging een andere Lid-Staat is, het leggen van conservatoir beslag op verzoek van de belanghebbende partij automatisch toelaat op grond van het enkele feit dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in het buitenland zal moeten geschieden, terwijl in het geval dat het vonnis binnen het nationale grondgebied ten uitvoer zal moeten worden gelegd, een dergelijke maatregel alleen kan worden bevolen wanneer de vrees bestaat, dat de tenuitvoerlegging "onmogelijk of aanzienlijk moeilijker zal worden".
5. Nu is § 917, lid 2, ZPO in feite niet in strijd met enige specifieke bepaling van het Executieverdrag. Een dergelijk conflict is ook moeilijk voorstelbaar, daar de litigieuze bepaling niet binnen de objectieve werkingssfeer valt van het Executieverdrag, dat niet tot doel heeft "het procesrecht één te maken, maar de rechterlijke bevoegdheid voor de beslechting van civiel- en handelsrechtelijke geschillen binnen de Gemeenschap te verdelen en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken".(1) In het onderhavige geval wordt van de rechter echter een conservatoire maatregel gevraagd, een materie die het Executieverdrag niet regelt, maar waarvoor het verwijst - in artikel 24 - naar de nationale wetgeving van de betrokken landen, ook wat betreft de bepaling van de bevoegdheid.
6. Volgens de rechtspraak van het Hof bestaan er niettemin grenzen aan de toepassing van het nationale procesrecht, dat geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van het Executieverdrag en met name van de daarin neergelegde bevoegdheidsregels(2); het lijkt mij evenwel moeilijk vol te houden, dat een dergelijk resultaat van de toepassing van § 917, lid 2, ZPO te vrezen zou zijn.
In de eerste plaats kan niet worden gesteld, dat deze bepaling in conflict komt met het doel van het Executieverdrag, te weten "de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, (...) een vlotte rechtsgang in te voeren"(3), aangezien de tenuitvoerlegging door het conservatoire beslag hoe dan ook zou zijn verzekerd en op de regelingen in het Executieverdrag derhalve geen beroep behoeft te worden gedaan. Het Executieverdrag is immers niet bedoeld, zoals de Commissie terecht opmerkt, om te zorgen voor een zo groot mogelijk aantal tenuitvoerleggingen van rechterlijke beslissingen in andere landen dan waar zij zijn gegeven, maar enkel om het vrije verkeer daarvan voorzover nodig te vergemakkelijken.
In de tweede plaats kan ook niet gezegd worden, dat § 917, lid 2, ZPO de in het Executieverdrag vastgelegde bevoegdheidsregels doorkruist: ter zake van voorlopige en bewarende maatregelen bepaalt het Executieverdrag immers niet meer, dan dat zulke maatregelen bij de rechterlijke autoriteiten van een verdragsluitende staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende staat krachtens het Executieverdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen (artikel 24).
7. Nu dus van onverenigbaarheid van de bepaling met het Executieverdrag geen sprake blijkt te zijn, moet worden onderzocht of het algemene discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag zich tegen toepassing van die bepaling verzet.
Artikel 7 bepaalt: "Binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden." Onderzocht dient dus te worden, ten eerste of de betrokken bepaling binnen de communautaire bevoegdheidssfeer valt, en ten tweede, of zich hier een geval voordoet van discriminatie op grond van nationaliteit.
8. Wat het eerste punt betreft, wijs ik erop, dat artikel 220 EEG-Verdrag tot de aanvullende maatregelen voor de verwezenlijking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 2 mede rekent, voorzover hier van belang, de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen zijn onderworpen. Dat deze bepaling de realisering van deze doelstellingen aan de Lid-Staten en niet aan de gemeenschapsinstellingen opdraagt, vindt zijn verklaring in het feit, dat de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken in ieder geval onder hun soevereiniteit is gebleven; dat neemt niet weg, dat de in die bepaling bedoelde regeling tot de werkingssfeer van het Verdrag moet worden gerekend, in de zin van artikel 2. Het vrij verkeer van vonnissen is immers van fundamenteel belang voor het vermijden van moeilijkheden waaronder de werking van de gemeenschappelijke markt kan komen te lijden, wanneer de individuele rechten die voortspruiten uit de veelvoud van rechtsbetrekkingen die op die markt worden aangegaan, niet mede langs rechterlijke weg gemakkelijk kunnen worden vastgesteld en gehandhaafd.(4)
9. Het bezwaar, dat artikel 220 niet meer dan een programmatische strekking heeft, of, zoals het Hof het heeft uitgedrukt, "niet ten doel heeft een als zodanig werkzame rechtsregel te stellen, doch enkel het kader vastlegt voor onderhandelingen die de Lid-Staten 'voor zover nodig' zullen voeren"(5), valt dus licht te ontzenuwen met het argument, dat dit artikel voor wat de hier aan de orde zijnde materie betreft, met het Executieverdrag zijn concrete invulling heeft gekregen. Ingevolge dit verdrag behoren de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de vereenvoudiging van de formaliteiten voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen thans tot de werkingssfeer van het EEG-Verdrag. Daarmee is duidelijk, dat - volgens de traditionele regels inzake de hiërarchie van rechtsbronnen - noch de bepalingen van het Executieverdrag, noch de nationale bepalingen waarnaar dat Verdrag verwijst, zoals het geval is bij conservatoir beslag, met de bepalingen van het EEG-Verdrag in strijd mogen zijn.
10. Ik kom vervolgens bij het tweede punt, de vraag of § 917 ZPO een discriminatie op grond van nationaliteit behelst, die geen rechtvaardiging vindt in objectieve redenen, zoals die in de rechtspraak van het Hof worden verlangd.
11. Welnu, de litigieuze bepaling houdt inderdaad geen openlijke discriminatie in. Aangezien het verlof tot conservatoir beslag automatisch wordt verleend telkens wanneer het latere vonnis in het buitenland ten uitvoer zal moeten worden gelegd, kan het ook worden verleend tegen een Duits onderdaan die in Duitsland onvoldoende bezittingen heeft om een tegen hem gewezen vonnis te kunnen executeren.
Herinnerd zij hier echter aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat "de regels omtrent de gelijkheid van behandeling niet alleen de zichtbare discriminaties op grond van de nationaliteit verbieden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden"(6); nu zal men moeilijk kunnen ontkennen, dat § 917, lid 2, ZPO alleen in zeldzame en uitzonderlijke gevallen bij een Duitse onderneming of onderdaan toepassing zal vinden en dat die bepaling derhalve op hetzelfde neerkomt als een discriminatie op grond van nationaliteit.
12. Deze constatering is evenwel op zichzelf niet voldoende om te concluderen, dat er sprake is van een bij artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie.
Nagegaan dient immers nog te worden, of de betrokken bepaling generlei rechtvaardiging vindt in objectieve omstandigheden(7); het gaat er dus om vast te stellen, of de verschillende regeling voor het verlenen van verlof tot conservatoir beslag naargelang de tenuitvoerlegging van het latere vonnis in het binnenland dan wel in het buitenland moet plaatsvinden, ook beantwoordt aan een werkelijk verschil in feitelijk opzicht tussen de beide gevallen.
In dit verband lijkt het me nuttig nog eens te wijzen op de functie van een maatregel als het conservatoir beslag. Een conservatoir beslag verzekert degene te wiens behoeve het wordt gelegd, van de mogelijkheid om een later verkregen vonnis daadwerkelijk en op een geschikt tijdstip ten uitvoer te doen leggen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de schuldenaar zal proberen de tot verhaal dienende goederen aan executie te onttrekken. Verlof tot conservatoir beslag behoort dus te worden verleend - zoals § 917, lid 1, ZPO overigens ook bepaalt -, wanneer redelijkerwijs de vrees bestaat, gelet op de omstandigheden van het geval, dat de tenuitvoerlegging van het eindvonnis onmogelijk of aanzienlijk moeilijker zou worden, maar de tenuitvoerlegging mag niet worden verondersteld met zulke grotere moeilijkheden gepaard te gaan wanneer deze in een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen moet plaatsvinden.
Een dergelijk vermoeden kon wellicht vóór de inwerkingtreding van het Executieverdrag gerechtvaardigd zijn, en kan dit nog steeds zijn ingeval de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden in een derde land, wanneer men denkt aan de vertragingen en het ongemak die gemoeid zijn met het verkrijgen van de erkenning en exequatur van een vonnis in den vreemde, maar deze overwegingen gelden niet in het geval van een staat die partij is bij het Executieverdrag. Door het beperkte aantal gronden die de erkenning en tenuitvoerlegging van in een andere verdragsluitende staat gewezen vonnis in de weg staan en de vereenvoudigde procedure ter verkrijging van het exequatur, is binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag een nagenoeg even vlotte en zekere tenuitvoerlegging gewaarborgd als wanneer de tenuitvoerlegging plaatsvindt in hetzelfde land, zij het in het ressort van een andere rechter dan die het vonnis heeft gewezen.
Nu de objectieve gronden die de rechtvaardiging vormden voor de verschillende regeling in § 917 ZPO - of althans de daaraan in de praktijk gegeven uitlegging - van de voorwaarden voor verlof tot conservatoir beslag, zich niet meer voordoen in het geval dat een vonnis in een Lid-Staat van de Gemeenschap ten uitvoer moet worden gelegd, leidt dit onderscheid inderdaad tot een bij artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag verboden discriminatie.
13. Op grond van deze overwegingen geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Hanseatische Oberlandesgericht als volgt te beantwoorden:
"De artikelen 7 en 220 EEG-Verdrag, in samenhang met het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, verzetten zich ertegen dat een nationale bepaling die conservatoir beslag toestaat wanneer de tenuitvoerlegging van het latere vonnis in het buitenland zal moeten geschieden, aldus wordt uitgelegd, dat de tenuitvoerlegging in het buitenland op zichzelf al voldoende grond is voor de rechter om verlof tot deze conservatoire maatregel te verlenen, ook wanneer het vonnis wordt gewezen tegen een onderdaan van een Lid-Staat en binnen de werkingssfeer valt van het Executieverdrag."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Arrest van 15 mei 1990, zaak C-365/88, Hagen, Jurispr. 1990, blz. I-1845, r.o. 17.
(2) - Zie het reeds aangehaalde arrest van 15 mei 1990, Hagen, r.o. 20, alsmede de arresten van 15 november 1983 (zaak 288/82, Duijnstee, Jurispr. 1983, blz. 3663, r.o. 17-19) en 4 februari 1988 (zaak 145/86, Hoffmann, Jurispr. 1988, blz. 645, r.o. 29-33).
(3) - Aldus de formulering in de preambule van het Executieverdrag, in het verlengde van artikel 220 EEG-Verdrag.
(4) - Zie in dit verband het rapport Jenard over het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 1 e.v., i.h.b. blz. 13). Men zou daar wellicht aan kunnen toevoegen, dat moeilijk vol te houden lijkt, dat een verzoek in verband met contractuele aansprakelijkheidsvordering wegens een dienst, verricht door een in een Lid-Staat gevestigde onderneming ten behoeve van een in een andere staat gevestigde cliënt, buiten de gemeenschappelijke bevoegdheidssfeer zou vallen, aangezien dat verzoek in ieder geval van invloed is op de handelsbetrekkingen binnen de Gemeenschap. De in geding zijnde bepaling vormt evenwel, zoals de Commissie terecht opmerkt, geen belemmering voor de in de artikelen 30 en 59 EEG-Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden van het goederen- en dienstenverkeer. Het verband met die vrijheden lijkt te indirect, en het lijkt mij daarom gewaagd, bij voorbeeld in de onderhavige zaak, te beweren dat een buiten Duitsland gevestigde vervoerder zou worden belemmerd in zijn recht om in Duitsland vervoersdiensten aan te bieden, of dat een Duitse cliënt wegens deze bepaling van het ZPO de voorkeur zou geven aan een in Duitsland gevestigde vervoerder.
(5) - Arrest van 11 juli 1985 (zaak 137/84, Mutsch, Jurispr. 1985, blz. 2681, r.o. 11).
(6) - Arrest van 8 mei 1990 (zaak C-175/88, Biehl, Jurispr. 1990, blz. I-1779, r.o. 13). Deze rechtspraak gaat terug op het arrest van 12 februari 1974 (zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153, r.o. 11); zie onder meer ook het arrest van 29 oktober 1980 (zaak 22/80, Boussac, Jurispr. 1980, blz. 3427, r.o. 9), waarvan de casuspositie enigszins lijkt op die van onderhavige zaak.
(7) - Zie onder meer de arresten van 8 juni 1989 (zaak 167/88, Association générale des producteurs de blé et autres céréales, Jurispr. 1989, blz. 1653, r.o. 23 en 24) en 29 oktober 1980 (zaak 22/80, reeds aangehaald, r.o. 11).
Full & Egal Universal Law Academy