Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het onderhavige beroep tot nietigverklaring noopt het Hof voor het eerst tot uitlegging van richtlijn 90/684/EEG van de Raad van 21 december 1990 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (hierna: "zevende richtlijn")(1), vastgesteld krachtens artikel 92, lid 3, sub d, EEG-Verdrag.(2) Het is een gelegenheid om de bevoegdheidsverdeling tussen de Raad en de Commissie binnen de werkingssfeer van deze tekst te verduidelijken.
2. Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II "Bedrijfssteun", bepaalt: "Produktiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van de steun voor een bepaald contract in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond (...)".(3) Dit plafond wordt vastgesteld door de Commissie.(4)
3. Artikel 4, lid 7, luidt als volgt:
"Steun voor scheepsbouw of -verbouwing die in de vorm van ontwikkelingshulp aan een ontwikkelingsland wordt verleend, is niet aan het plafond onderworpen. Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd als zij in overeenstemming is met de bepalingen die de OESO-werkgroep nr. 6 met het oog daarop heeft opgenomen in haar akkoord over de uitlegging van de artikelen 6, 7 en 8 van de in lid 6 genoemde OESO-overeenkomst (...)
Elk afzonderlijk steunvoornemen van dien aard moet vooraf aan de Commissie worden medegedeeld. De Commissie gaat de bijzondere 'ontwikkelingscomponent' van het steunvoornemen na en vergewist zich ervan dat deze steun onder de werkingssfeer van het in de eerste alinea genoemde akkoord valt."(5)
4. Deze bepaling staat in het middelpunt van de onderhavige zaak.
5. Met betrekking tot een door een tijdelijke vereniging van scheepswerven te Bremen, Wismar, Kiel en Warnemuende met het Chinese staatsbedrijf COSCO (China Ocean Shipping Company) gesloten overeenkomst betreffende de bouw van drie containerschepen van 3 765 TEU (twenty-foot equivalent unit) en een vierde van 2 700 TEU, wensen de Duitse autoriteiten een ontwikkelingskrediet te verlenen voor de eerste drie containerschepen.
6. De voorwaarden voor deze kredietverlening worden de OESO op 20 september 1991 ter kennis gebracht.(6)
7. Na een klacht wegens concurrentievervalsing ingediend door een scheepswerf uit de Gemeenschap en verschillende brieven over en weer, gelast de Commissie de Duitse regering op 14 oktober 1991 haar het steunvoornemen overeenkomstig artikel 4, lid 7, tweede alinea, van de zevende richtlijn ter kennis te brengen.(7) De Duitse regering doet dit op 21 oktober 1991(8) en verklaart daarbij, dat het steunvoornemen ertoe strekt, de Volksrepubliek China te helpen bij het voorzien in haar sterk toegenomen behoeften op het gebied van vervoer en bij het verwerven van deviezen in de sector buitenlandse handel.(9)
8. Na een nieuwe briefwisseling(10) besluit de Commissie bij brief van 22 november 1991(11) de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in te leiden om na te gaan of het werkelijk om "ontwikkelingshulp" gaat, en om te toetsen of het gehele project verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Deze brief is het voorwerp van bekendmaking 92/C22/07.(12) De Commissie verklaart daarin, dat zij "er niet van overtuigd is dat in dit geval sprake is van werkelijke ontwikkelingshulp, met name doordat de prijsstelling zo ondoorzichtig is".
9. De Duitse regering antwoordt op 26 februari 1992.(13)
10. Het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, redersverenigingen uit de Europese Gemeenschap, de Vereniging van Deense scheepsbouwers en de Deense redersvereniging dienen opmerkingen in. De Duitse regering antwoordt daarop op 13 april 1992.(14)
11. Bij beschikking 92/569/EEG van 31 juli 1992(15), gegeven krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, (hierna: "beschikking") oordeelt de Commissie, dat "er geen als ontwikkelingshulp aan te merken steun bij de order van de rederij Cosco voor de bouw van een containerschip van 2 700 TEU (...) is verleend en dat de desbetreffende voorwaarden voor het verlenen van een exportkrediet verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt" (artikel 1) en dat "de voorgenomen steun voor de order van de Chinese Staatsrederij Cosco voor de bouw van nog drie containerschepen bij, respectievelijk de 'Bremer Vulkan' -werf te Bremen en de 'Matthias Thesen' -werf te Wismar niet (...) als echte ontwikkelingssteun in de zin van artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684/EEG kan worden aangemerkt en bijgevolg onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt" (artikel 2).
12. Met betrekking tot het eerste punt is de Commissie van mening, dat voor de bouw van het schip van 2 700 TEU geen ontwikkelingshulp wordt verleend en dat het tegen de normale, door de OESO vastgestelde voorwaarden wordt gefinancierd.
13. Aangaande het tweede punt voert zij als grond voor haar beschikking aan, dat COSCO haars inziens geen ontwikkelingshulp behoeft om tot de algemene ontwikkeling van China te kunnen bijdragen en financieel in staat is om zich nieuwe schepen tegen de normale marktvoorwaarden aan te schaffen. Het steunvoornemen voldoet derhalve niet aan de voorwaarde van noodzakelijkheid, die het Hof van Justitie in zijn arrest van 17 september 1980, Philip Morris(16), heeft gesteld.
14. De Commissie voegt eraan toe, dat een dergelijke steun het risico van ernstige concurrentievervalsing met zich zou brengen, in een mate die strijdig is met het gemeenschappelijk belang.
15. Bij beroepschrift, ingeschreven op 26 november 1992, verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland om nietigverklaring van die beschikking en, subsidiair, van de artikelen 2 en 3 daarvan, stellende:
° dat de voorgenomen steun ontwikkelingshulp in de zin van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn is. Hij voldoet aan het criterium voor ontwikkelingshulp zoals dat is omschreven door de OESO en uitgelegd door de Commissie in haar brief van 3 januari 1989 aan de Lid-Staten(17). Het in het reeds aangehaalde arrest van 17 september 1980, Philip Morris, met betrekking tot artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag gestelde criterium, dat de steun noodzakelijk moet zijn voor de begunstigde onderneming, is niet relevant voor de materie van artikel 4, lid 7;
° de omstreden beschikking is aangetast door een beoordelingsfout;
° de omstreden beschikking schendt drie fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht:
° het gelijkheidsbeginsel;
° het beginsel van het gewettigd vertrouwen;
° verzoeksters recht te worden gehoord.
16. Alvorens de ten gronde aangevoerde middelen te weerleggen, werpt de Commissie op, dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op artikel 1 van de beschikking.
17. Laten wij dit punt eerst onderzoeken.
18. De Duitse regering betoogt, dat het nutteloos was de steun betreffende het schip van 2 700 TEU verenigbaar te verklaren, daar uit artikel 4, lid 6, van de zevende richtlijn rechtstreeks voortvloeit, dat rentekortingen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
19. Daar de Commissie het hele steunvoornemen in haar onderzoek had betrokken, diende zij ook haar standpunt te bepalen over de aankoop van het containerschip van 2 700 TEU. Bovendien is de beschikking, voor zover daarin wordt geoordeeld dat er voor deze order geen ontwikkelingshulp was verleend en dat de kredietvoorwaarden verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt, niet bezwarend voor verzoekster.(18)
20. Wat dit punt betreft, is het beroep derhalve niet-ontvankelijk.
21. Wat de artikelen 2 en 3 van de beschikking betreft, dient eerst te worden geantwoord op de navolgende vraag:
Is de voorgenomen steun ontwikkelingshulp in de zin van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn? Meer in het bijzonder, mag de Commissie ter zake het "noodzakelijkheidscriterium" hanteren?
22. Vervolgens moet worden onderzocht, of verzoekster zich terecht beroept op een beoordelingsfout, op schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van gewettigd vertrouwen en op niet-eerbiediging van het recht van verweer.
Is de voorgenomen steun ontwikkelingshulp in de zin van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn?
23. Artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag bepaalt:
"Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:
a) (...)
b) (...)
c) (...)
d) andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie."(19)
24. In zijn arrest van 18 mei 1993, België/Commissie(20), overwoog het Hof met betrekking tot richtlijn 87/167/EEG van de Raad(21), die net als de zevende richtlijn, waardoor zij is vervangen, was vastgesteld op basis van artikel 92, lid 3, sub d, dat
"de Raad, uitgaande van de vaststelling dat steun aan de scheepsbouw onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, overeenkomstig de ratio van artikel 92, lid 3, op grond van een aantal overwegingen van economische en sociale aard gebruik heeft gemaakt van de hem door het Verdrag verleende bevoegdheid deze steun toch als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen, mits hij voldoet aan de in de richtlijn genoemde uitzonderingscriteria (...)".(22)
25. Deze redenering kan ook worden gevolgd met betrekking tot de zevende richtlijn, die slechts op minder belangrijke punten van de zesde verschilt (beide teksten hebben inhoudelijk hetzelfde artikel 4). Het gaat dus om "een uitzonderingsregeling die uiteraard als uitgangspunt veronderstelt dat de betrokken steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt".(23)
26. Hoe ligt de bevoegheidsverdeling tussen de Commissie en de Raad wanneer deze laatste artikel 92, lid 3, sub d, toepast?
27. Ter zake van de beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde steunmaatregel is de Commissie, zoals bekend, in beginsel bevoegd onder toezicht van het Hof.(24) De Raad heeft slechts de uitzonderingsbevoegdheid die artikel 93, lid 2, derde alinea, hem verleent.(25)
28. De bevoegdheidsverdeling tussen de Raad en de Commissie in het kader van artikel 92, lid 3, sub d, is dus duidelijk. Terwijl de Raad bevoegd is voor het uitbreiden van de catalogus van steunmaatregelen die verenigbaar kunnen worden verklaard, door het vaststellen van een abstract en algemeen kader ("soorten steunmaatregelen"), is alleen de Commissie bevoegd om in concreto te onderzoeken, of een binnen een door de Raad omschreven soort vallende steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag. De Raad treedt dus niet in de plaats van de Commissie bij de concrete beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde steunmaatregel. Trouwens, wanneer de Raad toepassing maakt van artikel 93, lid 2, derde alinea, beslist hij op verzoek van een Lid-Staat met eenparigheid van stemmen, maar voor het uitbreiden van de waaier van steunmaatregelen in het kader van artikel 92, lid 3, sub d, beslist hij met gekwalificeerde meerderheid.
29. Over welke bevoegdheden beschikt de Commissie in het kader van deze bepaling?
30. Zoals bekend, beschikt de Commissie voor het verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaren van steunmaatregelen van de in artikel 92, lid 3, sub a, b, en c, genoemde soorten "over een discretionaire bevoegdheid, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert, die dient te geschieden in een communautair kader".(26)
31. Met betrekking tot deze soorten steunmaatregelen aanvaardt het Hof, dat de omvang van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie kan verschillen; zo blijkt "uit het gebruik van de begrippen 'abnormaal' en 'ernstig' in artikel 92, lid 3, sub a, (...) dat deze afwijking enkel geldt voor streken wier economische toestand, vergeleken met die van de gehele Gemeenschap, bijzonder ongunstig is. De sub c geformuleerde afwijking is echter ruimer, doordat zij ziet op de ontwikkeling van bepaalde streken zonder dat aan de economische voorwaarden van lid 3, sub a, moet zijn voldaan, mits door de betrokken steunmaatregelen 'de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt (...) niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad' ".(27)
32. Sommige auteurs hebben zelfs gesteld, dat de Commissie ter zake een zeer ruime interventiebevoegdheid bezit, precies om de normatieve leemte te vullen die voortvloeit uit het ontbreken van een door de Raad op basis van artikel 92, lid 3, sub d, en 94 van het Verdrag vastgestelde regeling:
"De Commissie is de facto op de stoel van het intergouvernementele orgaan moeten gaan zitten om in diens plaats een soort onbekende regelgevende bevoegdheid uit te oefenen."(28)
33. Wat er ook van zij, hoever reikt de beoordelingsvrijheid van de Commissie wanneer de Raad op basis van artikel 92, lid 3, sub d, bepaalt, welke "soorten steunmaatregelen" verenigbaar kunnen worden geacht?
34. In het arrest van 18 mei 1993, België/Commissie(29), heeft het Hof reeds impliciet geoordeeld, dat deze bevoegdheid zich tot die soorten steunmaatregelen uitstrekte, waar het overwoog, dat
"artikel 92, lid 3, sub d, de Raad de bevoegdheid (verleent), op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te bepalen, dat ook andere dan de sub a, b en c genoemde categorieën van steunmaatregelen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd".(30)
35. Deze bevoegdheid komt tot uiting in de tekst zelf van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn, waarin wordt bepaald:
"Deze steun (voor scheepsbouw en -verbouwing die als ontwikkelingshulp wordt verleend) kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd (...)."(31)
36. Laten wij nu nagaan, hoe die tekst moet worden toegepast.
37. De sector scheepsbouw bevindt zich in een zeer specifieke situatie.
38. Deze sector wordt op de internationale markt getroffen door concurrentievervalsingen en de communautaire scheepsbouw kan niet tegen concurrentie van buitenaf worden beschermd "door tariefmaatregelen of andere maatregelen van handelspolitieke aard, zonder schade te berokkenen aan de reders van de Gemeenschap die hun werkzaamheden uitoefenen op een internationale markt".(32)
39. Deze distorsies konden worden verminderd door de achtereenvolgende regelingen die in de OESO tot stand zijn gebracht teneinde de exportkredietvoorwaarden voor schepen te beperken en te harmoniseren.(33)
40. In paragraaf 6 van de bijlage bij de resolutie van de OESO-raad van 3 augustus 1981 betreffende herziening van de Overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen wordt bepaald, dat elke partij bij de Overeenkomst in bijzondere gevallen gunstiger voorwaarden kan toestaan "for genuine aid reasons".(34) Deze steun moet onder meer tijdig aan de andere partijen bij de Overeenkomst ter kennis worden gebracht.(35)
41. Bij besluit C/WP6(84)3, met als opschrift "Herziening van de definities en administratieve procedures betreffende de Overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen", van 18 januari 1984(36) heeft werkgroep nr. 6 van de Raad, inzake scheepsbouw, de toepassingsvoorwaarden van genoemde paragraaf 6 gepreciseerd.
42. Het moet gaan om openbare ontwikkelingssteun (official development assistance). De werkelijke eigenaar moet in de begunstigde staat wonen en mag geen niet-operationele dochtermaatschappij van een buitenlandse vennootschap zijn. Ten slotte moet hij zich ertoe verbinden, het schip niet zonder goedkeuring van zijn regering te verkopen.
43. In een addendum van 30 januari 1985 heeft de werkgroep het begrip openbare ontwikkelingssteun gepreciseerd(37):
"Onder 'openbare ontwikkelingssteun' wordt verstaan alle middelen die aan ontwikkelingslanden en multilaterale instellingen worden verstrekt door openbare instanties, lagere overheden daaronder begrepen, of de beheersorganen daarvan, en die voldoen aan de navolgende criteria:
a) verleend zijn met als hoofddoel de economische ontwikkeling en de verbetering van de levensstandaard in de ontwikkelingslanden te bevorderen;
b) verleend zijn tegen gunstige voorwaarden en een subsidie-element bevatten van ten minste 25 % van de contractuele waarde (met inachtneming van een discontopercentage van 10 %)."(38)
44. In artikel 4, lid 7, eerste alinea, van de zevende richtlijn, heeft de Raad zich naar die voorwaarden geschikt door gewoonweg te verwijzen naar de door genoemde werkgroep vastgestelde bepalingen.
45. Deze voorwaarden zijn vermeld in mededeling SG(89)D/311 van de Commissie aan de Lid-Staten van 3 januari 1989.(39)
46. De Commissie betwist niet, dat deze voorwaarden in casu zijn vervuld.
47. Ingevolge artikel 4, lid 7, tweede alinea, moet de Commissie, alvorens zich ervan te vergewissen dat de steun aan de OESO-voorwaarden voldoet, de bijzondere "ontwikkelingscomponent" onderzoeken.
48. Waaruit moet dit onderzoek bestaan? Volstaat het, dat de steun als "openbare ontwikkelingssteun" in de zin van de OESO-overeenkomst kan worden aangemerkt?
49. In haar beschikking betoogt de Commissie, dat zij, los van de toetsing aan de in artikel 4, lid 7, eerste alinea, omschreven OESO-criteria, moet nagaan, of de steun "als ontwikkelingshulp kan worden aangemerkt".(40)
50. Zij wijst erop, dat COSCO een welvarende vennootschap is ° vijfde grootste containerexploitant ter wereld ° en financieel in staat is vlootvernieuwing uit eigen middelen te bekostigen. COSCO zou trouwens van plan zijn het containerschip van 2 700 TEU zonder steun aan te schaffen. De steun is derhalve onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat hij niet noodzakelijk is voor de begunstigde vennootschap. Bovendien zou het verlenen van overbodige steun "het risico van ernstige concurrentievervalsing met zich brengen, in een mate die strijdig is met het gemeenschappelijk belang".(41)
51. De Bondsrepubliek Duitsland stelt daarentegen, dat het "nagaan van de ontwikkelingscomponent" beperkt moet blijven tot het onderzoek, of het door de OESO voorgeschreven minimale subsidie-element (grant element) van 25 % in acht is genomen.(42) Het door het arrest Philip Morris in een totaal andere context gestelde en in de brieven van de Commissie van 3 januari 1989 en 22 november 1991 niet overgenomen criterium, dat de steun noodzakelijk moet zijn, zou hier bovendien niet van toepassing zijn.
52. De tekst van artikel 4, lid 7, tweede alinea, geeft waardevolle aanwijzingen. Niet alleen dient de Commissie zich ervan te vergewissen, dat de steun binnen de werkingssfeer van de OESO-overeenkomst valt, zij moet ook de bijzondere "ontwikkelingscomponent" ervan onderzoeken. Het is derhalve duidelijk, dat het voldoen aan de OESO-criteria weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is. Indien artikel 4, lid 7, geen andere voorwaarden dan de vervulling van de OESO-criteria stelde, zou het zijn geformuleerd zoals artikel 4, lid 6, dat ter zake van steun in de vorm van kredietfaciliteiten geen andere voorwaarden stelt dan overeenstemming met de resolutie van de OESO-raad. De bijzondere "ontwikkelingscomponent" valt dus niet samen met de OESO-criteria.
53. Voor de uitlegging van dit begrip lijkt één overweging van doorslaggevend belang: opvallend is namelijk het contrast tussen de algemene voorwaarden die de zevende richtlijn voor de toekenning van produktiesteun stelt ° inzonderheid de vaststelling van een plafond(43) ° en de bijzondere voorwaarden voor de toekenning van steun aan de scheepsbouw of -verbouwing, die voorzien in een minimum. Wegens het ontwikkelingsdoel dat met de in artikel 4, lid 7, bedoelde steun wordt nagestreefd, worden daaraan niet dezelfde eisen gesteld als die welke in artikel 4, leden 1 tot en met 6, zijn geformuleerd.
54. De zevende richtlijn maakt het mogelijk, ontwikkelingshulp en bouw van koopvaardijschepen in de Gemeenschap met elkaar te verbinden.
55. Een op artikel 4, lid 7, van de richtlijn gebaseerde steun waarmee niet echt ontwikkelingshulp wordt nagestreefd, zou een indirecte steun aan scheepswerven in de Gemeenschap ° "steun aan de scheepsbouwindustrie"(44) ° kunnen verbergen, die dan niet aan de restrictieve voorwaarden van artikel 4, leden 1 tot en met 6, zou zijn onderworpen.
56. De Commissie is een dergelijk misbruik op het spoor gekomen in de procedure die heeft geleid tot beschikking 91/306/EEG van 12 december 1990 betreffende twee steunvoornemens van de Duitse regering ten behoeve van een in financiële moeilijkheden verkerende scheepswerf(45). Daarin merkt zij op:
"Het doel van artikel 4, lid 7, van richtlijn 87/167/EEG is steun toe te staan om de prijzen van schepen voor bepaalde ontwikkelingslanden in specifieke omstandigheden te verlagen en niet om reddingssteun te verlenen aan in de Gemeenschap gelegen scheepswerven."(46)
57. Hieruit blijkt derhalve het belang van de taak die de Raad de Commissie heeft opgedragen: onderzoeken of het gaat om ontwikkelingshulp dan wel in feite om indirecte steun aan de betrokken scheepswerven in de Gemeenschap. Dit is trouwens de vraag die de Commissie in haar bekendmaking 92/C22/07 formuleerde.(47)
58. Indien, gelijk de Duitse regering stelt, het onderzoek van de "ontwikkelingscomponent" beperkt dient te blijven tot de vaststelling, dat "China aldus zou worden geholpen in zijn sterk toegenomen behoefte aan vervoer te voorzien, waardoor dat land door opvoering van de uitvoer deviezen zou kunnen besparen, respectievelijk verdienen", en dat "de containerschepen (...) de ontwikkeling van een geïntegreerd vervoerssysteem (...) zouden stimuleren"(48), zou een dergelijk onderzoek eventueel misbruik van procedure niet aan het licht kunnen brengen.
59. Indien het onderzoek van de "bijzondere ontwikkelingscomponent" daarentegen bestaat in een werkelijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel (Kan het gestelde ontwikkelingsdoel met de voorgenomen steun worden bereikt? Kan dat doel worden bereikt met een maatregel die minder inbreuk maakt op de mededingingsregels?(49)), waarbij de noodzakelijkheid van de steun wordt beoordeeld met inachtneming van het concrete en werkelijke gebruik dat daarvan zal worden gemaakt, kan de Commissie uitmaken, of de steun niet onder artikel 4, leden 1 tot en met 6, valt.
60. De Commissie heeft een onderzoek van dit laatste type verricht en is daarbij tot de conclusie gekomen, dat "COSCO geen ontwikkelingssteun behoeft om tot de ontwikkeling van China te kunnen bijdragen".(50)
61. Heeft zij daardoor ten onrechte een voorwaarde toegevoegd aan die welke in artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn worden gesteld voor de toekenning van ontwikkelingshulp?
62. Het is juist, dat "een handeling van algemene strekking niet stilzwijgend kan worden gewijzigd door een individuele beschikking".(51) Derhalve is het de Commissie verboden, in haar beschikking een voorwaarde of zelfs maar een criterium toe te voegen aan die welke door de richtlijn voor de toekenning van ontwikkelingshulp worden gesteld.
63. Hoe gebrekkig de formulering van de beschikking van de Commissie ook is (in de Franse, Italiaanse, Portugese, Spaanse en Nederlandse taalversie is sprake van het criterium(52) van noodzaak), toch meen ik, dat dit in casu niet is gebeurd.
64. De Commissie heeft onderzocht, of het steunvoornemen een specifiek ontwikkelingsdoel nastreeft, en het is juist dat wat de Raad van haar verlangt. De Duitse taalversie van artikel 4, lid 7, tweede alinea, van de zevende richtlijn is dienaangaande overduidelijk: "Die Kommission prueft, welches besondere Entwicklungsziel met der geplanten Beihilfe verfolgt wird (...)." De Italiaanse taalversie is nog explicieter: "(La) Commissione (...) verifica la specifica finalità di 'sviluppo' contenuta nell' aiuto prospettato (...)."(53)
65. Met name op grond van de vaststelling, dat COSCO in staat was haar vloot tegen normale marktvoorwaarden te vernieuwen en dit uit eigen middelen te financieren, heeft de Commissie geconcludeerd, dat deze steun geen dergelijk doel nastreefde en niet onder artikel 4, lid 7, viel(54); het ontwikkelingsdoel kan ook worden verwezenlijkt zonder staatssteun (en dus zonder de concurrentievervalsingen die dit onvermijdelijk meebrengt).
66. Door deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel heeft de Commissie kunnen vaststellen, dat het steunvoornemen niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 7, viel (zonder daarom te stellen dat het onder de andere leden van ditzelfde artikel viel). Bovendien heeft zij zich gehouden aan de ratio legis van de richtlijn, die een beperking beoogt van de steunmaatregelen die uitzonderingen op de vrije mededinging vormen. Zij is ook binnen de perken gebleven van de bevoegdheden die zij ter zake heeft: overstappen van het algemene naar het concrete en nagaan, of er werkelijk sprake is van ontwikkelingshulp, waar dit wordt geëist.
67. Heeft de Commissie die beoordelingsvrijheid niet juist gekregen om in staat te zijn de verenigbaarverklaring van een bepaalde steunmaatregel te weigeren op grond dat de begunstigde die steun niet nodig heeft, en dat die steun niet noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen die in artikel 92, lid 3, sub a, b en c of in een richtlijn van de Raad zijn geformuleerd?
68. Opgemerkt zij, dat advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie bij het arrest van 17 september 1980, Philip Morris(55), heeft verklaard, dat:
"er (...) geen reden is om af te wijken van het verbod van staatssteun, indien een bepaalde investering (...) ook zonder deze steun kan worden gedaan".(56)
69. In dat arrest heeft het Hof overwogen, dat de Commissie terecht had geoordeeld, dat een op grond van artikel 92, lid 3, verleende steun slechts verenigbaar kan worden verklaard wanneer hij noodzakelijk is.(57)
70. De legitimiteit van een dergelijk vereiste is ° zij het soms impliciet ° bevestigd door de rechtspraak van het Hof.
71. Zo heeft het Hof in het arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie(58), gunstig beslist over beschikking 89/43/EEG, waarbij de Commissie had vastgesteld, dat de steun die aan ENI-Lanerossi was verleend in de vorm van kapitaalinjecties ten behoeve van diens filialen die herenbovenkleding produceren, onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. Het Hof heeft geoordeeld, dat deze instelling na een uiterst nauwkeurig onderzoek terecht had geconcludeerd, dat de betrokken steun niet geschikt was om de communautaire doelstellingen betreffende sectoriële steun aan de textielindustrie te verwezenlijken en evenmin in overeenstemming was met de richtsnoeren betreffende reddingssteun voor ondernemingen, en derhalve niet in aanmerking kwam voor een van de in artikel 92, lid 3, vermelde afwijkingen.(59)
72. Verder kan nog worden gewezen op de beschikking betreffende de aan Deufil toegekende investeringssubsidie voor de produktie van polyamidegarens, waarbij de Commissie toepassing van artikel 92, lid 3, heeft geweigerd. Het Hof heeft die beslissing goedgekeurd op grond van de overweging:
"Toen de Commissie overwoog, dat de toekenning van steun voor een investering die de produktiecapaciteit verhoogt in een sector die reeds met een ernstige overproduktie heeft te kampen, in strijd is met het gemeenschappelijk belang en dat een dergelijke steun de economische ontwikkeling van de betrokken streek niet ten goede kan komen, heeft zij de aan haar beoordelingsmarge gestelde grenzen in geen enkel opzicht overschreden."(60)
73. Van belang is ook een ander arrest, van 21 maart 1991.(61) In die zaak had de Italiaanse Republiek aangevoerd, dat de aan Alfa Romeo verleende steun onder artikel 92, lid 3, sub a, viel (omdat hij bestemd was ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Mezzogiorno) of onder artikel 92, lid 3, sub c (omdat hij bestemd was om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken). Het Hof heeft dit middel afgewezen, op grond dat
"(...) de kapitaalinbreng reddingssteun vormde die, bij gebrek aan een echt herstructureringsplan, niet geschikt was ter verwezenlijking van een duurzame ontwikkeling van streken met een ernstig tekort aan werkgelegenheid of van een bepaalde vorm van economische bedrijvigheid of bepaalde regionale economieën".(62)
74. De werkwijze van de Commissie kon worden samengevat als volgt:
"(...) steun zal slechts verenigbaar worden verklaard wanneer hij bijdraagt tot de verwezenlijking van een van de in artikel 92, lid 3, bedoelde ontwikkelingsdoelen, en wanneer is aangetoond, dat zonder tussenkomst van de overheid de vrije markt alleen niet in staat zal zijn de betrokken doelen te bereiken. De communautaire instantie zal daarentegen geen toestemming geven voor steun die niet noodzakelijk is voor en niet evenredig is met de verwezenlijking van die doelen".(63)
75. Het begrip noodzaak behoort tot het wezen van het begrip steun. Zo heeft het Hof met betrekking tot de fase vóór de evenredigheidstoetsing van artikel 92, lid 3, bij de kwalificatie van staatssteun aan een overheidsbedrijf in tal van arresten het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie toegepast(64): kapitaalinbreng door de overheid in een onderneming is geen steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag wanneer een particuliere investeerder, die zich door rendementsoverwegingen laat leiden, in soortgelijke omstandigheden tot een even grote kapitaalinbreng had kunnen worden gebracht. Komt dit er niet op neer, dat er slechts sprake is van staatssteun wanneer geen particuliere investeerder tot de betrokken financiering bereid wordt gevonden, met andere woorden in geval van noodzaak?
76. Nog om een andere reden moet worden nagegaan, of de steun noodzakelijk is. De richtlijn is niet alleen op artikel 92, lid 3, sub d, maar ook op artikel 113 van het Verdrag gebaseerd.
77. Gelijk de Commissie in herinnering heeft gebracht, valt de handelspolitiek van de Gemeenschap, die ook de regeling van steun bij uitvoer naar derde landen omvat(65), onder de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap. Een Lid-Staat mag deze politiek dus niet kunnen dwarsbomen door gul staatssteun te verlenen buiten het door de richtlijn van de Raad strikt afgebakende kader of door de door de richtlijn gestelde voorwaarden te omzeilen.
78. In advies 1/75 heeft het Hof beklemtoond:
"Eenzijdig optreden van de Lid-Staten zou immers kunnen uitlopen op ongelijkheden in de voorwaarden voor verlening van exportkredieten, zodat de mededinging tussen de ondernemingen der verschillende Lid-Staten op de buitenlandse markten kan worden verstoord. Deze distorsie-effecten kunnen slechts worden voorkomen door middel van een rigoureuze gelijkheid in de aan de ondernemingen van de Gemeenschap, ongeacht hun nationaliteit, verleende kredietvoorwaarden."(66)
79. Het staat derhalve aan de Commissie, hoedster van het Verdrag, erop toe te zien, dat de Lid-Staten binnen de perken van de afwijking blijven en artikel 4, lid 7, slechts toepassen voor echte ontwikkelingshulp. Een Lid-Staat die een niet noodzakelijke steun verleent, omzeilt de gemeenschapsregeling en oefent een soort parallelle bevoegdheid uit, die door artikel 113 wordt verboden.
80. Ten slotte zij erop gewezen, dat de Commissie zich ten doel heeft gesteld, de steun aan de sector scheepsbouw volledig af te schaffen(67) en dat het hier gaat om een regeling die afwijkt van het gemeen recht inzake onverenigbaarheid van steunmaatregelen. Bepalingen krachtens welke een steunmaatregel verenigbaar kan worden verklaard, moeten dan ook restrictief worden uitgelegd.
81. Hieruit concludeer ik, dat de Commissie ter zake beschikt over een zelfstandige bevoegdheid om het begrip ontwikkelingshulp in de zin van artikel 4, lid 7, van de richtlijn te beoordelen, en dat zij haar bevoegdheden niet overschrijdt door na te gaan of de steun noodzakelijk is.
82. Door de vaststelling, dat de betrokken onderneming de verleende steun niet nodig had en dat die steun derhalve niet het door de Raad vastgestelde doel van ontwikkelingshulp nastreefde, beschikte de Commissie over voldoende elementen om te oordelen, dat de steun niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn viel en derhalve niet voor de daarin vervatte afwijking in aanmerking kwam.
83. Indien men hier het in het arrest van het Hof van 18 mei 1993, België/Commissie(68), geformuleerde beginsel toepast, brengt de niet-inachtneming van de conditio sine qua non om een op artikel 4, lid 7, gebaseerde steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen verklaren (bijdragen tot de ontwikkeling), ipso facto de onverenigbaarheid van die steunmaatregel mee.
84. De Commissie heeft haar betoog evenwel verder uitgewerkt en erop gewezen, dat de betrokken steun een dubbele concurrentievervalsing dreigde mee te brengen: ten nadele van de andere scheepswerven in de Gemeenschap dan die welke met de bouw van de schepen zijn belast enerzijds, en ten nadele van de reders uit de Gemeenschap die aan de mededinging van COSCO zijn blootgesteld anderzijds.
85. Laten wij thans deze twee punten onderzoeken.
86. Het is duidelijk, dat wanneer de voorgenomen steun ten behoeve van de drie containerschepen bestemd voor COSCO niet als echte ontwikkelingshulp in de zin van artikel 4, lid 7, kan worden aangemerkt, de concurrentievervalsing die die steun noodzakelijkerwijs ten gunste van de betrokken scheepswerven op de gemeenschappelijke markt veroorzaakt, niet meer kan worden gerechtvaardigd. Het is in dit verband tekenend, dat de aanvankelijke klacht tegen het COSCO-project uitging van een scheepswerf uit de Gemeenschap.
87. Diende de Commissie ook melding te maken van een gevaar voor ernstige concurrentievervalsing in de sector zeevervoer, op grond dat de door COSCO gekochte schepen de positie van deze rederij zouden komen versterken op lijnen waarop de rederijen van de Gemeenschap actief zijn?
88. Een dergelijke tegenwerping lijkt mij niet relevant.
89. De richtlijn houdt namelijk uiteraard rekening met dit soort risico, dat inherent is aan elke ontwikkelingshulp, die steeds een nadelige "terugslag" kan hebben voor de marktdeelnemers uit de Gemeenschap. Zo eist zij bijvoorbeeld niet, dat de met ontwikkelingshulp gekochte schepen worden ingezet op lijnen waar er geen concurrentie van communautaire zeevervoerders bestaat. Dit soort risico zou ook hebben bestaan, indien het ging om ontwikkelingshulp die COSCO nodig had.
90. Deze vaststelling door de Commissie vormt mijns inziens evenwel geen grond om de beschikking nietig te verklaren. Daar zij overbodig is, doet zij geen afbreuk aan de hoofdgrond voor de beschikking: het ontbreken van echte ontwikkelingshulp.
De beoordelingsfout
91. Volgens verzoekster is de beschikking van de Commissie aangetast door een beoordelingsfout, voor zover daarin melding wordt gemaakt van een gevaar voor ernstige vervalsing van de concurrentie tussen de Lid-Staten zowel in de sector scheepsbouw als in de sector zeevervoer, hetgeen in tegenspraak is met de vaststelling, dat de Commissie niet kan aantonen, dat de gevraagde prijs neerkomt op steun aan de scheepswerven (punt VI, derde alinea, sub 1).(69)
92. De ruime beoordelingsvrijheid die de Commissie ter zake van de steunmaatregelen van artikel 92, lid 3, bezit, impliceert een beperkt toetsingsrecht van de rechter: "Dit beperkt toetsingsrecht betekent daarom nog niet dat er helemaal geen toetsing plaatsvindt, aangezien het betrekking heeft op de materiële juistheid van de feiten, kennelijke beoordelingsfouten, dwaling in rechte, de regelmatigheid van de procedure en misbruik van bevoegdheid."(70)
93. Aangaande het risico van ernstige concurrentievervalsing ten nadele van de reders in een mate die strijdig is met het gemeenschappelijk belang, heb ik zopas gezegd, dat deze vaststelling overbodig was. Met betrekking tot de betrokken scheepswerven zij ten overvloede opgemerkt, dat de Commissie erop heeft gewezen, dat de prijs die deze hebben bedongen, "in het topsegment van de thans gebruikelijke marktprijzen voor dit type schepen blijft", en dat het tegenbewijs daarvan niet is geleverd.
De beginselen van gelijkheid, gewettigd vertrouwen en eerbiediging van het recht van verweer
94. De Bondsrepubliek Duitsland voert aan, dat de beginselen van gelijkheid, gewettigd vertrouwen en eerbiediging van het recht van verweer zijn geschonden.
95. Zou de Commissie voor het eerst in haar beschikking van 31 juli 1992 rekening hebben gehouden met de noodzakelijkheid van de steun en ° volgens de Bondsrepubliek Duitsland ° daarvan geen melding hebben gemaakt in haar mededeling van 3 januari 1989 houdende uitlegging van artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn, noch in de bekendmaking waarbij zij de onderzoeksprocedure in deze zaak heeft ingeleid, noch in de verschillende brieven die het geven van de betrokken beschikking zijn voorafgegaan?
96. Zowel uit de als bijlage bij het beroepschrift overgelegde stukken als ter terechtzitting is gebleken, dat het begrip noodzakelijkheid van de steun stilzwijgend of uitdrukkelijk aanwezig was 1) in de brief van 22 november 1991, die aanleiding heeft gegeven tot de bekendmaking(71), 2) tijdens het aan de bestreden beschikking voorafgaande onderhoud van vertegenwoordigers van de Commissie met vertegenwoordigers van de Duitse regering(72) en 3) reeds in de brief van 3 januari 1989, waarin de Commissie wees op het belang van het onderzoek van de bijzondere "ontwikkelingscomponent" van de voorgenomen steun.
97. De door de Bondsrepubliek Duitsland geponeerde stelling, dat de beginselen van gelijkheid, gewettigd vertrouwen en eerbiediging van het recht van verweer zijn geschonden, houdt nauw verband met het ontbreken van het noodzakelijkheidsvereiste in de handelingen van de Commissie die aan de beschikking zijn voorafgegaan.
98. Aangezien is aangetoond, dat de Commissie vóór 31 juli 1992 melding heeft gemaakt van dit begrip, behoeft slechts kort te worden ingegaan op de laatste drie grieven.
Schending van het gelijkheidsbeginsel
99. Volgens vaste rechtspraak van het Hof,
"is het algemene gelijkheidsbeginsel, waarvan het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit slechts een bijzondere uitdrukking is, een der grondprincipes van het gemeenschapsrecht. Krachtens dit beginsel mogen gelijke omstandigheden niet verschillend worden behandeld, tenzij dat verschil objectief ware gerechtvaardigd".(73)
100. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland is toepassing van een criterium dat in artikel 4, lid 7, van de zevende richtlijn noch in de brief van 3 januari 1989 voorkomt, in strijd met het gelijkheidsbeginsel en onwettig.(74)
101. Aangezien het onderzoek van de noodzakelijkheid van de steun deel uitmaakt van het onderzoek van de ontwikkelingscomponent, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel niet kunnen schenden door die noodzakelijkheid te onderzoeken.
102. Opgemerkt zij overigens, dat verzoekster geen enkele staatssteunprocedure op het gebied van de ontwikkelingshulp aandraagt, die deze grief schraagt.
Schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen
103. Om dit beginsel met succes te kunnen inroepen, had de Bondsrepubliek Duitsland een voor haar nadelige wijziging van de communautaire praktijk moeten aantonen.
104. Zoals wij hebben gezien, heeft een dergelijke wijziging niet plaatsgevonden. Derhalve is niet aangetoond, dat dit beginsel is geschonden.
Schending van het beginsel van eerbiediging van het recht van verweer
105. Volgens vaste rechtspraak "is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure tegen een persoon, die tot een voor deze laatste nadelige handeling kan leiden, te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij gebreke van enig specifiek voorschrift omtrent de te volgen procedure in acht moet worden genomen".(75)
106. Niet alleen "brengt dit beginsel mee, dat de betrokken Lid-Staat in staat moet zijn gesteld, naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de door belanghebbende derden overeenkomstig artikel 93, lid 2, ingediende opmerkingen, waarop de Commissie haar beschikking wil gronden"(76), het eist ook, dat de Commissie in haar beschikking slechts gebruik maakt van elementen waarover de betrokken Lid-Staat opmerkingen heeft kunnen maken.
107. Het is niet aangetoond, integendeel, dat de Duitse regering niet de mogelijkheid heeft gehad de noodzakelijkheid van de steun te rechtvaardigen.
108. Net als met betrekking tot de twee vorige grieven, is derhalve ook de gegrondheid van deze grief niet aangetoond.
109. Mitsdien concludeer ik, dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op artikel 1 van de beschikking, dat het voor het overige moet worden verworpen en dat de verzoekster moet worden verwezen in de kosten van het geding.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° PB 1990, L 380, blz. 27.
(2) ° Thans artikel 92, lid 3, sub e, EG-Verdrag.
(3) ° Eigen cursivering.
(4) ° Artikel 4, lid 2.
(5) ° Eigen cursivering.
(6) ° Het ontwikkelingskrediet bedraagt 203,22 miljoen DM. De totale prijs van de containerschepen beloopt 604,14 miljoen DM.
(7) ° Bijlage 4 bij het beroepschrift.
(8) ° Bijlage 3 bij het beroepschrift.
(9) ° Ibidem.
(10) ° Zie de brief van de Duitse regering van 4 november 1991, waarin deze tracht aan te tonen dat de gevraagde prijs overeenstemt met de marktprijs (bijlage 5 bij het beroepschrift).
(11) ° Bijlage 6 bij het beroepschrift.
(12) ° Bekendmaking van de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag aan de andere Lid-Staten en andere belanghebbenden betreffende de steun welke Duitsland voornemens is te verlenen aan het COSCO-project (PB 1992, C 22, blz. 4) (bijlage 8 bij het beroepschrift).
(13) ° Bijlage 7 bij het beroepschrift.
(14) ° Bijlage 10 bij het beroepschrift.
(15) ° Betreffende steun van Duitsland voor de order van de Chinese rederij Cosco tot de bouw van vier containerschepen (PB 1992, L 367, blz. 29).
(16) ° Zaak 730/79, Jurispr. 1980, blz. 2671.
(17) ° SG(89)D/311 betreffende toepassing van de eerdere richtlijn van de Raad (87/167/EEG van 26 januari 1987) die in identieke bewoordingen was geformuleerd (PB 1987, L 69, blz. 55) (bijlage 11 bij het beroepschrift).
(18) ° Zij zou daarentegen wel de belangen kunnen schaden van de concurrenten van de scheepswerven die het contract in de wacht sleepten.
(19) ° Eigen cursivering.
(20) ° Gevoegde zaken C-356/90 en C-180/91, Jurispr. 1993, blz. I-2323.
(21) ° Van 26 januari 1987 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB 1987, L 69, blz. 55).
(22) ° R.o. 30.
(23) ° R.o. 33.
(24) ° Zie arrest van 17 maart 1993, gevoegde zaken C-72/91 en C-73/91, Sloman Neptun, Jurispr. 1993, blz. I-887, r.o. 11.
(25) ° Voor een voorbeeld zie beschikking 73/209/EEG van de Raad van 24 juli 1973 betreffende de huidige steunregeling in het Verenigd Koninkrijk voor het raffineren van ruwe suiker (PB 1973, L 207, blz. 47).
(26) ° Arrest Philip Morris, reeds aangehaald, r.o. 24, eigen cursivering. Zie ook arrest van 21 maart 1991, zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1433, r.o. 34. Dit is vaste rechtspraak.
(27) ° Arrest van 14 oktober 1987, zaak 248/84, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 4013, r.o. 19.
(28) ° C. Blumann: Régime des aides d' État: jurisprudence récente de la Cour de Justice , Revue du Marché commun, 1992, blz. 721.
(29) ° Reeds aangehaald in voetnoot 20.
(30) ° R.o. 26, eigen cursivering.
(31) ° Eigen cursivering. Zie ook artikel 4, lid 1.
(32) ° Derde overweging van de considerans van richtlijn 69/262/EEG van de Raad van 28 juli 1969 inzake het toekennen van steun aan de scheepsbouw ter correctie van de concurrentiedistorsies op de internationale markt (PB 1969, L 206, blz. 25).
(33) ° Zie de zesde overweging van de considerans van richtlijn 78/338/EEG van de Raad van 4 april 1978 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB 1978, L 98, blz. 19) en de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 75/432/EEG van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB 1975, L 192, blz. 27).
(34) ° Bijlage 12 bij het beroepschrift.
(35) ° Dienovereenkomstig is de door de Bondsrepubliek Duitsland verleende steun aan de OESO ter kennis gebracht.
(36) ° Bijlage 13 bij het beroepschrift.
(37) ° Bijlage 14 bij het beroepschrift.
(38) ° Bijlage 14 bij het beroepschrift, punt 18.
(39) ° Bijlage 11 bij het beroepschrift.
(40) ° Punt VI, tweede alinea, van de bestreden beschikking.
(41) ° Punt VI, derde alinea, sub 2, van de bestreden beschikking.
(42) ° Punt 5 van de repliek.
(43) ° Artikel 4, lid 1. Zie hierboven punt 2.
(44) ° Punt IV, tweede alinea, sub 1, van de bestreden beschikking.
(45) ° PB 1991, L 158, blz. 71.
(46) ° Ibidem, punt II, vierde alinea.
(47) ° Reeds aangehaald in voetnoot 12, inzonderheid blz. 5.
(48) ° Punt II van de bestreden beschikking.
(49) ° Met name: kan het project niet worden gefinancierd met andere, van de markt afkomstige middelen (cash flow)?
(50) ° Punt VI, derde alinea, sub 2, van de bestreden beslissing; eigen cursivering.
(51) ° Arrest van 24 maart 1993, zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125, r.o. 44. Zie ook punt 130 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz.
(52) ° In de Duitse, Engelse en Griekse taalversie wordt die term niet gebruikt.
(53) ° Eigen cursivering.
(54) ° Punt IV van de bestreden beschikking.
(55) ° Reeds aangehaald in voetnoot 16.
(56) ° Jurispr. 1980, blz. 2701.
(57) ° R.o. 17 en 26.
(58) ° Reeds aangehaald in voetnoot 26.
(59) ° Zie r.o. 30 tot en met 39 van het arrest.
(60) ° Arrest van 24 februari 1987, zaak 310/85, Deufil, Jurispr. 1987, blz. 901, r.o. 18.
(61) ° Zaak C-305/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1603.
(62) ° R.o. 36.
(63) ° G. M. Roberti: Le contrôle de la Commission des Communautés européennes sur les aides nationales , AJDA, 20 juni 1993, blz. 397, 407, eigen cursivering.
(64) ° Bij voorbeeld in het arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie, reeds aangehaald in voetnoot 61, r.o. 23.
(65) ° Advies van 11 november 1975, 1/75, Jurispr. 1975, blz. 1355, 1362.
(66) ° Ibidem blz. 1364.
(67) ° Zie de negende overweging van de zevende richtlijn.
(68) ° Reeds aangehaald in voetnoot 20, zie r.o. 32 en 33.
(69) ° Beroepschrift, punt 9.
(70) ° J. Biancarelli: Le contrôle de la Cour de justice des Communautés européennes en matière d' aides publiques , AJDA, 20 juni 1993, blz. 412, 423.
(71) ° (...) de Commissie (is), op grond van de uit de markt ontvangen signalen, niet zeker of de beoogde steun voor de order van het COSCO-containervaartuig niet veeleer een vorm van bedrijfssteun voor de betrokken Duitse scheepswerven is, dan werkelijke steun aan een ontwikkelingsland (PB 1992, C 22, blz. 5).
(72) ° Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Commissie, zonder op dat punt te zijn weersproken, melding gemaakt van een bijeenkomst van 12 februari 1992 waarop de vertegenwoordigers van DG IV uiting hebben gegeven aan hun twijfel, of COSCO wel een onderneming was die voor ontwikkelingshulp in aanmerking kon komen.
(73) ° Arrest van 8 oktober 1980, zaak 810/79, UEberschaer, Jurispr. 1980, blz. 2747, r.o. 16. Zie ook arrest van 16 oktober 1980, zaak 147/79, Hochstrass, Jurispr. 1980, blz. 3005.
(74) ° Punt 7 van het beroepschrift.
(75) ° Arrest van 14 februari 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307, r.o. 29. Zie de aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie ook arrest van 10 juli 1986, zaak 40/85, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2321, r.o. 28.
(76) ° Ibidem, r.o. 30.
Full & Egal Universal Law Academy