Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de prejudiciële verwijzing die thans voor ons ligt, stelt de Engelse Court of Appeal een aantal vragen over de uitlegging van de artikelen 21, 22 en 57 van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 1978 (hierna: "Executieverdrag").
2. Om te begrijpen wat met de vragen precies wordt beoogd, is een overzicht van de tamelijk ingewikkelde feiten van het hoofdgeding zinvol.(1)
In september 1988 vervoerde de Poolse scheepvaartonderneming Zegluga Polska Spolka Akceyjna (hierna: "de eigenaars van het schip") aan boord van haar schip "Tatry" een lading sojaolie als stortgoed van Brazilië naar Rotterdam en Hamburg. De lading werd vervoerd in opdracht van verschillende eigenaars en op basis van verschillende vrachtbrieven, die overigens dezelfde inhoud hadden. Bij de levering van de partijen olie, zowel die welke te Rotterdam als die welke te Hamburg waren gelost, klaagden de eigenaars, dat deze waren verontreinigd door diesel en andere koolwaterstoffen.
Op 18 november 1988 verzochten de eigenaars van het schip de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam om een verklaring, dat zij voor de gestelde schade niet aansprakelijk waren. Verweerders in deze procedure zijn de Nederlandse vennootschap Igeb International BV, die voor rekening van verschillende eigenaars (hierna: "groep 1") de te Rotterdam geloste sojaolie in consignatie had genomen, en een aantal eigenaars van de te Hamburg geloste olie, te weten de Duitse vennootschappen Handelsgesellschaft Kurt Nitzer GmbH en Hobum Oele und Fette AG, en de Engelse vennootschap Bunge & Co. Ltd, alsook de vennootschap Daehn & Hamann GmbH, die de betrokken lading aldaar in consignatie had genomen. De andere eigenaars van de lading, gegroepeerd in de Engelse vennootschap Phillip Brothers Ltd (hierna: "Phibro") zijn niet in de procedure betrokken (de eigenaars van de te Hamburg geloste lading zal ik hierna collectief aanduiden als "groep 3"). Phibro is evenmin gedaagd in de procedure met betrekking tot de te Rotterdam geloste partij olie, waarvan zij eveneens eigenaar was en die voor haar rekening in consignatie was genomen door de Nederlandse vennootschap ICM BV (hierna "groep 2").
3. Ongeveer tien maanden later, op 14 september 1989, stelde groep 3 in het Verenigd Koninkrijk bij de High Court of Justice, Queen' s Bench Division, Admiralty Court, een vordering in rem (hierna: "folio 2006") in tegen de "Tatry" en tegen het schip "Maciej Rataj", dat dezelfde eigenaars heeft als de "Tatry". De dagvaarding werd betekend op 15 september 1989 en op dezelfde datum werd verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de "Maciej Rataj", die op dat moment in de haven van Liverpool lag. Daarop stelden de eigenaars zekerheid en verkregen zij opheffing van het beslag; de procedure voor de Engelse rechter werd vervolgens voortgezet, ook over het geschil dat aan het beslag ten grondslag lag, namelijk de vergoeding van de schade ontstaan doordat de sojaolie te Hamburg in verontreinigde staat zou zijn gelost. De Admiralty Court baseerde haar bevoegdheid om ten gronde uitspraak te doen op de wettelijke regeling waarmee in het Verenigd Koninkrijk uitvoering was gegeven aan het op 10 mei 1952 te Brussel ondertekende Internationaal verdrag betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen.(2) Naar Engels recht bestaat twijfel over de vraag, of de procedures in dergelijke gevallen zowel in rem als in personam, dan wel enkel in personam worden voortgezet.
Op dezelfde dag, 14 september 1989, stelde ook groep 2 een vordering in rem in bij dezelfde rechter (hierna: "folio 2007"); deze procedure had hetzelfde verloop als folio 2006.
Ten slotte stelde groep 1, die geen vordering bij de Engelse rechter had ingesteld, op 29 september 1989 bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam een vordering in tot vergoeding van de schade aan de in Nederland geloste goederen.(3)
4. In folio 2006 stelden de eigenaars van het schip ten exceptieve, dat de Engelse rechter zich ingevolge artikel 21 Executieverdrag onbevoegd had moeten verklaren ten gunste van de Nederlandse rechter, daar over dezelfde zaak tussen dezelfde partijen in Nederland reeds een geding aanhangig was. Subsidiair, ingeval de aanhangigheidsregel niet toepasselijk zou worden geacht, had de Admiralty Court de behandeling van de zaak moeten schorsen en zich volgens de eigenaars van het schip eventueel onbevoegd moeten verklaren ingevolge artikel 22 van dit Verdrag, aangezien er ongetwijfeld samenhang bestond tussen de bij de Engelse rechter aanhangige zaak en de bij de Nederlandse rechters aanhangige zaken. De aanhangigheid werd betwist door groep 3, die stelde, dat er in de twee zaken geen identiteit van partijen en onderwerp was; de samenhang erkende zij echter wel.
In folio 2007 daarentegen erkenden de eigenaars van het schip, dat de vordering daadwerkelijk het eerst bij de Engelse rechter aanhangig was gemaakt; om deze reden verzochten zij deze rechter de procedure te schorsen en zich eventueel onbevoegd te verklaren op grond van artikel 22 Executieverdrag, betreffende samenhang, welk standpunt door groep 2 werd betwist.
5. De Admiralty Court verwierp in eerste instantie de door de eigenaars van het schip opgeworpen exceptie betreffende de aanhangigheid, doch ofschoon zij erkende dat er tussen de Engelse en de Nederlandse vorderingen samenhang bestond, achtte zij zich niet verplicht, de behandeling van de zaak te schorsen overeenkomstig artikel 22 Executieverdrag. De eigenaars van het schip stelden tegen die beslissing hoger beroep in bij de Court of Appeal.
In die procedure stelde groep 3, dat de artikelen 21 en 22 Executieverdrag in casu hoe dan ook niet van toepassing waren, aangezien de bevoegdheid van de Engelse rechter berustte op het Beslagverdrag, waarvan de toepassing werd verzekerd door artikel 57 Executieverdrag, voor zover het "bijzondere onderwerpen" betrof.
In die omstandigheden heeft de Court of Appeal, van mening dat de oplossing van het geschil afhing van de uitlegging van de artikelen 21, 22 en 57 Executieverdrag, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld, die in wezen betrekking hadden op de volgende punten:
a) hoe moet voor de toepassing van artikel 21 het vereiste van identiteit van partijen in procedures die in verschillende Verdragsluitende Staten aanhangig zijn gemaakt en hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak hebben, worden verstaan?
b) heeft, in verband met het vervoer van goederen over zee, een vordering tot vergoeding van schade die de goederen tijdens het vervoer zouden hebben geleden, welke vordering door de eigenaars van de goederen in rem is ingesteld tegen het schip waarmee het vervoer heeft plaatsgevonden, dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak in de zin van artikel 21, als een vordering in personam die de eigenaar van het schip eerder met betrekking tot die schade heeft ingesteld; met name, luidt het antwoord op deze vraag verschillend indien de vordering in rem, nadat de eigenaar van het schip zich als partij in het geding heeft aangemeld, zowel in rem als in personam, dan wel enkel in personam wordt voortgezet?
c) impliceert de in artikel 57 vervatte afwijking voor bijzondere verdragen, dat indien de bevoegdheid van een rechter berust op de bepalingen van een van die verdragen, de artikelen 21 en 22, inzake aanhangigheid en samenhang, niet van toepassing zijn?
d) wat betekent het begrip "samenhangende vorderingen" in artikel 22, derde alinea, Executieverdrag?
e) is er in verband met het vervoer van goederen over zee sprake van aanhangigheid in de zin van artikel 21, indien de eigenaar van het schip in een Verdragsluitende Staat een vordering instelt tot verkrijging van een verklaring van niet-aansprakelijkheid jegens de rechthebbenden op de in beschadigde toestand geloste goederen, en de eigenaars van de goederen vervolgens in een andere Verdragsluitende Staat een andere vordering instellen teneinde van de eigenaar van het schip schadevergoeding te verkrijgen?(4)
De verhouding tussen het Executieverdrag en de verdragen over bijzondere onderwerpen
6. Eerst zal ik de derde vraag van de verwijzende rechter onderzoeken, te weten de vraag over de verhouding tussen het Executieverdrag en de verdragen over bijzondere onderwerpen als bedoeld in artikel 57 Executieverdrag, aangezien een ontkennend antwoord op deze vraag de overige vragen in wezen tot zuiver theoretische vragen zou kunnen herleiden.
7. Zoals bekend bevat artikel 57 voor bestaande en toekomstige verdragen over bijzondere onderwerpen een belangrijke uitzondering op de algemene regel, volgens welke het Executieverdrag voorrang moet hebben boven de andere tussen de Verdragsluitende Staten gesloten verdragen betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. Die uitzondering wordt gerechtvaardigd doordat voorrang moet worden gegeven aan de specifieke keuzen die ter zake in de bijzondere verdragen zijn gemaakt op basis van de bijzondere kenmerken van de desbetreffende materie. Hieruit volgt, dat indien dergelijke verdragen bepalingen betreffende directe of exclusieve bevoegdheid bevatten, deze bepalingen in acht moeten worden genomen.(5) Aangezien het Beslagverdrag ongetwijfeld tot de categorie van verdragen over bijzondere onderwerpen behoort, moet een eventuele strijdigheid van dit verdrag met het Executieverdrag derhalve in beginsel aldus worden opgelost, dat de in het Beslagverdrag neergelegde bevoegdheidsregels voorrang krijgen.
8. Artikel 57 kon mijns inziens evenwel niet worden opgevat als een loutere onderschikkingsbepaling, dat wil zeggen een bepaling waarbij gewoonweg wordt vastgesteld, dat de regeling van een bijzonder verdrag voorrang heeft, ongeacht of zij ouder of jonger is dan het Executieverdrag, en krachtens welke, indien aan de in het bijzondere verdrag gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, de toepasselijkheid van het Executieverdrag volledig is uitgesloten. Dit is mijns inziens niet de juiste uitlegging van de in artikel 57 neergelegde afwijking ten gunste van de bijzondere verdragen; integendeel, uit de structuur van deze bepaling blijkt veeleer, dat het gaat om een cooerdinatiebepaling, die ertoe strekt een gecombineerde toepassing van de respectieve bepalingen van de twee verdragen mogelijk te maken.(6)
Daarop wijzen met name de uitvoeringsbepalingen van artikel 57, lid 1, die zijn ingevoerd bij de herziening van het Executieverdrag na de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Ierland, en die thans in lid 2 staan. Blijkens de zoëven aangehaalde tekst herhaalt de eerste van deze bepalingen, dat het bijzondere verdrag dat regels van directe bevoegdheid bevat, voorrang heeft ingeval de regels ervan samenlopen met die van het Executieverdrag; verder wordt daarin bepaald, dat wanneer krachtens dit bijzonder verdrag een andere rechter bevoegd is dan de volgens het Executieverdrag normaal bevoegde rechter van de woonplaats van verweerder, artikel 20 Executieverdrag moet worden toegepast om de inachtneming van het recht van verweer te verzekeren. De andere uitvoeringsbepaling verklaart, dat de bepalingen van het Executieverdrag van toepassing zijn op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gegeven op basis van de bevoegdheidsregels van een bijzonder verdrag; wanneer het bijzondere verdrag zelf regels voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen bevat, mogen in plaats daarvan ook de regels van het Executieverdrag worden toegepast.
9. De juistheid van deze opvatting over de verhouding tussen het Executieverdrag en de verdragen over bijzondere onderwerpen wordt ook bevestigd door het rapport Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Ierland(7), waarin wordt gepreciseerd: "bepalingen in bijzondere verdragen zijn speciale regelingen die iedere Staat door daartoe toe te treden met voorrang voor het Executieverdrag van toepassing kan doen zijn. Voor zover er in de bijzondere verdragen niets wordt geregeld, geeft het Executieverdrag weer de doorslag (eigen cursivering). Dit geldt ook wanneer het bijzondere verdrag competentiebepalingen bevat die eigenlijk niet stroken met de innerlijke samenhang tussen de verschillende delen van het Executieverdrag (...)"(8) De belangrijkste consequentie daarvan is, dat "de op bijzondere verdragen steunende bevoegdheidsbepalingen ° ook al is slechts één Lid-Staat partij bij zo een bijzonder verdrag ° in principe als bevoegdheidsregelingen van het Verdrag zelf moeten worden beschouwd"(9) (eigen cursivering).
Het is waar, dat tijdens de onderhandelingen over de toetreding niet is ingegaan op alle problemen voortvloeiend uit het beginsel van de wezenlijke samenhang tussen de regeling van het Executieverdrag en die van de verdragen over bijzondere onderwerpen, en dat deze problemen dus niet geheel zijn opgelost door artikel 57, maar, nog steeds volgens het rapport Schlosser(10), dat de oplossing daarvan aan de doctrine en de rechtspraak is overgelaten. Het staat mijns inziens evenwel buiten twijfel, dat de verhouding tussen de verschillende verdragen ingevolge dat artikel moet worden uitgelegd in termen van wederzijdse integratie. Het is derhalve volkomen legitiem, de bepalingen van het algemene verdrag toe te passen om de eventuele leemten in de bepalingen van het bijzondere verdrag op te vullen.
10. De gegrondheid van dit betoog blijkt overduidelijk wanneer, zoals in het onderhavige geval, het verdrag over een bijzonder onderwerp geen bepalingen bevat voor het geval dat in twee verschillende Lid-Staten tegelijkertijd vorderingen aanhangig zijn waaraan dezelfde feiten ten grondslag liggen. Het in een dergelijk geval concrete gevaar voor overlapping van procedures over dezelfde zaak en voor onverenigbare beslissingen zou uiteindelijk het essentiële doel van het Executieverdrag, namelijk "binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten"(11) in het gedrang kunnen brengen. Om die redenen ben ik dus ° overigens met de meerderheid van de doctrine(12) ° van mening, dat in die gevallen de artikelen 21 en 22 Executieverdrag ten volle moeten worden toegepast, aangezien zij juist tot doel hebben, te verzekeren dat voor een en dezelfde zaak slechts één procedure plaatsvindt, of de oplossingen waartoe rechters van verschillende Verdragsluitende Staten kunnen komen, te harmoniseren.
11. Het door de verzoekers in de folio' s 2006 en 2007 gehouden betoog, dat het Beslagverdrag wel degelijk regels inzake aanhangigheid bevat, namelijk in artikel 3, lid 3, lijkt mij daarentegen niet gegrond; volgens deze bepaling kan namelijk ter zake van dezelfde zeerechtelijke vordering slechts eenmaal op een zelfde schip beslag worden gelegd door de rechterlijke instanties van een of meer Verdragsluitende Staten. Deze bepaling beoogt te voorkomen, dat de eiser, die in beginsel vrije forumkeuze heeft, dezelfde vordering opnieuw instelt bij een andere dan de eerst aangezochte rechter. Het gaat dus om een regel die weliswaar zodanig is geformuleerd, dat hij erop gericht is tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, maar die geldt voor andere situaties dan aanhangigheid. Zodra de eiser zijn forumkeuze heeft gemaakt door zijn verzoek om beslag op het schip, moet de rechter bij wie dezelfde vordering later aanhangig wordt gemaakt, zich ertoe beperken dit verzoek af te wijzen op de enkele grond, dat dezelfde procedure reeds elders is ingeleid. Daartoe behoeft hij niet te onderzoeken, of aan de voorwaarden voor erkenning van het door de eerste rechter te wijzen vonnis is voldaan, hetgeen hij wel moet doen om de exceptie van aanhangigheid te kunnen aanvaarden.
12. Om na te gaan wat artikel 57 nu eigenlijk inhoudt, lijkt het mij ten slotte zinvol, te rade te gaan bij de nationale rechtspraak over de toepassing ervan. Deze is van wezenlijk belang om de draagwijdte van de bepalingen van een internationaal verdrag te bepalen. Het onderzoek van deze rechtspraak, met name de Engelse rechtspraak over de verhouding tussen het Executieverdrag en het Beslagverdrag, bevestigt, dat de stelling van de geïntegreerde of gezamenlijke toepassing van deze verdragen in ruime mate wordt gevolgd, ook voor het probleem van de aanhangigheid of de samenhang van procedures.(13)
13. Concluderend ben ik van mening, dat wanneer een verdrag over een bijzonder onderwerp geen bepalingen over aanhangigheid en samenhang bevat, artikel 57 de toepassing van de artikelen 21 en 22 Executieverdrag gebiedt.
De aanhangigheid in de zin van artikel 21 Executieverdrag
14. Gezien mijn conclusie inzake het probleem van de verhouding tussen het Executieverdrag en de bijzondere verdragen, dient derhalve ook te worden geantwoord op de overige vragen van de Court of Appeal. Met de eerste, de tweede en de vijfde vraag verzoekt deze het Hof in wezen, het in het Executieverdrag gehanteerde begrip aanhangigheid te definiëren, dat wil zeggen, te preciseren in welke gevallen twee vorderingen hetzelfde onderwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen hebben. Nuttige elementen voor het antwoord daarop zijn reeds te vinden in de eerdere arresten van het Hof in deze materie.
Van bijzonder belang is in de eerste plaats het arrest in de zaak Gubisch Maschinenfabrik(14), waarin het Hof preciseerde, dat de begrippen die in artikel 21 worden gebruikt voor de beschrijving van de voorwaarden voor aanhangigheid een autonome uitlegging moeten krijgen ten opzichte van de begrippen die uit het procesrecht van de verschillende nationale rechtsorden kunnen worden afgeleid. Voor deze conclusie heeft het Hof inzonderheid gewezen op het doel waarvoor artikel 21 is ingevoerd, namelijk "in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende Verdragsluitende Staten en met elkaar strijdige beslissingen, die daarvan het gevolg kunnen zijn, (...) voorkomen. Deze regeling wil dus in de mate van het mogelijke en van meet af aan uitsluiten dat er een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 27, lid 3, namelijk dat een beslissing niet wordt erkend wegens onverenigbaarheid met een beslissing die in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen is gegeven."(15) Ook wordt in het arrest benadrukt, dat artikel 21 niet verwijst naar de term aanhangigheid zoals die wordt gebruikt in de verschillende nationale rechtsorden, maar zelf een aantal materiële voorwaarden opsomt als elementen van een definitie.
Op grond van deze overwegingen concludeerde het Hof dan ook, dat aan de voorwaarden voor aanhangigheid was voldaan in een geval waarin in een Verdragsluitende Staat om nietigverklaring van een internationale verkoopovereenkomst was verzocht, terwijl met de eerder bij een rechter van een andere staat aanhangig gemaakte vordering nakoming van dezelfde overeenkomst was gevorderd. Volgens dit arrest zijn de noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 21 dus de identiteit van partijen, ongeacht hun plaats in de beide procedures, en de identiteit van de fundamentele rechtsverhouding die ten grondslag ligt aan de situaties waarop de partijen zich beroepen: aan deze laatste voorwaarde is met name voldaan wanneer de in de ene zaak opgeworpen rechtsvraag logisch voorafgaat aan de vordering in de andere zaak, of wanneer verschillende vorderingen in wezen voortvloeien uit een en dezelfde feitelijke situatie.
15. Het belang van de functie die artikel 21 binnen het Executieverdrag heeft, en de daaruit voortvloeiende noodzaak om deze functie in aanmerking te nemen bij de definitie van het begrip aanhangigheid in de zin van dit artikel, zijn door het Hof ook beklemtoond in het arrest van 27 juni 1991, Overseas Union Insurance e.a.(16) In dit arrest verklaarde het Hof, dat ter bereiking van de doelstellingen van deze bepaling "aan artikel 21 een zo ruime uitlegging (moet) worden gegeven, dat het in beginsel alle situaties omvat waarin voor gerechten van Verdragsluitende Staten dezelfde vorderingen aanhangig zijn"; op grond hiervan heeft het Hof dan ook op de in die zaak gestelde vraag geantwoord, dat bij de toepassing van die bepaling geen rekening moet worden gehouden met de woonplaats van partijen in de twee procedures.
16. Welke consequenties kunnen nu uit deze rechtspraak worden getrokken voor het thans aan de orde zijnde probleem?
Allereerst moet worden opgemerkt, dat blijkens de feiten van de hoofdgedingen de contractuele betrekkingen tussen de verschillende eigenaars van de lading en de eigenaars van het schip werden beheerst door vrachtbrieven met gelijke inhoud, en dat de omstandigheden ° ook de materiële omstandigheden, aangezien het ging om olie als stortgoed ° waaronder het vervoer plaatsvond, in de verschillende zaken dezelfde zijn. Mijns inziens mag derhalve worden geconcludeerd, dat de procedurele situatie waarop deze prejudiciële verwijzing betrekking heeft, wordt gekenmerkt door het feit dat de bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en de Admiralty Court te Londen aanhangige gedingen dezelfde "oorzaak" hebben, dat wil zeggen op dezelfde contractuele betrekking berusten, en ° zij het ten dele, zoals wij zo dadelijk zullen zien ° hetzelfde onderwerp hebben, aangezien in beide gevallen de centrale vraag is, of de eigenaars van het schip aansprakelijk zijn voor de verontreiniging van de sojaolie door insijpeling van verschillende koolwaterstoffen. In feite zijn de twee vorderingen, die tot vaststelling dat de eigenaars van het schip aansprakelijk zijn en die tot vaststelling dat dit niet het geval is, niets anders dan de twee zijden van dezelfde medaille, zoals de Commissie in deze zaak terecht heeft opgemerkt.
17. Op dit punt moet worden gewezen op een zeker niet te verwaarlozen verschil tussen de feiten in de zaak Gubisch Maschinenfabrik en die in de onderhavige zaak: ofschoon ook in die zaak het verband tussen de vorderingen er een van logische volgorde was, verschilde dit in zoverre van het verband in de onderhavige zaak, dat de bij de eerst aangezochte rechter ingestelde vordering een ruimere inhoud had dan de later ingestelde vordering. De vordering tot nakoming van de internationale verkoopovereenkomst ging immers vooraf aan de vordering tot nietigverklaring of ontbinding van dezelfde overeenkomst en laatstgenoemde vordering kon derhalve zelfs ° zoals het Hof verklaarde ° "beschouwd worden als een verweermiddel tegen de eerste vordering, in de vorm van een zelfstandige actie voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat".(17)
In het onderhavige geval is het onderwerp van de in het Verenigd Koninkrijk ingestelde vordering evenwel niet geheel in de eerdere vordering begrepen, aangezien eerstgenoemde mede het verzoek tot schadevergoeding en de bepaling van het schadebedrag omvat, die niet het onderwerp van de oorspronkelijk bij de Nederlandse rechter ingestelde vordering waren (en dat ook niet konden zijn). Aangezien artikel 21 van het Executieverdrag niet voorziet in automatische voeging van de procedures, maar alleen in onbevoegdverklaring van de laatst aangezochte rechter, zou toepassing van de aanhangigheidsregel in een dergelijk geval derhalve tot rechtsweigering kunnen leiden. Immers, wanneer de regels van de rechtsorde waarbinnen het eerder aanhangig gemaakte geding wordt gevoerd, niet toestaan dat het onderwerp van het geding wordt verruimd door de formulering van nieuwe vorderingen of de indiening van nieuwe verweermiddelen, zou het in alle gevallen waarin de ruimer geformuleerde vordering het laatst was ingesteld, onmogelijk worden om alle aspecten van de zaak te behandelen.
18. Derhalve ben ik van mening, dat wanneer bij de laatst aangezochte rechter de ruimere vordering is ingesteld en het niet mogelijk is, het onderwerp van het eerste geding te verruimen (hetgeen in casu overigens niet het geval lijkt te zijn, aangezien alle eigenaars van de lading, al was het maar zekerheidshalve, bij de Nederlandse rechter een verzoek tot schadevergoeding hebben ingediend), deze rechter zich krachtens artikel 21 onbevoegd moet verklaren voor het gedeelte van het onderwerp dat moet worden geacht in de bij de eerste rechter ingestelde vordering te zijn begrepen, en voor het resterende deel de behandeling van de zaak kan schorsen krachtens artikel 22 Executieverdrag.(18)
19. Niet van belang voor de oplossing van het onderhavige probleem, namelijk onder welke voorwaarden kan worden aangenomen dat twee zaken hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak hebben in de zin van het Executieverdrag, lijkt mij het in het Engelse recht bestaande onderscheid tussen de actio in rem, waarmee de eiser zijn aanspraken op een goed geldend maakt, en de actio in personam, die gevolgen beoogt te sorteren voor de verbintenissen tussen personen. De toepassing van artikel 21 mag niet afhankelijk worden gesteld van de kenmerken en bijzonderheden van de nationale procesorden: de verwijzing naar het interne recht van de Verdragsluitende Staten, wanneer dit wegens de onvolledigheid van de regeling van het Executieverdrag noodzakelijk is, is in ieder geval ondergeschikt aan de toepassing van de verdragsbepalingen en kan in geen geval leiden tot resultaten die in strijd zijn met het doel en de ratio van het Executieverdrag zelf.(19) Zoals gezegd, heeft artikel 21 immers tot doel, te voorkomen dat over dezelfde zaak parallelle procedures worden gevoerd voor de gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten en dat als gevolg daarvan tegenstrijdige beslissingen worden gegeven, die ingevolge artikel 27, lid 3, niet kunnen worden erkend. Het komt mij voor, dat de mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen in het onderhavige geval buiten kijf staat, aangezien zowel de in het Verenigd Koninkrijk als de in Nederland aanhangige gedingen draaien om de vraag, of de eigenaars van het schip aansprakelijk zijn voor de verontreiniging van de lading. Het is derhalve van geen belang, of de betrokken procedures naar het burgerlijk procesrecht van de betrokken staten van verschillende aard zijn; het gaat erom, of het substantiële feit waarover de rechter zich moet buigen, identiek is.
De Admiralty Court is trouwens onlangs zelf tot een soortgelijke conclusie gekomen in een arrest van april 1992 in een zaak die op verschillende punten overeenkomsten vertoont met die welke ons thans bezighoudt.(20) In die zaak moest zij namelijk voor de toepassing van de artikelen 21 en 22 Executieverdrag bepalen, of een vordering tot schadevergoeding die de eigenaars van de goederen in Nederland hadden ingesteld wegens schade aan de lading van een schip, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak had als een nadien door dezelfde eigenaars in het Verenigd Koninkrijk krachtens het Beslagverdrag ingestelde vordering tot beslag op het schip. De Engelse rechter oordeelde, dat het onderwerp van de twee vorderingen hetzelfde was, ofschoon de actio in rem en de actio in personam van verschillende aard waren. Hij baseerde deze conclusie op de overweging, dat het onderwerp van de vordering tegen het schip(21) noodzakelijkerwijs hetzelfde is als dat van de vordering tegen de eigenaar, en dat indien de eigenaar de betekening van het beslag niet aanvaardt, degene die de vordering instelt, de aansprakelijkheid van de eigenaar zelf moet bewijzen om een beslissing tegen het schip te verkrijgen.
20. Absolute voorwaarde voor de toepasselijkheid van artikel 21 is voorts, dat de partijen in de bij de rechters van verschillende Verdragsluitende Staten aanhangig gemaakte procedures dezelfde zijn. Zoals gezegd, heeft het Hof reeds geoordeeld, dat er ook dan sprake is van identiteit van partijen wanneer deze in de twee procedures van plaats verwisselen en de eiser in de eerste procedure dus verweerder in de tweede procedure is, mits uiteraard de rechtssituatie in de twee zaken dezelfde is. Met betrekking tot het geval dat aanleiding heeft gegeven tot de onderhavige prejudiciële vragen, moet derhalve zonder meer worden uitgesloten, dat er bij de door Phibro in het Verenigd Koninkrijk ingestelde vordering (folio 2007) en de eerdere Nederlandse zaak sprake is van aanhangigheid, aangezien Phibro in de Nederlandse zaak geen partij was. Maar quid met de andere bij de Engelse rechter aanhangige zaak (folio 2006), waarin slechts enkele van de verzoekers, namelijk de tot groep 3 behorende eigenaars van de lading, ook verweerder zijn in de eerder in Nederland aanhangig gemaakte procedure?
Het komt mij voor, dat er in een dergelijke situatie voor degenen die partij zijn in de twee procedures een duidelijk gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, namelijk wanneer de Engelse rechter zou oordelen dat de eigenaars van het schip aansprakelijk zijn en hen op grond daarvan zou veroordelen tot vergoeding van de schade, terwijl de Nederlandse rechter zou concluderen dat de eigenaars van de lading geen enkel recht kunnen doen gelden jegens de eigenaars van het schip.
Aangezien moet worden gegarandeerd, dat eenieder zijn rechten geldend kan maken, en gelet op de doelstelling van artikel 21 Executieverdrag, moet deze bepaling derhalve aldus worden uitgelegd, dat in dergelijke gevallen de laatst aangezochte rechter zich onbevoegd dient te verklaren voor zover de partijen in het bij hem aanhangige geding ook partij zijn in het eerder aanhangig gemaakte geding. Die rechter moet de procedure tussen de overige partijen voortzetten, met dien verstande, dat hij wanneer de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, de behandeling te hunnen aanzien kan schorsen wegens samenhang, dus niet op grond van artikel 21 maar op grond van artikel 22 Executieverdrag.(22)
21. Ten slotte dient nog te worden ingegaan op de laatste (de vijfde) vraag die de verwijzende rechter over artikel 21 heeft gesteld, en waarmee deze in wezen wenst te vernemen, of de conclusies waartoe de uitlegging van het begrip aanhangigheid in de zin van deze bepaling leidt, tot op zekere hoogte anders kunnen luiden, wanneer de bij de eerste rechter ingediende vordering strekt tot het verkrijgen van een verklaring van niet-aansprakelijkheid. Dienaangaande is door sommigen, in het bijzonder door de eigenaars van de lading, gesteld, dat dit soort vorderingen in feite "forum shopping" verbergt. De eiser zou namelijk geen vordering tegen verweerder hebben, maar alleen een mogelijke vordering van deze laatste tegen hem willen voorkomen. Hij zou daarmee naar behoefte en in zijn eigen belang kunnen bepalen, welke rechterlijke instantie bevoegd is, en derhalve degene die echt belang heeft om in rechte op te treden, de mogelijkheid ontnemen de bevoegde rechter te kiezen op basis van de bepalingen van het Executieverdrag of van een bijzonder verdrag, waarvan de toepassing is verzekerd door artikel 57 van het Executieverdrag zelf. Een uitlegging van artikel 21 die tot gevolg zou hebben dat een vordering die door de vermoedelijke dader van een schadebrengende handeling is ingesteld om een verklaring van niet-aansprakelijkheid te verkrijgen, moet worden gelijkgesteld met de vordering tot schadevergoeding ingesteld door degene die de schade heeft geleden, zou volgens deze opvatting uiteindelijk leiden tot meer onzekerheid bij de vaststelling van de bevoegde rechter, de wettige forumkeuze van de partij met een echte vordering onmogelijk maken en een ongerechtvaardigde prikkel vormen om een geding in te leiden met het enkele doel een procesrechtelijk voordeel te verkrijgen.
22. Deze stelling en de tot staving daarvan aangevoerde argumenten kan ik evenwel niet aanvaarden; gezien de feiten van het hoofdgeding lijkt deze argumentatie mij zelfs volkomen ongerechtvaardigd. Het is ongetwijfeld juist, dat het feit dat in het Executieverdrag en, het zij direct opgemerkt, in het Beslagverdrag, alternatieve criteria voor het bepalen van de bevoegde rechter worden gegeven en dat de ruime keuze die de eiser daardoor heeft om te beslissen aan welke van de gelijkelijk bevoegde rechters hij een bepaald geschil wenst voor te leggen, zich leent voor "inventief" gebruik. Met name kan niet worden uitgesloten, dat wordt gepoogd de bevoegdheid van een bepaalde rechterlijke instantie vast te leggen om te kunnen profiteren van het aldaar toepasselijke materiële recht, dat door de eiser gunstiger wordt geacht, of om de wederpartij in moeilijkheden te brengen.
Dienaangaande zij evenwel opgemerkt, dat dergelijke pogingen, met andere woorden forum shopping, vooral een kans krijgen in stelsels waarin, zij het verhuld, automatisch het criterium van de lex fori wordt toegepast. Wanneer daarentegen de regels van internationaal privaatrecht en/of de rechtspraak criteria hanteren die beter aansluiten bij de aard en de kenmerken van de rechtsbetrekking en bij de verwachtingen van de partijen die deze rechtsbetrekking oorspronkelijk zijn aangegaan en hebben "uitgedacht", dan zijn er ook minder mogelijkheden voor een baatzuchtig gebruik of gewoon voor misbruik van het samenstel van de bepalingen van het internationaal privaatrecht en procesrecht. In elk geval staat het aan de aangezochte rechter om voor eventueel misbruik te waken.
Uiteindelijk kan dit probleem mijns inziens niet worden opgelost door een restrictieve uitlegging van artikel 21, dat wil zeggen een uitlegging die tendeert naar het buiten toepassing laten van die bepaling ° zoals in deze procedure is verdedigd ° wanneer de vordering die het eerst in een van de Verdragsluitende Staten is ingesteld, de verkrijging van een negatieve verklaring beoogt.
Anderzijds zou het, zoals door de Commissie is opgemerkt, een schijnoplossing zijn een onderscheid te willen maken naargelang het verzoek om een verklaring van niet-aansprakelijk het eerst dan wel het laatst is ingediend; een dergelijk onderscheid kan immers niet alleen niet op de tekst van artikel 21 worden gebaseerd, het kan ook niet het probleem vermijden dat deze bepaling wil voorkomen, namelijk dat twee tegelijkertijd aangezochte rechters, die van dezelfde zaak kennis hebben genomen, onderling tegenstrijdige beslissingen geven.
23. Voorts moet worden bedacht, dat vorderingen tot verkrijging van een negatieve verklaring, die overigens in het procesrecht van de verschillende nationale rechtsorden algemeen worden toegestaan en in alle opzichten volkomen wettig zijn, kunnen beantwoorden aan een reële behoefte van de verzoeker. In geval van twijfel of betwisting kan deze bij voorbeeld, indien zijn wederpartij een afwachtende houding aanneemt, er belang bij hebben dat zijn rechten, verplichtingen of aansprakelijkheid uit een bepaalde contractuele betrekking snel gerechtelijk worden vastgesteld. Gezien het tijdstip van indiening van de vorderingen lijkt dit in casu precies het geval te zijn.
24. Mede op grond van deze overwegingen lijkt het mij niet ter zake dienend, maar eerder eigenaardig, dat de eigenaars van de goederen zich beroepen op de risico' s verbonden aan forum shopping. Ik wil niet meer zeggen, maar ik vraag mij af of dit evangelie wel van deze kansel mag worden gepreekt. Al is het zeker mogelijk, dat ook de beslissing van de eigenaars van het schip om de Nederlandse rechter in te schakelen, mede was ingegeven door de wens een wetgeving toegepast te zien die zij gunstiger achtten, zij hebben hun vordering bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam wel iets meer dan anderhalve maand na het lossen van de lading ingesteld, terwijl de vordering van de tot de groepen 2 en 3 behorende eigenaars pas tien maanden later werd ingesteld op een, ik zeg het nogmaals, flinterdunne bevoegdheidsbasis. Voorts is niet betwist, dat de eigenaars van de goederen op grond van het Executieverdrag, meer bepaald de artikelen 2 en 6, lid 1, daarvan, wettig voor de Nederlandse rechter waren gedaagd. Uit dit oogpunt lijkt de bevoegdheid van de Engelse rechter volkomen toevallig, daar zij ingevolge artikel 7, lid 1, van het Beslagverdrag is gebaseerd op de enkele omstandigheid dat een schip van dezelfde eigenaar voor anker was gegaan in een Engelse haven en de eigenaars van de lading in staat waren, daarop beslag te leggen. Gelet op alle omstandigheden van het geval kan men zich derhalve afvragen, wie zich in casu aan forum shopping "schuldig" heeft gemaakt, als men al van "schuld" kan spreken.
25. Concluderend herhaal ik dan ook, dat niet artikel 21 een middel biedt tegen een mogelijk baatzuchtig gebruik van vorderingen tot verkrijging van een negatieve verklaring. In die zin moet mijns inziens ook het reeds meermaals aangehaalde arrest Maschinenfabrik Gubisch worden gelezen, waaruit blijkt dat het begrip aanhangigheid in de zin van het Executieverdrag ook betrekking heeft op het geval waarin een partij bij een rechter van een Verdragsluitende Staat een vordering tot nietigverklaring of ontbinding van een overeenkomst heeft ingediend, terwijl een vordering van de wederpartij tot nakoming van dezelfde overeenkomst aanhangig is bij een rechter van een andere Verdragsluitende Staat. In dat arrest week het Hof zelfs af van de conclusie van de advocaat-generaal, die uitdrukkelijk had gewezen op de mogelijke gevaren van een dergelijke uitlegging van artikel 21, namelijk dat indien een vordering tot betwisting van de geldigheid van een overeenkomst wordt ingediend, iedere latere vordering die op basis van dezelfde overeenkomst voor een gerecht van een andere Lid-Staat wordt ingediend, door middel van de exceptie van aanhangigheid kan worden verlamd.(23) Voorts gaat ook de recentere nationale rechtspraak in de door dit arrest van het Hof aangegeven richting.(24)
Samenhangende vorderingen in de zin van artikel 22 Executieverdrag
26. Met name ° maar niet alleen ° op folio 2007 ziet ten slotte de laatste reeks vragen, betreffende de uitlegging van artikel 22 Executieverdrag. De verwijzende rechter verzoekt het Hof om nadere precisering van het begrip samenhang in de derde alinea van dit artikel, volgens hetwelk, zoals gezegd, als samenhangend worden beschouwd, "vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven".
27. Allereerst zij erop gewezen, dat ook deze definitie, net als hetgeen is gezegd over de aanhangigheid, autonoom moet worden uitgelegd ten opzichte van de begrippen die kunnen worden afgeleid uit de onderling verschillende stelsels van nationaal procesrecht.(25) In dit verband is in de eerste plaats duidelijk, dat twee (of meer) vorderingen samenhangend in de zin van artikel 22, derde alinea, kunnen zijn zonder dat zij dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak hebben. Wanneer deze laatste voorwaarden zijn vervuld, zal immers artikel 21 toepassing vinden: samenhang onderstelt daarentegen, dat de subjectieve of de objectieve elementen van de desbetreffende vorderingen (of eventueel ook beide) verschillend zijn.
Gelet op de subjectieve grenzen van het gewijsde, dat zoals bekend enkel gevolgen kan hebben voor degenen die actief en passief bij de vordering waren betrokken, is het evenwel duidelijk, dat in samenhangende zaken gegeven beslissingen alleen dan in technische zin onverenigbaar kunnen zijn, wanneer de zaken weliswaar een verschillend onderwerp en/of een verschillende oorzaak hebben, maar dezelfde partijen betreffen. Als voorbeeld noem ik een geval dat door het Hof is onderzocht in het kader van artikel 27, sub 3, Executieverdrag, en waarnaar hier van verschillende zijden is verwezen(26): een buitenlandse beslissing waarbij een echtgenoot is veroordeeld om aan de andere echtgenoot alimentatie te betalen uit hoofde van zijn uit het huwelijk voortvloeiende onderhoudsverplichting, is onverenigbaar met een in de aangezochte staat gegeven beslissing waarbij tussen de betrokkenen de echtscheiding is uitgesproken. In dat geval heeft het Hof derhalve verklaard, dat beslissingen met een dergelijke inhoud "rechtsgevolgen hebben die elkaar uitsluiten. De buitenlandse beslissing, die noodzakelijkerwijs het bestaan van de huwelijksband veronderstelt, zou immers ten uitvoer moeten worden gelegd hoewel die band reeds is opgeheven door een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing" (eigen cursivering).(27)
28. Gelet op het doel van de rechtsfiguur samenhang in het kader van het Executieverdrag sluit ik evenwel uit, dat de uitdrukking "onverenigbare uitspraken" in artikel 22, derde alinea, dezelfde beperkte betekenis heeft als de uitdrukking "beslissing onverenigbaar met een (...) gegeven beslissing" in artikel 27, sub 3, zoals in de onderhavige zaak door de meesten is gesteld. Laatstgenoemde bepaling voorziet namelijk in de mogelijkheid om, in afwijking van de beginselen en de doelstellingen van het Executieverdrag, in uitzonderlijke gevallen de erkenning van een buitenlandse beslissing te weigeren, terwijl eerstgenoemde bepaling veeleer beoogt te zorgen voor een betere cooerdinatie van de rechtsbedeling binnen de Gemeenschap om te voorkomen dat uiteenlopende en tegenstrijdige beslissingen worden gegeven, ook al zouden deze afzonderlijk ten uitvoer kunnen worden gelegd.(28) Een voorbeeld dat ik ontleen aan de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Kalfelis(29), lijkt mij het zojuist opgemerkte goed te illustreren: het is bovendien bijzonder ad rem wegens zijn grote overeenkomst met de aan de onderhavige prejudiciële verwijzing ten grondslag liggende feiten. Indien na het instellen van afzonderlijke vorderingen tegen twee personen die ervan worden verdacht een ongeval te hebben veroorzaakt, twee uitspraken worden gedaan, waarbij de ene vordering wordt toegewezen en de andere wordt afgewezen op grond dat de schade niet voldoet aan de voorwaarden om voor vergoeding in aanmerking te komen, kunnen deze uitspraken, al zijn zij tegenstrijdig, wel degelijk tegelijkertijd ten uitvoer worden gelegd, aangezien zij tegen verschillende partijen zijn gegeven. Niettemin zouden de erkenning van de samenhang tussen de twee gedingen en een eventuele schorsing of in voorkomend geval onbevoegdverklaring door de tweede aangezochte rechter krachtens artikel 22, eerste en tweede alinea, de wezenlijke uniformiteit van de rechterlijke beslissingen hebben gediend en daarom met de doelstellingen van het Executieverdrag in overeenstemming zijn geweest.
De ratio van de bepaling is derhalve, te streven naar verenigbare beslissingen bij de rechtsbedeling en dus te vermijden dat beslissingen worden gegeven die zelfs alleen maar uit logisch oogpunt tegenstrijdig zijn. De laatst aangezochte rechter moet dus de door dat artikel geboden middelen kunnen aanwenden telkens wanneer hij vindt, dat de logische redenering die de rechter bij wie de vordering het eerst aanhangig is gemaakt, voor de oplossing van de zaak heeft gevolgd, betrekking kan hebben op punten die voor zijn eigen beslissing van belang kunnen zijn.
29. Dit is mijns inziens in casu het geval. De feitelijke en juridische geschilpunten in de in Nederland aanhangige zaak zijn immers identiek met die in folio 2007, aangezien het vervoer waarop de twee vorderingen betrekking hebben, hetzelfde was, de lading als stortgoed is vervoerd en de door de verschillende eigenaars van de goederen ondertekende vrachtbrieven dezelfde inhoud hadden. Het is dan ook duidelijk, dat indien de twee rechters naast elkaar zouden voortgaan, niet kan worden uitgesloten, dat zij tot "tegenstrijdige" oplossingen in de zojuist gepreciseerde zin komen.
Conclusie
30. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Court of Appeal gestelde vragen over de uitlegging van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, te beantwoorden als volgt:
"1. Artikel 57 Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat indien ° zoals in casu ° een verdrag over een bijzonder onderwerp geen bepalingen over aanhangigheid en samenhang bevat, de artikelen 21 en 22 Executieverdrag van toepassing zijn.
2. Artikel 21 Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat er sprake is van aanhangigheid wanneer er in twee (of meer) zaken volledige of gedeeltelijke identiteit van onderwerp, oorzaak en partijen bestaat. Inzonderheid:
° een in een Verdragsluitende Staat ingestelde vordering om een verklaring te verkrijgen dat de eiser niet aansprakelijk is voor de schade die de verweerders stellen te hebben geleden, heeft hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak als de later door een van de verweerders in de eerste zaak in een andere Verdragsluitende Staat ingestelde vordering tot vaststelling dat de eiser in genoemde eerste zaak aansprakelijk is voor diezelfde schade;
° in dit verband is de omstandigheid dat de vorderingen in het procesrecht van de twee betrokken staten verschillend zijn geregeld, niet van belang;
° de laatst aangezochte rechter is slechts verplicht zich krachtens artikel 21 onbevoegd te verklaren voor dat deel van het geding dat hetzelfde onderwerp en dezelfde procespartijen heeft als het eerst aanhangig gemaakte geding.
3. Artikel 22, derde alinea, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat twee zaken als samenhangend moeten worden beschouwd omdat daartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling om haar gelijktijdige behandeling en berechting vraagt, indien zij betrekking hebben op in wezen identieke feiten en rechtssituaties en derhalve het gevaar bestaat, dat daarop ° zij het slechts logisch ° tegenstrijdige beslissingen worden gegeven."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° De verwijzingsbeschikking is in dat opzicht in feite nogal laconiek, daar zij in wezen niet meer bevat dan de formulering van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen. Ik acht evenwel de feitelijke en juridische informatie die de memories en de door partijen overgelegde stukken verschaffen, ruimschoots voldoende. Mede gelet op het essentiële belang van de mijns inziens in stand te houden samenwerking tussen de gemeenschapsrechter en de nationale rechterlijke instanties, zal ik mij in casu derhalve niet wagen aan een gedetailleerd onderzoek van de vraag, of de verwijzingsbeschikking formeel gezien het Hof in staat stelt van het geschil kennis te nemen.
(2) ° De tekst van dit Verdrag is opgenomen in International Transport Treaties, suppl. 12, mei 1988, blz. I-68.
(3) ° Volledigheidshalve wijs ik er ten slotte op, dat zowel de eigenaars van de lading als de eigenaars van het schip later nog andere vorderingen hebben ingesteld, maar deze zijn voor het antwoord op de aan het Hof gestelde uitleggingsvragen slechts van beperkt belang. Het betreft met name: a) vorderingen tot schadevergoeding wegens de gestelde verontreiniging van de te Rotterdam geloste sojaolie, uit voorzorg in Nederland ingesteld door de groeppen 2 en 3 op respectievelijk 29 september en 3 oktober 1989 voor het geval de Engelse rechter zich onbevoegd zou verklaren; en b) de op 26 oktober 1990 eveneens in Nederland door de eigenaars van het schip ingestelde vordering tot beperking van hun aansprakelijkheid voor de gehele te Rotterdam en te Hamburg geloste lading, welke vordering was gebaseerd op het op 10 oktober 1957 te Brussel ondertekende Internationaal verdrag over de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaars van zeeschepen.
(4) ° Voor een beter begrip van de hierna volgende opmerkingen acht ik het nuttig, de ten tijde van de feiten geldende tekst van de bepalingen van het Executieverdrag weer te geven, waarop de aan het Hof gestelde vragen betrekking hebben.
Artikel 21 ° Wanneer voor gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet het gerecht, waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.
Het gerecht dat tot verwijzing zou moeten overgaan kan zijn uitspraak aanhouden indien de bevoegdheid van het andere gerecht wordt betwist.
Artikel 22 ° Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.
Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven.
Artikel 57 ° 1. Dit Verdrag laat onverlet de verdragen waarbij de Verdragsluitende Staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.
Het Toetredingsverdrag 1978 bepaalt in artikel 25, lid 2, het volgende:
Ten einde de eenvormige uitlegging van artikel 57, eerste lid, te waarborgen wordt dit als volgt toegepast:
a) Het gewijzigde Verdrag van 1968 belet niet dat een gerecht van een Verdragsluitende Staat die partij is bij een verdrag over een bijzonder onderwerp, zijn bevoegdheid aan laatstgenoemd verdrag ontleent, ook al heeft de verweerder zijn woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat die bij dat verdrag geen partij is. Het gerecht bij wie de zaak aanhangig is, past in ieder geval artikel 20 van het gewijzigde Verdrag van 1968 toe.
b) De beslissingen die in een Verdragsluitende Staat zijn gegeven door een gerecht dat zijn bevoegdheid heeft ontleend aan een verdrag over een bijzonder onderwerp, worden in de andere Verdragsluitende Staten overeenkomstig het gewijzigde Verdrag van 1968 erkend en ten uitvoer gelegd.
Indien een verdrag over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de Staat van herkomst als de aangezochte Staat partij zijn, bepalingen bevat omtrent de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, worden deze bepalingen toegepast. Steeds kunnen de bepalingen van het gewijzigde Verdrag van 1968 die betrekking hebben op de procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.
Ten slotte is het zinvol, te herinneren aan de relevante bepalingen van het Beslagverdrag, in het bijzonder artikel 3, dat de gerechten van de Verdragsluitende Staten bevoegd verklaart, verlof te verlenen voor beslag op het schip waarop een zeerechtelijke vordering betrekking heeft (of op elk ander schip dat toebehoort aan dezelfde eigenaar) tot zekerheid van deze vordering. De betekenis van het begrip zeerechtelijke vordering in dit verdrag blijkt uit artikel 1, sub 1, volgens hetwelk dit begrip, inzonderheid en met name voor zover van belang voor de onderhavige zaak, betrekking heeft op vorderingen voortvloeiende uit verlies van of schade aan goederen en bagage, vervoerd per schip (artikel 1, sub f). Ten slotte moet worden herinnerd aan artikel 7, lid 1, waarin aan de gerechten van de Staat waar het beslag is gelegd, rechtsmacht wordt verleend om in een aantal gevallen ook uitspraak te doen in het bodemgeschil: ik beperk mij dienaangaande ertoe, te wijzen op het geval dat overeenkomt met de aanhangige zaak, waarin de gerechten bevoegd zijn krachtens de interne wet van de Staat waar verlof tot het beslag is verleend.
(5) ° Zie in dit verband het rapport Jenard over het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 1 e.v., in het bijzonder blz. 60).
(6) ° Zie in deze zin en voor andere bibliografische verwijzingen, Vassalli di Dachenhausen, T., Il coordinamento tra convenzioni di diritto internazionale privato e processuale, Napels, 1993, in het bijzonder blz. 106 e.v..
(7) ° Het rapport Schlosser is gepubliceerd in PB 1979, C 59, blz. 71 e.v.
(8) ° Ibidem, paragraaf 240.
(9) ° Ibidem, paragraaf 240.
(10) ° Ibidem, paragraaf 240, waarin het probleem van de aanhangigheid uitdrukkelijk wordt opgeworpen en aan de rechtspraak wordt overgelaten.
(11) ° Dit zijn de bewoordingen van de preambule van het Executieverdrag.
(12) ° Zie op dit punt en ook voor andere bibliografische verwijzingen dan de reeds aangehaalde Vassalli di Dachenhausen, Kaye P.: Civil jurisdiction and enforcement of foreign judgments, Abingdon, 1987 (blz. 197 e.v.); O' Malley - Layton, European civil practice, Londen, 1989 (blz. 858 e.v.), en Di Blase, A.: Connessione e litispendenza nella convenzione di Bruxelles, Padua, 1993 (blz. 142 e.v.).
(13) ° Zie in het bijzonder de beslissingen van de Queen' s Bench Division (Admiralty Court) van 17 juli 1978, The Nordglimt , in The Law Reports, 1988, blz. 183 e.v., en van 23 oktober 1987, The Linda , in Lloyd' s Law Reports, 1988, blz. 174 e.v.
(14) ° Arrest van 8 december 1987, zaak 144/86, Jurispr. 1987, blz. 4861.
(15) ° Zie r.o. 8.
(16) ° Zaak C-351/89, Jurispr. 1991, blz. I-3317, r.o. 12-17.
(17) ° Arrest Gubisch Maschinenfabrik, reeds aangehaald, r.o. 16.
(18) ° Zie hierover Di Blase, reeds aangehaald, blz. 75 e.v.
(19) ° Zie in dit verband ook het arrest Gubisch Maschinenfabrik, reeds aangehaald, r.o. 6-8, en het eerdere arrest van 6 oktober 1976, zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473.
(20) ° Het betreft het arrest van de Admiralty Court van 31 maart, 1, 2 en 6 april 1992, in Lloyd' s Law Reports, 1992, blz. 261 e.v.
(21) ° Dienaangaande zij opgemerkt, dat naar Engels zeerecht bij de actio in rem, die gebeurt door beslag op het schip, niet de eigenaar of de reder gedaagde is, maar het schip zelf of de lading, en dat om die reden de dagvaarding wordt betekend aan (...) het schip!
(22) ° Zie in deze zin, zij het met enige aarzeling, Kaye, reeds aangehaald, blz. 1227 e.v.
(23) ° Conclusie van advocaat-generaal Mancini in de zaak Gubisch Maschinenfabrik, reeds aangehaald, blz. 4867, inzonderheid 4869.
(24) ° Zie in dit verband het arrest van het Oberlandesgericht Muenchen van 22 december 1993, in Recht der internationalen Wirtschaft, 1994, blz. 511: in dit arrest oordeelde de Duitse rechter namelijk, onder uitdrukkelijke verwijzing naar het arrest Gubisch Maschinenfabrik, dat de bij de Italiaanse rechter ingestelde vordering tot het verkrijgen van een verklaring van niet-aansprakelijkheid en de later bij de Duitse rechter ingestelde vordering tot schadevergoeding hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak hadden in de zin van artikel 21 Executieverdrag.
(25) ° Zie over dit punt het eerder aangehaald rapport Jenard, blz. 41 en 42, waar met name wordt gepreciseerd: Omdat (...) de uitdrukking samenhang in de verschillende Lid-Staten niet hetzelfde begrip dekt, geeft artikel 22, derde alinea, daarvan een definitie. Deze definitie is gebaseerd op het nieuwe Belgische Gerechtelijk Wetboek (art. 30).
(26) ° Het betreft het arrest van 4 februari 1988, zaak 145/86, Hoffmann, Jurispr. 1988, blz. 645, inzonderheid r.o. 19-25.
(27) ° R.o. 24.
(28) ° Zie op dit punt de conclusie van advocaat-generaal Darmon in zaak 189/87, Kalfelis, bij het arrest van 27 september 1988, Jurispr. 1988, blz. 5565, inzonderheid blz. 5574 e.v. van de conclusie.
(29) ° Aangehaald in de vorige voetnoot, blz. 5575. Zie voor een soortgelijke opvatting in de doctrine Kaye, P., Civil jurisdiction and enforcement of foreign judgments, reeds aangehaald, blz. 1233 e.v., en Di Blase, A., Connessione e litispendenza nella convenzione di Bruxelles, reeds aangehaald, blz. 179 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy