Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De Franse Republiek heeft in deze zaak de gedeeltelijke nietigverklaring gevorderd van beschikking 92/491/EEG van de Commissie van 23 september 1992 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven.(1) Volgens die beschikking kan een bedrag van ongeveer 8,5 miljoen FF dat door de Franse autoriteiten is betaald, niet worden erkend als een ten laste van het Fonds komende uitgave.
2. Dit bedrag is een gevolg van het feit, dat de Franse autoriteiten medeverantwoordelijkheidsheffingen voor granen hebben terugbetaald aan landbouwers die granen hadden verkocht met een beding van wederinkoop en later inderdaad tot wederinkoop van die granen waren overgegaan. Volgens de Commissie zijn de heffingen ten onrechte terugbetaald. De Commissie wijst erop, dat de betrokken heffing volgens de toepasselijke bepalingen verschuldigd is wanneer de granen op de markt worden gebracht, en dat met beding van wederinkoop verkochte granen op de markt zijn gebracht in de zin van de desbetreffende bepalingen.
3. De medeverantwoordelijkheidsheffing heeft haar oorsprong in de graanoverschotten in de Gemeenschap. Teneinde te komen tot een met de vraag overeenstemmend aanbod, en om de producenten bewust te maken van het gebrek aan afzetmogelijkheden op de markt, besloot de Raad een medeverantwoordelijkheidsheffing voor granen in te stellen. Dit gebeurde bij verordening (EEG) nr. 1579/86 van de Raad van 23 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen.(2) Artikel 4 van verordening nr. 2727/75(3), zoals gewijzigd, bepaalde onder meer, dat de heffing gold voor granen die een "eerste verwerking" ondergaan. Voorts was bepaald, dat "de definitie van eerste verwerking" en "de behandelingen die van de medeverantwoordelijkheidsheffing zijn vrijgesteld" in uitvoeringsbepalingen zouden worden vastgesteld.
4. De Commissie stelde de uitvoeringsbepalingen vast bij verordening (EEG) nr. 2040/86 van 30 juni 1986(4), nadien gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2572/86 van 12 augustus 1986.(5) Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2040/86, zoals gewijzigd, bepaalde het volgende:
"Onder 'eerste verwerking' in de zin van deze verordening wordt verstaan elke behandeling van het graan die tot gevolg heeft dat het verkregen produkt niet meer kan worden ingedeeld in hoofdstuk 10 van het gemeenschappelijk douanetarief. De verwerking van granen die door een producent aan een verwerkingsbedrijf worden geleverd of ter beschikking van dit bedrijf worden gesteld met het oog op het gebruik ervan achteraf in zijn eigen landbouwbedrijf, wordt beschouwd als eerste verwerking.
De eerste verwerkingen die door een producent op zijn landbouwbedrijf worden uitgevoerd, zijn vrijgesteld van de medeverantwoordelijkheidsheffing voor zover het verkregen produkt op datzelfde landbouwbedrijf wordt gebruikt als veevoer en voor zover
° de verwerkingsinstallatie deel uitmaakt van de vaste of tijdelijke landbouwuitrusting van het bedrijf (...)"
5. In zijn arrest van 29 juni 1988, Van Landschoot(6), heeft het Hof zich over de geldigheid van deze bepaling uitgesproken. Het dictum van dat arrest luidt als volgt:
"1) Artikel 1, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2040/86 van de Commissie van 30 juni 1986, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2572/86 van de Commissie van 12 augustus 1986, is ongeldig voor zover daarbij de eerste verwerkingen van graan die door een producent op zijn landbouwbedrijf worden uitgevoerd met verwerkingsinstallaties die deel uitmaken van dat bedrijf, zijn vrijgesteld van de medeverantwoordelijkheidsheffing wanneer het verkregen produkt op dat zelfde landbouwbedrijf wordt gebruikt, zonder dat is voorzien dat deze vrijstelling ook geldt voor eerste verwerkingen die door een producent buiten zijn landbouwbedrijf worden uitgevoerd of met verwerkingsinstallaties die geen deel uitmaken van de landbouwuitrusting van dat bedrijf, wanneer het verkregen produkt op dat zelfde bedrijf wordt gebruikt.
2) Het staat aan de gemeenschapswetgever om de consequenties uit dit arrest te trekken en door middel van passende maatregelen de gelijkheid van de ondernemers voor de onderhavige vrijstelling te bewerkstelligen."
6. Vóór de uitspraak van dit arrest had de Raad de regeling inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1097/88 van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen.(7) Artikel 4 van verordening nr. 2727/75 werd in die zin gewijzigd, dat het criterium voor de verschuldigdheid van de heffing niet langer de verwerking was, maar de afzet op de markt door de producenten. Nieuwe uitvoeringsbepalingen voor de heffing werden vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1432/88 van de Commissie van 26 mei 1988(8), waarbij verordening nr. 2040/86, het voorwerp van het arrest Van Landschoot, werd ingetrokken. Na dat arrest wijzigde de Commissie verordening nr. 1432/88 bij verordening (EEG) nr. 2324/88 van 26 juli 1988(9), daar zij van mening was dat tegen verordening nr. 1432/88 dezelfde bezwaren konden worden ingebracht als tegen verordening nr. 2040/86.
7. Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1432/88, zoals gewijzigd, definieert de afzet op de markt als
"de verkoop (...) door de producent van de in lid 1 bedoelde produkten, hetzij als zodanig, hetzij in de vorm van verwerkte produkten (...) aan ophaal-, handels- en verwerkingsbedrijven, aan andere producenten en aan het interventiebureau".
Deze bepaling biedt de producent dus de mogelijkheid, granen te leveren aan een verwerkingsbedrijf, dat ze verwerkt tot veevoeder voor gebruik op het bedrijf van de producent ° loonwerk °, zonder dat hiervoor een heffing verschuldigd is. Ofschoon dit niet uit de bepaling blijkt, staat vast, dat deze steeds is uitgelegd en toegepast in die zin, dat voor de vrijstelling van de heffing niet vereist is, dat het geleverde graan identiek is met het graan dat voorkomt in het verwerkte produkt. Voorwerp van het onderhavige geschil is de uitlegging en toepassing van deze bepaling.
8. De voorschriften voor de terugbetaling van de op grond van verordening nr. 2046/86 ten onrechte geïnde heffingen werden door de Commissie vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3779/88 van 2 december 1988.(10) Deze verordening was het voorwerp van het arrest van het Hof van 20 september 1990, Van Landschoot II(11), dat voor de onderhavige zaak van wezenlijk belang is.
9. Het hoofdgeding ° overigens hetzelfde als aanleiding had gegeven tot de prejudiciële vraag en het arrest van het Hof van 1988 ° betrof een situatie waarin een landbouwer ongeveer 5 000 kg tarwe had verkocht aan een verwerkingsbedrijf, dat vervolgens aan die landbouwer ongeveer 13 000 kg mengvoeder voor kippen had verkocht. Het mengvoeder bestond voor 35 % uit tarwe, dat wil zeggen ongeveer 4 500 kg. De landbouwer stelde op grond daarvan, dat hij voor die 4 500 kg geen medeverantwoordelijkheidsheffing behoefde te betalen. Het Vredegerecht van het kanton Brasschaat, dat van het geschil kennis nam, stelde het Hof de vraag, of de terugbetalingsverordening geldig was voor zover op grond daarvan nog steeds een heffing moest worden betaald voor granen die aan een verwerkingsbedrijf werden verkocht, "ook al werden zij later door een producent terug ingekocht, onder de vorm van voeders, met het oog op gebruik op het eigen landbouwbedrijf".
10. Het Hof achtte de verordening niet ongeldig. Het stelde in de eerste plaats in rechtsoverweging 22 vast, dat het gelet op het doel van de heffing, namelijk de graanoverschotten op de markt te beperken, gerechtvaardigd was de heffing enkel "toe te passen bij de verwerking van graan dat op de markt wordt gebracht, aangezien de hoeveelheden graan die in een gesloten circuit terechtkomen, niet aan het ontstaan van overschotten bijdragen". Voorts verklaarde het in rechtsoverweging 24, dat gelet op het doel van de medeverantwoordelijkheidsheffing, "het feit dat de produkten al dan niet op de markt worden gebracht, het onderscheidend criterium (is) wanneer het erom gaat te beslissen, of een producent de heffing al dan niet dient te betalen". In de rechtsoverwegingen 25 en 27 overwoog het vervolgens:
"Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat er sprake is van op de markt brengen, zodra een producent het door hem geproduceerde graan verkoopt aan ongeacht welke verwerker, ook wanneer die producent het graan later in de vorm van verwerkte produkten van de verwerker terugkoopt.
(...)
Op grond van hetzelfde criterium moet voorts worden geoordeeld, dat producenten zich in een verschillende situatie bevinden en dus verschillend mogen worden behandeld, naar gelang zij ofwel graan aan een verwerker verkopen, zelfs wanneer dat gebeurt met de bedoeling later op basis van dat graan verwerkte mengvoeders voor gebruik op hun bedrijf van hem te kopen, ofwel enkel graan voor hun rekening door een verwerker doen verwerken. In het eerste geval worden de produkten immers op de markt gebracht, en in het tweede geval niet."
11. In de onderhavige zaak gaat het erom, of de verkoop van graan met beding van wederinkoop voor de producent kan worden gezien als "op de markt brengen". Verkoop met beding van wederinkoop ° "vente avec clause de réméré" ° is een in de artikelen 1659 tot en met 1673 van de Franse code civil geregelde vorm van overeenkomst.
12. Ten aanzien van de achtergrond van het gebruik van dit type overeenkomst in de graanhandel heeft de Franse regering verklaard, dat op grond van 's Hofs arrest van 1988 en de naar aanleiding daarvan gewijzigde voorschriften vrijstelling van de heffing mogelijk is zowel in het geval dat de producent de granen door een derde laat verwerken met het oog op een later gebruik ervan op zijn bedrijf en hij na verwerking dezelfde granen terugontvangt, als in het geval dat de producent granen ter verwerking aan een derde levert, maar de teruggeleverde verwerkte granen niet voortkomen uit de door de producent geleverde partij. De Franse regering voert aan, dat de situatie waarin het geleverde en het verwerkte graan niet identiek zijn, door de Franse belastingwetgeving wordt behandeld als twee verkopen. De Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ° gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarden: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), geeft de Lid-Staten de mogelijkheid zelf te bepalen, of een dergelijke situatie moet worden gezien als een dubbele verkoop, en de Franse regering heeft deze keuze gemaakt. Nu de betrokken transactie naar Frans recht dus als verkoop wordt aangemerkt, kan hiervoor geen vrijstelling van de medeverantwoordelijkheidsheffing worden verleend. Om ervoor te zorgen dat de Franse landbouwers, evenals de andere landbouwers van de Gemeenschap, in deze situatie geen heffing behoeven te betalen, is daarom besloten de Franse landbouwers mee te delen, dat bij het terugnemen van graan dat is verkocht met beding van wederinkoop, geen heffing verschuldigd is. De nadere voorwaarden hiervoor zijn meegedeeld bij circulaire van het Franse interventiebureau, het Office national interprofessionnel des céréales (ONIC).
13. Uit deze circulaire blijkt onder meer, dat het gebruik van dit type overeenkomst aan een reeks voorwaarden is gebonden, waaronder met name de volgende:
° de overeenkomst met beding van wederinkoop moet zijn gesloten vóór de levering van het graan;
° vóór levering kan geen wederinkoop plaatsvinden;
° de overeenkomst geldt slechts voor het lopende oogstseizoen;
° de medeverantwoordelijkheidsheffing moet feitelijk worden betaald op het moment van de verkoop, zodat zij ten laste komt van de producent;
° bij het aangaan van de overeenkomst moet een schatting worden gemaakt van de hoeveelheden die met beding van wederinkoop worden verkocht teneinde te worden verwerkt tot veevoeder voor gebruik op het bedrijf van de producent;
° de koper moet op het enkele verzoek van de verkoper de met beding van wederinkoop verkochte hoeveelheid graan terugleveren.
14. Tijdens de vóór de afsluiting van de rekening met de Commissie gevoerde besprekingen heeft de Franse regering over dit type overeenkomst en de toepassing ervan het volgende verklaard:
"Wanneer de producent meent, dat een bepaalde hoeveelheid graan voor hem moet worden gereserveerd met het oog op gebruik ervan op zijn bedrijf in hetzij onverwerkte, hetzij verwerkte vorm, verkoopt hij die hoeveelheid met recht van wederinkoop aan het ophaalbedrijf tegen de op de dag van verkoop geldende prijs, maar onder betaling van de medeverantwoordelijkheidsheffing. Het gaat dus geenszins om een vrijstelling van de heffing, (...) maar om een normale verkoop, aangezien het beding van wederinkoop enkel betekent, dat bij terugkoop van de betrokken hoeveelheid de verkoop rechtens wordt ontbonden, 'waarbij de vóór de verkoop bestaande situatie wordt hersteld' . De wederinkoop leidt dus tot ontbinding van de verkoop en daarmee van de afzet op de markt. Volgens de Franse wet kan niet alleen worden teruggekocht van de eerste koper, maar ook van een latere verkrijger die op het tijdstip van de wederinkoop eigenaar van de betrokken hoeveelheid is, eventueel het verwerkingsbedrijf."
15. De Franse regering heeft betoogd, dat graan dat met beding van wederinkoop wordt verkocht en later ook echt wordt teruggekocht, niet kan worden geacht op de markt te zijn gebracht. Zij betwist niet, dat de eigendom van het graan bij de verkoop op de koper is overgegaan, doch acht deze omstandigheid rechtens niet doorslaggevend. Tot staving van haar stelling, dat het graan op het moment van de verkoop niet op de markt wordt gebracht, wijst de Franse regering onder meer op de voorwaarden voor het gebruik van dit type overeenkomst en op het feit, dat de beschikkingsbevoegdheid van de koper over het graan beperkt is doordat hij op een zeker tijdstip zijn verplichting uit hoofde van het beding van wederinkoop moet kunnen nakomen.
16. Bij de beantwoording van de in deze zaak gerezen vragen moet worden uitgegaan van het begrip "op de markt brengen" zoals dit door het Hof is uitgelegd. Mijns inziens volgt uit het arrest van 1990, dat het Hof voor de vaststelling van het moment van het op de markt brengen niet beslissend acht, of het betrokken graan na de verkoop terugkeert naar het bedrijf waar het vandaan komt. Het arrest van het Hof moet aldus worden verstaan, dat de omstandigheid dat een bedrijf graan gebruikt, op zichzelf nog geen vrijstelling van de heffing oplevert. Het gebruik door een bedrijf van ° al dan niet verwerkt ° graan levert alleen dan vrijstelling van de heffing op, indien het graan niet op de markt is gebracht.
17. Ik ben met de Commissie van mening, dat voor de bepaling van het moment waarop het graan op de markt wordt gebracht, van belang is, dat bij het aangaan van de overeenkomst de prijs wordt vastgesteld en ook wordt betaald. Na de levering van het graan heeft de producent geen enkele verplichting met betrekking tot dit graan; in zoverre verkeert hij in dezelfde situatie als de verkoper die graan heeft verkocht zonder beding van wederinkoop. Hij is wellicht zelfs beter af, doordat hij al naar gelang de prijsontwikkeling erover kan speculeren, of hij van zijn recht op wederinkoop gebruik zal maken. Voor zover bij het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar is, dat wederinkoop zal plaatsvinden, kan zeker niet worden uitgesloten, dat de markt in mindere mate wordt beïnvloed dan bij verkoop zonder de mogelijkheid van wederinkoop. Het valt namelijk aan te nemen, dat het verwerkingsbedrijf in het laatste geval eerder geneigd zal zijn, te trachten het graan door te verkopen. Zolang de producent evenwel van het gebruik van zijn recht van wederinkoop kan afzien, is het onderscheid tussen verkoop met beding van wederinkoop en gewone verkoop minder relevant. Bovendien lijkt de beperking van de bevoegdheid van de koper om over het graan te beschikken, niet erg belastend, aangezien hij op een markt die wordt gekenmerkt door overschotten, zijn verplichtingen uit hoofde van het beding van wederinkoop met ander graan kan nakomen.
18. Ik twijfel dus niet aan de juistheid van hetgeen de Franse regering heeft gezegd over het gebruik van dit type overeenkomst en de maatregelen die zijn genomen om misbruik ervan tegen te gaan. Deze informatie had bij voorbeeld relevant kunnen zijn indien het doel van de heffing was geweest, het gebruik van graan te belasten, met uitzondering van het eigen gebruik van de landbouwers. Het doel van de heffing is evenwel, te voorkomen dat het graan op de markt komt, en dit doel komt in gevaar indien het graan op de markt wordt gebracht, al dan niet met beding van wederinkoop. Ik ben dan ook van mening, dat de Commissie niet dient te erkennen, dat de Franse autoriteiten de heffing voor hoeveelheden die naderhand door de betrokken producent voor gebruik op zijn bedrijf zijn teruggekocht, terecht hebben terugbetaald.
Conclusie
19. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging,
° het beroep te verwerpen,
° de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) ° PB 1992, L 298, blz. 23.
(2) ° PB 1986, L 139, blz. 29.
(3) ° PB 1975, L 281, blz. 1.
(4) ° PB 1986, L 173, blz. 65.
(5) ° PB 1986, L 229, blz. 25.
(6) ° Zaak 300/86, Jurispr. 1988, blz. 3443.
(7) ° PB 1988, L 110, blz. 7. Bij deze verordening werd ook een extra medeverantwoordelijkheidsheffing ingevoerd; voor zover het het in casu in geschil zijnde punt betreft, gelden hiervoor dezelfde regels als voor de medeverantwoordelijkheidsheffing.
(8) ° PB 1988, L 131, blz. 37.
(9) ° PB 1988, L 202, blz. 39.
(10) ° PB 1988, L 332, blz. 17.
(11) ° Zaak C-203/89, Jurispr. 1990, blz. I-3509.
Full & Egal Universal Law Academy