Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Bij beschikking van 27 augustus 1992 heeft het Bundesverwaltungsgericht drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verschillende communautaire verordeningen tot regeling van de voorwaarden voor toekenning van communautaire steun voor magere-melkpoeder dat in de ene Lid-Staat wordt geproduceerd en is bestemd om in een andere Lid-Staat te worden verwerkt. De gestelde vragen hebben betrekking op de mogelijkheid tot het verrichten van systematische controles aan de grens, alsmede op de verenigbaarheid van dergelijke controles met de artikelen 9, 12, 16 en 95 EEG-Verdrag, wanneer die controles zijn bedoeld om de naleving te verzekeren van vereisten op het gebied van de samenstelling van magere-melkpoeder.
2. Alvorens nader op de strekking van de gestelde vragen in te gaan, wil ik de relevante punten van de betrokken regeling en de feiten die aan het geschil tussen Deutsches Milch-Kontor en de Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigd door het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, hierna: "BEF") ten grondslag liggen, in het kort resumeren.
I ° De toepasselijke regeling
3. Bij verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten(1) is een pakket maatregelen ingevoerd om de afzet van de binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende produkten te bevorderen. Artikel 7, lid 2, tweede alinea, bepaalt:
"Voor het mager melkpoeder dat in de loop van een melkprijsjaar niet tegen normale voorwaarden kan worden afgezet, kunnen bijzondere maatregelen worden genomen."
4. Meer in het bijzonder bepaalt artikel 10, lid 1, dat steun wordt verleend aan als voeder voor dieren gebruikt magere-melkpoeder, indien het aan bepaalde vereisten voldoet.
5. Op de grondslag van deze verordening heeft de Raad op 15 juli 1968 verordening (EEG) nr. 986/68 vastgesteld, houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en mager melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden(2), welke steun wordt toegekend door de Lid-Staat waar het poeder wordt verwerkt of gedenatureerd. Ingevolge artikel 3, lid 1, van deze verordening mocht evenwel gedurende enige tijd van dit stelsel worden afgeweken, in dier voege dat de steun mocht worden toegekend door de Lid-Staat waar het produkt werd vervaardigd en niet door die waar het werd verwerkt.
6. Toen de Lid-Staten de Commissie te kennen gaven, dat zij dit laatste systeem voor wat betreft Italië wensten te verlengen, stelde deze verordening (EEG) nr. 1624/76 van 2 juli 1976 vast(3), die de Lid-Staat van uitvoer toestaat de steun uit te betalen voor magere-melkpoeder dat op zijn gebied is geproduceerd, maar bestemd is om in Italië te worden gedenatureerd of verwerkt.
7. Deze verordening is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1726/79(4), die de uitbetaling van steun door de Lid-Staat van uitvoer aan bepaalde voorwaarden verbindt.
8. Artikel 2, lid 1, luidt thans als volgt:
"De steun wordt door de Lid-Staat van verzending slechts uitgekeerd:
a) als het magere-melkpoeder als zodanig of het in een mengsel verwerkte magere-melkpoeder voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, leden 2, 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1725/79 en in de Lid-Staat van verzending aan de desbetreffende controle, bedoeld in artikel 10 van die verordening, is onderworpen;
b) met inachtneming van de voorwaarden ten aanzien van het watergehalte als bedoeld in artikel 1, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1725/79 alsmede van de bepalingen van artikel 10, lid 1, van diezelfde verordening;
(...)"
9. Lid 4 is als volgt geherformuleerd:
"Het controle-exemplaar wordt slechts afgegeven indien een door de bevoegde autoriteit opgestelde verklaring wordt overgelegd, waarin wordt verklaard dat de bepalingen van lid 1, sub a) en b), in acht zijn genomen."
10. Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1725/79(5), waarnaar in verordening nr. 1726/79 wordt verwezen, vereist dat het magere-melkpoeder in kwaliteit en samenstelling aan de geldende voorschriften beantwoordt. Artikel 10 vervolgens, beginnend met de volgende aanhef:
"Om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze verordening in acht worden genomen, nemen de Lid-Staten met name de volgende controlemaatregelen",
regelt in hoofdzaak de controle op de kwaliteit van het magere-melkpoeder enerzijds en die op de verwerking tot mengvoeder anderzijds.
11. De controle op de kwaliteit vindt in de regel plaats op het moment van de denaturalisatie of de verwerking, met dien verstande dat ingevolge artikel 10, sub 1, tweede alinea, het volgende geldt:
"Indien evenwel het gebruikte magere-melkpoeder, als zodanig of in de vorm van een mengsel, rechtstreeks komt uit het bedrijf waar het is vervaardigd, dan mag de in de vorige alinea bedoelde controle worden verricht voor het magere-melkpoeder dat bedrijf verlaat."
12. In dat geval moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan, opdat het aldus gecontroleerde produkt hetzelfde is als het te verwerken produkt.
13. Omtrent de controle op de denaturalisatie schrijft de verordening niet meer dan "niet-aangekondigde en regelmatige (...) controles (...) ten minste om de veertien produktiedagen"(6) voor.
II ° De feiten in het hoofdgeding
14. Verweerster in het hoofdgeding, de vennootschap Deutsches Milch-Kontor, koopt in de Bondsrepubliek Duitsland magere-melkpoeder, bestemd voor uitvoer naar Italië om aldaar tot mengvoeder te worden verwerkt. Het vervoer geschiedt met vrachtauto' s met elk een partij van 25 ton, die bij het passeren van de grens systematisch worden gecontroleerd door het BEF. Het BEF laat uit iedere vrachtautolading een monster nemen, ten einde zich ervan te overtuigen dat de waar beantwoordt aan de in de gemeenschapsverordeningen gestelde eisen. De met die controles gemoeide onderzoekskosten brengt het BEF de exporteur in rekening voor een bedrag van 112 DM per monster. Aldus werden tussen 29 april en 8 september 1980 betalingsbevelen verstuurd voor een bedrag van 17 081,28 DM, zijnde de kosten voor de verrichte onderzoeken. Deutsches Milch-Kontor vocht in rechte de regelmatigheid daarvan aan, onder het betoog dat een dergelijke doorberekening gelijk te stellen was met een heffing van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking.
15. In eerste aanleg werd haar beroep door het Verwaltungsgericht Frankfurt verworpen, maar in hoger beroep werden de betalingsbevelen nietigverklaard op grond dat de gemeenschapsregeling slechts steekproefsgewijze controles zou toestaan.
16. Het BEF heeft daarop beroep in "Revision" ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht, dat van het Hof wenst te vernemen, met welke frequentie de in de gemeenschapsregeling voorgeschreven controles mogen worden verricht(7), alsmede of de doorberekening van de kosten daarvan verenigbaar is met de artikelen 9, 12, 16 en 95 EEG-Verdrag.(8)
17. Met de eerste twee vragen, die ik te zamen zal behandelen, wenst de verwijzende rechter, zakelijk weergegeven, te vernemen, of artikel 2, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 1624/76 van 2 juli 1976, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr. 1726/79 van 26 juli 1979, verlangt dat de controle zich richt op elke vrachtautolading, wanneer het magere-melkpoeder bestemd is om in Italië te worden verwerkt, en zo neen, met welke frequentie die controle dan moet worden verricht.
III ° Standpuntbepaling
18. Zowel de Commissie als de Duitse regering zijn van mening, dat voor afgifte van de voorgeschreven verklaring vereist is, dat de controle plaatsvindt bij het overschrijden van de grens, om te waarborgen dat de in de gemeenschapsregeling neergelegde bepalingen worden nageleefd. Bedoelde verklaring kan eerst worden afgegeven na voorafgaand onderzoek van de uit te voeren partijen, welk onderzoek aan de grens dient plaats te vinden om ieder gevaar van fraude met gemeenschapssteun uit te bannen.
19. Deutsches Milch-Kontor brengt daartegen in, dat artikel 10, sub 2, van verordening nr. 1725/79 alleen machtigt tot "regelmatige en onaangekondigde", dus steekproefsgewijze controles.
20. Hierop kan ik meteen zeggen, dat geen van de gemeenschapsverordeningen enigerlei systematische of steekproefsgewijze controle op de samenstelling van magere-melkpoeder aan de grens voorschrijft; controles dienen alleen plaats te vinden ofwel in het bedrijf waar het magere-melkpoeder is geproduceerd (artikel 10, sub 1), ofwel bij de denaturering of de verwerking tot diervoeders (artikel 10, sub 2).
21. Evenmin zijn systematische controles in het produktiebedrijf voorgeschreven. Weliswaar kan het "bewijs dat de goederen door de Lid-Staat van bestemming onder controle zijn geplaatst en dat de (...) waarborg is gesteld, (...) slechts worden geleverd door overlegging van het (...) controle-exemplaar"(9), maar dat exemplaar wordt slechts afgegeven indien de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van verzending verklaart, "dat de bepalingen van lid 1, sub a) en b), in acht zijn genomen"(10), dat wil zeggen dat de kwaliteit en de samenstelling van het magere-melkpoeder aan die bepalingen voldoen en dat de controle daarop heeft plaatsgevonden. Dit impliceert echter niet de voorafgaande controle op de plaats van produktie van alle uit te voeren partijen.
22. Men houde voor ogen, dat artikel 10 van verordening nr. 1725/79 de Lid-Staten verplicht, toe te zien op de naleving van de voorschriften van deze verordening, en dat "onaangekondigde en regelmatige" controles worden geacht aan dit vereiste te voldoen.
23. De gemeenschapsregeling lijkt derhalve geen systematische controle voor te schrijven.
24. Waar bovendien artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1624/76, zoals gewijzigd, ter zake van de te verrichten controle globaal verwijst naar artikel 10 van verordening nr. 1725/79, moet daarmee, wat de frequentie betreft, noodzakelijkerwijs sub 2 zijn bedoeld, ook al heeft die bepaling betrekking op de verwerking of de denaturering van het magere-melkpoeder.
25. In de zaak Denkavit Futtermitel(11) verklaarde het Hof met betrekking tot voornoemd artikel 10, dat hierin
"(...) de controlemaatregelen worden opgesomd die de Lid-Staten dienen te nemen onder meer ten aanzien van het maximumwatergehalte van magere-melkpoeder en het gebruik daarvan, als zodanig of verwerkt in een mengsel, voor de vervaardiging van mengvoeder in de zin van de verordening. Met betrekking tot dit laatste bepaalt artikel 10, lid 2, dat de door de betrokken Lid-Staat vastgestelde controlemaatregelen ten minste aan de daar genoemde voorwaarden moeten voldoen."(12)
26. Artikel 10 schrijft "onaangekondigde en regelmatige" controles voor. Waar het hier echter om minimumgaranties gaat, zouden de Lid-Staten, zo komt mij voor, in de produktiebedrijven zeer wel een systematische controle op de kwaliteit en samenstelling van het magere-melkpoeder kunnen invoeren, om zich ervan te overtuigen dat het produkt voldoet aan de voorwaarden om voor communautaire steun in aanmerking te komen.
27. Zulke aanvullende controles zouden in dat kader verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, om de al te veelvuldige fraude met steun, die trouwens ook de Rekenkamer(13) regelmatig aan de kaak heeft gesteld, te voorkomen.
28. Advocaat-generaal Capotorti schreef in zijn conclusie bij het arrest BayWa het volgende(14):
"Er zijn veeleer goede gronden voor de stelling, dat elke andere ° uiteraard aanvullende en niet vervangende ° controle volledig verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Men moet niet vergeten dat het doel van de controles is, misbruik door de gerechtigden te voorkomen en een doeltreffende verwezenlijking van het beleid tot stimulering van denaturering in alle Lid-Staten te verzekeren. De invoering van controles die een aanvulling vormen op die welke rechtstreeks door de gemeenschapsbepalingen zijn voorzien, is niet in strijd maar in overeenstemming met die bepalingen."(15)
29. In casu wordt echter niet gevraagd naar de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van aanvullende controles die de Bondsrepubliek in de produktiebedrijven zou hebben ingevoerd, maar om vervangende controles die systematisch bij het overschrijden van de grens worden uitgevoerd.
30. Controles bij de produktie zullen namelijk zeldzaam zijn, daar de deskundige van de Duitse regering er ter terechtzitting weliswaar melding van heeft gemaakt, maar noch de verwijzende rechter noch een der partijen in het hoofdgeding deze ter sprake brengt. Zo zij al plaatsvinden, kunnen de Lid-Staten aanvullende controles instellen, maar moet de verenigbaarheid daarvan in het licht van het gemeenschapsrecht worden beoordeeld.
31. In zijn conclusie in voornoemde zaak Denkavit Futtermitel drukt advocaat-generaal Capotorti zich op dit punt zeer duidelijk uit:
"Aangezien deze controle echter een optreden van de nationale overheidsinstanties meebrengt, is het duidelijk dat elke Lid-Staat de bevoegdheid dient te hebben om de noodzakelijke maatregelen te treffen ten einde de formele en procedurele aspecten van dit optreden te regelen (uiteraard zonder in strijd te komen met enig communautair voorschrift)."(16)
32. Zo besliste het Hof in het arrest Hessische Mehlindustrie(17) op de vraag naar de verenigbaarheid van nationale maatregelen met de gemeenschapsvoorschriften, dat
"(...) verschillende controlemethoden als steekproeven, inzage der boeken of rekening als denatureringsbedrijf ieder voor zich dan wel tezamen gelijkelijk doeltreffend kunnen zijn, ofschoon geen dezer methoden een absolute waarborg biedt".(18)
33. Een systematische controle aan de grens van alle vrachtauto' s met magere-melkpoeder dat voor verwerking in Italië is bestemd, kan daarentegen niet als verenigbaar met het gemeenschapsrecht worden beschouwd is, met name niet met het evenredigheidsbeginsel.
34. In het arrest Commissie/Italië(19), waarin het ging om douane-expediteurs, beklemtoonde het Hof het volgende:
"Controles aan de grenzen zijn nog slechts gerechtvaardigd voor zover zij noodzakelijk zijn voor de toepassing van de in artikel 36 EEG-Verdrag bedoelde uitzonderingen op het vrije verkeer; voor de heffing van binnenlandse belastingen als bedoeld in artikel 95 EEG-Verdrag, in gevallen waarin de grensoverschrijding op één lijn kan worden gesteld met de situatie die voor binnenlandse goederen het belastbare feit oplevert; voor de controles van het transitoverkeer, en ten slotte wanneer zij onontbeerlijk blijken om redelijk volledige en juiste gegevens over de intracommunautaire goederenbewegingen te verkrijgen. Deze resterende controles moeten echter tot een minimum worden beperkt, zodat het goederenverkeer tussen Lid-Staten plaatsvindt in omstandigheden welke die van een binnenlandse markt zo dicht mogelijk benaderen."(20)
35. Evenmin kunnen systematische controles aan de grens hun rechtvaardiging vinden in een communautaire regeling. Zo heeft het Hof, onder meer in het arrest Denkavit Nederland(21), het volgende geoordeeld:
"Het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking geldt, gelijk het Hof meermaals heeft verklaard, niet enkel voor nationale maatregelen, maar evenzeer voor maatregelen die van de gemeenschapsinstellingen uitgaan (...)"(22)
36. Daarbij wil ik de kanttekening plaatsen, dat het Hof de gemeenschapsinstellingen, die het gemeenschappelijk belang hebben te dienen, met het oog op de werking van de gemeenschappelijke markt een ruimere beoordelingsvrijheid heeft toebedeeld dan de Lid-Staten, wier belangen ieder voor zich beschouwd niet noodzakelijkerwijs met het algemeen belang samenvallen.
37. In dit verband besliste het Hof in het arrest Van Luipen(23), dat een nationale regeling geen rechtvaardiging kon bieden voor de verplichte aansluiting van groenten- en fruitproducenten bij een controle-instantie, die als enige bevoegd was landbouwprodukten te controleren op hun kwaliteit en daarmee op de mate waarin zij beantwoordden aan de eisen van de gemeenschapsregeling, die aansluiting niet verplicht stelde. Het Hof overwoog:
"(...) een doeltreffende controle [kan] ook zonder zulk een aansluitingsplicht worden georganiseerd, en het is vaste rechtspraak dat overwegingen van administratieve aard een afwijking door een Lid-Staat van het gemeenschapsrecht niet kunnen rechtvaardigen".(24)
38. Zonder het onmiskenbare gevaar van fraude met communautaire steun te onderschatten, komt het mij voor dat in de onderhavige zaak, ofschoon de doelmatigheid van het controlesysteem een differentiëring kan rechtvaardigen al naargelang de verwerking van het produkt in de Lid-Staat van produktie plaatsvindt of in een andere Lid-Staat, zoals het geval was in de zaak Denkavit Nederland, gevaar van fraude daarentegen geen objectieve rechtvaardiging kan vormen voor een systematische controle aan de grens.
39. Uit de opmerkingen van de Duitse regering komt in dit verband naar voren, dat dergelijke controles in dat stadium niet zozeer noodzakelijk zijn ter vermijding van het gevaar van fraude, maar beantwoorden aan "economische" en "praktische" overwegingen.
40. Wat de eerstgenoemde grond betreft, moet worden bedacht dat alleen maatregelen van niet-economische aard eventueel in de weg kunnen staan aan het vrije verkeer van goederen(25), en dat, wat de tweede grond betreft, het Hof in zijn rechtspraak rechtvaardigingen van administratieve aard niet aanvaardt.(26)
41. Een controle in het produktiebedrijf zelf zou dit doel dan ook stellig kunnen waarborgen, zonder echter met het gemeenschapsrecht in strijd te komen. Daarbij zouden incidentele controles aan de grens kunnen worden verricht om er zich in geval van twijfel of verdenking van te overtuigen, dat er tussen de produktie en de verzending naar de exportbestemming niet met het magere-melkpoeder wordt gefraudeerd.
42. Voor het overige zou een eventuele rechtvaardiging door het Hof van de door de Bondsrepubliek Duitsland getroffen maatregelen zwaarwegende gevolgen hebben voor andere sectoren waarin voor de produkten in gemeenschapsverordeningen kwaliteitsnormen zijn vastgelegd. Zou men evenwel in het belang van de volksgezondheid systematische controles mogen verrichten aan de grens van de Lid-Staat van produktie?
43. Het Hof heeft zich reeds eerder moeten buigen over de vraag, of controles die door de Lid-Staat van invoer uit hoofde van de volksgezondheid worden verricht, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Het was toen van oordeel, dat er andere maatregelen bestonden die het handelsverkeer minder beperkten. Ik kan hier het arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk(27) noemen, waarin het ging om UHT-melk.
44. Advocaat-generaal VerLoren van Themaat was in zijn conclusie bij het arrest Delhaize Frères(28) van mening,
"(...) dat ook voor zover geen harmonisatierichtlijnen ten aanzien van sanitaire controles van kracht zijn, artikel 36 EEG-Verdrag stelselmatige nationale controles in het invoerland geenszins onbeperkt toelaat. Naast het proportionaliteitsbeginsel en verplichtingen om ook dan met gelijkwaardige controles in het uitvoerland rekening te houden, zijn hier met name van belang de verboden van willekeurige discriminatie en van verkapte handelsbeperkingen."(29)
45. Controlemaatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, kunnen bepaalde marktdeelnemers van uitvoertransacties doen terugschrikken vanwege het strikte karakter van de ingevoerde maatregelen en de aan elke controle nu eenmaal verbonden wachttijden, zodat er een belemmering van de handel tussen de Lid-Staten ontstaat.
46. Mijn conclusie ten aanzien van de eerste twee vragen is, dat verordening nr. 1726/79 zich verzet tegen een nationale regeling krachtens welke bij de uitvoer van voor verwerking in een andere Lid-Staat bestemd magere-melkpoeder aan de grens een systematische controle van alle met dat produkt beladen vrachtauto' s wordt verricht ten einde toe te zien op de inachtneming van de in verordening nr. 1725/79 gestelde voorwaarden.
47. Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de doorberekening aan de marktdeelnemers van de met de analyses bij de systematische controles aan de grens gemoeide kosten, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
48. In het arrest Denkavit Futtermitel(30) heeft het Hof zich reeds over deze vraag moeten buigen. Het overwoog als volgt:
"[In] (...) artikel 10 van verordening nr. 725/79 (...) blijkt (...) niets te zijn bepaald omtrent de kosten van de te verrichten controles. De omstandigheid dat volgens artikel 10 de controlemaatregelen 'tenminste' aan de aldaar opgesomde voorwaarden moeten voldoen en dat deze maatregelen door de Lid-Staten worden vastgesteld, duidt er echter op, dat de gemeenschapsregeling betreffende deze controles niet uitputtend is."(31)
"De bewoordingen van de onderhavige verordening verzetten zich er derhalve niet tegen, dat de Lid-Staten de controles kosteloos verrichten, doch evenmin dat zij van de betrokken ondernemingen een vergoeding voor de kosten van de controles verlangen."(32)
49. Het Hof tekende daarbij echter aan, dat met de aldus gegeven vrijheid van handelen het doel van de regeling niet in gevaar mag worden gebracht, het aan de verwijzende rechter overlatend zich ervan te verzekeren, dat
"(...) de bedragen die de betrokken onderneming verschuldigd is, de normale kosten van dit soort controles vertegenwoordigen en niet zo hoog zijn, dat de ondernemingen daardoor kunnen worden weerhouden over te gaan tot de verrichtingen die door de steunverlening juist moeten worden aangemoedigd".(33)
50. De aan deze rechtvaardiging ten grondslag liggende motivering wijkt evenwel aanzienlijk af van de thans aan het Hof voorgelegde situatie, waarin alleen de doorberekening van de kosten in geding is en niet de verenigbaarheid van de controles ter zake waarvan betaling van die kosten wordt verlangd.
51. Wanneer het Hof dus mocht oordelen, zoals ik in overweging geef, dat de controles in casu onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, dan maakt die onverenigbaarheid uiteraard ook de doorberekening van de daarmee voor de marktdeelnemers gemoeide kosten onrechtmatig.
IV ° Conclusie
52. Ik geef het Hof derhalve in overweging, voor recht te verklaren:
"Verordening (EEG) nr. 1624/76 van de Commissie van 2 juli 1976 houdende bijzondere voorschriften inzake de betaling van de steun voor magere-melkpoeder dat gedenatureerd of tot mengvoeder verwerkt wordt op het grondgebied van een andere Lid-Staat, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1726/79 van de Commissie van 26 juli 1979, verzet zich tegen een nationale regeling die bij de uitvoer van voor verwerking in een andere Lid-Staat bestemd magere-melkpoeder, een systematische controle aan de grens van alle met dat produkt beladen vrachtauto' s voorschrijft ten einde toe te zien op de naleving van de voorschriften op het gebied van de samenstelling van een produkt, en die bijgevolg de met die controles gemoeide kosten ten laste brengt van de marktdeelnemers."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° PB 1968, L 148, blz. 13.
(2) ° PB 1968, L 169, blz. 4.
(3) ° Houdende bijzondere voorschriften inzake de betaling van de steun voor magere-melkpoeder dat gedenatureerd of tot mengvoeder verwerkt wordt op het grondgebied van een andere Lid-Staat (PB 1976, L 180, blz. 9).
(4) ° Verordening van de Commissie van 26 juli 1979 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 1624/76, (EEG) nr. 368/77, (EEG) nr. 443/77 en (EEG) nr. 1844/77 betreffende steunmaatregelen voor en bijzondere verkoop van magere-melkpoeder bestemd voor diervoeding (PB 1979, L 199, blz. 10).
(5) ° Verordening van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding (PB 1979, L 199, blz. 1).
(6) ° Artikel 10, sub 2, c.
(7) ° De eerste en de tweede vraag.
(8) ° De derde vraag.
(9) ° Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1624/76.
(10) ° Artikel 2, lid 4, van de gewijzigde verordening.
(11) ° Arrest van 15 september 1982 (zaak 233/81, Jurispr. 1982, blz. 2933.
(12) ° R.o. 6.
(13) ° Zie laatstelijk het speciale verslag nr. 7/93 over de controles op het gebied van fraudes en onregelmatigheden in de landbouwsector (PB 1994, C 53, blz. 1).
(14) ° Arrest van 6 mei 1982 (gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81, Jurispr. 1982, blz. 1503).
(15) ° Ibidem, blz. 1542.
(16) ° Blz. 2947, cursivering van mij.
(17) ° Arrest van 11 juli 1973 (zaak 3/73, Jurispr. 1973, blz. 745).
(18) ° R.o. 5.
(19) ° Arrest van 25 oktober 1979 (zaak 159/78, Jurispr. 1979, blz. 3247).
(20) ° R.o. 7.
(21) ° Arrest van 17 mei 1984 (zaak 15/83, Jurispr. 1984, blz. 2171).
(22) ° R.o. 15.
(23) ° Arrest van 3 februari 1983 (zaak 29/82, Jurispr. 1983, blz. 151).
(24) ° R.o. 12.
(25) ° Arrest van 7 februari 1984 (zaak 238/82, Duphar, Jurispr. 1984, blz. 523, r.o. 23).
(26) ° Arrest 29/82, reeds aangehaald in voetnoot 23.
(27) ° Arrest van 8 februari 1983 (zaak 124/81, Jurispr. 1983, blz. 203).
(28) ° Arrest van 6 oktober 1983 (gevoegde zaken 2/82, 3/82 en 4/82, Jurispr. 1983, blz. 2973).
(29) ° Blz. 2991 en 2992.
(30) ° Arrest 233/81, reeds aangehaald in voetnoot 11.
(31) ° R.o. 7.
(32) ° R.o. 8.
(33) ° R.o. 10.
Full & Egal Universal Law Academy