Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Inleiding
1. Met zijn vier prejudiciële vragen verzoekt het OEstre Landsret het Hof, zich uit te spreken over de uitlegging van artikel 93 van verordening (EEG) nr. 1408/71(1), dat betrekking heeft op de rechten van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is (hierna: "bevoegd orgaan"), ten opzichte van aansprakelijke derden.
2. Deze vragen zijn gerezen in een geschil waarin de Deutsche Angestellten Krankenkasse (hierna: "DAK"), een Duits orgaan van sociale zekerheid in de zin van verordening nr. 1408/71, van de Deense verzekeringsmaatschappij voor wettelijke aansprakelijkheid Laererstandens Brandforsikring G/S (hierna: "LB") de vergoeding van bepaalde bedragen verlangt die zij had betaald voor het ziekenvervoer van Denemarken naar Duitsland en de ziekenhuisbehandeling in beide landen van een bij haar verzekerd kind. Deze kosten waren ontstaan in verband met een botbreuk die dit kind (Nadine Leipelt) bij een verkeersongeval tijdens een vakantie in Denemarken had opgelopen. Het ongeval was veroorzaakt door een bij LB verzekerde automobilist.
3. DAK baseert haar vordering op de rechten van het slachtoffer, die ingevolge § 116 van boek X van het Duitse Sozialgesetzbuch ter hoogte van de in geding zijnde bedragen op DAK zouden zijn overgegaan. Deze bepaling luidt namelijk:
"Het orgaan van sociale zekerheid of van sociale bijstand wordt gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding die op andere wettelijke bepalingen berusten, tot het bedrag van de wegens de schadebrengende gebeurtenis betaalde sociale uitkeringen, die bedoeld zijn ter vergoeding van schade van dezelfde aard en voor hetzelfde tijdvak als waarop de door de veroorzaker van de schade verschuldigde vergoeding betrekking heeft."
4. LB heeft niet bestreden, dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. Hij heeft evenwel gesteld, dat DAK, gelet op de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense Lov om erstatningsansvar (wet op de wettelijke aansprakelijkheid), geen aanspraken tegen hem geldend kon maken. Deze artikelen bepalen het volgende:
- § 17, lid 1:
"Uitkeringen krachtens de sociale-zekerheidswetgeving, daaronder begrepen dagvergoedingen, bijstand in geval van ziekte, pensioen ingevolge de wettelijke regeling inzake sociale pensioenen, en uitkeringen krachtens de wet op de bedrijfsongevallenverzekering, waarop een gelaedeerde of nabestaande aanspraak kan maken, kunnen geen grondslag vormen voor regresvorderingen op de voor de schade aansprakelijke persoon."
- § 22, lid 2:
"Bij levensverzekering, ongevallen- of ziekteverzekering dan wel een andere personenverzekering heeft de maatschappij ongeacht het karakter van de verzekering geen vordering op de voor de schade aansprakelijke persoon."
5. In deze context hebben partijen in het hoofdgeding voor de nationale rechter twee verschillende rechtsvragen besproken.
6. De eerste vraag was, of de Deense bepalingen als zodanig de aanspraken van verzoekster tegen LB konden uitsluiten. Volgens DAK moet deze vraag ontkennend worden beantwoord, daar het enkel gaat om regresregels en niet om materiële bepalingen betreffende schadevergoeding. Zij houden geen rekening met buitenlandse regelingen inzake ziektekostenverzekering.
7. LB daarentegen was van mening, dat de verzekering die DAK voor het slachtoffer had getroffen, onder de genoemde Deense bepalingen viel, zodat DAK geen vordering op hem had.
8. De tweede tussen partijen besproken vraag ging uit van de hypothese, dat de Deense bepalingen een vordering van DAK uitsluiten. De vraag was, welke betekenis voor de beslechting van het geschil moest worden gehecht aan artikel 93 van verordening nr. 1408/71. Lid 1 van dit artikel luidt als volgt:
"Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een Lid-Staat naar aanleiding van schade welke voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere Lid-Staat voorgevallen gebeurtenis, worden de eventuele rechten welke het orgaan, dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:
a) wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Lid-Staat die subrogatie;
b) wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is een onmiddellijk recht ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Lid-Staat dat recht."
9. Volgens DAK verleent het bepaalde sub a een regresvordering aan het buitenlandse orgaan, waarop zoals in casu de aanspraak van het slachtoffer tegen de aansprakelijke verzekeringsmaatschappij is overgegaan. De in geding zijnde Deense bepalingen kunnen artikel 93 niet buiten werking stellen. Volgens deze bepaling wordt de regresvordering enkel beperkt in de mate waarin eventueel de aanspraak op schadevergoeding van het slachtoffer beperkt wordt volgens de materiële bepalingen die deze aanspraak in het land waar de schade is ontstaan, beheersen.
10. LB brengt hiertegen in, dat artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 niet meer is dan een voorschrift voor het vervangen van een schuldeiser door een andere (subrogatie), terwijl de nadere inhoud van de regresvordering volgens de materiële rechtsregels van het land waar de schade is ontstaan, moet worden bepaald. Artikel 93 moet worden gezien als een bepaling van internationaal privaatrecht, die de bevoegdheid tot het instellen van een vordering regelt. Het bevat geen regeling van de vraag, welke aanspraak moet worden erkend.
11. Het OEstre Landsret heeft zich over de eerste vraag - betreffende de precieze draagwijdte van de Deense bepalingen - niet uitdrukkelijk uitgesproken. Uit het feit dat het het Hof om uitlegging van artikel 93 van verordening nr. 1408/71 heeft verzocht, alsook uit de formulering van de vierde vraag, valt evenwel te af te leiden, dat het de vordering van DAK ingevolge de Deense bepalingen uitgesloten acht.
12. De vragen van het OEstre Landsret luiden als volgt:
"1) Moet artikel 93 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat dit enkel de voorwaarden bepaalt voor het recht van het bevoegde orgaan om de vorderingen van de gelaedeerde op een derde over te nemen (subrogatie), of bepaalt dit artikel ook, welke vorderingen het bevoegde orgaan kan overnemen?
2) Indien het laatste het geval is, moet daaromtrent dan worden beslist volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan of volgens die van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan?
3) Moet artikel 93 aldus worden uitgelegd, dat het tevens bepaalt, welke van de vorderingen die het bevoegde orgaan heeft overgenomen, in de Lid-Staat waar de schade is geleden, kunnen worden ingesteld tegen de aansprakelijke derde?
4) Moet artikel 93 aldus worden uitgelegd, dat dit artikel tevens het instellen van een regresvordering door het bevoegde orgaan tegen de aansprakelijke derde toestaat, indien die vordering anders volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan, niet geoorloofd zou zijn, als gevolg van bepalingen als de artikelen 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet inzake de wettelijke aansprakelijkheid?"
B - Discussie
Opmerkingen vooraf
13. 1. Volgens de formulering en de context van de vragen van het OEstre Landsret hebben deze enkel betrekking op de gevolgen die de ingevolge een bepaling als § 116 van boek X van het Sozialgesetzbuch ingetreden subrogatie in de schadevergoedingsvordering heeft voor de verhouding tussen het sociale-zekerheidsorgaan en de aansprakelijke derde. Het staat immers vast, dat de dochter van Leipelt zonder deze bepaling recht had op de betrokken schadevergoeding tot het gevorderde bedrag. Eveneens staat vast, dat aan de voorwaarden van het Duitse recht voor de overgang van de aanspraak op DAK is voldaan.(2)
14. LB heeft argumenten naar voren gebracht volgens welke, gelet op bepaalde in artikel 93 genoemde voorwaarden, voor een deel van het gevorderde bedrag de relevantie van de prejudiciële vragen kon worden betwijfeld, terwijl het Hof een prejudiciële vraag in elk geval tegen de achtergrond van deze voorwaarden moet beantwoorden. Nauwkeuriger gezegd is LB van mening, dat het deel van de door DAK betaalde uitkeringen dat betrekking heeft op de ziekenhuisopname en het vervoer van Denemarken naar Duitsland, niet wordt vergoed volgens de rechtsregels van een andere Lid-Staat dan die waarin het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan. Het Hof moet volgens LB ambtshalve over deze vraag beslissen.
15. Te dezen moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat dit argument geen enkele twijfel kan doen rijzen aan de relevantie van de prejudiciële vragen, welke trouwens wat het andere deel van het bedrag betreft, niet valt te ontkennen. Voorts onderzoekt het Hof niet, of de nationale rechter de door hem gestelde vraag terecht als beslissend voor de beslechting van het geschil heeft gezien.(3) Er moet slechts zijn voldaan aan bepaalde, uit de doelstelling van artikel 177 voortvloeiende minimumeisen. Dit is in casu het geval. Gezien de motivering van de verwijzingsbeschikking lijkt het namelijk uitgesloten, dat de prejudiciële vragen een algemeen, louter hypothetisch probleem betreffen(4) dat kennelijk geen verband vertoont met de feiten of het voorwerp van het hoofdgeding.(5) Het betoog van LB kan dan ook in geen geval twijfel doen ontstaan aan de toelaatbaarheid van de prejudiciële vragen.
16. In de tweede plaats moet worden opgemerkt, dat het Hof de prealabele vraag van de eerder genoemde voorwaarde van artikel 93 niet ambtshalve behoeft te beantwoorden, reeds omdat het op de ziekenhuisopname in Duitsland betrekking hebbende bedrag onweersproken aan deze voorwaarde voldoet. Wat verder het voorstel van LB voor de beantwoording van deze vraag betreft, verwijs ik naar de vaste rechtspraak inzake de aard van de procedure van artikel 177 van het Verdrag. Ingevolge deze rechtspraak brengt artikel 177 een rechtstreekse samenwerking tot stand tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in de vorm van een niet-contentieuze procedure, waaraan ieder initiatief van partijen vreemd is en in de loop waarvan dezen slechts worden uitgenodigd om hun standpunt kenbaar te maken.(6) Het betoog van LB kan dan ook niet worden aanvaard.
17. 2. Gelet op de verwijzingsbeschikking kunnen de vragen van het OEstre Landsret in twee groepen worden verdeeld.
18. De eerste twee vragen berusten op de gedachte, dat mogelijkerwijs onderscheid moet worden gemaakt tussen het beginsel van subrogatie en de vraag, welke aanspraken daadwerkelijk in alle Lid-Staten op het sociale-zekerheidsorgaan zijn overgegaan. Deze vragen komen er in wezen op neer, of artikel 93 regelt welke aanspraken op het bevoegde orgaan overgaan, en zo ja, naar welke voorschriften artikel 93 in dit verband verwijst.
19. De laatste twee vragen gaan er kennelijk van uit, dat de Deense bepalingen niet alleen betrekking hebben op de subrogatie van de in geding zijnde aanspraken, maar ook op de mogelijkheid dergelijke gesubrogeerde aanspraken ten opzichte van de aansprakelijke derde geldend te maken. Zij betreffen het probleem, of artikel 93 aan het bevoegde orgaan ook deze mogelijkheid biedt, eventueel met terzijdestelling van andersluidende voorschriften van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan.
De eerste en de tweede vraag
20. Volgens de bewoordingen van artikel 93, lid 1, erkent elke Lid-Staat, wanneer "het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, die subrogatie".(7)
21. In deze formulering wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vraag van het beginsel van subrogatie en de nadere vraag, welke van de oorspronkelijk aan het slachtoffer toekomende aanspraken overgaan.
22. De uit deze grammaticale uitlegging te trekken conclusie, dat beide vragen worden beheerst door het voor het bevoegde orgaan geldende recht, is met de functie en de doelstelling van de in geding zijnde bepaling in overeenstemming. Artikel 93, lid 1, is te verklaren uit het beginsel van verordening nr. 1408/71, dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen zijn (zie artikel 13, lid 1). Het bevoegde orgaan van deze Lid-Staat is blijkens de artikelen 22 en 93 ook tot uitkering verplicht bij verzekeringsgevallen die zich in andere Lid-Staten voordoen. Dienaangaande heeft het Hof in een arrest inzake artikel 52 van verordening nr. 3(8), de voorloper van het thans aan de orde zijnde artikel 93, lid 1, en in wezen daaraan gelijkluidend, vastgesteld, dat
"(de) in artikel 52 ten behoeve der nationale organen van sociale zekerheid voorziene subrogatie de logische en ook billijke tegenhanger vormt van de uitbreiding hunner verplichtingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap".(9)
23. Zoals de Duitse regering terecht heeft benadrukt, draagt de aldus gemotiveerde regeling ertoe bij, dat de mogelijkheid van verhaal op derden als een van de financieringsbronnen van het bevoegde orgaan niet in het gedrang komt doordat de derde wordt aangesproken in een andere Lid-Staat: de eigen aard van de financiering van het in die staat bevoegde orgaan mag hierop geen invloed hebben.
24. Het zou met deze doelstelling evenwel niet verenigbaar zijn, de in artikel 93 vervatte regel van conflictenrecht(10) enkel voor het beginsel van subrogatie te stellen, terwijl voor het bepalen welke aanspraken overdraagbaar zijn, de beginselen gelden van de staat waar de schade is ontstaan.(11)
25. Al hebben, naar LB ter terechtzitting heeft betoogd, enkele Lid-Staten bij internationale overeenkomst afgezien van de uitoefening van een eventueel verhaalsrecht, dit heeft geen invloed op de hiervóór omschreven doelstelling van artikel 93 en de daaraan ontleende conclusies.
26. De eerste twee vragen moeten derhalve als volgt worden beantwoord:
Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een eventuele overgang van aanspraken op het bevoegde orgaan zowel in beginsel als wat de omvang ervan betreft, onderworpen is aan de voor dit orgaan geldende rechtsregels.
De derde en de vierde vraag
27. Ook met betrekking tot het in deze vragen opgeworpen probleem moet achtereenvolgens worden ingegaan op de bewoordingen en de doelstelling van de bepaling.
28. Ingevolge de genoemde bepaling wordt de krachtens de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving ingetreden "subrogatie" door "elke Lid-Staat (erkend)". Deze formulering zou de indruk kunnen wekken, dat zij enkel geldt voor de voorschriften van de Lid-Staten die in het bijzonder betrekking hebben op de overgang van aanspraken op sociale-zekerheidsorganen, en niet op voorschriften die het geldend maken van die aldus gesubrogeerde aanspraken betreffen. Op dit onderscheid beroept LB zich ter terechtzitting tot staving van zijn standpunt, dat artikel 93 van verordening nr. 1408/71 in casu niet aan de toepassing van de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet in de weg staat.
29. Een dergelijk - uitermate spitsvondig - onderscheid is evenwel niet verenigbaar met de eerdergenoemde doelstelling om compensatie te geven voor het feit dat elk sociale-zekerheidsorgaan op het gehele grondgebied van de Gemeenschap bevoegd is. Gelet op deze doelstelling zou het immers zinloos zijn, van de Lid-Staten weliswaar de erkenning van de subrogatie te vergen, maar hun in staat te stellen de aanspraak die het bevoegde orgaan als noodzakelijk rechtsgevolg van deze subrogatie heeft, aan te tasten door voorschriften die het geldend maken van deze aanspraak in de weg staan.
30. Hieruit volgt, dat artikel 93 het bevoegde orgaan ook de mogelijkheid geeft, de aanspraken waarin het is gesubrogeerd, geldend te maken.
31. Anders dan LB in zijn niet al te duidelijke opmerkingen ter terechtzitting blijkbaar meent, doet aan deze conclusie ook niet af de rechtspraak van het Hof betreffende de inhoud van de gesubrogeerde aanspraak. Volgens deze rechtspraak brengt artikel 52 van verordening nr. 3(12) "geen enkele wijziging hetzij in de voorwaarden waaronder de niet-contractuele aansprakelijkheid ontstaat, hetzij in de grenzen dier aansprakelijkheid", daar "deze materie uitsluitend beheerst blijft door het nationale recht"(13) [en leidt dit artikel "slechts ertoe (...) dat een nieuwe schuldeiser in de plaats wordt gesteld van de vorige"(14)]. Blijkens de context hebben deze opmerkingen van het Hof betrekking op de definitie van de prestaties waarop de gelaedeerde of zijn rechtverkrijgenden oorspronkelijk aanspraak konden maken. Het lijdt geen twijfel, dat voor het beginsel en de omvang van deze aanspraken de nationale bepalingen gelden die het toepasselijke internationale privaatrecht aanwijst. Evenmin kan worden betwijfeld, dat aanspraken - logischerwijs - slechts kunnen overgaan voor zover de ontvanger van de prestatie deze aanspraken heeft gehad.
32. In casu staat evenwel vast, dat de aanspraken die DAK thans geldend maakt, indien zij niet op dit verzekeringsorgaan waren overgegaan, aan de dochter van Leipelt waren toegekomen. De werking van de Deense bepalingen beperkt zich tot de fase na de subrogatie, zoals deze door bepalingen van het type als § 116 van boek X Sozialgesetzbuch wordt voorzien. In deze fase vallen de betrokken aanspraken evenwel onder de bescherming die artikel 93 ter vervulling van zijn vorengenoemde functie biedt. Derhalve moet het bevoegde orgaan als cessionaris voor het geldend maken van de betrokken aanspraken over dezelfde mogelijkheden beschikken als de ontvanger van de prestaties zonder subrogatie had gehad. Met name kan het geldend maken van de aanspraken niet worden uitgesloten op de enkele grond dat zij van de oorspronkelijke rechthebbende op het bevoegde orgaan zijn overgegaan.
33. Om deze redenen moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord als volgt:
Indien een aanspraak ingevolge artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 op het bevoegd orgaan is overgegaan, dan geeft deze bepaling dit orgaan het recht, in iedere Lid-Staat de gesubrogeerde aanspraak geldend te maken onder dezelfde voorwaarden als voor de ontvanger van de prestatie zouden hebben gegolden indien geen subrogatie had plaatsgevonden. Nationale voorschriften die dit recht beperken of uitsluiten, vinden in een dergelijk geval geen toepassing.
C - Conclusie
34. Concluderend geef ik in overweging, de vragen van het OEstre Landsret te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een eventuele overgang van aanspraken op het bevoegde orgaan zowel in beginsel als wat de omvang ervan betreft, onderworpen is aan de voor dit orgaan geldende rechtsregels.
2) Indien een aanspraak ingevolge artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 op het bevoegd orgaan is overgegaan, dan geeft deze bepaling dit orgaan het recht, in iedere Lid-Staat de gesubrogeerde aanspraak geldend te maken onder dezelfde voorwaarden als voor de ontvanger van de prestatie zouden hebben gegolden indien geen subrogatie had plaatsgevonden. Nationale voorschriften die dit recht beperken of uitsluiten, vinden in een dergelijk geval geen toepassing."
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 8).
(2) - Zie hiervóór punt 4.
(3) - Arrest van 12 juni 1986, gevoegde zaken 98/85, 162/85 en 258/85, Bertini, Jurispr. 1986, blz. 1885, r.o. 5-8.
(4) - Zie het arrest van 27 oktober 1993, zaak C-127/92, Enderby, Jurispr. 1993, blz. I-5535, r.o. 10.
(5) - Zie het arrest van 3 maart 1994, gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92, Eurico Italia, Jurispr. 1994, blz. I-0000, r.o. 17.
(6) - Arresten van 19 januari 1994, zaak C-364/92, SAT-Fluggesellschaft mbH, Jurispr. 1994, blz. I-43, r.o. 9, en 9 december 1965, zaak 44/68, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1147.
(7) - Cursivering van mij.
(8) - PB 1958, blz. 561.
(9) - Arrest Hessische Knappschaft, reeds aangehaald (voetnoot 6), blz. 1156, in fine.
(10) - Aldus de treffende benaming van advocaat-generaal Gand in zijn conclusie van 17 december 1964 in zaak 31/64, Gemeenschappelijke verzekeringskas De sociale voorzorg , Jurispr. 1965, blz. 118, 119.
(11) - In deze zin ook de conclusie van advocaat-generaal Warner van 25 januari 1977 in zaak 72/76, Landesversicherungsanstalt Rheinland-Pfalz, Jurispr. 1977, blz. 281, 287.
(12) - Zie hiervóór punt 22.
(13) - Arrest Hessische Knappschaft, reeds aangehaald (voetnoot 6), blz. 1156, sub II, vijfde alinea. Zo ook het arrest van 16 mei 1973, zaak 78/72, Ster-Algemeen Syndikaat, Jurispr. 1973, blz. 499, r.o. 6.
(14) - Arrest Ster-Algemeen Syndikaat, r.o. 4, zie vorige voetnoot.
Full & Egal Universal Law Academy