CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 21 februari 1995 ( *1 )
1.
In deze niet-nakomingsprocedure gaat het om de vraag, in hoeverre de Bondsrepubliek Duitsland haar verdragsverplichtingen heeft geschonden, door zonder voorafgaande milieueffectbeoordeling als bedoeld in de zogenoemde MEB-richtlijn ( 1 ) vergunning te verlenen voor de bouw van een blok van een thermische centrale. Ingevolge deze richtlijn moeten nader genoemde bouw- of andere projecten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben, voor de verlening van een vergunning aan een beoordeling van die effecten worden onderworpen.
2.
Ingevolge artikel 12 van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om binnen drie jaar na de kennisgeving ervan, dus vóór 3 juli 1988, aan de richtlijn te voldoen.
In Duitsland werd de richtlijn echter eerst bij wet van 12 februari 1990 in nationaal recht omgezet, welke wet met ingang van 1 augustus 1990 in de plaats kwam van het tot dan toe geldende Bundesimmissionsschutzgesetz (hierna: „BlmSchG”) van 1974.
Op 31 augustus 1989 —dus voor de inwerkingtreding van de uitvoeringswet, maar na het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijn— had het Regierungspräsidium Darmstadt aan PreussenElektra Aktiengesellschaft vergunning verleend om aan de bestaande kolencentrale in Großkrotzenburg belangrijke wijzigingen aan te brengen en een in de vergunning nader omschreven blok 5 met een warmtecapaciteit van meer dan 300 MW te bouwen en in bedrijf te nemen.
Naar uit de vergunningsbeschikking van 31 augustus 1989 blijkt ( 2 ), besloot het Regierungspräsidium Darmstadt af te zien van een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de MEB-richtlijn, onder meer omdat die richtlijn nog niet in Duits recht was omgezet.
De MEB-richtlijn
3.
De richtlijn is vastgesteld op basis van de artikelen 100 en 235 van het Verdrag. Volgens haar considerans dient de richtlijn een milieubeleid te bevorderen dat erin bestaat het ontstaan van vervuiling of hinder van meet af aan te vermijden, veeleer dan later de gevolgen ervan te bestrijden. Hiertoe wordt een procedure ingevoerd om bij alle technische plannings- en beslissingsprocessen de gevolgen voor het milieu in een zo vroeg mogelijk stadium te onderkennen.
Zoals bij het hiernavolgende onderzoek zal blijken, heeft de richtlijn „in bepaalde opzichten (...) het karakter van een kaderwet. Zo worden er enerzijds een aantal fundamentele beoordelingsmaatstaven (...) vastgelegd, maar wordt de Lid-Staten anderzijds bij de omzetting in nationale wetgeving een aanzienlijke mate van vrijheid gelaten inzake bijzonderheden”, mits „de fundamentele maatstaven worden gerespecteerd”. ( 3 )
Artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt: „De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten (...)”
Ingevolge artikel 2, lid 2, kan „de milieueffectbeoordeling (...) worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de Lid-Staten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen”.
Artikel 3 bepaalt: „Bij de milieueffectbeoordeling wordt op passende wijze een identificatie, beschrijving en beoordeling, op grond van elk geval afzonderlijk en overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11, gegeven van de directe en indirecte effecten van een project op de volgende factoren:
—
mens, dier en plant;
—
bodem, water, lucht, klimaat en landschap;
—
de interactie tussen de in het eerste en tweede streepje genoemde factoren;
—
de materiële goederen en het culturele erfgoed.”
Ingevolge artikel 4 worden projecten van de in bijlage I genoemde categorieën altijd aan een beoordeling onderworpen, terwijl projecten van de in bijlage II genoemde categorieën alleen aan een beoordeling worden onderworpen, indien de Lid-Staten van oordeel zijn dat hun kenmerken zulks noodzakelijk maken. Bijlage I, sub 2, noemt „thermische centrales (...) met een warmtevermogen van ten minste 300 MW (...)” en bijlage II, sub 12, „wijzigingen in projecten van bijlage I (...)”.
Ingevolge artikel 5, lid 1, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever „in passende vorm” de in bijlage III bedoelde informatie verstrekt, „voor zover:
a)
de Lid-Staten deze informatie van belang achten in een bepaald stadium van de vergunningsprocedure en voor de specifieke kenmerken van een specifiek project of van een projecttype en van het milieu dat hierdoor kan worden beïnvloed;
b)
de Lid-Staten, onder meer op grond van de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, menen dat redelijkerwijs van een opdrachtgever mag worden verlangd dat hij de gegevens verzamelt”.
Volgens bijlage III, sub 3, behoort tot de ingevolge artikel 5, lid 1, over te leggen informatie: „Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke milieueffecten van het voorgenomen project op met name: de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de interrelatie tussen genoemde factoren.”
Artikel 5, lid 2, bepaalt, welke beschrijvingen en informatie benevens samenvattingen daarvan de door de opdrachtgever te verstrekken informatie ten minste moet bevatten.
Artikel 6 bevat voorschriften over de raadpleging van bepaalde andere instanties en artikel 7 schrijft voor dat andere Lid-Staten van projecten op de hoogte worden gesteld.
Artikel 8 bepaalt: „In het kader van de vergunningsprocedure wordt rekening gehouden met de overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie.”
Artikel 9 schrijft voor, dat het betrokken publiek wordt geïnformeerd over de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden daarvan, alsmede —wanneer zulks is voorgeschreven bij de wetgeving van de Lid-Staten— over de redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd.
4.
In het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de MEB-richtlijn ( 4 ) wordt de MEB-procedure en het verband met de beoordeling, goedkeuring en tenuitvoerlegging van een project in een vereenvoudigd diagram (blz. 9) weergegeven. Daarin wordt de MEB-procedure zeer aanschouwelijk gekenschetst. Het diagram is te vinden in een bijlage bij de conclusie van advocaat-generaal Gulmann in zaak C-396/92, Bund Naturschutz in Bayern e. a. ( 5 ), op welke conclusie ik hierna nog zal ingaan.
Conclusies van partijen
5.
De Commissie concludeert tot de vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen niet is nagekomen uit hoofde van de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag, in samenhang met richtlijn 85/337/EEG van de Raad, in het bijzonder de artikelen 2, 3 en 8, door zonder voorafgaande milieueffectbeoordeling vergunning te verlenen voor de bouw van een nieuw blok voor de thermische centrale in Großkrotzenburg.
De Bondsrepubliek Duitsland concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans verwerping van het beroep.
Het Verenigd Koninkrijk heeft zich als intervenient aan de zijde van verweerster in de procedure gevoegd.
De ontvankelijkheid
6.
De Duitse regering betoogt in de eerste plaats dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het petitum te vaag is. Hiertoe wijst zij op de woordkeus in het verzoekschrift, waar niet-nakoming van „in het bijzonder” de artikelen 2, 3 en 8 van de richtlijn wordt gesteld. De woorden „in het bijzonder” doen vermoeden, dat het verzoekschrift tevens betrekking heeft op niet-nakoming van andere, niet nader genoemde bepalingen,
De Commissie brengt daartegen in, dat de woorden „in het bijzonder” alleen zijn toegevoegd om te verduidelijken, op welke bepalingen haars inziens inbreuk is gemaakt.
Naar mijn mening is het verzoekschrift op dit punt in zoverre voldoende nauwkeurig, dat de Duitse regering daaruit heeft kunnen opmerken, dat het beroep zich richt tegen een inbreuk op de artikelen 2, 3 en 8. Die bepalingen worden in het verzoekschrift uitdrukkelijk genoemd en de Commissie verzoekt niet om veroordeling van de Bondsrepubliek Duitsland wegens inbreuk op nog andere bepalingen.
Dit is dus geen grond om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
7.
Ter terechtzitting heeft de Bondsrepubliek voorts verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover daarin een schending van artikel 2 van de richtlijn wordt gesteld, omdat de Commissie dit artikel in de conclusie van het met redenen omkleed advies niet had genoemd en voor het eerst aanvoert in het verzoekschrift. Dit zou een inbreuk op het fundamentele beginsel van rechtszekerheid opleveren, zodat dit onderdeel van het beroep volgens vaste rechtspraak als niet-ontvankelijk zou moeten worden afgewezen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet „het in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde advies worden geacht voldoende met redenen te zijn omkleed, indien het een duidelijke uiteenzetting bevat van de gronden die de Commissie tot de overtuiging hebben gebracht, dat de betrokken staat een der krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen”. ( 6 )
Bij nadere beschouwing van de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies blijkt, dat de Commissie daarin verwijst naaide „rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn”, die zij in beide documenten noemt, en waaronder ook artikel 2 voorkomt. De verwerende Lid-Staat heeft zijn opmerkingen kunnen maken en zowel in zijn verweerschrift als in dupliek zijn standpunt inzake de „schending van de artikelen 2, 3 en 8” naar voren kunnen brengen.
Het beroep is dus evenmin niet-ontvankelijk, waar het de gestelde schending van artikel 2 van de richtlijn betreft.
8.
Vervolgens voert de Bondsrepubliek Duitsland als argument voor de niet-ontvankelijkheid van het beroep aan, dat het zich niet in het algemeen richt tegen het feit, dat de richtlijn door de Bondsrepubliek Duitsland nog niet is omgezet, maar tegen het feit dat de richtlijn in een concreet geval niet is toegepast.
De betrokken procedure, aldus verweerster, heeft tot doel de betrokken Lid-Staat tot omzetting van de richtlijn te bewegen. Nu de Bondsrepubliek Duitsland de richtlijn inmiddels bij wet van 12 februari 1990 heeft omgezet, heeft de Commissie in deze zaak geen procesbelang meer. Zulks te meer omdat zij een niet-nakomingsprocedure heeft ingeleid wegens te late omzetting van de richtlijn. Die zaak is nog niet voor het Hof aanhangig gemaakt. Tegen de betrokken vergunning is bovendien een beroep ingesteld voor het Hessische Verwaltungsgerichtshof, dat de vergunning heeft bekrachtigd zonder een prejudiciële vraag aan het Hof nodig te achten.
9.
Ingevolge artikel 155 van het Verdrag ziet de Commissie toe op onder meer de toepassing zowel van de bepalingen van het Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens het Verdrag vaststellen. Zij hoeft haar belang bij een beroep niet aan te tonen, „omdat zij in het algemeen belang van de Gemeenschap ambtshalve moet toezien op de toepassing van het Verdrag door de Lid-Staten, en een eventuele niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen met het oog op de beëindiging ervan moet doen vaststellen”. ( 7 ) Het staat daarom alleen aan de Commissie om te beoordelen, of en wanneer een beroep wegens niet-nakoming moet worden ingesteld. ( 8 )
Een niet tijdige omzetting van een richtlijn kan een algemene niet-nakomingsprocedure rechtvaardigen, ook wanneer de Lid-Staat naderhand — eventueel nog voor het arrest— aan zijn verplichtingen mocht voldoen. ( 9 ) Het kan echter ook van groot belang zijn, te doen vaststellen dat de autoriteiten van een Lid-Staat in een concreet geval in strijd met een gemeenschapsrechtelijke verplichting hebben gehandeld. Voor de vraag of een bepaald handelen of nalaten van een instantie in een concreet geval al dan niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is, kan het in beginsel geen rol spelen of die instantie in overeenstemming met het nationale recht heeft gehandeld dan wel ook daarop inbreuk heeft gemaakt.
Het is aan de Commissie te beoordelen, of zij een niet-nakomingsprocedure wegens een gestelde concrete inbreuk dan wel een algemene niet-nakomingsprocedure wegens uitgebleven omzetting, ofwel beide aanhangig wil maken. Zoals advocaat-generaal Mischo in zijn conclusie in zaak 168/85 (Commissie/Italië) ( 10 ) verklaarde, behoort het tot de bijzondere aard van de procedure van artikel 169 om „elke gedraging van een Lid-Staat, die in strijd is met de op die staat rustende verdragsverplichtingen, te doen vaststellen en te doen beëindigen”.
Dat in verband met de bij het Hessische Verwaltungsgerichtshof aanhangige zaken — waarover nadere gegevens overigens ontbreken — geen prejudiciële vragen aan het Hof zijn gesteld, doet aan deze conclusie niet af. De omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie geen aanleiding ziet om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, kan voor de Commissie geen beletsel zijn om haar taak overeenkomstig het Verdrag te vervullen.
De gevolgen van lucht- en andere vervuiling of, zoals in casu, van inbreuken op de bepalingen van de MEB-richtlij n worden overigens vaak door een onbepaalde kring van personen gevoeld. Men kan er niet zonder meer van uitgaan, dat milieuactiegroepen of verenigingen naar het procesrecht van alle Lid-Staten in rechte kunnen optreden, zodat zij overal voor de nationale rechterlijke instanties beroep tegen een inbreuk op het communautaire milieurecht kunnen instellen, teneinde de inbreuk te doen vaststellen en eventueel te doen beëindigen. Ter verzekering van een doelmatige handhaving van het gemeenschapsrecht is het toezicht van de Commissie, niet in de laatste plaats op het gebied van het milieu, van groot belang.
Ook dit onderdeel van de exceptie van niet-ontvankelijkheid moet daarom worden verworpen.
10.
De Commissie hecht als basis voor haar verklaring veel belang aan de rechtstreekse werking van de betrokken bepalingen van de richtlijn.
De Bondsrepubliek baseerde haar exceptie van niet-ontvankelijkheid op het argument, dat onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van een richtlijn alleen door particulieren voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen, maar niet kunnen dienen als grondslag voor een niet-nakomingsprocedure als de onderhavige. Uitgangspunt van de rechtspraak van het Hof betreffende de rechtstreekse werking van bepalingen van richtlijnen is namelijk, dat een Lid-Staat zich tegenover zijn onderdanen, die eventueel een recht aan een richtlijn kunnen ontlenen, niet kan beroepen op zijn eigen verzuim de richtlijn adequaat om te zetten; het gaat dus uitsluitend om gevallen waarin de rechten van de burger jegens de staat in het geding zijn. Zolang deze kring van personen geen beroep op de betrokken bepalingen doet, kan van de overheid niet worden verlangd dat zij daaraan toepassing geeft, hoe bepaald en nauwkeurig die bepalingen ook zijn.
11.
De Commissie brengt daartegen in, dat uit de rechtspraak van het Hof niet kan worden afgeleid, dat een richtlijn alleen dan rechtstreekse werking kan hebben, wanneer zij metterdaad door een particulier wordt ingeroepen. Wanneer dat zo was, dan zou dat afdoen aan de verplichting van de overheid om de bepalingen van een richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, na te leven, hetgeen de taak van de Commissie uit hoofde van artikel 155 van het Verdrag zou bemoeilijken. De Commissie wijst in dit verband op het arrest van 11 juli 1991 in de gevoegde zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90 (Verholen e. a.) ( 11 ), volgens hetwelk niets de nationale rechter belet, de nauwkeurige en onvoorwaardelijke bepalingen van een niet-omgezette richtlijn ambtshalve in aanmerking te nemen. De mogelijkheid voor de justitiabele om zich op dergelijke bepalingen van een richtlijn te beroepen, is dus geen voorwaarde voor de erkenning van de rechtstreekse werking van die bepalingen, maar enkel een gevolg daarvan.
12.
Ik sluit mij bij deze opvatting van de Commissie aan en wijs daarbij nog op de uitspraak van het Hof in zaak 103/88 (Costanzo). ( 12 )
In zijn conclusie in deze zaak heeft advocaat-generaal Lenz deze vraag aldus behandeld, dat het verband tussen deze problematiek en de hiervoor besproken exceptie van niet-ontvankelijkheid duidelijk wordt.
In die zaak ging het om de vraag, of een overheidsinstantie evenals de nationale rechter verplicht is de bepalingen van een richtlijn toe te passen die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, en bepalingen van nationaal recht die daarmee niet verenigbaar zijn, buiten toepassing te laten. In zijn conclusie in zaak 103/88 beantwoordde advocaat-generaal Lenz deze vraag ontkennend op grond dat (punt 36): „het bestuur niet de mogelijkheid heeft, de zaak aan het Hof voor te leggen en te laten vaststellen of de betrokken bepaling van de richtlijn rechtstreeks toepasselijk is. Wanneer het bestuur rechtstreeks toepasselijke richtlijnen toepast en daarmee in strijd zijnd nationaal recht buiten toepassing laat, handelt het op eigen risico, zonder rugdekking door het Hof. Mijns inziens heeft het het recht zulks te doen, doch is het daartoe niet verplicht, daar het Verdrag het voor een dergelijk handelen niet de noodzakelijke rechtsbescherming biedt.”
In onderhavige zaak heeft het Regierungspräsidium Darmstadt, waar het in zijn beschikking van 31 augustus 1989 de gronden noemt waarom het geen milieueffectbeoordeling heeft doen plaatsvinden en richtlijn 85/337 of het ter omzetting daarvan ingediende wetsontwerp niet heeft toegepast, van dezelfde opvatting blijk gegeven, toen het opmerkte dat anders principiële conflicten zouden kunnen ontstaan die door de overheid niet geheel kunnen worden opgelost zonder dat het beginsel van de scheiding der machten geweld wordt aangedaan, doordat de uitvoerende macht op de stoel van de wetgever gaat zitten.
Het Hof is in zijn arrest in zaak 103/88 de conclusie van advocaat-generaal Lenz echter niet gevolgd. Het oordeelde namelijk, dat in alle gevallen dat de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, particulieren zich voor de nationale rechter op die bepalingen kunnen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.
Het Hof voegde daar nadrukkelijk aan toe, dat wanneer particulieren onder genoemde voorwaarden de bepalingen van een richtlijn voor de nationale rechter kunnen inroepen, alle overheidsinstanties gehouden zijn deze bepalingen toe te passen. ( 13 )
13.
Wanneer een overheidsinstantie dus evenals de nationale rechter verplicht is de bepalingen van een richtlijn toe te passen die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, en bepalingen van nationaal recht die daarmee niet verenigbaar zijn, buiten toepassing te laten, dan dient de Commissie ook het recht te hebben een beroep ex artikel 169 van het Verdrag in te stellen tegen een concrete inbreuk op deze verplichting.
De Commissie kan in dit verband niet verplicht zijn — zoals het Verenigd Koninkrijk betoogt — om eerst in het algemeen na te gaan, of de geldende Duitse bepalingen die door de overheid zijn toegepast, aan de vereisten van de richtlijn kunnen beantwoorden. In het kader van een niet-nakomingsprocedure als de onderhavige, waarin het om een concrete inbreuk op gemeenschapsrechtelijke verplichtingen gaat, kan het, zoals hierboven in punt 8 reeds is uiteengezet, principieel geen rol spelen of de betrokken instanties in overeenstemming met nationaal recht hebben gehandeld, dan wel ook daarop inbreuk hebben gemaakt.
14.
Op dit punt zijn dus evenmin termen aanwezig voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De gelding van de richtlijn in de tijd
15.
Zoals in de inleidende paragraaf vermeld, gaat het in deze zaak om de niet-nakoming door de Duitse overheid van de verplichting, de door de MEB-richtlijn voorgeschreven milieueffectbeoordeling te doen plaatsvinden in het kader van een vergunningsprocedure, die na het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn, maar vóór het inwerkingtreden van de Duitse uitvoeringswet van 12 februari 1990 is afgesloten.
Volgens de Bondsrepubliek Duitsland was de MEB-richtlijn in casu niet van toepassing, omdat de vergunningsprocedure moet worden geacht te zijn ingeleid vóór 1 juli 1988, op welke datum de richtlijn ingevolge artikel 12 in Duits recht had moeten zijn omgezet. De Duitse regering verwijst in dit verband naar het arrest van 9 augustus 1994 in zaak C-396/92 (Bund Naturschutz in Bayern). ( 14 )
16.
Erop wijzend dat de richtlijn niet in een overgangsregeling voorziet, brengt de Commissie daartegen in, dat voor de toepassing van de richtlijn de datum bepalend is waarop het project is goedgekeurd. Mocht het Hof evenwel oordelen, dat de datum waarop de vergunningsprocedure werd ingeleid, beslissend is, dan blijkt uit de beschikking van het Regierungspräsidium Darmstadt van 31 augustus 1989, dat de vergunningsprocedure is afgewikkeld op basis van een schriftelijke aanvraag van de onderneming PreussenElektra AG van 26 juli 1988, zodat van die datum moet worden uitgegaan. De procedure is dan ingeleid na 3 juli 1988, op welke datum de richtlijn in Duits recht had moeten zijn omgezet.
17.
Het Hof heeft partijen vragen gesteld om meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag, wanneer de litigieuze vergunningsprocedure werd ingeleid.
De Duitse regering verklaart dienaangaande, dat de formele aanvraag van een vergunning ingevolge het BlmSchG voor het nieuwe blok van de thermische centrale op 26 juli 1988 werd ingediend. ( 15 ) Voorts verklaart zij dat de bevoegde instantie reeds in de fase vóór de formele aanvraag aan de opdrachtgever advies moet uitbrengen. In casu heeft vóór de formele aanvraag, namelijk op 18 mei 1987, een gesprek plaatsgevonden met het Regierungspräsidium Darmstadt, waarmee meermaals over de geplande aanbouw van de thermische centrale is onderhandeld. Bovendien hebben vóór de indiening van de formele aanvraag ingevolge het BlmSchG verschillende bijeenkomsten plaats gevonden met het oog op de naleving van § 10 van het Hessische Landesplanungsgesetz.
18.
Het door de Bondsrepubliek aangehaalde arrest in de zaak Bund Naturschutz in Bayern betrof de vraag, of de Bondsrepubliek Duitsland middels een overgangsbepaling vrijstelling van de verplichtingen inzake de door de richtlijn vereiste milieueffectbeoordeling kon verlenen voor projecten waarvan de vergunningsprocedure was ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nationale wet tot omzetting van deze richtlijn van 12 februari 1990, maar na 3 juli 1988.
Het Hof oordeelde, dat los van de vraag of een Lid-Staat uit hoofde van de richtlijn een overgangsregeling mag invoeren voor vóór de uiterste datum 3 juli 1988 ingeleide en reeds aanhangige vergunningsprocedures, de richtlijn er hoe dan ook aan in de weg staat, dat voor „na die datum ingeleide procedures” vrijstelling wordt verleend van de door de richtlijn vereiste milieueffectbeoordeling (r. o. 19 en 20).
Het Hof heeft daarmee enkel een standpunt geformuleerd over het toen aanhangige geval, waarin de aanvragen voor een vergunning in september 1988 waren ingediend en vervolgens in november 1989 werden aangevuld.
19.
Op de vraag betreffende de gelding van de richtlijn in de tijd is uitvoerig ingegaan door advocaat-generaal Gulmann, die in zijn conclusie veel gewicht hechtte aan het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn, dat de Commissie ingevolge artikel 11, lid 3, van de richtlijn moest opstellen en aan de Raad en het Europees Parlement moest doen toekomen. ( 16 ) Onder andere wegens de in dat verslag gesignaleerde problemen bij het omzetten van de richtlijn noemde advocaat-generaal Gulmann de in de richtlijn genoemde omzettingstermijn van drie jaar te kort om eventuele overgangsproblemen op te lossen. Mede omdat de milieueffectbeoordeling een proces is, dat parallel met de goedkeuringsprocedure en als integrerend bestanddeel daarvan moet plaatsvinden, en de richtlijn volgens punt 2.2 van het verslag de beslissing, op welke wijze en in welk stadium van de vergunningsprocedure de milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden, aan de Lid-Staten overlaat, kon de verplichting inzake de milieueffectbeoordeling volgens advocaat-generaal Gulmann niet gelden voor alle vergunningsprocedures die op 3 juli 1988 nog niet definitief waren afgerond.
Advocaat-generaal Gulmann kwam tot de conclusie, dat „het rechtszekerheidsbeginsel, waaronder de bescherming van het gewettigd vertrouwen, en het evenredigheidsbeginsel” reden moeten zijn om „de richtlijn aldus uit te leggen, dat de Lid-Staten een milieueffectbeoordeling achterwege kunnen laten voor projecten waarvoor de vergunningsprocedure vóór 3 juli 1988 is ingeleid”.
In deze uitlegging van de advocaat-generaal is het tijdstip waarop de vergunningsprocedure is ingeleid, doorslaggevend, waarbij hij toegeeft, dat dit tijdstip moeilijk te bepalen is. Aangezien in zaak C-396/92 echter geen aanleiding bestond om dieper op de desbetreffende afbakeningsproblemen in te gaan, werd een nadere precisering van het begrip voor latere rechtszaken overgelaten.
20.
Ik wil vooropstellen, dat ik mij bij de zienswijze van advocaat-generaal Gulmann met betrekking tot de richtlijn kan aansluiten.
21.
Het verloop van de vergunningsprocedure, zoals door de Bondsrepubliek Duitsland geschilderd, laat evenwel zien dat, zoals advocaat-generaal Gulmann in zijn conclusie heeft opgemerkt, de nadere bepaling van dit tijdstip voor problemen kan zorgen.
Een uitlegging van de richtlijn in die zin, dat de milieueffectbeoordeling dient plaats te vinden voor alle projecten waarvoor de vergunningsaanvraag na 3 juli 1988 is ingediend, biedt naar mijn mening het duidelijkste en vanuit het oogpunt van rechtszekerheid het best verdedigbare aanknopingspunt. Beschouwt men daarentegen de aan de indiening van de aanvraag voor een vergunning voor een project voorafgaande informele beraadslagingen en dergelijke als deel van de vergunningsprocedure, dan ontstaat het gevaar van onduidelijkheid en rechtsonzekerheid, en kan aan de nuttige werking van de richtlijn afbreuk worden gedaan.
Deze uitlegging schijnt eveneens te stroken met het arrest Bund Naturschutz in Bayern van het Hof waarin het, zoals gezegd, ging om twee projecten waarvan alleen duidelijk was, dat de vergunningsaanvragen na 3 juli 1988 waren ingediend. In het arrest heet het (r. o. 16): „uit de verwijzingsbeschikking [volgt], dat de procedure die geleid heeft tot de twee goedkeuringsbesluiten (...) is ingeleid na 3 juli 1988 (...)” (cursivering van mij). In dit licht bezien moet het arrest aldus worden verstaan, dat de indiening van de aanvragen als beginpunt van de vergunningsprocedure wordt beschouwd, zodat het in strijd met de richtlijn zou zijn om projecten waarvoor de vergunningsaanvraag na 3 juli 1988 is ingediend, van de milieueffectbeoordeling vrij te stellen.
22.
In casu wordt in de vergunningsbeschikking van het Regierungspräsidium Darmstadt van 31 augustus 1989 (biz. 1, 6 en 104) verwezen naar de „Antrag vom 26.7.1988” (aanvraag van 26 juli 1988).
Ongeacht of er voor de indiening van de aanvraag zuiver informele contacten hebben plaatsgevonden tussen PreussenElektra AG en het Regierungspräsidium Darmstadt, en ongeacht de eventueel gegeven adviezen betreffende de procedure in verband met de latere aanvraag, meen ik dat 26 juli 1988 moet worden aangemerkt als de datum waarop de vergunningsprocedure is aangevangen.
23.
Ik zie dan ook geen termen aanwezig om het middel van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de gelding van de richtlijn in de tijd te aanvaarden.
Valt het project onder artikel 4, lid 1, juncto bijlage I van de richtlijn?
24.
Volgens de Duitse regering en het Verenigd Koninkrijk is het project voor een vijfde blok, dat in functioneel opzicht nauw met de bestaande thermische centrale Großkrotzenburg is verbonden, te beschouwen als een „wijziging” van de bestaande thermische centrale in de zin van bijlage II, sub 12, van de richtlijn, en daarom ingevolge artikel 4, lid 2, van de richtlijn van de verplichte milieueffectbeoordeling vrijgesteld. Zulke wijzigingen worden namelijk enkel aan een beoordeling onderworpen, indien de Lid-Staten van oordeel zijn dat hun kenmerken zulks noodzakelijk maken, en in de richtlijn worden met betrekking tot deze beoordelingsvrijheid geen grenzen vastgesteld.
25.
De Commissie brengt daartegen in, dat het project onder artikel 4, lid 1, juncto bijlage I, sub 2, van de richtlijn valt, volgens welke bepaling voor „thermische centrales (...) met een warmtevermogen van ten minste 300 MW” de verplichting van een milieubeoordeling geldt. Volgens haar wordt niet betwist dat het vijfde blok een warmtevermogen heeft van ten minste 300 MW, en dient de uitdrukking „wijzigingen in projecten van bijlage I” als uitzondering op de grondregel van de richtlijn in ieder geval restrictief te worden uitgelegd.
26.
Naar mijn mening moet de rechtsvraag of het nieuwe blok onder bijlage I van de richtlijn valt, kunnen worden beantwoord zonder dat eerst de meer technische vraag wordt beantwoord, hoe eng dit vijfde blok met de rest van de thermische centrale Großkrotzenburg verbonden is.
Zoals uit de overwegingen van de richtlijn blijkt, moeten projecten met aanzienlijke gevolgen voor het milieu in beginsel aan een systematische milieueffectbeoordeling worden onderworpen, terwijl projecten van andere categorieën niet noodzakelijkerwijs zulke gevolgen hebben en daarom enkel aan een beoordeling moeten worden onderworpen wanneer de Lid-Staten zulks op grond van hun kenmerken vereist achten (achtste en negende overweging).
Volgens mij is hier doorslaggevend, dat projecten met voor het milieu relevante kenmerken, zoals die in bijlage I zijn opgesomd — in dit geval „thermische centrales met een warmtevermogen van ten minste 300 MW” —, die kenmerken niet verliezen door het enkele feit dat zij aan een bestaande structuur worden aangebouwd. Het is daarom niet van belang, hoe nauw een eventuele functionele verbinding met een bestaande thermische centrale is, dan wel of blok 5 ook zelfstandig kan functioneren. Bijlage II betreffende wijzigingen dient naar mijn mening alleen te verzekeren, dat de Lid-Staten het punt van de milieueffectbeoordeling in hun overwegingen betrekken in gevallen waarin de wijziging op zichzelf niet onder bijlage I valt. Hierdoor kan onder meer worden voorkomen dat de richtlijn wordt omzeild.
Derhalve dient de Commissie in zoverre gelijk te worden gegeven, dat het project voor de aanbouw van een vijfde blok aan de thermische centrale van Großkrotzenburg onder artikel 4, lid 1, juncto bijlage I van de richtlijn viel.
Zijn de artikelen 2, 3 en 8 van de MEB-richtlijn qua inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, zodat zij door de nationale instanties moeten worden toegepast?
27.
Vooraf wil ik verwijzen naar hetgeen ik hierboven (punt 11) heb opgemerkt in verband met het arrest van 22 juni 1989 (zaak 103/88, Costanzo).
28.
De Commissie betoogt, dat de artikelen 2, 3 en 8 van de MEB-richtlijn qua inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zodat de betrokken Duitse instanties na het verstrijken van de termijn voor omzetting verplicht waren, die bepalingen toe te passen en dus een milieueffectbeoordeling te doen plaatsvinden, ongeacht of zij daarmee eventueel in strijd met nationale bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling zouden handelen. Artikel 2 legt de Lid-Staten de plicht op, een milieueffectbeoordeling te doen plaatsvinden, zonder ter zake speciale voorwaarden te noemen. In artikel 3 wordt even precies en voldoende duidelijk aangegeven, wat moet worden beoordeeld; voor de toepassing daarvan zijn geen speciale uitvoeringsbepalingen nodig. Hetzelfde geldt voor artikel 8, dat duidelijk bepaalt dat in het kader van de vergunningsprocedure met de ingewonnen informatie rekening moet worden gehouden.
29.
De Duitse regering brengt daartegen in, dat artikel 3 van de richtlijn niet duidelijk aangeeft, wie de milieueffectbeoordeling moet uitvoeren, en dat de begrippen „directe en indirecte effecten van een project” en „interactie” in deze bepaling, evenals het begrip „rekening houden met” in artikel 8 te onnauwkeurig zijn om door de instanties te kunnen worden toegepast zonder dat deze begrippen eerst door nationale bepalingen nader worden ingevuld. Daarbij komt, dat het begrip „beoordeling” wegens de gecompliceerdheid van dit probleem nader dient te worden afgebakend in uitvoeringsbepalingen, wat eerst met de Duitse wet ter uitvoering van de richtlijn is gebeurd.
De Duitse regering wijst voorts op artikel 2, lid 2, van de richtlijn, dat als volgt luidt: „De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de Lid-Staten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.”
30.
Het feit, dat het in artikel 2, lid 2, van de richtlijn aan de Lid-Staten wordt overgelaten, te bepalen of de milieueffectbeoordeling in de Lid-Staten in de bestaande procedures voor het verlenen van vergunningen voor projecten wordt geïntegreerd dan wel, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures waarin moet worden voorzien om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen, is volgens mij geen beletsel om aan artikel 2, lid 1, de door de Commissie voorgestane werking toe te schrijven.
Wanneer artikel 2, lid 1, bepaalt, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen moeten treffen opdat de in artikel 4 omschreven projecten, voordat een vergunning wordt verleend, aan een beoordeling van hun effecten worden onderworpen, is deze bepaling naar mijn mening qua inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door de Duitse instanties te worden toegepast. Dat de beoordeling moest worden uitgevoerd door de bevoegde instantie of instanties, hier dus het Regierungspräsidium Darmstadt, is nauwelijks voor twijfel vatbaar: zie artikel 1, lid 2.
Artikel 3 is volgens de Duitse regering op enkele punten vaag geformuleerd. De woorden „op grond van elk geval afzonderlijk” en „op passende wijze” laten de Lid-Staten een beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijze waarop van „de directe en indirecte effecten” — een begrip dat voldoende duidelijk lijkt — een „identificatie, beschrijving en beoordeling” moet worden gegeven. De daarmee verleende beoordelingsvrijheid kan echter concreet door de betrokken instantie worden uitgeoefend. Het begrip „interactie” tussen de onder het eerste en het tweede streepje genoemde factoren acht ik eveneens voldoende nauwkeurig. De bepaling lijkt derhalve qua inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, zodat zij diende te worden toegepast door de Duitse instanties, voor wie het mogelijk moest zijn te beslissen, hoe de identificatie, de beschrijving en de beoordeling in het concrete geval moesten worden uitgevoerd om „op passende wijze” te geschieden.
Ook artikel 8 lijkt zodanig onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, dat het een dergelijke werking kan hebben, ook al moet worden toegegeven dat het begrip „wordt rekening gehouden” vaag is en op zichzelf geen ander vereiste lijkt te stellen, dan dat de bedoelde informatie een onderdeel van de grondslag van de beslissing en daarmee van de door de instanties te maken afweging tussen de belangen die met het project worden gediend, en de bescherming van het milieu moet vormen, evenals die informatie ook in de aan de vergunning verbonden voorwaarden tot uitdrukking kan komen. ( 17 )
Zijn deze bepalingen geschonden?
31.
Zowel in haar aanmaningsbrief als in het met redenen omkleed advies stelt de Commissie, dat de niet-nakoming door Duitsland bestaat in een inbreuk op de „rechtstreeks toepasselijke bepalingen van 's Raads richtlijn 85/337/EEG”, te weten, aldus de Commissie, de artikelen 2, 3, 4, lid 1, 5, lid 2, en 6, lid 2, alsmede de artikelen 8 en 9.
In het verzoekschrift beperkt zij haar vordering in zoverre, dat zij de niet-nakoming wil zien vastgesteld van „in het bijzonder (...) de artikelen 2, 3 en 8” van de richtlijn. De grief betreffende de niet-nakoming van artikel 5, lid 2, heeft de Commissie uitdrukkelijk laten vallen, op grond dat naar de ter beschikking staande gegevens de opdrachtgever in wezen de daarin genoemde informatie heeft verstrekt.
Gelijktijdig heeft de Commissie de daarmee samenhangende grief betreffende het verzuim van de in artikel 6 bedoelde verplichting, de krachtens artikel 5 verzamelde informatie mede te delen, laten vallen.
32.
Tot staving van haar middel betreffende de inbreuk op de artikelen 2, 3 en 8 van de richtlijn, merkt de Commissie op dat het Regierungspräsidium Darmstadt een procedure gevolgd heeft die niet voldoet aan het door de richtlijn gestelde vereiste van een milieueffectbeoordeling. Met name is de in artikel 3, derde streepje, bedoelde interactie tussen de onder het eerste en het tweede streepje van dat artikel genoemde factoren niet beoordeeld. Met het woord „interactie” heeft de gemeenschapswetgever de traditionele, per sector opgedeelde beoordeling willen vervangen door een „globale beoordeling” van de interactie tussen de verschillende voor het milieu van invloed zijnde factoren.
33.
De Duitse regering heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd met het argument, dat de Commissie, doordat zij de grief betreffende de inbreuk op artikel 5, lid 2, van de richtlijn heeft laten vallen, gelet op de nauwe samenhang tussen die bepaling en de artikelen 2, 3 en 8, zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen om in haar vordering betreffende de inbreuk op laatstgenoemde bepalingen te kunnen slagen.
De Commissie heeft volgens de Duitse regering de grief betreffende de inbreuk op artikel 5, lid 2, laten vallen, omdat zij moest erkennen dat de in dat artikel opgesomde informatie was verstrekt. Daarmee staat vast dat de opdrachtgever overeenkomstig artikel 5, lid 2, junctó lid 1, de in bijlage III bedoelde informatie „in passende vorm” heeft verstrekt. Die bijlage, die in zeven punten gedetailleerd beschrijft om welke inlichtingen het gaat, vermeldt onder punt 3: „Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke milieueffecten van het voorgenomen project op met name: de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de interrelatie tussen genoemde factoren.” Dit moet als een erkenning van de Commissie worden beschouwd, dat die informatie in de vergunningsprocedure is betrokken en voor de verlening van een vergunning in aanmerking is genomen.
Overigens zou de in dit geval gevolgde procedure aan alle vereisten van de richtlijn voldoen. De Duitse regering verwijst naar de uitvoerige behandeling van de milieugevolgen in de beschikking van 31 augustus 1989 en het gedetailleerde verslag van 11 november 1991 betreffende het verloop van de procedure tot de beschikking die het Regierungspräsidium Darmstadt in de administratieve fase heeft uitgewerkt. Daaruit blijkt volgens de Duitse regering, dat in dit geval een zorgvuldige beoordeling van de interactie tussen de verschillende voor het milieu van invloed zijnde factoren heeft plaatsgevonden en dat de instanties zelfs de beoordelingsnormen die pas naderhand bij nationale wet van kracht zijn geworden, anticiperend hebben toegepast, waarbij juist met de interactie tussen de afzonderlijke milieufactoren volledig rekening is gehouden.
34.
In de eerste plaats wil ik opmerken, dat het beroep van de Commissie als uitgangspunt heeft, dat een Lid-Staat kan worden veroordeeld wegens niet-nakoming van zijn verdragsverplichtingen, los van de vraag welk staats-, regionaal of lokaal orgaan inbreuk op de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen heeft gemaakt. ( 18 ) Het bewijs dat inbreuk op de regels is gemaakt, dient volgens vaste rechtspraak door de Commissie te worden geleverd. ( 19 )
35.
Blijkens artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn kan de milieueffectbeoordeling in de Lid-Staten in de bestaande vergunningsprocedures worden geïntegreerd. In casu heeft het Regierungspräsidium Darmstadt de in het BImSchG voorgeschreven procedure voor verlening van een vergunning voor projecten gevolgd. Volgens de Commissie, die voor haar opvatting steun vindt in de doctrine ( 20 ), beantwoorden de in het BImSchG vastgelegde vereisten voor de milieueffectbeoordeling niet aan die van de MEB-richtlijn. Ook al zou dat zo zijn, dan betekent dat nog niet zonder meer, dat als bewezen kan worden aangenomen dat het Regierungspräsidium Darmstadt in dit geval inbreuk op de richtlijn heeft gemaakt. De Commissie heeft namelijk niet bewezen, dat het onmogelijk zou zijn beide regelingen tegelijk na te leven. Daarom moet het concrete verloop worden getoetst aan de voorschriften van de richtlijn om te kunnen beoordelen of van inbreuk sprake is.
Op dit punt acht ik beslissend, dat — naar onweersproken vaststaat — de in artikel 5, lid 2, genoemde informatie door de opdrachtgever is overgelegd en daarmee in de vergunningsprocedure is betrokken. Deze informatie heeft onder meer betrekking op de interactie tussen de in artikel 3, eerste en tweede streepje, genoemde factoren; men zie in dit verband de verwijzing in artikel 5, lid 2, naar artikel 5, lid 1, dat op zijn beurt naar bijlage III van de richtlijn verwijst. In punt 3, slotzin, van die bijlage staat dat de informatie een beschrijving dient te bevatten van de interrelatie tussen dezelfde factoren als in artikel 3, eerste en tweede streepje, zijn genoemd.
Men bedenke dat de bepalingen van de richtlijn hoofdzakelijk van procedurele aard zijn. Door de informatie met betrekking tot het milieu in de vergunningsprocedure te betrekken, wordt verzekerd dat de effecten van het project op het milieu in de openbare discussie aan bod komen en dat de beslissing om al dan niet een vergunning te verlenen op een verantwoorde basis wordt genomen. Daarentegen leent de richtlijn zich nauwelijks als instrument om een gegeven beslissing inhoudelijk aan de hand van milieunormen te toetsen. ( 21 ) Ook al duiden de woorden „wordt rekening gehouden” in artikel 8 van de richtlijn erop, dat alle informatie aan een zelfstandig en kritisch ( 22 ) onderzoek moet worden onderworpen, de richtlijn kan niet beletten dat de bevoegde instantie goedkeuring voor een project verleent, zelfs wanneer uit de milieueffectbeoordeling naar voren komt, dat het ongunstige gevolgen voor het milieu zal hebben. ( 23 )
Naar uit de vergunningsbeschikking van 31 augustus 1989 blijkt, heeft het Regierungspräsidium Darmstadt een buitengewoon uitvoerige studie van het project en de daartegen ingediende bezwaren gemaakt: men zie ook het door de Duitse regering overgelegde verslag van het procedureverloop tot aan de beslissing. De Commissie heeft voor het Hof mijns inziens geen nadere documentatie geproduceerd voor haar bewering, dat met de informatie over de interactie tussen bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, en landschap, die, naar onweersproken vaststaat, in de procedure is betrokken, evenwel geen rekening zou zijn gehouden bij de beslissing om voor het project een vergunning te verlenen, en dat daardoor de informatie niet is betrokken in de afweging van de verschillende belangen, die het Regierungspräsidium Darmstadt met het oog op die vergunning heeft gemaakt, en dus niet terug te vinden in de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
In dit verband herinner ik eraan, dat artikel 9 van de richtlijn de Lid-Staten zelf laat bepalen, in hoeverre een beslissing omtrent het verlenen van een vergunning dient te worden gemotiveerd. Er bestaat dus alleen in de mate waarin dit door het nationale recht is voorzien, een verplichting om uit de beslissing te laten blijken hoe de afzonderlijke milieufactoren in een concreet geval zijn geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld, en welk gewicht in het kader van de vergunning aan deze informatie en de resultaten van hoorzittingen is toegekend. Het feit dat het Regierungspräsidium Darmstadt (alleen) de redenen heeft vermeld die ingevolge het indertijd geldende BlmSchG waren voorgeschreven, kan daarom niet als argument dienen, dat met de eerdergenoemde informatie in de vergunningsbeschikking van 31 augustus 1989 geen rekening was gehouden. In dit verband merk ik op, dat de Commissie geen inbreuk op artikel 9 heeft gesteld. Bij gebreke van bewijs van het tegendeel, mag men er daarom van uitgaan dat het Regierungspräsidium Darmstadt bedoelde informatie in de grondslag van zijn beslissing heeft betrokken en dus in het kader van de vergunningsprocedure daarmee rekening heeft gehouden.
36.
Samenvattend meen ik dat de Commissie, zoals de zaak thans staat, niet geslaagd is in het bewijs dat de Bondsrepubliek Duitsland inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 2, 3 en 8 van de MEB-richtlijn, door vergunning te verlenen voor de bouw van liet nieuwe blok aan de thermische centrale van Großkrotzenburg.
Derhalve dient het tegen de Bondsrepubliek Duitsland ingestelde beroep te worden verworpen.
Kosten
37.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft niet geconcludeerd dat de Commissie in de kosten wordt verwezen. Ingevolge artikel 69, leden 2 en 4, van het Reglement voor de procesvoering moet derhalve omtrent de kosten worden beslist, zoals hieronder is aangegeven.
Conclusie
38.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, uitspraak te doen als volgt:
—
het beroep van de Commissie tegen de Bondsrepubliek Duitsland wordt verworpen;
—
elk der partijen, evenals intervenient, het Verenigd Koninkrijk, draagt haar eigen kosten.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985, L 175, blz. 40).
( 2 ) Biz. 146-150.
( 3 ) Verslag van de Commissie van 2 april 1993 over de tenuitvoeringlegging van richtlijn 85/337/EEG [Com(93) 28, paragraaf 2.1].
( 4 ) Zie referentie in voetnoot 3.
( 5 ) Arrest van 9 augustus 1994 (Jurispr. 1994, blz. I-3717).
( 6 ) Arrest van 14 februari 1984 (zaak 325/82, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1984, blz. 777, r. o. 8).
( 7 ) Arrest van 4 april 1974 (zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359, r. o. 15).
( 8 ) Arrest van 27 november 1990 (zaak C-200/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4299, r. o. 9).
( 9 ) Zie bij voorbeeld arrest van 7 februari 1973 (zaak 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101).
( 10 ) Arrest van 15 oktober 1986 (Jurispr. 1986, blz. 2945).
( 11 ) Arrest van 11 juli 1991 (Jurispr. 1991, blz. I-3757, r. o. 15).
( 12 ) Arrest van 22 juni 1989 (Jurispr. 1989, blz. 1839).
( 13 ) R. o. 31 en 32.
( 14 ) Zie voetnoot 5.
( 15 ) Zie § 10, lid 1, van het BlmSchG: „Voor de vergunningsprocedurc is cen schriftelijke aanvraag vereist.”
( 16 ) Zie voetnoot 3.
( 17 ) Zie het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de MER-richtlijn (voetnoot 3), blz. 28 en 29.
( 18 ) Zie onder meer arrest van 5 mei 1970 (zaak 77/69, Commissie/België, Jurispr. 1970, blz. 237).
( 19 ) Zie bij voorbeeld arrest van 25 mei 1982 (zaak 96/81, Commissie/Nederland, Jurispr. 1982, blz. 1791).
( 20 ) A. Weber: Die Umweltverträglichkeitsrichtlinie im deutschen Recht, Köln, 1989. Winter: „Die Vereinbarkeit des Gesetzentwurfs der Bundesregierung über die Umweltverträglichkeitsprufung vom 29.6.1988 mit der EG-Richtlinie 85/337 und die Direktwirkung dieser Richtlinie”, Natur und Recht 1989, nr. 5. Jurass: „Folgen der innerstaadichen Wirkung von EG-Richtlinien” 1991, NJW 42, blz. 2665.
( 21 ) Zie Philippe Rcnaudière: „La directive 85/337/CEE du 27.6.1985 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement” in L'évaluation des incidences sur l'environnement: un progrès juridique? Facultés universitaires Saint-Louis, Brussel, 1991.
( 22 ) Zie Weber, biz. 252, op. cit.
( 23 ) Zie Weber, biz. 254. op. cit.
Full & Egal Universal Law Academy