Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De twee gevoegde zaken waarvan het Hof thans kennis moet nemen, hebben betrekking op de uitlegging van drie verordeningen van de Commissie betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees.
2. Het gaat om de verordeningen (EEG) nr. 1071/68 van 25 juli 1968(1), nr. 2471/77 van 8 november 1977(2) en nr. 1405/78 van 22 juni 1978(3); beide laatstgenoemde verordeningen zijn vastgesteld om sommige voorwaarden in eerstgenoemde verordening met betrekking tot de toekenning van steun "aan te passen"(4) en liggen ten grondslag aan de geschillen in respectievelijk de zaken C-434/92 en C-433/92.
3. De prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht hebben betrekking op de uitlegging van sommige van deze voorwaarden.
4. Laat ik beginnen met de bepalingen die de kern van het geschil vormen:
1) Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 bepaalt, dat het contract voor steun aan de particuliere opslag voor de opslaghouder moet voorzien in de volgende verplichtingen:
"(...)
a) de overeengekomen hoeveelheid van het betreffende produkt voor eigen rekening en eigen risico in te slaan en op te slaan gedurende het aangegeven tijdvak,
b) aan het interventiebureau waarmee hij een overeenkomst heeft afgesloten te voren de dag en de plaats van inslag, evenals de aard en de hoeveelheid op te geven van de produkten die worden opgeslagen,
c) aan genoemd interventiebureau de op de inslag betrekking hebbende bewijsstukken onverwijld over te leggen,
(...)
e) het interventiebureau toe te staan op ieder ogenblik het nakomen van de aangegane verplichtingen te controleren."
2) Artikel 4 van verordening nr. 2471/77 (hele en halve geslachte dieren en "compensated quarters"), dat voorziet in de mogelijkheid het vlees uit te benen en uit te snijden, bepaalt verder:
"(...)
3. Voor de toepassing van deze verordening wordt 100 kg vlees met been (...) gelijkgesteld met:
a) 77 kg vlees zonder been, ingeval van uitsnijden en uitbenen van de gehele hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, of in geval van uitsnijden en uitbenen van hetzelfde aantal voorvoeten en achtervoeten;
b) 70 kg vlees zonder been, in geval van uitsnijden en uitbenen van alle voorvoeten.
(...)"
3) artikel 4 van verordening nr. 1405/78 voorziet eenzelfde mogelijkheid om het vlees (voorvoeten) vóór de inslag uit te benen en uit te snijden; het bepaalt verder:
"(...)
2. Voor de toepassing van deze verordening wordt 100 kg vlees met been gelijkgesteld met 70 kg zonder been.
(...)"
4) artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 2471/77 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1405/78 bepalen, dat wanneer de hoeveelheid opgeslagen vlees zonder been kleiner is dan 85 % van de hoeveelheid vlees met been waarvoor het contract is gesloten, de steun niet wordt uitbetaald en, dat wanneer deze hoeveelheid gelijk is aan of groter is dan dit percentage, het steunbedrag naar evenredigheid wordt verlaagd.
5. In het kader van de toepassing van deze regels hebben de feiten in het hoofdgeding zich afgespeeld. Ik zal ze kort samenvatten.
6. In de eerstgenoemde zaak had Otto Frick GmbH (hierna: "Frick") steun ontvangen voor de opslag van 22 157,4 kg vlees zonder been dat was verkregen van 29 571 kg vlees met been, zodat de opbrengst 74,93 % bedroeg. Nadat Frick 3 220,8 kg voortijdig had uitgeslagen, vorderde de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: de "BALM") het toegekende steunbedrag volledig terug, omdat door deze uitslag de in verordening nr. 1405/78 voor het recht op steun voorgeschreven drempel van 85 % van de contractuele hoeveelheid die moet worden opgeslagen, niet meer werd bereikt.
7. De BALM kwam tot deze conclusie, door op de 3 220,8 kg uitgeslagen vlees het "werkelijke" bij het ontbenen verkregen opbrengstpercentage van 74,93 % toe te passen, hetgeen 4 298 kg vóór ontbening oplevert. Wordt deze laatste hoeveelheid afgetrokken van de aanvankelijk opgeslagen hoeveelheid ° 29 571 kg °, dan resteert slechts het vlees zonder been afkomstig van 25 273 kg vlees met been, dat wil zeggen een hoeveelheid die procentueel kleiner is dan de in de betrokken verordening vastgestelde drempel van 85 % van de overeengekomen hoeveelheid.
8. Voor de verwijzende rechter en ter terechtzitting voor het Hof verklaarde Frick dat niet dit "werkelijke" percentage moet worden toegepast, doch het in de verordening vastgesteld "fictieve" opbrengstpercentage van 70 % (100 kg vlees met been is gelijk aan 70 kg vlees zonder been): in dat geval wordt de voor de steun vereiste drempel van 85 % wel bereikt en mag deze steun niet worden ingetrokken, maar enkel worden verlaagd.
9. In de tweede zaak had Vinzenz Murr GmbH (hierna: "Murr") steun ontvangen voor de opslag van 31 367 kg vlees zonder been. Toen de BALM vernam dat 5 175,8 kg vlees vóór de sluiting van het contract was opgeslagen, vorderde zij, omdat dit vlees haars inziens zonder machtiging was opgeslagen, de steun volledig terug, op grond dat wanneer op laatstgenoemde hoeveelheid het bij het uitbenen verkregen werkelijke opbrengstpercentage (77,09 %) werd toegepast en het aldus verkregen gewicht van de aanvankelijke hoeveelheid werd afgetrokken, een hoeveelheid resteerde die kleiner was dan de door de betrokken verordening vastgestelde drempel van 85 %.
10. Murr betoogt, dat de opslag van het vlees vóór de sluiting van het contract mag beginnen en dat de BALM in casu de inslagverrichtingen even doeltreffend heeft kunnen controleren als na de sluiting van het contract, omdat Murr haar telefonisch had meegedeeld, dat zij op dezelfde dag als waarop de steunaanvraag werd ingediend met het uitsnijden en uitbenen van de betrokken hoeveelheid vlees zou beginnen, waartegen de BALM geen bezwaar had gemaakt. Bovendien is Murr evenals Frick van mening, dat voor de vraag of de drempel van 85 % al dan niet is bereikt, de in de verordening voorziene berekeningswijze (100 kg vlees met been is hier gelijk aan 77 kg vlees zonder been) moet worden toegepast.
11. De vraag, welke omrekeningssleutel ° werkelijk percentage of "fictief" percentage ° moet worden toegepast om bij vlees zonder been de minimumhoeveelheid te bepalen die moet worden opgeslagen om geheel of gedeeltelijk voor steun in aanmerking te komen, is in de vraag in de eerste zaak, alsmede, subsidiair, in de laatste vraag in de tweede zaak aan de orde gesteld.
12. Bij de eerste vier vragen gaat het erom, of Murr al dan niet aanspraak kan maken op steun voor de hoeveelheid die vóór de sluiting van het contract met de BALM is opgeslagen.
13. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de inslag van de overeengekomen hoeveelheid pas na de sluiting van het opslagcontract mag beginnen.
14. Verordening nr. 1071/68 bevat ter zake geen nadere precisering. Onder verwijzing naar enkele bepalingen betreffende het opslagcontract, geeft de Commissie het Hof evenwel in overweging deze vraag bevestigend te beantwoorden. Ik deel deze zienswijze.
15. Volgens artikel 3, lid 2, sub b en c, moet het opslagcontract voor de opslaghouder in de verplichting voorzien, dat hij het interventiebureau de dag en de plaats van inslag opgeeft, evenals de aard en de hoeveelheid van de produkten die worden opgeslagen, en "onverwijld" de op de inslag betrekking hebbende bewijsstukken overlegt. Hieruit volgt, dat de inslag normaliter plaats moet vinden na de sluiting van het contract.
16. Worden deze bepalingen in onderlinge samenhang gelezen met de bepaling sub e van hetzelfde lid, dat de opslaghouder verplicht het interventiebureau toe te staan op ieder ogenblik het nakomen van de aangegane verplichtingen te controleren, dan komen we tot hetzelfde resultaat. Wanneer de inslag vóór de sluiting van het contract plaatsvindt, kan de controle pas achteraf geschieden, met het risico dat zij minder betrouwbaar is.
17. Bij een bevestigend antwoord op deze eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om een uitspraak over de vraag, met welke verrichting de inslag in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 begint.
18. Verordening nr. 2471/77 bepaalt, dat de opslagtermijn vier tot vijf maanden bedraagt (artikel 5, lid 1) en ingaat op de dag waarop de inslag beëindigd is (artikel 3, lid 2, tweede alinea).
19. Evenmin als verordening nr. 1071/68 bevat deze verordening een nadere precisering over het tijdstip waarop de inslag begint, doch niettemin bevatten deze beide regelingen waardevolle aanknopingspunten.
20. Het eerste aanknopingspunt is te vinden in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1071/68, waarin wordt bepaald: "Het steunbedrag wordt per gewichtseenheid vastgesteld en heeft betrekking op het gewicht dat vóór bevriezing bij de inslag wordt bepaald". De inslag vindt dus plaats na weging doch vóór bevriezing.
21. Volgens de tweede overweging van de considerans van deze verordening komen slechts voor steun in aanmerking de particuliere opslaghouders die kunnen garanderen "(...) dat de opslag op bevredigende wijze zal worden uitgevoerd en die binnen de Gemeenschap over een voldoende koelruimte beschikken". Artikel 3, lid 2, van de verordening verwijst naar "de inslag (...) van de produkten die worden opgeslagen" (b) en noemt de verplichting voor de opslaghouder om "de produkten op te slaan in partijen die gemakkelijk te herkennen zijn" (d).
22. Uit dit aanknopingspunt, dat het vorige verduidelijkt, kan worden afgeleid, dat de inslag begint met de opslag in een vrieskamer, met dien verstande dat met de bevriezing pas later zal kunnen worden begonnen, in het bijzonder om het interventiebureau in staat te stellen, elke nuttige controle uit te oefenen.
23. Wanneer eenmaal als beginsel vaststaat dat pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag mag worden begonnen, moet vervolgens worden bepaald ° en hierop heeft de derde prejudiciële vraag betrekking ° of de contractant die een partij vóór de sluiting van het contract heeft opgeslagen, daardoor dan elk recht op steun verliest.
24. Met andere woorden, moet deze verplichting worden aangemerkt als een hoofdverplichting, zodat bij niet-nakoming van deze verplichting het recht op steun teniet kan gaan, of slechts als een bijkomende verplichting die een dergelijke sanctie niet rechtvaardigt?
25. In zijn arrest Man (Sugar)(5) verklaarde het Hof:
"wanneer (...) in een gemeenschapsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen een hoofdverplichting waarvan de nakoming noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, en een bijkomende verplichting van voornamelijk administratieve aard, kan die regeling niet zonder miskenning van het evenredigheidsbeginsel een even strenge sanctie stellen op niet-nakoming van de bijkomende verplichting als op niet-nakoming van de hoofdverplichting".(6)
26. En in zijn arrest Fromançais(7) verklaarde het:
"Om te kunnen vaststellen of een bepaling van gemeenschapsrecht zich verdraagt met het evenredigheidsbeginsel moet in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die zij aanwendt om het gestelde doel te bereiken, beantwoorden aan het belang van dit doel en, in de tweede plaats, of zij noodzakelijk zijn om het te bereiken."(8)
27. Het doel van de steun is vooral om de opslag te stimuleren. Maar deze opslag moet geschieden met inachtneming van bepaalde voorwaarden die de doeltreffendheid ervan dienen te verzekeren en het interventiebureau in staat dienen te stellen zijn controle uit te oefenen. Is dit niet het geval, dan kan het doel van de verordeningen niet worden bereikt.
28. Deze voorwaarden, en met name de nakoming van de verplichting, op het belang waarvan ik heb gewezen, om pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslagverrichtingen te beginnen, moeten dus worden aangemerkt als hoofdverplichtingen. Niet-nakoming ervan rechtvaardigt in beginsel verval van het recht op steun voor de betrokken hoeveelheden.
29. Nogmaals: in het licht van de voorgaande overwegingen lijkt deze sanctie mij juist en noodzakelijk voor het bereiken van de essentiële doeleinden van de betrokken regeling, namelijk de opslag te stimuleren en tegelijkertijd onregelmatigheden en fraudes te voorkomen.
30. Hoe ligt het nu, wanneer de overheidsinstantie de inslag even doeltreffend had kunnen controleren als wanneer de inslag overeenkomstig de regels, dat wil zeggen na de sluiting van het opslagcontract, had plaatsgevonden.
31. Met dit voor ogen verzocht het Bundesverwaltungsgericht het Hof om de problemen in deze zaak "genuanceerder te beoordelen". De Commissie en Murr stemmen in met een dergelijke beoordeling en ik vind het moeilijk mij niet daarbij aan te sluiten.
32. Ik herinner eraan, dat de BALM telefonisch ° een gangbare praktijk van zijn bijkantoor op dit gebied ° in kennis is gesteld van het voornemen van Murr om voortijdig met de inslag van een bepaalde hoeveelheid te beginnen en dat zij hiertegen geen enkel bezwaar heeft gemaakt.
33. Indien deze "voortijdige" inslag de controlemogelijkheden van de BALM niet nadelig heeft beïnvloed, hetgeen uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter staat, moet worden aangenomen, dat de opslaghouder zijn recht op steun voor de omstreden hoeveelheid niet heeft verloren.
34. Ik kom nu bij de vraag die in beide zaken is gesteld, maar niet op dezelfde wijze is geformuleerd. Volgt het Hof mijn voorstel voor het antwoord op de vierde vraag in de zaak Murr, dan heeft de verwijzende rechter geen antwoord op zijn laatste vraag nodig om de bij hem aanhangige zaak te kunnen beslechten.
35. Zo niet, dan blijft deze vraag van belang en kan de verwijzende rechter in ieder geval in de zaak Frick het geschil pas beslechten, wanneer het Hof hem antwoord geeft.
36. Zoals we hebben gezien, is het probleem, welke omrekeningssleutel moet worden gebruikt bij het uitsnijden en uitbenen van het vlees. Wanneer het Hof de door de ondernemingen voorgestelde oplossing aanvaardt en voor het in de genoemde verordeningen vastgestelde forfaitaire percentage kiest, is het recht op de omstreden hulp in ieder geval verzekerd. Wanneer het Hof daarentegen met de BALM en de Commissie van mening is, dat enkel het "werkelijke" percentage moet worden gebruikt, zal dit recht hun worden geweigerd, zeker wat Frick betreft en, wat Murr betreft, onder voorbehoud van hetgeen reeds is gezegd.
37. Gelet op de bewoordingen van de bepalingen zelf alsook op het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de tweede oplossing, moet mijns inziens voor de eerste oplossing worden gekozen.
38. Om te beginnen de bewoordingen van de bepalingen: de artikelen 4, respectievelijk leden 3 en 2, van de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78 bepalen: "voor de toepassing van deze verordening (...)" wordt x kg vlees met been (...) gelijkgesteld met y kg vlees zonder been.
39. Bij gebreke van een uitdrukkelijke uitzondering op deze regel, moet hij, dunkt mij, bij de uitvoering van die verordeningen onverkort worden toegepast.
40. Ingeval een bepaalde hoeveelheid vlees zonder been niet volgens de regels is uitgeslagen, dan wel niet overeenkomstig de gestelde voorwaarden is ingeslagen, zodat in beide gevallen bij de toekenning van steun hiermee geen rekening mag worden gehouden, moet ter bepaling van de daarmee overeenkomende hoeveelheid vlees zonder been derhalve de uitdrukkelijk in de betrokken verordeningen voorziene omrekeningssleutel worden toegepast en niet een of ander werkelijk opbrengstpercentage, dat daarin nergens wordt genoemd.
41. Het lijkt mij namelijk logisch, dat een zo technische zaak als de opslag van rundvlees in duidelijke bepalingen wordt geregeld. De verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78 bevatten wel bijzonderheden over het forfaitaire opbrengstpercentage (100 kg vlees met been komt, al naar gelang het geval, overeen met 77 kg of 70 kg vlees zonder been), maar zwijgen over het werkelijke opbrengstpercentage dat de Commissie toegepast zou willen zien.
42. Na onderzoek van deze bepalingen ben ik dan ook van mening, dat enkel het in de verordeningen genoemde forfaitaire percentage moet worden toegepast.
43. In deze zin verklaarde het Hof in zijn arrest Duitsland/Commissie(9) dat:
"(...) de gemeenschapswetgeving, (...) met zekerheid kenbaar (dient) te zijn en (...) de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar (moet) zijn. Die rechtszekerheid is in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben, ten einde de belanghebbenden in staat te stellen de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig te kennen".
44. Ik word in mijn mening gesterkt, omdat voor de door de Commissie voorgestelde oplossing volgens welke het werkelijke opbrengstpercentage zou moeten worden gebruikt, elke rechtsgrondslag ontbreekt.
45. Evenmin als de verordeningen namelijk een uitdrukkelijke bepaling betreffende een werkelijke omrekeningssleutel bevatten, kan in de bewoordingen ervan een aanknopingspunt worden gevonden voor een uitlegging die het standpunt van de Commissie schraagt.
46. De Commissie verzoekt het Hof, uit de artikelen 4, lid 1, van de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78, volgens welke al het bij het uitbenen of uitsnijden verkregen vlees moet worden ingeslagen (en niet slechts 77 of 70 kg vlees zonder been voor 100 kg vlees met been), af te leiden, dat bij de vaststelling van de toe te kennen steun de werkelijke bij ontbening verkregen hoeveelheid in aanmerking moet worden genomen. Een dergelijke uitlegging zou beletten dat de opslaghouder die voor ontbening van het vlees heeft gekozen en een hogere opbrengst heeft verkregen, aanspraak maakt op de volledige steun en daarbij de mogelijkheid behoudt, de overgeschoten stukken te verkopen. Bovendien wordt in de vijfde overweging van verordening nr. 1071/68 gezegd dat "(...) het dienstig is bepaalde geringe afwijkingen van de overeengekomen hoeveelheid toe te staan, ten einde met handelsgebruiken rekening te houden". Dit zou de reden zijn voor de in de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78 voorziene percentages (90 % respectievelijk 85 %, al naar gelang het vlees in ongewijzigde staat dan wel zonder been is opgeslagen). Door de inaanmerkingneming van de fictieve opbrengst mag de contractant die na het ontbenen een overschot heeft, voor de berekening van steun dus niet nog meer flexibiliteit worden geboden.
47. Ik deel dit standpunt niet.
48. De verplichting voor de handelaren om al het bij het uitbenen verkregen vlees in te slaan beantwoordt inderdaad aan een van de voornaamste doeleinden van de betrokken verordeningen, namelijk er voor te zorgen dat zoveel mogelijk rundvlees wordt opgeslagen(10) en elke fraude wordt vermeden. Deze verplichting is geenszins onverenigbaar met het bestaan van forfaitaire omrekeningssleutels die de voorwaarden voor de toekenning van steun vooraf en nauwkeurig dienen te bepalen.
49. Anders dan de Commissie betoogt, kunnen deze omrekeningssleutels niet enkel tot doel hebben om een minimumopbrengst voor het uitbenen vast te stellen. Zij vormen een van de belangrijkste elementen van de verordening, omdat het recht op steun afhangt van de toepassing van deze sleutels.
50. Ook kan mijns inziens de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1071/68 niet op de door de Commissie aangegeven wijze worden uitgelegd, en ik acht het niet mogelijk om hieruit voor de betrokken handelaren een of ander beletsel voor de toepassing van het forfaitaire percentage bij het uitbenen af te leiden.
51. Ik ben eerder van mening, dat de toepassing van het werkelijke percentage op een gedeelte van het uitgebeende vlees, dat voortijdig is uitgeslagen of onregelmatig is ingeslagen, ten einde vast te stellen met welke hoeveelheid vlees zonder been die overeenkomt, tot ernstige beoordelingsfouten kan leiden.
52. Dit werkelijke percentage is namelijk verkregen door uitbening van al het ingeslagen vlees, dat wil zeggen van alle stukken gezamenlijk. In deze zin gaat het om een gemiddeld werkelijk percentage dat is verkregen door de uitbening van de totale hoeveelheid vlees.
53. De toepassing van dit gemiddelde werkelijke percentage op een slechts uit bepaalde stukken bestaande kleine hoeveelheid vlees ° die voortijdig is uitgeslagen dan wel onregelmatig is ingeslagen ° zou dus onjuist zijn, omdat dit percentage enkel werkelijk is ten opzichte van de opbrengst die bij het uitbenen van al het ingeslagen vlees is verkregen.
54. Dit versterkt mij in mijn mening, dat het forfaitaire percentage als bedoeld in de verordeningen, moet worden toegepast.
55. Wat het risico betreft dat de opslaghouders die tot uitbening zijn overgegaan de overgeschoten stukken verkopen, behoeft slechts te worden opgemerkt, dat de betrokken verordeningen (in de artikelen 4, lid 1) het uitbenen slechts toestaan op voorwaarde dat al het hierdoor verkregen vlees wordt ingeslagen.
56. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
"1) Artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68 van de Commissie van 25 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees moet aldus worden uitgelegd, dat de particuliere opslaghouder pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag van de overeengekomen hoeveelheid mag beginnen.
2) De inslag in de zin van deze bepaling begint met de opslag van het vlees in de vrieskamer van het koelhuis, en wel voor invriezing.
3) De verplichting om pas na de sluiting van het contract met de inslag te beginnen vormt een hoofdverplichting, zodat bij niet-nakoming van deze verplichting in beginsel het recht op toekenning van steun voor de betrokken hoeveelheid vlees vervalt.
4) Dit recht vervalt evenwel niet, wanneer de particuliere opslaghouder het interventiebureau telefonisch in kennis heeft gesteld van zijn voornemen de betrokken hoeveelheid voortijdig in te slaan, zonder dat dit interventiebureau daartegen enig bezwaar heeft gemaakt, en wanneer deze voortijdige inslag de mogelijkheid van het interventiebureau om daadwerkelijk te controleren of de opslaghouder zich aan de op hem rustende verplichtingen heeft gehouden, niet heeft aangetast.
5) Wanneer vlees wordt uitgebeend moeten bij de berekening van de voor het recht op steun voor de opslag in aanmerking te nemen hoeveelheid vlees de forfaitaire percentages worden toegepast, die zijn voorzien in artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2471/77 van de Commissie van 8 november 1977 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en 'compensated quarters' in de sector rundvlees, respectievelijk artikel 4, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1405/78 van de Commissie van 22 juni 1978 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - Verordening houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees (PB 1968, L 180, blz. 19).
(2) - Verordening betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en compensated quarters in de sector rundvlees (PB 1977, L 286, blz. 20).
(3) - Verordening betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees (PB 1978, L 170, blz. 20).
(4) - Zie respectievelijk de vijfde en de vierde overweging van deze verordeningen.
(5) - Arrest van 24 september 1985, zaak 181/84, Jurispr. 1985, blz. 2889.
(6) - R.o. 20.
(7) - Arrest van 23 februari 1983, zaak 66/82, Jurispr. 1983, blz. 395.
(8) - R.o. 8.
(9) - Arrest van 15 december 1987, zaak 332/85, Jurispr. 1987, blz. 5143, r.o. 23.
(10) - Zie arrest van 1 februari 1994, zaak C-374/92, Irsfeld, Jurispr. 1994, blz. I-0000, r.o. 24.
Full & Egal Universal Law Academy