Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Fiscale bepalingen ° Harmonisatie van wetgevingen ° Belastingvrijstellingen bij tijdelijke invoer van vervoermiddelen en definitieve invoer van persoonlijke goederen door particulieren ° Gewone verblijfplaats in de zin van richtlijnen 83/182 en 83/183 ° Begrip ° Bewijsmodaliteiten ° Nationale regeling onverenigbaar met gemeenschapsvoorschriften
(Richtlijnen van de Raad 83/182, art. 7, en 83/183, art. 6)
2. Vrij verkeer van personen ° Recht van binnenkomst en verblijf van onderdanen van Lid-Staten ° Afstempeling, door nationale autoriteiten, van paspoorten van reizigers ter controle van verblijfsduur van tijdelijk ingevoerde voertuigen ° Toelaatbaarheid
(Richtlijn 73/148 van de Raad, art. 2, lid 1, en 3, lid 1)
3. Fiscale bepalingen ° Harmonisatie van wetgevingen ° Belastingvrijstellingen bij tijdelijke invoer van vervoermiddelen ° Afstempeling, door nationale autoriteiten, van paspoorten van reizigers ter controle van verblijfsduur van tijdelijk ingevoerde voertuigen ° Toelaatbaarheid
(Richtlijn 83/182 van de Raad, art. 7, lid 3)
4. Fiscale bepalingen ° Harmonisatie van wetgevingen ° Belastingvrijstellingen bij tijdelijke invoer van vervoermiddelen ° Wederuitvoer van wederverhuurde voertuigen ° Vaststelling van bijzondere termijn ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 83/182 van de Raad, art. 3, sub b)
Partijen
In zaak C-9/92,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en D. Calleja, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch-adviseur bij de Raad van State, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door een regeling betreffende de tijdelijke en definitieve invoer van vervoermiddelen vast te stellen en toe te passen, die enerzijds onverenigbaar is met richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB 1983, L 105, blz. 59), en richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren (PB 1983, L 105, blz. 64), en anderzijds met richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB 1973, L 172, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris en M. Zuleeg, kamerpresidenten, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 maart 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 april 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 januari 1992, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door een regeling betreffende de tijdelijke en definitieve invoer van vervoermiddelen vast te stellen en toe te passen, die enerzijds onverenigbaar is met richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB 1983, L 105, blz. 59; hierna: "richtlijn 83/182"), en richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren (PB 1983, L 105, blz. 64; hierna: "richtlijn 83/183"), en anderzijds met richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB 1973, L 172, blz. 14; hierna: "richtlijn 73/148").
2 De richtlijnen 83/182 en 83/183 zijn in de Helleense Republiek omgezet bij ministerieel besluit nr. * 1254/141/1984 van 1 november 1984, gewijzigd bij ministerieel besluit nr. * 247/13 van 1 maart 1988, respectievelijk bij ministerieel besluit nr. * 264/23/2985 van 30 november 1985, gewijzigd bij besluit nr. * 245/11 van 1 maart 1988. De uitvoeringsbepalingen van deze besluiten zijn opgenomen in de circulaires nr. * 357 en nr. * 366/26 *** 10 van respectievelijk 22 en 4 maart 1988.
3 De Commissie is van mening, dat deze maatregelen bepalingen bevatten die onverenigbaar zijn met de bepalingen van de richtlijnen die zij beogen om te zetten, en dat een circulaire in ieder geval niet kan worden beschouwd als een gepast middel voor een dergelijke omzetting. Ten slotte zou de Griekse administratie praktijken hebben gebezigd die onverenigbaar zijn met deze richtlijnen en met richtlijn 73/148.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De regels voor de bepaling van de gewone verblijfplaats
5 Volgens de Commissie is de definitie van gewone verblijfplaats in artikel 3, eerste alinea, van ministerieel besluit nr. * 247/13 en in artikel 2, lid 1, sub c, van ministerieel besluit nr. * 245/11 onverenigbaar met de definitie van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en van artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183. Volgens deze laatste bepalingen wordt namelijk onder "gewone verblijfplaats" verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, terwijl de referentieperiode in de Griekse regeling niet het kalenderjaar is, maar de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de invoer.
6 De op basis van artikel 99 EEG-Verdrag vastgestelde richtlijnen 83/182 en 83/183 beogen de opheffing van de belemmeringen voor de totstandkoming van een interne markt, die voortkomen uit belastingregelingen die van toepassing zijn bij de tijdelijke en de definitieve invoer van bepaalde vervoermiddelen voor persoonlijk of beroepsmatig gebruik. Zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest van 23 april 1991 (zaak C-297/89, Ryborg, Jurispr. 1991, blz. I-1943), ligt het begrip gewone verblijfplaats ten grondslag aan de regeling van richtlijn 83/182. Dit geldt ook voor richtlijn 83/183.
7 Aan de hand van de gewone verblijfplaats kan immers worden bepaald, in welke Lid-Staat het betrokken voertuig zich in een situatie van tijdelijke of definitieve invoer bevindt, en welke Lid-Staat het recht heeft het voertuig aan zijn belastingstelsel te onderwerpen.
8 Hieruit volgt, dat het begrip gewone verblijfplaats een communautair begrip is waarvan de strekking niet door de Lid-Staten kan worden gewijzigd.
9 De Helleense Republiek heeft echter aangevoerd, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 11, lid 2, van richtlijn 83/183 meer liberale regelingen kunnen handhaven of treffen dan waarin die richtlijnen voorzien. Dit zou het geval zijn bij de bestreden maatregelen. Want als alleen het kalenderjaar in aanmerking werd genomen, zouden personen die voldoen aan de voorwaarde van een verblijf van 185 dagen tijdens een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de invoer, maar niet tijdens een kalenderjaar, geen aanspraak hebben op toepassing van de bepalingen van de richtlijn.
10 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Zoals immers de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 4 van zijn conclusie, "is het duidelijk dat, afhankelijk van de periode waarin het verblijf in kwestie plaatsvond (...) en al naargelang het genoemde verblijf al dan niet ononderbroken is geweest, de betrokkenen benadeeld of bevoordeeld zouden kunnen worden door het feit dat men rekening houdt met de twaalf maanden voorafgaand aan de invoer in plaats van met het voorgaande kalenderjaar". Artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 11, lid 2, van richtlijn 83/183 kunnen derhalve de vaststelling door de Helleense Republiek van een begrip "gewone verblijfplaats" dat afwijkt van dat van de richtlijnen, niet rechtvaardigen.
11 Hieruit volgt, dat de grieven ontleend aan schending van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en van artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 gegrond zijn.
Het in de Griekse regeling met betrekking tot definitieve invoer gestelde vereiste van een verblijf van ten minste twee jaar in een andere Lid-Staat
12 De Commissie is van mening, dat de voorwaarde waaraan artikel 4, lid 1, van besluit nr. * 245/11 de verlening van vrijstelling in geval van definitieve invoer onderwerpt, te weten het hebben van een gewone verblijfplaats buiten de Helleense Republiek gedurende ten minste twee periodes van twaalf maanden voorafgaand aan de overbrenging van die verblijfplaats, niet voorkomt in artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 en derhalve onverenigbaar is met die bepaling.
13 De Helleense Republiek voert aan, dat de Lid-Staten een minimumperiode van gewoon verblijf mogen vaststellen. Het begrip "gewone verblijfplaats" zou immers uitgaan van de continuïteit en de vastheid waardoor het begrip woonplaats wordt gekenmerkt en die niet kunnen worden afgeleid uit de enige elementen die in de richtlijn vermeld worden, te weten een verblijf van 185 dagen per kalenderjaar en persoonlijke en beroepsmatige bindingen.
14 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Zoals in rechtsoverweging 8 van dit arrest is opgemerkt, laat richtlijn 83/183 de Lid-Staten niet de bevoegdheid het in artikel 6, lid 1, omschreven begrip gewone verblijfplaats aan te vullen.
15 Mitsdien is de aan schending van die bepaling ontleende grief gegrond.
Het bewijs van de gewone verblijfplaats
16 De Commissie is van mening, dat verweerster heeft verzuimd artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 83/182 en artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183 in Grieks recht om te zetten. Volgens deze bepalingen dient de gewone verblijfplaats met passende middelen, met name door de overlegging van de identiteitskaart of enig ander legitimatiebewijs, te worden aangetoond. Slechts indien de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer de juistheid van de verklaring van de gewone verblijfplaats in twijfel trekken of met het oog op bepaalde specifieke controles, kunnen zij om aanvullende inlichtingen of bewijsstukken verzoeken.
17 De ministeriële besluiten nr. * 247/13 en nr. * 245/11 bepalen echter slechts, respectievelijk in artikel 15 en 29, dat de bewijslast met betrekking tot de gewone verblijfplaats op de verzoeker rust. De regels voor het bewijs van de gewone verblijfplaats zijn opgenomen in titel II van circulaire nr. * 366/26 ***. Deze tot de douane gerichte circulaire vermeldt de verschillende documenten die bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats in aanmerking kunnen worden genomen.
18 Volgens de Commissie vormt een circulaire geen gepast middel voor de omzetting van richtlijnen die, zoals in het onderhavige geval, rechten voor particulieren in het leven beogen te roepen. Over het algemeen zou de Griekse regeling de douaneautoriteiten een ruime beoordelingsvrijheid laten met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden verlangd, ongeacht of twijfel bestaat omtrent de gewone verblijfplaats.
19 De Helleense Republiek brengt hiertegen in, dat circulaire nr. * 366/26 *** verenigbaar is met de richtlijnen en dat, anders dan de Commissie stelt, de daarin genoemde bewijsmiddelen niet kunnen worden verlangd ongeacht of twijfel bestaat omtrent de gewone verblijfplaats.
20 In dit verband zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer arrest van 17 oktober 1991, zaak C-58/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-4983), ingeval een richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden in staat moeten worden gesteld al hun rechten te kennen en deze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties te doen gelden. Dit is niet het geval indien bij de omzetting van een richtlijn gekozen is voor een circulaire, waarvan de bepalingen niet rechtstreeks werken jegens derden.
21 Zoals de Commissie heeft aangevoerd, bevatten de in geding zijnde ministeriële besluiten geen enkele regel voor de omzetting van artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 83/182 en van artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183, welke bepalingen het voor particulieren mogelijk maken de gewone verblijfplaats met passende middelen aan te tonen, en het gebruik van aanvullende inlichtingen of bewijsstukken enkel toestaan in geval de juistheid van de verklaring van de gewone verblijfplaats in twijfel wordt getrokken en wanneer bepaalde specifieke controles worden verricht.
22 Ten slotte omschrijft titel II van circulaire nr. * 366/26 *** de verschillende documenten die de douaneautoriteiten in aanmerking kunnen nemen bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Volgens de laatste alinea van deze titel "dienen deze bewijsmiddelen eveneens voor de controle van het verblijf in het buitenland van een bepaalde persoon gedurende 185 dagen per tijdvak van twaalf maanden, indien deze controle niet alleen met behulp van het paspoort kan worden verricht".
23 Deze bepalingen maken niet voldoende duidelijk, dat de gewone verblijfplaats met passende middelen kan worden aangetoond en dat alleen in geval van twijfel of in het kader van specifieke controles aanvullende inlichtingen of bewijsstukken kunnen worden verlangd. Derhalve kunnen zij in ieder geval niet worden beschouwd als een juiste omzetting van artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 83/182 en van artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183.
Het in de Griekse regeling met betrekking tot definitieve invoer gestelde vereiste om een verblijfsvergunning van vijf jaar over te leggen als bewijs van de overbrenging van de gewone verblijfplaats
24 De Commissie meent, dat het in titel III van circulaire nr. * 357 gestelde vereiste van een verblijfsvergunning van vijf jaar als bewijs van de gewone verblijfplaats, eveneens in strijd is met artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183.
25 De Helleense Republiek betoogt dat deze grief niet-ontvankelijk is, aangezien de Commissie pas in haar antwoord op een vraag van het Hof voor het eerst verwijst naar circulaire nr. * 357. Verzoekster zou daarmee het voorwerp van het geschil op ontoelaatbare wijze hebben uitgebreid.
26 Dienaangaande volstaat het erop te wijzen, dat het vereiste van een verblijfsvergunning van vijf jaar voor de verlening van de vrijstelling door verzoekster reeds in de precontentieuze procedure ter sprake is gebracht. Daar de verwijzing naar de circulaire slechts diende tot staving van de grief, moet deze ontvankelijk worden verklaard.
27 In haar antwoord op het met redenen omkleed advies heeft de Helleense Republiek het bestaan van dit vereiste erkend, doch het gerechtvaardigd genoemd. Het zou immers ongerijmd zijn een Lid-Staat te verplichten de vrijstelling volgens richtlijn 83/183 te verlenen voordat de betrokkene vergunning heeft gekregen om zich op het grondgebied van die staat te vestigen.
28 Te dezen zij opgemerkt, dat artikel 6 van richtlijn 83/183 algemene regels bevat ter bepaling van de gewone verblijfplaats. Het geeft niet alleen een definitie van dit begrip opdat het in alle Lid-Staten dezelfde betekenis heeft, maar bevat ook regels voor het vaststellen van de gewone verblijfplaats, om te vermijden dat door bepaalde, al te strikte, bewijsvoorschriften ongerechtvaardigde belemmeringen voor de verlening van de vrijstelling ontstaan.
29 Gelet op die doelstellingen moet artikel 6 van richtlijn 83/183 aldus worden uitgelegd, dat het niet slechts betrekking heeft op het bewijs van de gewone verblijfplaats in de Lid-Staat van herkomst, maar ook op de overbrenging van de gewone verblijfplaats naar de Lid-Staat van invoer. De bewijsvoorschriften zijn in beide gevallen immers dezelfde en in beide gevallen bestaat het gevaar, dat de verlening van de vrijstelling wordt belemmerd.
30 Vervolgens zij opgemerkt, dat de overbrenging van de gewone verblijfplaats met andere middelen dan een verblijfsvergunning kan worden aangetoond, in het bijzonder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur of met een huurovereenkomst, en dat het vereiste van een verblijfsvergunning als enig bewijsmiddel van de overbrenging derhalve ongerechtvaardigde belemmeringen van de verlening van de vrijstelling oplevert. Deze belemmeringen zijn een gevolg van de termijn waarbinnen die vergunning moet worden afgegeven, te weten zes maanden te rekenen vanaf de aanvraag, zoals is bepaald in artikel 5, lid 1, van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de cooerdinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, blz. 850). Richtlijn 83/183 heeft echter juist ten doel dergelijke belemmeringen op te heffen.
31 Wat ten slotte het argument betreft dat de Helleense Republiek in haar antwoord op het met redenen omkleed advies heeft aangevoerd, zij opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof (zie, onder meer, arrest van 8 april 1976, zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497) een verblijfsvergunning geen recht schept voor een onderdaan van een Lid-Staat om in een andere Lid-Staat te verblijven teneinde er een fundamentele vrijheid uit te oefenen of in de gevallen waarin het afgeleide recht voorziet, maar slechts het bewijs van een dergelijk verblijfsrecht vormt.
32 Om de in de voorgaande rechtsoverwegingen vermelde redenen moet het bewijs van de overbrenging van de gewone verblijfplaats met alle middelen kunnen worden geleverd, onafhankelijk van de voor de vaststelling van het verblijfsrecht vereiste formaliteiten.
33 Hieruit volgt, dat de grief ontleend aan schending van artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183, betreffende het in de Griekse regeling gestelde vereiste een verblijfsvergunning van vijf jaar over te leggen om de overbrenging van de gewone verblijfplaats aan te tonen, eveneens gegrond is.
Het aanbrengen van stempels in paspoorten
34 De Commissie verwijt de Helleense Republiek, bij de binnenkomst en het verlaten van het Griekse grondgebied stempels in paspoorten aan te brengen met het nummer van de nummerplaat van de voertuigen om de duur van het verblijf van die voertuigen te kunnen controleren. Deze praktijk van de douaneautoriteiten zou in strijd zijn met artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten, alsook met artikel 7, lid 3, van richtlijn 83/182.
35 Uit de rechtspraak van het Hof zou immers volgen, dat de bovengenoemde bepalingen van richtlijn 73/148 iedere formaliteit waarbij toestemming wordt gegeven het grondgebied van een Lid-Staat te betreden, naast de controle aan de grens van het paspoort of de identiteitskaart, verbieden, ongeacht de plaats of het tijdstip of de vorm van die toestemming. De in geding zijnde praktijk, zelfs indien zij alleen wordt toegepast op reizigers met een paspoort en niet op reizigers met een identiteitskaart, vormt volgens de Commissie een wezenlijke belemmering van het vrije verkeer van personen en is derhalve in strijd met genoemde bepalingen.
36 Wat de schending van artikel 7, lid 3, van richtlijn 83/182 betreft, betoogt de Commissie, dat deze bepaling alleen controles toestaat indien er ernstige twijfel bestaat omtrent de verblijfplaats van de persoon die het voertuig tijdelijk invoert. Dat is niet het geval bij de hier bedoelde praktijk, die stelselmatig paspoorthouders betreft.
37 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de in geding zijnde praktijk niet kan worden beschouwd als een belemmering van het vrije verkeer van personen, die in strijd is met genoemde bepalingen van richtlijn 73/148. De reizigers moeten immers hun paspoort overleggen als bewijs van hun identiteit en zij hebben geen enkele reden om het aanbrengen van stempels ter controle van de duur van de aanwezigheid van voertuigen op Grieks grondgebied te weigeren.
38 Artikel 7, lid 3, van richtlijn 83/182 betreft het bewijs van de gewone verblijfplaats of de overbrenging ervan, maar niet de controle op de naleving van de termijn waarvoor de vrijstelling is verleend. Aangezien gemeenschapsbepalingen op dit gebied ontbreken, staat het de staten vrij maatregelen te nemen zoals die waarom het hier gaat.
39 Mitsdien kan de grief ontleend aan schending van artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 73/148, alsook van artikel 7, lid 3, van richtlijn 83/182, betreffende het aanbrengen in paspoorten van stempels met het nummer van de nummerplaat van het voertuig van de reiziger, niet worden aanvaard.
De vaststelling van een termijn voor de wederuitvoer van overeenkomstig artikel 3, sub b, van richtlijn 83/182 wederverhuurde voertuigen
40 De Commissie is van mening, dat de vaststelling, in artikel 8, lid 2, van ministerieel besluit nr. 247/13, van een termijn van tien dagen voor de wederuitvoer van een overeenkomstig artikel 3, sub b, van richtlijn 83/182 wederverhuurd voertuig, in strijd is met deze laatste bepaling.
41 De Helleense Republiek voert aan, dat deze bepaling de overdracht of de verhuur van een tijdelijk ingevoerd voertuig verbiedt, maar tevens een uitzondering op deze regel bevat, welke de verhuur toestaat in geval het voertuig aan een onderneming met maatschappelijke zetel in de Gemeenschap toebehoort en zich in het betrokken land bevindt ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die geëindigd is. De verhuur is echter alleen toegestaan met het oog op wederuitvoer en niet om het voertuig op het grondgebied van de Lid-Staat van tijdelijke invoer te laten gebruiken gedurende de gehele duur van die invoer. Wanneer de richtlijn zou moeten worden uitgelegd zoals de Commissie zegt, zou zich concurrentievervalsing voordoen, daar de kosten van de voertuigen gebruikt door verhuurondernemingen met maatschappelijke zetel buiten de Helleense Republiek, lager zijn dan de kosten van de voertuigen gebruikt door Griekse verhuurondernemingen.
42 Dit betoog faalt. Artikel 3, sub b, van richtlijn 83/182 bevat immers een volledige regeling voor de verhuur van bepaalde tijdelijk ingevoerde vervoermiddelen en noemt geen enkele specifieke termijn voor de wederuitvoer van aan niet-ingezetenen wederverhuurde voertuigen, welke dus dient plaats te vinden binnen de voor de tijdelijke invoer gestelde termijn. Indien de gemeenschapswetgever de door de Helleense Republiek beschreven situatie had willen vermijden, zou hij zelf een termijn voor de betrokken wederuitvoer hebben vastgesteld.
43 Uit het voorgaande volgt, dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen
° door niet de nodige bepalingen vast te stellen voor de omzetting in nationaal recht van artikel 7 van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, en artikel 6 van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren;
° door een andere definitie van "gewone verblijfplaats" vast te stellen dan die waarin genoemde bepalingen voorzien;
° door in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 voor de toekenning van de belastingvrijstelling bij definitieve invoer een verblijf van ten minste twee jaar in een andere Lid-Staat te eisen;
° door in strijd met artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183 als bewijs van de overbrenging van de gewone verblijfplaats de overlegging van een verblijfsvergunning voor vijf jaar te verlangen;
° door in strijd met artikel 3, sub b, van richtlijn 83/182 te eisen dat een overeenkomstig die bepaling in huur gegeven voertuig binnen tien dagen wordt wederuitgevoerd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Daar de Helleense Republiek op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) De Helleense Republiek is de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen
° door niet de nodige bepalingen vast te stellen voor de omzetting in nationaal recht van artikel 7 van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, en artikel 6 van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren;
° door een andere definitie van "gewone verblijfplaats" vast te stellen dan die waarin genoemde bepalingen voorzien;
° door in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 voor de toekenning van de belastingvrijstelling bij definitieve invoer een verblijf van ten minste twee jaar in een andere Lid-Staat te eisen;
° door in strijd met artikel 6, leden 2 en 3, van richtlijn 83/183 als bewijs van de overbrenging van de gewone verblijfplaats de overlegging van een verblijfsvergunning voor vijf jaar te verlangen;
° door in strijd met artikel 3, sub b, van richtlijn 83/182 te eisen dat een overeenkomstig die bepaling in huur gegeven voertuig binnen tien dagen wordt wederuitgevoerd.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy