Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vrij verrichten van diensten ° Verdragsbepalingen ° Werkingssfeer ° Exploitatie in bioscoop of op televisie in Lid-Staat van films geproduceerd in andere Lid-Staten ° Daaronder begrepen
(EEG-Verdrag, art. 59 e.v.)
2. Vrij verrichten van diensten ° Beperkingen ° Regeling die afgifte van nasynchronisatievergunning voor films uit derde landen koppelt aan distributie van nationale films ° Discriminerende werking jegens producenten uit andere Lid-Staten ° Ontoelaatbaarheid ° Afwijkingen ° Redenen van openbaar belang ° Doelstellingen van economische aard ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 56 en 59)
Samenvatting
1. De exploitatie van een film in de bioscoop of op de televisie, met het oog waarop de producent de distributeur toestaat kopieën van de film te maken en deze voor openbare vertoningen te gebruiken, een en ander tegen vergoeding, is een dienstverrichting. Wanneer deze dienstverrichting een grensoverschrijdend karakter krijgt, doordat producent en distributeur niet in dezelfde Lid-Staat zijn gevestigd, valt zij onder de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten.
2. De verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke vergunningen voor de nasynchronisatie van films uit derde landen in een van de officiële nationale talen enkel worden afgegeven aan distributeurs die zich ertoe verbinden, nationale films te distribueren.
Waar de voorkeur van het publiek uitgaat naar in een van de nationale talen nagesynchroniseerde films uit derde landen, is een dergelijke regeling immers discriminerend, daar zij de producenten van nationale films, die zich door de grote vraag naar nasynchronisatievergunningen verzekerd weten van de distributie van hun films en van de ontvangsten daaruit, bevoordeelt boven de in andere Lid-Staten gevestigde producenten, die van de keuze van de distributeurs afhankelijk zijn. Een dergelijke regeling valt niet onder een uitdrukkelijke afwijkingsbepaling, zoals artikel 56 EEG-Verdrag, waarnaar in artikel 66 wordt verwezen. Afgezien van het feit dat het cultuurbeleid niet voorkomt onder de in artikel 56 genoemde rechtvaardigingsgronden, kan dienaangaande worden volstaan met vast te stellen, dat een regeling die de distributie van nationale films begunstigt ongeacht de inhoud of de kwaliteit ervan, een zuiver economische doelstelling dient, die geen reden van openbare orde is in de zin van genoemd artikel.
Partijen
In zaak C-17/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal Supremo, in het aldaar aanhangig geding tussen
Federación de Distribuidores Cinematográficos (Fedicine)
en
Spaanse Staat,
ondersteund door
Unión de Productores de Cine y Televisión,
interveniënte,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 tot en met 36, 59 en 92 EEG-Verdrag, richtlijn 63/607/EEG van de Raad van 15 oktober 1963 voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten op het gebied van het filmbedrijf (PB 1963, blz. 2661), en van de Tweede richtlijn (65/264/EEG) van de Raad van 13 mei 1965 ter uitvoering van de Algemene Programma' s voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten op het gebied van de cinematografie (PB 1965, blz. 1437) alsmede van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Federación de Distribuidores Cinematográficos, vertegenwoordigd door M. Lanchares Larre, Procurador de los Tribunales, en M. Villar Arregui, advocaat te Madrid,
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. N. Navarro Gonzáles, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Van Nuffel en D. Calleja, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
na overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering te hebben besloten, af te zien van mondelinge behandeling,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 december 1991, ingekomen bij het Hof op 22 januari 1992, heeft het Tribunal Supremo (de lo Contencioso-Administrativo), derde Kamer (hierna: "Tribunal Supremo") krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van een aantal verdragsbepalingen, om te kunnen beoordelen of met het gemeenschapsrecht verenigbaar is een nationale regeling die de afgifte van vergunningen tot nasynchronisatie van films uit derde landen, teneinde deze in Spanje in een nagesynchroniseerde versie in een van de officiële talen van Spanje te distribueren, afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat het distributiebedrijf dat die vergunning aanvraagt, zich vooraf contractueel verplicht een Spaanse film te distribueren.
2 Die vraag is gerezen in het kader van een administratief beroep, ingesteld door de vereniging naar Spaans recht Federación de Distribuidores Cinematográficos (hierna: "Fedicine"), tot nietigverklaring van het enige artikel van het Real Decreto Legislativo 1257/1986 van 13 juni 1986 houdende aanpassing aan het gemeenschapsrecht van de wet van 27 januari 1946 en van wet 3/1980 van 10 januari 1980 krachtens de bij de Ley de Bases van 27 december 1985 verleende wetgevende bevoegdheid (Boletin Oficial del Estado nr. 153 van 27 juni 1986, blz. 23427; hierna: "Real Decreto Legislativo").
3 Dat enige artikel, in werking getreden op 1 juli 1986, luidt als volgt:
"1. Wettig opgerichte distributieondernemingen mogen vrijelijk films distribueren die in de Gemeenschap zijn geproduceerd.
2. Deze ondernemingen hebben eveneens recht op maximaal vier nasynchronisatievergunningen voor films uit derde landen in een van de officiële talen van Spanje voor elke Spaanse film waarvan zij kunnen aantonen een distributieovereenkomst te hebben gesloten, onder de volgende voorwaarden:
a) de eerste vergunning wordt afgegeven wanneer het Instituto de la Cinematografía y de las Artes Audovisuales [instituut voor film en audiovisuele kunst] ervan in kennis is gesteld, dat begonnen is met de opnamen voor een Spaanse film waarvoor de aanvragende distributeur tevoren een overeenkomst is aangegaan. Die vergunning vervalt automatisch wanneer de film niet binnen een termijn van 200 dagen na het begin van de opnamen aan de filmkeuring kan worden voorgelegd. Het Instituto de la Cinematografía y de las Artes Audovisuales kan deze termijn verlengen op gemotiveerd verzoek van de belanghebbenden.
b) De tweede, de derde en de vierde vergunning worden afgegeven wanneer is aangetoond dat de film bruto ontvangsten heeft opgeleverd van respectievelijk 30, 60 en 100 miljoen peseta' s.
3. Voor de distributie van een film uit een derde land in nagesynchroniseerde versie is vereist, dat tevoren de daarvoor benodigde vergunning is verkregen."
4 Voor de nationale rechter betoogde Fedicine, dat het Decreto Legislativo een protectionistische, beperkende en discriminerende maatregel is, die in strijd met de artikelen 30 tot en met 36, 59 en 92 EEG-Verdrag, met richtlijn 63/607/EEG van de Raad van 15 oktober 1963 voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten op het gebied van het filmbedrijf (PB 1963, blz. 2661; hierna: "Algemeen Programma"), en met de tweede richtlijn (65/264/EEG) van de Raad van 13 mei 1965 ter uitvoering van de Algemene Programma' s voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten op het gebied van de cinematografie (PB 1965, blz. 1437; hierna: "Tweede richtlijn"), alsmede met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT).
5 Aldus gesteld voor een probleem van uitlegging van het gemeenschapsrecht, achtte het Tribunal Supremo zich als rechter in eerste en laatste instantie verplicht een prejudiciële vraag te stellen.
6 Deze vraag luidt als volgt:
"Is het verenigbaar met de communautaire rechtsorde, dat de afgifte van vergunningen tot nasynchronisatie van films uit derde landen, teneinde deze in Spanje in een nagesynchroniseerde versie in één van de officiële talen van Spanje te kunnen distribueren, afhankelijk is gesteld van de voorwaarde, dat het distributiebedrijf dat die vergunning aanvraagt, zich tevoren moet verplichten een Spaanse film te distribueren?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het Hof zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet kan uitspreken over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of over de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht. Wel kan het Hof de nationale rechter alle gegevens betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaffen, welke hem in staat kunnen stellen de voor hem gerezen rechtsvraag op te lossen. Blijkens het dossier wil de nationale rechter met zijn vraag vernemen, of de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van goederen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke nasynchronisatievergunningen voor films uit derde landen enkel worden afgegeven aan ondernemingen die zich ertoe verbinden, nationale films te distribueren.
De toepasselijke gemeenschapsbepalingen
9 Om te beginnen moet worden vastgesteld onder welke verdragsbepalingen de distributie van films valt.
10 Volgens het arrest van 6 oktober 1982 (zaak 262/81, Coditel, Jurispr. 1982, blz. 3381, r.o. 11) impliceert de exploitatie van een film in de bioscoop of op de televisie, dat de auteur toestemming moet geven voor iedere openbare vertoning van het werk, en dat de commercialisatie van films langs die weg, welke het verlenen van vertoningsrechten insluit, in de sfeer van de vrijheid van dienstverrichting valt.
11 Daarbij gaat het met name om de dienst die de producent van de film verricht door de distributeur toe te staan kopieën van de film te maken en deze voor openbare vertoningen te gebruiken. Wanneer de producent en de distributeur niet in dezelfde Lid-Staat zijn gevestigd, krijgt deze dienst een grensoverschrijdend karakter. Aangezien tenslotte vaststaat, dat de distributeur een deel van de ontvangsten uit de bioscoopvertoningen aan de producent afstaat, geschiedt die dienstverrichting ook tegen vergoeding in de zin van artikel 60 EEG-Verdrag.
12 Daaruit volgt, dat de door de nationale rechter aan de orde gestelde problematiek moet worden onderzocht in het licht van artikel 59 EEG-Verdrag.
Het vrij verrichten van diensten
13 Met betrekking tot artikel 59 is het vaste rechtspraak (zie met name arresten van 25 juli 1991, zaak C-288/89, Collectieve Antennevoorziening Gouda, en zaak C-353/89, Commissie/Nederland, Jurispr. 1991, blz. I-4007, r.o. 10, resp. blz. I-4069, r.o. 14), dat de vrijheid van dienstverrichting met name de afschaffing impliceert van iedere discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit of van de omstandigheid, dat hij is gevestigd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst moet worden verricht.
14 Ter zake zij erop gewezen, dat het Real Decreto Legislativo, door de afgifte van nasynchronisatievergunningen te koppelen aan de produktie en distributie van Spaanse films, de producenten van laatstbedoelde films bevoordeelt boven de in andere Lid-Staten gevestigde producenten die hun films in Spanje willen distribueren.
15 Naar de Commissie heeft medegedeeld, gaat de voorkeur van het Spaanse publiek wat films betreft, immers uit naar films uit derde landen ° met name uit de Verenigde Staten van Amerika °die in een van de officiële talen van Spanje zijn nagesynchroniseerd. Het Real Decreto Legislativo bindt de afgifte van een vergunning voor de nasynchronisatie van deze films aan de verplichting een Spaanse film te distribueren. Daarmee worden nationale filmproducenten bevoorrecht boven die uit andere Lid-Staten, want de eersten weten zich aldus verzekerd van de distributie van hun films en van de desbetreffende ontvangsten, terwijl de anderen volledig afhankelijk zijn van de keuze van de Spaanse distributeurs. Deze verplichting heeft dus een protectionistische werking ten gunste van Spaanse filmproduktiebedrijven en werkt in gelijke mate ten nadele van soortgelijke bedrijven in andere Lid-Staten. Doordat filmproducenten uit andere Lid-Staten het aan de Spaanse filmproducenten verschafte voordeel aldus moeten missen, heeft deze restrictie een discriminerend karakter.
16 Gelijk het Hof overwoog in zijn arresten van 26 april 1988 (zaak 352/85, Bond van Adverteerders, Jurispr. 1988, blz. 2085, r.o. 32-34) en 25 juli 1991 (Collectieve Antennevoorziening Gouda en Commissie/Nederland, reeds aangehaald, r.o. 10 resp. 15), zijn nationale regelingen die niet zonder onderscheid van toepassing zijn op dienstverrichtingen ongeacht de herkomst ervan, slechts verenigbaar met het gemeenschapsrecht, indien zij onder een uitdrukkelijke afwijkingsbepaling kunnen vallen, zoals artikel 56 EEG-Verdrag, waarnaar in artikel 66 wordt verwezen. Volgens die arresten kunnen voorts doelstellingen van economische aard geen redenen van openbare orde in de zin van dat artikel zijn.
17 Het Real Decreto Legislativo dient ongetwijfeld een dergelijke economische doelstelling, want doordat het de distributie van een groot aantal nationale films beoogt te waarborgen, verzekert het uiteindelijk de producenten van die films van voldoende ontvangsten.
18 De Spaanse regering stelt echter, dat het Real Decreto Legislativo een culturele doelstelling heeft, te weten de bescherming van de nationale filmproduktie.
19 Dat argument houdt geen stand.
20 Afgezien van het feit dat het cultuurbeleid niet voorkomt onder de in artikel 56 genoemde rechtvaardigingsgronden, moet worden opgemerkt, dat het Real Decreto Legislativo de distributie van nationale films begunstigt, ongeacht de inhoud of de kwaliteit ervan.
21 Onder die omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat door de koppeling van de afgifte van vergunningen voor de nasynchronisatie van films uit derde landen aan de distributie van nationale films een zuiver economische doelstelling wordt gediend, die geen reden van openbare orde is in de zin van artikel 56 EEG-Verdrag.
22 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke vergunningen voor de nasynchronisatie van films uit derde landen in een van de officiële nationale talen enkel worden afgegeven aan distributeurs die zich ertoe verbinden, nationale films te distribueren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Supremo bij beschikking van 12 december 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke vergunningen voor de nasynchronisatie van films uit derde landen in een van de officiële nationale talen enkel worden afgegeven aan distributeurs die zich ertoe verbinden, nationale films te distribueren.
Full & Egal Universal Law Academy