Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gelijke behandeling - Nationale bepaling, volgens welke bijdragen van werknemer voor verplichte verzekering worden terugbetaald ingeval van aansluiting bij bijzondere regeling voor ambtenaren - Weigering van terugbetaling voor werknemer die ambtenaar is geworden in andere Lid-Staat - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 1408/71, art. 3, 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub 2)
Samenvatting
De artikelen 3, 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 verzetten zich niet ertegen, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke de door een werknemer betaalde premies voor een verplichte verzekering worden terugbetaald, wanneer hij in deze staat is aangesloten bij een bijzondere sociale-zekerheidsregeling voor ambtenaren, een dergelijke terugbetaling uitsluit, wanneer de werknemer in overheidsdienst van een andere Lid-Staat treedt.
In deze wettelijke regeling vormt de terugbetaling van de bijdragen waarop de werknemer die in dienst van de nationale overheid treedt na bijdragen voor een verplichte verzekering te hebben betaald, namelijk een compensatie voor het feit dat hij na minder dan een minimale duur van bijdragebetaling bij zijn overgang in overheidsdienst elk recht op pensioen uit hoofde van de regeling waarbij hij voordien was aangesloten, verliest, terwijl de werknemer die in overheidsdienst van een andere Lid-Staat treedt, ingevolge de betrokken wettelijke regeling aangesloten mag blijven en vrijwillig bijdragen mag betalen, zodat het twee niet vergelijkbare situaties betreft, waarop het non-discriminatiebeginsel niet van toepassing is.
Partijen
In zaak C-28/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Sozialgericht Reutlingen (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
M.-H. Leguaye-Neelsen
en
Bundesversicherungsanstalt für Angestellte,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door T. Herrmann, Leitender Verwaltungsdirektor bij de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door B. Schulte van het Max-Planck-Institut für ausländisches und internationales Sozialrecht, München,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Duitse regering en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door B. Schulte ter terechtzitting van 11 maart 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 april 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 december 1991, ingekomen bij het Hof op 3 februari 1992, heeft het Sozialgericht Reutlingen (Duitsland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983 L 230, blz. 6, hierna: "verordening nr. 1408/71").
2 Deze vraag is gerezen in verband met een bij het Sozialgericht Reutlingen door M.-H. Leguaye-Neelsen, Frans onderdaan, ingesteld beroep tegen de beschikking van de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte (hierna: "BfA") waarbij deze weigerde, verplichte premies die zij voor de wettelijke pensioenverzekering had betaald in de periode van 1973 tot 1977, toen zij in Duitsland werkzaam was, aan haar terug te betalen.
3 Na haar verblijf in Duitsland trad Leguaye-Neelsen in dienst van de Franse overheid, waar zij thans als lerares werkzaam is. Ofschoon verzoekster in een andere Lid-Staat dan de Bondsrepubliek Duitsland woont, mag zij krachtens Bijlage VI, punt C, sub 7 b, van verordening nr. 1408/71, vrijwillige premies betalen voor de Duitse pensioenverzekering.
4 De weigering van de BfA is gebaseerd op de Duitse wetgeving, die het recht op terugbetaling van deze premies niet toekent aan werknemers die verplichte premies hebben betaald voor de pensioenregeling, wanneer zij vervolgens recht hebben op vrijwillig voortgezette verzekering.
5 Personen die in dienst van de Duitse overheid treden, nadat zij minder dan 60 maanden als werknemer in Duitsland verplicht verzekerd waren, hebben geen recht op vrijwillig voortgezette verzekering en kunnen terugbetaling van de door hen betaalde premies vragen.
6 Van mening, dat voor zijn beslissing een uitlegging van verordening nr. 1408/71 noodzakelijk is, heeft het Sozialgericht Reutlingen besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudicile vraag voor te leggen:
"Moeten de artikelen 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het recht op terugbetaling van bijdragen of premies naar nationaal recht ook bestaat, wanneer een werknemer niet op grond van de nationale bepalingen van de betrokken Lid-Staat, maar op grond van de nationale bepalingen van een andere Lid-Staat bij een vergelijkbare sociale-zekerheidsregeling voor ambtenaren is aangesloten"?
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Om te beginnen zij opgemerkt, dat een wettelijke regeling als de onderhavige niet alleen moet worden beoordeeld met inachtneming van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die door de nationale rechter zijn genoemd, maar ook met inachtneming van artikel 3 van deze verordening. Een dergelijke wettelijke regeling voorziet namelijk in verschillende sociale zekerheidsregelingen al naar gelang de betrokkene in overheidsdienst treedt van de staat die de wettelijke regeling heeft vastgesteld, dan wel in overheidsdienst van een andere Lid-Staat. Derhalve dient te worden onderzocht, of dit verschil in behandeling, zoals de Commissie betoogt, een bij voornoemde bepaling verboden discriminatie oplevert.
9 Gezien het voorgaande moet de gestelde vraag aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of de artikelen 3, 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke de door een werknemer betaalde premies voor een verplichte verzekering worden terugbetaald, wanneer de werknemer in deze staat is aangesloten bij een bijzondere sociale-zekerheidsregeling voor ambtenaren, een dergelijke terugbetaling uitsluit, wanneer de werknemer in de overheidsdienst van een andere Lid-Staat treedt.
De toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71
10 De Duitse regering is van mening, dat verordening nr. 1408/71 in de zaak in het hoofdgeding niet van toepassing is. Het betrokken recht op terugbetaling vloeit namelijk voort uit het feit dat Duitse ambtenaren op grond van hun aansluiting bij een bijzondere sociale-zekerheidsregeling niet langer onderworpen zijn aan de wettelijk verplichte verzekering en geen recht op vrijwillig voortgezette verzekering hebben indien zij minder dan 60 maanden premies hebben betaald. Dit recht op terugbetaling vormt dus een onderdeel van de bijzondere sociale-zekerheidsregeling voor Duitse ambtenaren, die krachtens artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 buiten de werkingssfeer van deze verordening valt.
11 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 9 en 10 van zijn conclusie heeft aangetoond, de hoedanigheid van ambtenaar van de betrokkene niet doorslaggevend is voor het recht op terugbetaling. Dit recht is namelijk een compensatie voor het ontbreken van een recht op vrijwillig voortgezette verzekering, wat niet alleen het geval is voor de ambtenaren van de betrokken Lid-Staat, maar eveneens voor andere categorieën van personen, zoals in het bijzonder voor uit derde landen afkomstige werknemers die in deze Lid-Staat niet langer onder de verplichte verzekering vallen, zonder dat zij premies hebben betaald gedurende het tijdvak dat voor het verkrijgen van een recht op pensioen vereist is.
12 Hieruit volgt, dat het betrokken recht op terugbetaling niet op grond van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 aan de toepasselijkheid van de verordening is onttrokken.
Artikel 3 van verordening nr. 1408/71
13 Naar Duits recht hebben personen die in Duitsland niet langer onder de verplichte verzekering vallen, maar geen recht op een toekomstig pensioen hebben verkregen, in het algemeen geen recht op terugbetaling van de verplicht betaalde premies, maar kunnen zij vrijwillig premies voor de Duitse verzekering blijven betalen om het recht op een toekomstig pensioen te verkrijgen. Deze regeling is geheel onafhankelijk van de nationaliteit van de werknemer.
14 Werknemers die minder dan 60 maanden verplichte premies hebben betaald en vervolgens in Duitse overheidsdienst treden, zijn naar Duits recht echter uitgesloten van het recht om vrijwillige premies te betalen. Het recht op terugbetaling van de betaalde premies vormt in dat geval een compensatie voor het verlies van een toekomstig recht op pensioen.
15 Het geval van deze werknemers is niet vergelijkbaar met dat van werknemers die onder dezelfde omstandigheden in overheidsdienst van een andere Lid-Staat treden, aangezien deze laatsten, in tegenstelling tot de eersten, in Duitsland het recht hebben vrijwillige premies te betalen.
16 Te dezen zij opgemerkt, dat blijkens het dossier de in rechtsoverweging 14 vermelde bijzondere regeling voor personen die in Duitse overheidsdienst treden, bedoeld is om dubbele verzekeringen te voorkomen. De Duitse wetgever is echter niet verplicht, rekening te houden met situaties waarin sprake is van dubbele verzekeringen die het gevolg zijn van de gelijktijdige toepassing van zijn eigen sociale-zekerheidsstelsel en dat van een in een andere Lid-Staat bestaande bijzondere sociale-zekerheidsregeling; derhalve belet niets de Duitse wetgever om personen die zich in dezelfde situatie bevinden als verzoekster, onder de regeling te laten vallen die in het algemeen geldt voor personen die niet meer verplicht verzekerd zijn.
17 Het is juist, dat werknemers die in een Lid-Staat niet meer verplicht verzekerd zijn en die als werknemer of zelfstandige verplicht verzekerd zijn in een andere Lid-Staat, krachtens artikel 46 van verordening nr. 1408/71 recht erop hebben dat in de tweede Lid-Staat rekening wordt gehouden met de in de eerste Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, terwijl dit is uitgesloten bij personen die zich in dezelfde situatie bevinden als verzoekster. Dit is echter een gevolg van het feit dat verordening nr. 1408/71 krachtens artikel 4, lid 4, niet van toepassing is op bijzondere regelingen voor ambtenaren en derhalve niet voorschrijft dat de regeling, die in de eerste Lid-Staat geldt voor personen die in overheidsdienst van deze staat treden, wordt uitgebreid tot werknemers die in overheidsdienst van een andere Lid-Staat treden.
18 De toepassing van de algemene regeling die geldt voor werknemers die niet meer verplicht verzekerd zijn, op werknemers die in overheidsdienst van een andere Lid-Staat treden, levert derhalve niet een bij artikel 3 van verordening nr. 1408/71 verboden discriminatie op.
De artikelen 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71
19 De andere in de prejudiciële vraag genoemde bepalingen van verordening nr. 1408/71 schrijven evenmin het hier in geding zijnde recht op terugbetaling voor.
20 Om te beginnen heeft artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk "de bepalingen van de wetgeving van een Lid-Staat welke de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stellen van het wonen op het grondgebied van deze staat, niet gelden voor personen die wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, mits zij tevoren ooit als werknemer of zelfstandige aan de wetgeving van eerstbedoelde staat onderworpen zijn geweest", betrekking op de voorwaarden die de Lid-Staten stellen voor de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering, en niet op de voorwaarden voor een eventuele terugbetaling van de premies.
21 Vervolgens houdt artikel 10, lid 2, van deze verordening, dat bepaalt, dat "wanneer de wetgeving van een Lid-Staat de terugbetaling van bijdragen of premies afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene niet meer verplicht verzekerd is, deze voorwaarde wordt geacht niet te zijn vervuld zolang hij als werknemer of zelfstandige verplicht verzekerd is ingevolge de wetgeving van een andere Lid-Staat", niet in dat in andere gevallen recht op terugbetaling bestaat.
22 Ten slotte kan artikel 13, lid 2, sub d, van deze verordening, volgens hetwelk "onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert", - in de zaak in het hoofdgeding de Franse wetgeving - niet tot gevolg hebben, dat de positie van de betrokkene in relatie tot de wetgeving van een andere Lid-Staat, die voordien op hem van toepassing was, op losse schroeven wordt gezet.
23 Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de artikelen 3, 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich niet ertegen verzetten dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke de door een werknemer betaalde premies voor een verplichte verzekering worden terugbetaald, wanneer de werknemer in deze staat is aangesloten bij een bijzondere sociale-zekerheidsregeling voor ambtenaren, een dergelijke terugbetaling uitsluit, wanneer de werknemer in de overheidsdienst van een andere Lid-Staat treedt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Reutlingen bij beschikking van 19 december 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 3, 9, 10, lid 2, en 13, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, verzetten zich niet ertegen, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke de door een werknemer betaalde premies voor een verplichte verzekering worden terugbetaald, wanneer hij in deze staat is aangesloten bij een bijzondere sociale-zekerheidsregeling voor ambtenaren, een dergelijke terugbetaling uitsluit, wanneer de werknemer in de overheidsdienst van een andere Lid-Staat treedt.
Full & Egal Universal Law Academy