Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Groepsvrijstelling - Exclusieve afnameovereenkomsten - Tankstationcontract daterend van voor toetreding van Spanje en Portugal en gesloten voor onbepaalde tijd of voor meer dan tien jaar - Vrijstelling - Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 3; verordening nr. 1984/83 van de Commissie, art. 12, lid 1, sub c, en 15, leden 3 en 4)
Samenvatting
Een tankstationcontract daterend van vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, dat voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar is gesloten, kan overeenkomstig artikel 15, leden 3 en 4, van verordening nr. 1984/83 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten, in aanmerking komen voor de in die verordening bedoelde groepsvrijstelling, wanneer het aan de in de verordening gestelde voorwaarden, met uitzondering van die inzake de geldigheidsduur bedoeld in artikel 12, lid 1, sub c, voldoet.
Partijen
In zaak C-39/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa, in het aldaar aanhangig geding tussen
Petróleos de Portugal SA (Petrogal),
en
Correia, Simões & Companhia, Ld.°, Correia, Sousa & Crisóstomo, Ld.°,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 85, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 12, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten (PB 1983, L 173, blz. 5; gerectificeerd in PB 1984, L 79, blz. 38),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Petróleos de Portugal - Petrogal SA, vertegenwoordigd door A. Figueiredo, advocaat te Lissabon,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. I. Fernandes, directeur juridische zaken bij het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen, en L. A. Máximo dos Santos, wetenschappelijk medewerker aan de juridische faculteit te Lissabon, als gemachtigden,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Mavrikas, adjunct-rechtskundig adviseur bij de juridische dienst van de Staat, en P. Athanassoulis, procesgemachtigde bij dezelfde dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira en F. E. Gonzalez Diaz, leden van haar juridische dienst, en H. Varandas, bij deze dienst gedetacheerd Portugees ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Petróleos de Portugal - Petrogal SA, vertegenwoordigd door F. Cunha de Sá, advocaat te Lissabon; Correia, Simões & Companhia, Ld.°, en Correia, Sousa & Crisóstomo, Ld.°, vertegenwoordigd door V. de Menezes Falcão, advocaat te Lissabon; de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 24 juni 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 22 maart 1991, ingekomen bij het Hof op 13 februari 1992, heeft het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 85, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 12, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten (PB 1983, L 173, blz. 5; gerectificeerd in PB 1984, L 79, blz. 38).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Petróleos de Portugal - Petrogal (hierna: "Petrogal") en de vennootschappen Correia, Simões & Companhia, Limitada (hierna: "wederverkoper") en Correia, Sousa & Crisóstomo, Limitada, naar aanleiding van de eenzijdige opzegging door de wederverkoper van een op 17 mei 1982 voor een periode van vijftien jaar, dus tot 17 mei 1997, gesloten overeenkomst.
3 Ingevolge artikel 1 van die overeenkomst was Petrogal verplicht tot levering van brandstoffen en smeermiddelen aan de wederverkoper, die deze produkten moest afnemen voor verkoop in zijn tankstation. De vennootschap Correia, Sousa & Crisóstomo, Limitada, had zich jegens Petrogal borg gesteld voor de wederverkoper.
4 De wederverkoper zegde de overeenkomst op 14 mei 1990 op. Wegens wanprestatie werd hij door Petrogal voor het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa gedaagd.
5 Het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa was van oordeel, dat het Hof moest worden verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Is een tankstationcontract als bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 1984/83 van 22 juni 1983, dat in strijd met artikel 12, lid 1, sub c, van de verordening voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar is gesloten, krachtens artikel 85, lid 2, EEG-Verdrag geheel nietig of enkel wat dat punt betreft, zodat het voor een periode van tien jaar - de maximaal toegestane looptijd - geldig kan worden geacht?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 De prejudiciële vraag lijkt uit te gaan van de onderstelling, dat verordening nr. 1984/83 de voorwaarden bepaalt waaronder tankstationcontracten geldig zijn ten aanzien van de communautaire mededingingsregels.
8 Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat verordening nr. 1984/83 uitsluitend een verordening betreffende groepsvrijstellingen is, die door de Commissie is vastgesteld op de grondslag van verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1965, blz. 533), laatstelijk gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen van 12 juni 1985 (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "Toetredingsakte"). Wanneer een overeenkomst niet voldoet aan alle voorwaarden voor vrijstelling die bij een dergelijke verordening zijn vastgesteld, volgt daaruit niet, dat de overeenkomst in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Het staat dan aan de nationale rechter om na te gaan, of de overeenkomst verenigbaar is met dat artikel.
9 Artikel 10 van verordening nr. 1984/83 verklaart artikel 85, lid 1, van het Verdrag buiten toepassing voor bepaalde, aldaar omschreven tankstationcontracten. Om voor de groepsvrijstelling in aanmerking te komen, moeten deze contracten voldoen aan de in de artikel 11 tot en met 13 van de verordening genoemde voorwaarden.
10 Volgens artikel 12, lid 1, sub c, is artikel 10 niet van toepassing wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar wordt gesloten.
11 Ingevolge artikel 15, lid 3 en lid 4, (dit laatste artikellid is toegevoegd bij artikel 26 van de Toetredingsakte) geldt het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet voor overeenkomsten van de in artikel 10 bedoelde categorie, die op de datum van toetreding reeds van kracht waren, en wel tot de afloop van de overeenkomst en uiterlijk tot het einde van de geldigheidsduur van de verordening, te weten 31 december 1997, mits de leverancier de wederverkoper vóór 1 januari 1989 heeft ontslagen van alle verplichtingen die een vrijstelling in de weg staan.
12 Uit deze bepalingen volgt, dat de in artikel 12, lid 1, sub c, van de verordening gestelde voorwaarde betreffende de maximumduur van de overeenkomst niet van toepassing is op een vóór de toetreding gesloten overeenkomst, als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
13 Een overeenkomst daterend van vóór de toetreding, die voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar is gesloten, kan dus in aanmerking komen voor de in verordening nr. 1984/83 bedoelde vrijstelling totdat zij afloopt of uiterlijk tot 31 december 1997, mits zij uiterlijk vanaf 1 januari 1989 in overeenstemming is gebracht met de voorwaarden van de artikelen 10 tot en met 13 van die verordening, met uitzondering van die inzake de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 12, lid 1, sub c.
14 In die omstandigheden moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat een tankstationcontract daterend van vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, dat voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar is gesloten, overeenkomstig artikel 15, leden 3 en 4, van verordening nr. 1984/83 in aanmerking kan komen voor de in die verordening bedoelde groepsvrijstelling, wanneer het aan de in de verordening gestelde voorwaarden, met uitzondering van die inzake de geldigheidsduur bedoeld in artikel 12, lid 1, sub c, voldoet.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Portugese regering, de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Cível da Comarca de Lisboa bij beschikking van 22 maart 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een tankstationcontract daterend van vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, dat voor onbepaalde tijd of voor een periode van meer dan tien jaar is gesloten, kan overeenkomstig artikel 15, leden 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten, in aanmerking komen voor de in die verordening bedoelde groepsvrijstelling, wanneer het aan de in de verordening gestelde voorwaarden, met uitzondering van die inzake de geldigheidsduur bedoeld in artikel 12, lid 1, sub c, voldoet.
Full & Egal Universal Law Academy