Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ° Beschermende maatregelen bij invoer van zure kersen ° Aankoop bij niet in land van oorsprong gevestigde tussenhandelaar ° Aan tussenhandelaar betaalde prijs en wederverkoopprijs hoger dan minimumprijs bij invoer ° Toepassing van compenserende heffing ° Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 1626/85 van de Commissie, gewijzigd bij verordening nr. 1712/85)
Samenvatting
Verordening nr. 1626/85 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen, zoals bij verordening nr. 1712/85 gewijzigd in haar Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie, moet aldus worden uitgelegd, dat de compenserende heffing waarin zij voorziet voor het geval de minimumprijs bij invoer niet in acht wordt genomen, niet kan worden toegepast wanneer de goederen door de importeur zijn gekocht bij een niet in het land van oorsprong gevestigde tussenhandelaar en wanneer vaststaat dat zowel de prijs die door de importeur aan de tussenhandelaar is betaald, als de wederverkoopprijs die vervolgens door die importeur is toegepast, hoger is dan de minimumprijs. In dat geval is het doel van verordening nr. 1626/85, te weten de gemeenschapsmarkt te beschermen tegen de afzet van tegen abnormaal lage prijs ingevoerde produkten, immers bereikt.
Partijen
In zaak C-81/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Hans Dinter GmbH
en
Hauptzollamt Bad Reichenhall
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen (PB 1985, L 156, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1712/85 van de Commissie van 21 juni 1985 tot wijziging van de Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van verordening (EEG) nr. 1626/85 (PB 1985, L 163, blz. 46),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Hans Dinter GmbH, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door D. Raptis, juridisch adviseur van de staat, en P. Athanassoulis, lid van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 februari 1992, ingekomen ten Hove op 13 maart daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen (PB 1985, L 156, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1712/85 van de Commissie van 21 juni 1985 tot wijziging van de Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van verordening (EEG) nr. 1626/85 (PB 1985, L 163, blz. 46).
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen Hans Dinter GmbH (hierna: "Dinter") en het Hauptzollamt Bad Reichenhall (hierna: "Hauptzollamt") over de betaling van een compenserende heffing ten bedrage van 728 714,95 DM, die van Dinter is opgeëist omdat zij de minimumprijs bij invoer van morellen niet in acht zou hebben genomen.
3 Bij verordening nr. 1626/85 is bij wijze van beschermingsmaatregel bij de invoer van bepaalde soorten morellen, waaronder "ingevroren morellen", een minimuminvoerprijs vastgesteld. Artikel 1, lid 2, van die verordening bepaalt, dat "Indien de minimumprijs bij invoer niet in acht wordt genomen, de in de bijlage aangegeven compenserende heffing wordt toegepast".
4 Artikel 2 van verordening nr. 1626/85, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1712/85, luidt als volgt:
"1. Bij de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer tot verbruik van de betrokken produkten vergelijken de douanediensten de invoerprijs van elke partij met de minimumprijs die geldt op de dag waarop de bovengenoemde formaliteiten worden vervuld.
2. (...)
3. Op de aangifte ten invoer tot verbruik moet de invoerprijs worden vermeld en deze aangifte moet vergezeld zijn van alle documenten die voor de verificatie van de prijs nodig zijn."
5 Artikel 3 van verordening nr. 1626/85 bepaalt,
"1. De invoerprijs bestaat uit de volgende componenten:
a) de fob-prijs in het land van oorsprong;
en
b) de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.
2. (...)
3. Wanneer de factuur die aan de douane wordt voorgelegd, niet door de exporteur in het land van oorsprong van de produkten is opgesteld of wanneer niet ten genoege van de douane is aangetoond dat de aangegeven prijs met de fob-prijs in het land van oorsprong overeenstemt, nemen de bevoegde instanties in de Lid-Staten de nodige maatregelen om die prijs te bepalen, waartoe zij met name uitgaan van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht."
6 Volgens artikel 5, tweede alinea, was verordening nr. 1626/85 van toepassing tot en met 9 mei 1986. Die termijn is verlengd tot en met 9 mei 1987 bij verordening (EEG) nr. 1257/86 van de Commissie van 29 april 1986 (PB 1986, L 113, blz. 37).
7 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Dinter in de jaren 1985-1987 ingevroren morellen van Joegoslavische oorsprong in de Bondsrepubliek Duitsland heeft geïmporteerd en in het vrije verkeer gebracht. Bij verificatie stelde de douane vast, dat Dinter deze morellen uitsluitend bij één tussenhandelaar had betrokken, te weten de in Wenen gevestigde firma Kraus & Kraus (hierna "tussenhandelaar"), die de morellen tegen een lagere dan de minimumprijs had verkregen. Het staat echter vast, dat de prijs die Dinter aan deze tussenhandelaar had betaald, en de wederverkoopprijs die zij vervolgens zelf toepaste, beide hoger waren dan die minimumprijs.
8 Het Hauptzollamt vergeleek de minimumprijs met de door de tussenhandelaar aan de exporteur in het land van oorsprong betaalde lagere aankoopprijs en vorderde bij verscheidene beschikkingen het hierboven vermelde bedrag als compenserende heffing.
9 Dinter ging tegen die beschikkingen in beroep bij het Finanzgericht Muenchen, in hoofdzaak stellende dat er geen grond was voor toepassing van de compenserende heffing, omdat zowel de prijs die zij bij de invoer had betaald, als de wederverkoopprijs die zij vervolgens had toegepast, hoger waren dan de minimumprijs. Voorts verklaarde zij, dat zij de door de tussenhandelaar betaalde aankoopprijs niet kende, zodat het haar ook onmogelijk was deze te vermelden. Volgens Dinter had de Duitse douane bij de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1626/85 bedoelde vergelijking haar wederverkoopprijs als uitgangspunt moeten nemen en niet de door de tussenhandelaar betaalde aankoopprijs.
10 Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhing van de uitlegging van verordening nr. 1626/85, heeft het Finanzgericht bij beschikking van 12 februari 1992 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1. Moet verordening nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen, met name gezien de tweede tot en met de zesde overweging van de considerans, aldus worden uitgelegd, dat een compenserende heffing niet kan worden toegepast indien zowel de prijs bij invoer als de wederverkoopprijs van de importeur hoger is dan de minimumprijs?
2. Geldt dit ook indien de aan de invoer voorafgegane koopovereenkomst is gesloten tussen de importeur en een verkoper die niet in het land van oorsprong is gevestigd?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de toepasselijke gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 Met zijn vragen wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of verordening nr. 1626/85 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de goederen door de importeur zijn gekocht bij een tussenhandelaar die niet is gevestigd in het land van oorsprong van de goederen, een compenserende heffing niet kan worden toegepast indien zowel de prijs die door de importeur aan de tussenhandelaar is betaald, als de wederverkoopprijs die vervolgens door die importeur is toegepast, hoger is dan de minimumprijs.
13 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat volgens de eerste en de tweede overweging van haar considerans verordening nr. 1626/85 tot doel heeft, vrijwaringsmaatregelen in te stellen ter bescherming van de gemeenschappelijke markt van bepaalde soorten morellen, welke markt door de importen uit derde landen zo ernstig verstoord dreigde te worden, dat de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar konden komen.
14 Zoals in de derde en de vierde overweging van de considerans van de verordening wordt gepreciseerd, dienen de beschermingsmaatregelen te voorkomen dat de ingevoerde produkten tegen abnormaal lage prijzen worden afgezet. Dit doel kan worden bereikt door de instelling van een minimumprijs die bij de invoer in de Gemeenschap in acht moet worden genomen, en, wanneer dit niet gebeurt, door de toepassing van compenserende heffingen. Aangezien de verordening derhalve beoogt te bereiken dat de hierbedoelde produkten in de Gemeenschap worden ingevoerd tegen een prijs die tenminste gelijk is aan de minimumprijs, is het de door de importeur betaalde prijs die als vergelijkingsgrondslag moet dienen.
15 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1626/85 preciseert dienaangaande, dat de invoerprijs bestaat uit de fob-prijs in het land van oorsprong, vermeerderd met de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap. Het is deze prijs waarvan de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer als algemene regel bij de in artikel 2, lid 1, van de verordening bedoelde vergelijking moeten uitgaan.
16 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1626/85 regelt evenwel het normale geval van een koopovereenkomst door de importeur gesloten met een in het land van oorsprong van de goederen gevestigde exporteur, en niet het geval van een koopovereenkomst tussen de importeur en een niet in het land van oorsprong van de goederen gevestigde tussenhandelaar.
17 De wijze waarop de invoerprijs in dit laatste bijzondere geval moet worden bepaald, is geregeld in artikel 3, lid 3, van de verordening, dat van toepassing is wanneer de aan de douaneautoriteiten voorgelegde factuur niet is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong van het produkt. Volgens deze bepaling moet de invoerprijs dan worden bepaald door met name de door de importeur toegepaste wederverkoopprijs tot uitgangspunt te nemen.
18 Dit geldt slechts wanneer andere gegevens ontbreken of wanneer de douaneautoriteiten de juistheid van de gefactureerde prijs betwijfelen. Wanneer echter vaststaat, dat de door de importeur aan de tussenhandelaar betaalde prijs en de vervolgens door hem toegepaste wederverkoopprijs hoger zijn dan de minimumprijs, is de doelstelling van verordening nr. 1626/85 bereikt. Alsdan dient de vergelijking op grond van deze prijzen te worden gemaakt.
19 Deze uitlegging vindt steun in de omstandigheid dat de wettelijke basis van verordening nr. 1626/85 is gelegen in verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 1), en in verordening (EEG) nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van de vrijwaringsmaatregelen in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 28), waarvan artikel 2, lid 2, onder meer preciseert, dat die vrijwaringsmaatregelen slechts mogen worden getroffen "in de mate en voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk zijn". Hieruit volgt, dat de toepassing van een compenserende heffing onwettig is wanneer het beschermingsdoel van de vrijwaringsmaatregelen is bereikt.
20 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de uitlegging dat in een geval als het onderhavige de oorspronkelijk door de tussenhandelaar betaalde prijs in aanmerking moet worden genomen, onjuist is, omdat die uitlegging tot een resultaat leidt dat verder gaat dan wat nodig is om de doelstelling van verordening nr. 1626/85 te verwezenlijken.
21 Mitsdien moet op de door de nationale rechter gestelde vragen worden geantwoord, dat verordening nr. 1626/85, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de importeur de goederen heeft gekocht bij een tussenhandelaar die niet in het land van oorsprong van de goederen is gevestigd, een compenserende heffing niet kan worden toegepast indien vaststaat, dat zowel de prijs die door de importeur aan de tussenhandelaar is betaald, als de wederverkoopprijs die vervolgens door die importeur is toegepast, hoger is dan de minimumprijs.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en door de Griekse regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 12 februari 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1712/85 van de Commissie van 21 juni 1985 tot wijziging van de Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van verordening (EEG) nr. 1626/85, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de importeur de goederen heeft gekocht bij een tussenhandelaar die niet in het land van oorsprong van de goederen is gevestigd, een compenserende heffing niet kan worden toegepast indien vaststaat, dat zowel de prijs die door de importeur aan de tussenhandelaar is betaald, als de wederverkoopprijs die vervolgens door die importeur is toegepast, hoger is dan de minimumprijs.
Full & Egal Universal Law Academy