Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschapsrecht ° Uitlegging ° Methodes ° Uitlegging van uitvoeringsverordening met inachtneming van basisverordening
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Verdediging tegen dumpingpraktijken ° Verordening tot instelling van definitief anti-dumpingrecht op invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan ° Materiële werkingssfeer ° Kogelbussen ° Daarvan uitgesloten
(Verordeningen van de Raad nr. 2176/84, art. 7 en 12, en nr. 1739/85, art. 1, lid 1)
Samenvatting
1. Indien een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, dient zij zoveel mogelijk aldus te worden uitgelegd, dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag. Eveneens dient een uitvoeringsverordening indien mogelijk aldus te worden uitgelegd, dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de basisverordening.
2. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan, moet aldus worden uitgelegd, dat kogelbussen niet daaronder vallen. Aldus uitgelegd, is deze bepaling niet ongeldig, wat wel het geval zou zijn geweest indien zij, in strijd met de artikelen 7 en 12 van de basisverordening nr. 2176/84 inzake anti-dumping, bepalende dat anti-dumpingrechten alleen kunnen worden ingesteld voor produkten die het voorwerp zijn van dumpingpraktijken die zijn vastgesteld in de loop van het onderzoek, eveneens die produkten had omvat, hoewel zij tijdens het anti-dumpingrecht buiten beschouwing zijn gebleven.
Partijen
In zaak C-90/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van Finanzgericht Baden-Wuerttemberg (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Dr. Tretter GmbH & Co., gevestigd te Rechberghausen,
en
Hauptzollamt Stuttgart-Ost,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan (PB 1985, L 167, blz. 3),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H.-J. Niemeyer, advocaat te Stuttgart,
° de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Monteiro, administrateur bij zijn juridische dienst, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bardenhewer en E. L. White, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 22 april 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 13 maart 1992, ingekomen ten Hove op 19 maart daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg (Duitsland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan (PB 1985, L 167, blz. 3).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een beroep bij het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg ingesteld door de vennootschap Dr. Tretter (hierna: "Tretter") tegen de beslissing van het Hauptzollamt Stuttgart-Ost om door Tretter uit Japan ingevoerde kogelbussen met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm in te delen onder tariefpost 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief (NIMEXE-code 84.62-09). Ingevolge deze indeling werden de genoemde produkten niet alleen aan een invoerrecht van 9 % onderworpen, maar overeenkomstig artikel 1 van verordening nr. 1739/85, ook aan een anti-dumpingrecht van 21,7 %.
3 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 luidt als volgt:
"Er wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm en van kegellagers, vallende onder post ex 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de NIMEXE-codes 84.62-09 en 84.62-17, van oorsprong uit Japan, met uitzondering van door Inoue Jikuuke Kogyo Co. Ltd, Maekawa Bearing MGF Co. Ltd, Matsuo Bearing Co. Ltd en Minamiguchi Bearing MFG Co. Ltd vervaardigde lagers."
4 Tretter voert in haar verzoekschrift aan, dat de betrokken produkten geen kogellagers zijn in de zin van NIMEXE-code 84.62-09, maar delen van kogellagers, "andere" dan kogels, naalden en rollen van NIMEXE-code 84.62-33, of ten hoogste andere kogellagers in de zin van NIMEXE-code 84.62-26. Deze produkten zouden derhalve niet onder artikel 1 van verordening nr. 1739/85 vallen, en niet onderworpen zijn aan een anti-dumpingrecht.
5 De nationale rechter merkt op dat, ingeval artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 aldus moet worden uitgelegd dat zij kogelbussen omvat, deze bepaling in dit opzicht ongeldig is indien komt vast te staan dat de anti-dumpingprocedure daarop geen betrekking had.
6 In deze omstandigheden heeft de nationale rechter besloten de procedure op te schorten totdat het Hof zich over de volgende prejudiciële vraag heeft uitgesproken:
"Is artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan (PB 1985, L 167, blz. 3) ongeldig of moet het aldus worden uitgelegd, dat onder 'kogellagers overeenkomende met de NIMEXE-codes 84.62-09 (...)' enkel kogellagers in technische zin, dus radiaal draaiende lagers en niet zogenoemde kogelbussen (' Kugelbuchsen' , slechts lineair beweegbare geleidingen) moeten worden begrepen?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de juridische context van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Met de prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij kogelbussen omvat, en, zo ja, of deze bepaling geldig is.
9 Er zij allereerst op gewezen, dat in het bijzonder uit de artikelen 7 en 12 van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1) ° de op het hoofdgeding toepasselijke basisverordening ° voortvloeit, dat anti-dumpingrechten alleen kunnen worden ingesteld voor produkten die het voorwerp zijn van dumpingpraktijken die zijn vastgesteld in de loop van het overeenkomstig artikel 7 ingestelde en uitgevoerde onderzoek. Zou artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 dus in die zin moeten worden uitgelegd dat het ook kogelbussen omvat, dan zou deze bepaling in zoverre ongeldig zijn.
10 Volgens de Raad en de Commissie had de anti-dumpingprocedure, die tot de instelling van de bestreden anti-dumpingrechten heeft geleid, geen betrekking op kogelbussen, niettegenstaande de bewoordingen van overweging 25 van de considerans van verordening nr. 1739/85, volgens welke "in zover de kleine fabrikanten hierbij betrokken waren, bij het onderzoek rekening werd gehouden met de uitvoer naar de Gemeenschap van alle soorten kogellagers".
11 Indien een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, dient zij volgens de rechtspraak van het Hof zoveel mogelijk aldus te worden uitgelegd, dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag (zie onder meer arrest van 13 december 1983, zaak 218/82, Commissie/Raad, Jurispr. 1983, blz. 4063, r.o. 15). Eveneens dient een toepassingsverordening indien mogelijk aldus te worden uitgelegd, dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de basisverordening (in deze zin, arrest van 10 maart 1971, zaak 38/70, Tradax, Jurispr. 1971, blz. 145, r.o. 10).
12 Nagegaan dient dus te worden, of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 aldus kan worden uitgelegd, dat kogelbussen niet daaronder vallen.
13 In dit verband zij er allereerst op gewezen, dat reeds op grond van de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 en met name van de uitdrukking "vallende onder post ex 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief", kan worden geconcludeerd, dat de eventuele indeling van een produkt onder deze post niet automatisch meebrengt, dat dat produkt uit hoofde van deze bepaling aan het anti-dumpingrecht is onderworpen.
14 Vervolgens dient te worden overwogen dat, zoals de Raad en de Commissie terecht hebben opgemerkt, alleen kogellagers in eigenlijke zin, dus radiaal draaiende lagers, noodzakelijkerwijs een diameter hebben. De doorsnede van kogelbussen, die er in beginsel toe dienen schuifbewegingen mogelijk te maken en elke draaibeweging te verhinderen, is vaak rechthoekig.
15 Had de communautaire wetgever kogelbussen aan het anti-dumpingrecht willen onderwerpen, dan zou hij voor deze produkten in ieder geval andere onderscheidingscriteria hebben opgesteld. Het ware immers niet gerechtvaardigd alleen bussen met cirkelvormige doorsnede, waarvan de grootste uitwendige diameter meer dan 30 mm bedraagt, aan het anti-dumpingrecht te onderwerpen.
16 Hieruit volgt dat, zonder op enigerlei wijze vooruit te lopen op de indeling van kogelbussen binnen post ex 84.62, artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 aldus moet worden uitgelegd, dat het door deze bepaling ingestelde anti-dumpingrecht niet van toepassing is op kogelbussen.
17 Aan de nationale rechter dient derhalve te worden geantwoord, dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 aldus moet worden uitgelegd, dat kogelbussen niet daaronder vallen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg bij beschikking van 13 maart 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan, moet aldus worden uitgelegd, dat kogelbussen niet daaronder vallen.
Full & Egal Universal Law Academy